Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1152

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
ak_zwo_15_1929
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhouding kinderalimentatie op uitkering op grond van de Participatiewet mag ook na 1 januari 2015; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1929

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] , te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. B. Bentem,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder,

gemachtigden: J. Boxem en M. Laarhuis.

Procesverloop

Op 11 februari 2015 heeft verweerder een (gewijzigde) uitkeringsspecificatie over de maand januari 2015 aan eiseres verzonden. Bij brief van 19 februari 2015 heeft verweerder vervolgens aan eiseres nader toegelicht dat de kinderalimentatie, die zij maandelijks voor haar ten laste komende twee kinderen ontvangt, wordt ingehouden op haar uitkering op grond van de Participatiewet.

Bij besluit van 1 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Op 10 februari 2014 heeft eiseres zich gemeld voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), thans de Participatiewet. Bij besluit van 16 april 2014 heeft verweerder eiseres een uitkering op grond van de WWB toegekend met ingang van 16 februari 2014.

Bij beschikking van 20 november 2013 heeft de rechtbank Overijssel de door de ex-partner te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam 1] de zoon van eiseres, met ingang van 25 juni 2013 vastgesteld op een bedrag van € 100,-- per maand.

Bij beschikking van 17 oktober 2014 heeft de rechtbank Overijssel de door de ex-partner te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam 2] de dochter van eiseres, met ingang van 7 augustus 2014 vastgesteld op een bedrag van € 130,22 per maand.

Naar aanleiding van de uitkeringsspecificatie over de maand januari 2015 heeft eiseres verweerder verzocht dat de kinderalimentatie voortaan niet op haar bijstandsuitkering wordt ingehouden.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in de rubriek procesverloop van deze uitspraak.

2. Eiseres voert aan dat zij als alleenstaande recht heeft op bijstand. Overeenkomstig artikel 21 sub a van de Participatiewet is de norm voor eiseres gelijk aan die van een alleenstaande, zijnde € 960,83. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen, in de zin van artikel 31, eerste lid van de Participatiewet. Volgens eiseres is daarvan bij haar geen sprake. Overeenkomstig lid 2 van artikel 31 van de Participatiewet worden niet tot de middelen van belanghebbende gerekend de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, ondanks dat de hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder gelijkgesteld is aan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, op grond van artikel 4, eerste lid, van de Participatiewet nog steeds onderscheid gemaakt wordt tussen een alleenstaande en een alleenstaande ouder. In dit artikel wordt tevens bepaald dat onder het begrip ‘gezin’ onder andere valt de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen. Nu eiseres een alleenstaande ouder is in de zin van de Participatiewet, stelt verweerder vast dat zij samen met haar twee ten laste komende kinderen een gezin vormt in de zin van de Participatiewet. Ingevolge artikel 31, eerste lid van de Participatiewet worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op basis hiervan kan niet anders geconcludeerd worden dat de bijstand voor een alleenstaande ouder in 2015 conform de Participatiewet nog steeds ten behoeve van het gezin, in dit geval van eiseres en haar ten laste komende kinderen, wordt verstrekt en dat alle vermogens- en inkomensbestanddelen van het gezin (waaronder de kinderalimentatie) als middelen moeten worden aangemerkt, aldus verweerder.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

In het bestreden besluit is opgenomen dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van verweerder van 19 februari 2015 alsmede tegen de uitkeringsspecificatie van januari 2015 en dat verweerder het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nader toegelicht dat het bezwaar van 6 maart 2015 door verweerder niet gericht geacht is tegen de brief van 19 februari 2015 maar enkel tegen de uitkeringsspecificatie van januari 2015 en dat enkel het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard is. Nu eiseres dit niet weersproken heeft, zal de rechtbank bij de verdere beoordeling van de zaak er van uitgaan dat het bezwaar van 6 maart 2015 zich enkel richt tegen de uitkeringsspecificatie van januari 2015.

4.2.

Ingevolge artikel 4 van de Participatiewet wordt verstaan onder:

  1. (…)

  2. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

c. gezin:

1°. de gehuwden tezamen;

2°. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;

3°. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;

(…).

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0011353/Hoofdstuk8/geldigheidsdatum_05-01-2015).

