Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1291

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
C/08/182890 / KG ZA 16-60
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen onrechtmatig handelen door gedaagde door artikelen en reportages m.b.t. eiseres gepubliceerd te houden op haar website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/27
IR 2016/78, UDH:IR/13313 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/182890 / KG ZA 16-60

Vonnis in kort geding van 14 april 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. L.S.F. ten Feld te Almelo,

tegen

de stichting

STICHTING RTV OOST,

gevestigd te Hengelo (O),

gedaagde,

advocaat mr. D. Griffiths te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en RTV Oost genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    drie producties aan de zijde van RTV Oost,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van RTV Oost.

1.2.

Partijen hebben een termijn gekregen om tot een vergelijk te komen, hetgeen niet is gelukt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is per 10 april 2006 aangetreden als wethouder Werk en Inkomen voor de gemeente Enschede. [eiseres] heeft in dat kader tevens de rol van voorzitter van Stadsbank Oost-Nederland (verder te noemen: de Stadsbank) op zich genomen.

2.2.

Op 4 juni 2012 is [eiseres] afgetreden als wethouder.

2.3.

Van 1 mei 2013 tot 1 mei 2014 is [eiseres] als directeur Corporate Affairs bij Connexxion werkzaam geweest.

2.4.

[eiseres] heeft thans geen werk.

2.5.

In de periode van 11 oktober 2013 tot en met 9 december 2014 heeft RTV Oost op haar website een reeks artikelen en reportages over [eiseres] gepubliceerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert -kort gezegd- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    primair RTV Oost te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de artikelen en reportages, opgenomen in het als productie 1 bij de dagvaarding overgelegde overzicht, van de website van RTV Oost “www.rtvoost.nl” te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede RTV Oost te veroordelen zich te onthouden van verdere publicatie van de betreffende artikelen en reportages op voornoemde website danwel andere websites of informatiebronnen, welke onder beheer staan van RTV Oost, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    subsidiair een door de voorzieningenrechter nader te bepalen maatregel, zodanig dat de voornoemde artikelen en reportages binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis worden verwijderd en blijven verwijderd van de website www.rtvoost.nl, alsmede dat RTV Oost zich dient te onthouden van verdere publicatie van de betreffende artikelen en reportages op voornoemde website danwel andere websites of informatiebronnen onder het beheer van RTV Oost, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    zowel primair als subsidiair RTV Oost te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 15.000,00 op de door [eiseres] geleden schade, vooruitlopend op de schadevergoeding die [eiseres] in een te entameren bodemprocedure zal vorderen;

  • -

    zowel primair als subsidiair RTV Oost te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

RTV Oost voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar genoemde artikelen en reportages onrechtmatig zijn. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van perspublicaties is het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van RTV Oost op vrijheid van meningsuiting, aan de orde. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van RTV Oost onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht -het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam- in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.2.

Het belang van RTV Oost is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiseres] is erin gelegen dat haar persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en voor haar ongewenste publiciteit omtrent haar privé-gegevens en privé-situatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.3.

De gewraakte publicaties betreffen een 11-tal artikelen van RTV Oost in de periode van 11 oktober 2013 tot en met 9 december 2014 over [eiseres] . De toon van een aantal artikelen is beschuldigend (bijvoorbeeld: “Burgemeester Enschede: ‘ [eiseres] heeft gedragscode overtreden’ en “Oud-wethouder [eiseres] van Enschede verder onder vuur”). In deze situatie acht de voorzieningenrechter voor de belangenafweging van groot belang in welke mate de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal.

4.4.

De eerste artikelen gaan over het optreden van [eiseres] als voorzitter van de Stadsbank. Het bedrijf InnProCon had in de periode dat [eiseres] voorzitter was van de Stadsbank een ICT-opdracht van de Stadsbank gekregen. Voor InnProCon was toen [D] werkzaam. [D] was op dat moment de verloofde van [eiseres] . [eiseres] stelt dat de artikelen de suggestie wekken dat zij misbruik heeft gemaakt van haar positie als wethouder, maar dat uit de onderzoeksrapportage van de commissie van Stadsbank is gebleken dat de gunning van het ICT-project aan InnProCon correct is verlopen. Ook was het volgens haar ten tijde van de gunning van het ICT-project binnen Stadsbank alom bekend dat zij een affectieve relatie met [D] onderhield.

4.5.

Het artikel van RTV Oost van 11 oktober 2013 meldt dat de Stadsbank een onderzoek heeft ingesteld naar de mogelijke belangenverstrengeling van [eiseres] . Het artikel citeert een aantal e-mails van [eiseres] . RTV Oost heeft deze e-mails in het geding gebracht. [eiseres] heeft het bestaan van deze e-mails niet ontkend. De voorzieningenrechter constateert dat de citaten die in het artikel worden genoemd, op juiste wijze zijn weergegeven. Voorts zijn in het artikel een aantal reacties van de raadsfracties en een reactie van [eiseres] opgenomen.