Ingevolge artikel, 31, tweede lid, van de Participatiewet worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend:

a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;

(…).

4.3.

In geschil is de vraag of verweerder vanaf 1 januari 2015 de door eiseres ontvangen kinderalimentatie ten behoeve van de tot haar laste komende kinderen (als zijnde middelen) in mindering mag brengen op haar bijstandsuitkering nu verweerder sinds de invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 niet meer aan een alleenstaande ouder een bijstands-uitkering naar de eenoudernorm verstrekt maar een uitkering naar de norm van een alleenstaande.

4.4.

De wetgever heeft in de loop der jaren diverse, ten dele inkomensafhankelijke, regelingen getroffen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen. Tot die regelingen behoort sinds 1 januari 2008 het kindgebonden budget. Het betreft een langs fiscale weg uitgekeerde, inkomensafhankelijke toeslag, die in de plaats is gekomen van de voordien geldende kinderkorting. Alleenstaande, één of meer kinderen verzorgende ouders konden tot 1 januari 2015 aanspraak maken op aanvullende inkomensondersteuning in de vorm van een alleenstaande oudertoeslag in het kader van een bijstandsuitkering en een alleenstaande ouderkorting in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Op 1 januari 2015 is de Wet Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomsten belasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met de hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet Hervorming Kindregelingen, Wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. In dat kader is de zogenoemde alleenstaande ouderkop geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget. De alleenstaande ouderkop vervangt de hiervoor genoemde alleenstaande oudertoeslag en alleenstaande ouderkorting. Met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop is beoogd de verzorgende ouder, respectievelijk de verzorgende alleenstaande ouder, inkomensondersteuning te bieden om in de behoefte van zijn kind of kinderen te voorzien. Deze tegemoetkomingen verhogen dan ook de draagkracht van de ouder (zie ook de beantwoording prejudiciële vragen door de Hoge Raad van

9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011).

4.5.

De rechtbank leest in het bestreden besluit dat verweerder stelt dat ook onder de Participatiewet de aan eiseres verstrekte bijstandsuitkering mede geschied ten behoeve van het levensonderhoud van de tot haar gezin behorende minderjarige kinderen.

In de wetgeschiedenis is dit aspect in dezelfde zin terug te vinden (Kamerstukken I 2013/2014, 33 716, F, pagina 6):“Het wetsvoorstel brengt echter geen wijzigingen met zich mee in de wijze waarop kinderalimentatie in de bijstandsverlening wordt betrokken. De norm voor alleenstaande ouders verdwijnt weliswaar, maar de categorie «alleenstaande ouder» blijft wel bestaan in de WWB. Ook blijft de categorie «alleenstaande ouder» medebepalend voor de afbakening van het begrip «gezin» in de WWB. De alleenstaande ouder draagt als gezinshoofd de volledige zorg voor de tot zijn last komende kinderen. De bijstand wordt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Ten laste komende kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen, waaronder ook de kinderalimentatie.”

4.6.

De memorie van toelichting bij de behandeling van de Wet hervorming kindregelingen vermeldt het volgende (Kamerstukken II, 2012/2013, 33 716, nr. 3, pagina 34):

“De alleenstaande ouder draagt als gezinshoofd de volledige zorg voor de tot zijn last komende kinderen. De bijstand wordt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Dat blijft zo. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen. Een voorbeeld hiervan is kinderalimentatie. Dit sluit aan bij het complementaire karakter van de bijstand. In lijn hiermee brengt dit wetsvoorstel geen wijziging in het verhaal van bijstand op degene die zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt.”

4.7.

Gelet op de wetsgeschiedenis en de omstandigheid dat aan eiseres thans een kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop wordt verstrekt – hetgeen eiseres ter zitting desgevraagd bevestigd heeft – is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook vanaf 1 januari 2015 nog steeds de door eiseres ontvangen kinderalimentatie ten behoeve van de tot haar laste komende kinderen (als zijnde middelen) in mindering mag brengen op haar bijstandsuitkering. Immers, de aan eiseres verstrekte bijstand wordt als gezinsbijstand verstrekt en zodoende dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen, waaronder ook de kinderalimentatie. In dat kader verwijst de rechtbank ook naar een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 2 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2475.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. P.H. Banda en

mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Westerbeek-Nette, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.