4.6.

Vervolgens heeft RTV Oost op 14 oktober 2013 een tweetal artikelen gepubliceerd. Het eerste artikel gaat in op het intern onderzoeksrapport van Stadsbank en het tweede artikel op het raadsdebat hierover. [eiseres] stelt dat het eerste artikel van 14 oktober 2013 ten onrechte vermeldt dat zij aan [D] een betaalde opdracht van de Stadsbank heeft gegund. Hierin volgt de voorzieningenrechter haar niet. Het artikel meldt dat er een intern onderzoeksrapport is naar aanleiding van signalen dat [eiseres] in haar functie als voorzitter van de Stadsbank aan [D] een betaalde opdracht bij de Stadsbank heeft gegund. Dit is feitelijk juist. RTV Oost heeft de begeleidende e-mail bij het onderzoeksrapport van het Dagelijks Bestuur van de Stadsbank aan haar leden d.d. 11 oktober 2013 overgelegd. In deze mail staat -voor zover thans van belang-:“Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van signalen dat [eiseres] als toenmalige voorzitter van de Stadsbank haar toenmalige verloofde, werkzaam voor InnProcon B.V., een betaalde opdracht bij de SON heeft gegund”.

Uit het onderzoek is vervolgens naar voren gekomen dat de feitelijke contractsbesprekingen met InnProcon door de voormalige directeur van de Stadsbank zijn verricht.

RTV Oost heeft hieraan in het tweede artikel op 14 oktober 2013 aandacht besteed door te schrijven dat volgens (toenmalig) burgemeester Den Oudsten van Enschede (verder te noemen: de burgemeester) geen grond was voor verder onderzoek, omdat [eiseres] geen malversaties heeft gepleegd en geen persoonlijk voordeel heeft gehad. De Stadsbank heeft volgens de burgemeester ook geen schade geleden.

4.7.

Vorenstaande betekent volgens het interne onderzoek van de Stadsbank en de burgemeester echter niet dat de gunning geheel correct is verlopen, zoals [eiseres] heeft betoogd. In voornoemde begeleidende e-mail bij het onderzoeksrapport staat -voor zover van belang- het volgende: “Uiteraard hebben wij via de huidige voorzitter van de SON, [eiseres] om een reactie op het feitenonderzoek gevraagd. Zij geeft aan dat de beschreven feiten kloppen. (…). Op basis van het feitenonderzoek komen wij tot de conclusie dat [eiseres] op enkele besluitvormende momenten in het bestuur van de SON heeft nagelaten om zowel de leiding van de vergadering over te dragen, als een aantekening te maken van haar relatie”. In het raadsdebat op 14 oktober 2013 heeft de burgemeester aan de raadsleden laten weten dat [eiseres] in haar functie als voorzitter van de Stadsbank de gedragscode heeft overtreden en sprake was van een ontoelaatbare belangenverstrengeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wijze waarop RTV Oost hierover heeft gepubliceerd, te weten met name het weergeven van de bevindingen van de interne onderzoekscommissie van de Stadsbank respectievelijk de mening van de burgemeester, steun vond in het feitenmateriaal dat ten tijde van publicatie beschikbaar was.

4.8.

Vanaf 28 oktober 2013 gaan de gewraakte artikelen van RTV Oost om een aantal e-mails van [eiseres] die RTV-Oost in haar bezit had. [eiseres] stelt dat deze zien op een privé-kwestie, waarbij ze haar privé-leven en haar hoedanigheid van wethouder goed gescheiden heeft gehouden en van machtsmisbruik geen sprake is geweest. De artikelen hebben volgens haar geen nieuwswaarde en dienen geen publiek en algemeen belang. Niet enkel omdat zij suggestief zijn en onwaarheden bevatten, maar tevens omdat [eiseres] ten tijde van publicatie van het eerste artikel al ruim anderhalf jaar geen publiek ambt meer had bekleed, aldus [eiseres] .

4.9.

De voorzieningenrechter volgt [eiseres] hierin niet. RTV Oost heeft de onderliggende e-mails in het geding gebracht. [eiseres] heeft het bestaan van deze e-mails niet ontkend. De voorzieningenrechter constateert ook hier dat de citaten, die in de artikelen van RTV Oost worden genoemd, op juiste wijze zijn weergegeven.

4.10.

Bovendien blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de e-mails dat [eiseres] haar positie als wethouder inzette in het kader van privé-perikelen. Zonder uitvoerig op deze privé-perikelen in te gaan, zal de voorzieningenrechter een tweetal passages van [eiseres] citeren uit twee verschillende e-mails waaruit dit onder meer blijkt:

“Jullie snappen heel goed dat ik vanuit mijn positie ingangen heb om dat ook te laten controleren. Ik ken zelfs de minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin heel goed. Hij is niet alleen een partijgenoot maar ook iemand met wie ik regelmatig contact heb en die erg tegen misbruik van privacy-gevoelige informatie is” en

“Ik heb inmiddels ook een advocaat en tevens zorg ik er dan voor dat hij hier in Nederland overal bekend zal staan als een oplichter en hij per onmiddellijke ingang zijn 2 consultancy jobs kwijt is en dus zijn inkomen en grotere toekomstige inkomen. Dat betekent tevens dat hij nooit meer aan het werk zal kunnen komen in Nederland en dus dat jij je (toekomstige) alimentatie echt op je buik kunt schrijven. Je weet goed genoeg dat ik dat kan en dat mijn landelijk netwerk tot in de hoogste kringen zodanig is dat dit echt geen loze kreet is”.

Een deel van de e-mails is bovendien verstuurd vanaf het e-mailadres van [eiseres] bij de gemeente Enschede.

4.11.

Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat [eiseres] niet heeft onderbouwd waarom de artikelen over de privé-perikelen suggestief zijn en onwaarheden bevatten. Ter zitting heeft [eiseres] erop gewezen dat in twee artikelen staat dat zij de wet zou hebben overtreden, hetgeen volgens haar niet juist is. De voorzieningenrechter constateert echter dat in beide artikelen de mening van de burgemeester wordt weergegeven, zoals verkondigd in het raadsdebat van 14 oktober 2013 en niet een eigen standpunt van RTV Oost.

4.12.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat ook de wijze waarop RTV Oost over de privé-perikelen van [eiseres] heeft gepubliceerd, steun vond in het feitenmateriaal dat ten tijde van publicatie beschikbaar was.

4.13.

Nu [eiseres] haar positie als wethouder inzette in het kader van privé-perikelen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een misstand die de publicatie rechtvaardigde. Dat [eiseres] ten tijde van de eerste publicatie van die misstand al anderhalf jaar geen publiek ambt meer had bekleed, doet hieraan niet af. Het algemeen belang is er bij gebaat dat er openheid bestaat ten aanzien van het functioneren en de integriteit van politici c.q. het openbaar bestuur.

4.14.

[eiseres] heeft voorts betoogd dat RTV Oost jegens haar geen hoor en wederhoor heeft toegepast.

4.15.

Met betrekking tot het beginsel van hoor en wederhoor stelt de voorzieningenrechter voorop dat geen recht bestaat op het tevoren kennis nemen van een voorgenomen artikel om daarop te kunnen reageren. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid mag echter van een onderzoeksjournalist worden verwacht dat in het kader van zijn onderzoek bij voorgenomen artikelen waarbij beschuldigingen worden geuit, de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld zijn of haar eigen visie te geven.

4.16.

RTV Oost heeft in dit verband het volgende gesteld. Voorafgaand aan de publicatie van 11 oktober 2013 (te weten op 15 september 2013) heeft verslaggever [V] van RTV Oost een lang telefoongesprek met [eiseres] gevoerd. De avond voor de publicatie heeft [V] twee keer geprobeerd [eiseres] telefonisch te bereiken, hetgeen niet is gelukt. In de publicatie van 11 oktober 2013 is echter een persverklaring van [eiseres] in haar geheel geciteerd. De volgende artikelen zijn van 14 oktober 2013. Op 15 oktober 2013 heeft RTV Oost een reactie van [eiseres] op de uitlatingen van de burgemeester gepubliceerd. RTV Oost heeft daarbij drie twitterberichten van [eiseres] integraal gepubliceerd. Voorafgaand aan het artikel van 28 oktober 2013 heeft een bespreking tussen [eiseres] en de directeur en redactiechef van RTV Oost plaatsgevonden. In het artikel van 28 oktober 2013 is een reactie van [eiseres] verwerkt. Bovendien heeft RTV Oost op 28 oktober 2013 in een afzonderlijk artikel aandacht besteed aan een persverklaring van [eiseres] op de eerdere berichtgeving van die dag.

4.17.

[eiseres] heeft in dit verband enkel een mening van journalist [K] en een mening van journalist [M] overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [eiseres] eerst na publicatie op 11 oktober 2013 (“over het weekend heen”) een reactie mocht geven, maar uit het overgelegde artikel van 11 oktober 2013 blijkt dat in het artikel een persverklaring van [eiseres] is opgenomen, zodat de voorzieningenrechter -wat hier ook van zij- hieraan voorbij gaat. Nu [eiseres] voor het overige de stellingen van RTV Oost niet gemotiveerd heeft betwist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat RTV Oost op afdoende wijze invulling heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor.

4.18.

Voor zover [eiseres] met de overgelegde meningen van journalisten [K] en [M] heeft betoogd dat de publicaties in strijd met diverse kernbeginselen van de journalistiek tot stand zijn gekomen, overweegt de voorzieningenrechter dat beide meningen vooral betrekking lijken te hebben op [V] c.q. RTV Oost en meer in bijzonder op de wijze waarop [eiseres] door [V] is benaderd. Deze meningen zijn niet van belang voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de onderhavige publicaties, zodat de voorzieningenrechter hier niet nader op zal ingaan.

4.19.

Gelet op het vorenstaande brengt de belangenafweging tussen partijen met zich mee dat RTV Oost mocht overgaan tot het publiceren van de artikelen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Van een onrechtmatige publicatie is derhalve geen sprake.

4.20.

De volgende vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of RTV Oost onrechtmatig jegens [eiseres] handelt door de gewraakte artikelen en reportages gepubliceerd te houden. [eiseres] stelt dat dit het geval is, nu zij ten gevolge van de publicaties reeds haar baan bij Connexxion heeft verloren en zij zich thans voor de onmogelijkheid gesteld ziet een nieuwe baan te vinden. [eiseres] zal in de (zeer) nabije toekomst in de bijstand belanden, omdat zij ten gevolge van de publicaties unemployable is. [eiseres] heeft ter onderbouwing verklaringen van diverse headhunters overgelegd. Voorts is [eiseres] thans ten gevolge van haar nog immer besmeurde eer en goede naam onder behandeling bij een psycholoog

4.21.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat thans niet kan worden vastgesteld wat de reden voor het vertrek van [eiseres] bij Connexxion is geweest. RTV Oost heeft immers betwist dat [eiseres] haar baan is kwijtgeraakt als gevolg van de publicaties van RTV Oost en [eiseres] heeft haar standpunt terzake niet onderbouwd. De voorzieningenrechter acht het wel aannemelijk dat [eiseres] hinder ondervindt van de publicaties bij het zoeken naar een nieuwe baan. Daar staat echter tegenover dat de samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere (online) archivering door de media. De media heeft bij het dienen van dit publieke belang een belangrijke taak. De pers heeft namelijk de primaire rol van publieke waakhond, maar een belangrijke secundaire functie is het beschikbaar maken van nieuws in archieven. Daarmee is volgens de voorzieningenrechter een verplichting tot het verwijderen of aanpassen van artikelen en reportages, die op zichzelf rechtmatig zijn, uitsluitend vanwege een negatieve lading, niet goed te verenigen (zo ook rechtbank Amsterdam 31 maart 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM4462 en rechtbank Overijssel 9 april 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1773).

4.22.

[eiseres] heeft tot slot nog gewezen op een e-mail d.d. 19 februari 2015 van [W] , directeur van RTV Oost, aan haar. In deze mail staat -voor zover van belang- het volgende:

“(..)

Het heeft mij niet van mening doen veranderen dat wij onze journalistieke taak naar behoren hebben opgepakt.

Maar ik heb mezelf wél de vraag gesteld of het een journalistiek doel dient dat we de publicaties over jou nog steeds online hebben staan.

Ik neig er naar die vraag ontkennend te beantwoorden en zou in die zin iets voor je kunnen betekenen”.

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [W] in voornoemde e-mail geen onvoorwaardelijke en rechtens afdwingbare toezeggingen aan [eiseres] heeft gedaan om de publicaties van internet te verwijderen. Ter zitting heeft RTV Oost verklaard dat [W] voor ogen had dat hij aan de redactie de vraag zou kunnen voorleggen hoe zij dacht over de mogelijkheid van verwijdering van publicaties over [eiseres] . Tevens is ter zitting toegezegd deze vraag alsnog aan de redactie te zullen voorleggen. Wat hier ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang dat de samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere (online) archivering van publicaties die niet onrechtmatig zijn, niet opweegt tegen het belang van [eiseres] om gevrijwaard te worden van de hinder die zij stelt te ondervinden als gevolg van deze publicaties.

4.24.

Gelet op het vorenstaande brengt de belangenafweging tussen partijen met zich mee dat RTV Oost mocht weigeren te voldoen aan het verzoek van [eiseres] om de publicaties uit het internetarchief te verwijderen. Van onrechtmatig handelen door RTV Oost door de artikelen en reportages gepubliceerd te houden, is derhalve geen sprake.

4.25.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat RTV Oost niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] . De vorderingen van [eiseres] dienen dan ook te worden afgewezen.

4.26.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RTV Oost worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van RTV Oost tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016.1

1 type: coll: