Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1140

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
C/08/158118 / HA ZA 14-330
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Weens Koopverdrag. Belgisch recht.

Cessie. Algemene voorwaarden. Exoneratie. Forfaitaire schadevergoeding. Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1013
NTHR 2016, afl. 5, p. 281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/158118 / HA ZA 14-330

Vonnis van 23 maart 2016

in de zaak van

de Belgische bv met beperkte aansprakelijkheid

BVBA FOOD INGREDIENTS TECHNOLOGIES,

gevestigd te Ghislenghien (België),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten: mr. drs. T.D. de Groot en mr. X.D. van Leeuwen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.J.J. van Geel te Almelo.

Partijen zullen hierna FIT en [X] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van FIT d.d. 17 juni 2014 ,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van [X] d.d. 17 september 2014,

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van
FIT d.d. 17 december 2014,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [X] d.d. 15 april 2015,

- de conclusie van dupliek in reconventie van FIT d.d. 8 juli 2015,

- de akte uitlating producties van [X] d.d. 22 juli 2015.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

FIT houdt zich bezig met de ontwikkeling en productie van ingrediënten voor de levensmiddelenindustrie.

2.2

[X] is een producent van “klaar om te eten” sauzen, die volgens receptuur stabiel zijn bij omgevingstemperatuur.

2.3

Sinds 2008 bestelt [X] ingrediënten bij FIT. Vanaf 2012 verkoopt FIT knoflookpoeder aan [X] .

3 Het geschil

in conventie

3.1

FIT vordert – samengevat – dat [X] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 217.557,81 en betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 43.511,56, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf de vervaldatum van iedere factuur, met veroordeling van [X] in de kosten van deze procedure.

3.2

[X] voert verweer.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4

[X] vordert – samengevat – dat FIT, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot overlegging van een afschrift van de dossiers en onderzoeksresultaten van de onderzoeken door Cunningham & Lindsey België en tot overlegging van een afschrift van de traceerbaarheidgegevens. Voorts vordert [X] dat FIT wordt veroordeeld tot betaling van € 675.828,79 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie, met veroordeling van FIT in de kosten van deze procedure.

3.5

FIT voert verweer.

3.6

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1

In de kern draait deze zaak om de vraag of [X] gehouden is de openstaande facturen van FIT te betalen, of dat zij gerechtigd is deze onbetaald te laten vanwege de gestelde tekortkoming van FIT bij de levering van knoflookpoeder.

4.2

Alvorens tot de inhoudelijke beoordeling van die vraag te komen, dient de rechtbank zich eerst te buigen over de door [X] opgeworpen verweren met betrekking tot de cessie van de vordering van FIT en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van FIT op de levering van het knoflookpoeder.

Ontvankelijkheid FIT: retrocessie

4.3

Tussen partijen staat vast dat FIT haar vordering op [X] naar Belgisch recht heeft gecedeerd aan BNP Paribas Factor NV/SA (hierna: BNP Paribas). Met de aanmaning d.d. 11 september 2013 van BNP Paribas aan [X] is melding gedaan aan [X] van de cessie.

4.4

Voorts heeft FIT zich op het standpunt gesteld dat sprake is van retrocessie. Hiervan zou op 28 februari 2014 en op 3 maart 2014 mededeling zijn gedaan aan [X] . Partijen zijn het er over eens dat ter vaststelling van het toepasselijk recht omtrent de geldigheid van de retrocessie gekeken moet worden naar Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 (Rome I). Uit deze verordening volgt dat de geldigheid van de retrocessie naar Belgisch recht moet worden beoordeeld.

4.5

Op grond van artikel 1689 Belgisch Burgerlijk Wetboek geschiedt de overdracht van een schuldvordering, een recht of een rechtsvordering tegen een derde, door afgifte van de titel.

4.6

De tweede volzin van het eerste lid van artikel 1690 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar kan worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.

4.7

Artikel 1690 Belgisch Burgerlijk Wetboek is met de wetswijziging van 6 juli 1994 aangepast in die zin dat het vereiste van betekening van de overdracht aan de schuldenaar (of aanvaarding van de overdracht in een authentieke akte) niet langer vereist is. Na wijziging van de wet is thans voldoende dat de schuldenaar in kennis wordt gebracht van de overdracht. De wijze van kennisgeving aan de schuldenaar kan vrij worden gekozen, op voorwaarde dat dit schriftelijk gebeurt
(Parl. St. Senaat, 1993-94, nr. 1039/2, p. 33). De schriftelijke kennisgeving hoeft dus niet per aangetekende brief te gebeuren.

4.8

In deze zaak heeft BNP Paribas per brieven van 28 februari 2014 en 3 maart 2014 aan [X] medegedeeld dat de eerder door FIT aan BNP Paribas overgedragen vorderingen terug worden overgedragen aan FIT. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan de vereisten van artikel 1690 Belgisch Burgerlijk Wetboek.

4.9

De stelling van [X] dat zij de brieven van 28 februari 2014 en 3 maart 2014 niet heeft ontvangen, is voor de beoordeling van deze kwestie niet van belang. [X] is in deze procedure in ieder geval op de hoogte gebracht van de retrocessie. Voorts staat vast dat [X] niet voorafgaande aan de procedure de facturen heeft voldaan aan BNP Paribas.

4.10

De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van een rechtsgeldige retrocessie conform Belgisch recht, zodat FIT kan worden ontvangen in haar vordering.

De bevoegde rechter en het toepasselijk recht

4.11

De vordering van het in België gevestigde FIT ziet op een overeenkomst betreffende door [X] in België besteld knoflookpoeder. Vanwege het internationale karakter van deze vordering dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de vordering van FIT.

4.12

De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 2 EEX-Verordening rechtsmacht toe, omdat [X] in Nederland is gevestigd. De overeenkomst en eventueel van toepassing zijnde algemene voorwaarden bevatten geen afwijkende forumkeuze.

4.13

Met betrekking tot het toepasselijk recht overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen zijn gevestigd in een staat, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tot levering van het knoflookpoeder, partij was bij het op 11 april 1980 te Wenen gesloten Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (hierna: het WKV). Het gaat in deze zaak om een koopovereenkomst met betrekking tot roerende zaken. Deze overeenkomst is voorts niet van het toepassingsgebied van het WKV uitgesloten. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze kwestie de bepalingen van het WKV gelden.

4.14

Voor zover zich bij de beoordeling vragen voordoen die niet uitdrukkelijk in het WKV zijn geregeld, dienen die vragen ingevolge artikel 7 lid 2 van dit verdrag te worden beantwoord aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust en slechts bij gebreke daarvan in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Dit aanvullend toepasselijk recht wordt vastgesteld conform de Verordening EG nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Deze verordening kent immers een universeel formeel toepassingsgebied. Op grond van artikel 4 lid 1 onder a Rome I is het Belgisch recht van toepassing, bij de beoordeling van kwesties die niet in het WKV worden geregeld.

De algemene voorwaarden van FIT

4.15

Tussen partijen staat vast dat [X] sinds 2008 ingrediënten voor haar sauzen bestelde bij FIT. [X] gaf de bestellingen telkens telefonisch of per e-mail door aan FIT. De facturen betreffende de bestellingen werden enkele dagen na de levering van de ingrediënten per post verstuurd door FIT aan [X] . Deze facturen werden voorzien van een stempel met de tekst:

“Deze factuur werd gecedeerd aan en kan enkel bevrijdend betaald worden aan BNP Paribas (…). Gelieve klachten binnen de 5 dagen te melden op bovenstaand adres.”

Onderaan de factuur staat de tekst:

“Alle bestellingen zijn onderworpen aan de algemene verkoopsvoorwaarden gedrukt op de achterzijde. De goederen blijven eigendom van FIT tot volledige betaling”

[X] heeft de stelling van FIT, dat op de achterzijde van de facturen de tekst van de algemene verkoopvoorwaarden van FIT is vermeld, niet betwist.

4.16

De toepasselijkheid van algemene voorwaarden is niet expliciet in het WKV geregeld. Op grond van artikel 7 lid 2 WKV worden vragen betreffende de door dit verdrag geregelde onderwerpen die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust en slechts bij gebreke daarvan in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Eén van zulke onderwerpen is de vraag of een partij haar toestemming heeft verleend tot het op de koopovereenkomst van toepassing worden van algemene voorwaarden (Hoge Raad 28 januari 2005, LJN: AR4837).

4.17

De vraag of [X] heeft ingestemd met de toepasselijkheid van de algemene verkoopvoorwaarden van FIT wordt in beginsel beheerst door de algemene beginselen waarop het WKV berust. In dit verband is het van belang de adviezen van de zogenaamde “CISG Advisory Council” te betrekken bij de beoordeling (Gerechtshof Den Haag 22 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1341). Deze Advisory Council stelt zich ten doel uniforme interpretatie van het WKV te bevorderen en verstrekt in dat kader gezaghebbende opinies over de uniforme toepassing en interpretatie van het verdrag. Op 20 januari 2013 heeft de
Advisory Council een opinie aangenomen over de toepasselijkheid en gelding van algemene voorwaarden (Opinion no. 13 Inclusion of Standard Terms under the CISG):

“1. The inclusion of standard terms under the CISG is determined according to the rules for the formation and interpretation of contracts under the CISG.

2. Standard terms are included in the contract where the parties have expressly or impliedly agreed to their inclusion at the time of the formation of the contract and the other party had a reasonable opportunity to take notice of the terms.

3. Amongst others, a party is deemed to have had a reasonable opportunity to take notice of the standard terms:

3.1

Where the terms are attached to a document used in connection with the formation of the contract or printed on the reverse side of that document;

3.2

Where the terms are available to the parties in the presence of each other at the time of negotiating the contract;

3.3

Where, in electronic communications, the terms are made available to and retrievable electronically by that party and are accessible to that party at the time of negotiating the contract;

3.4

Where the parties have had prior agreements subject to the same standard terms.

4. Standard terms cannot be incorporated after the formation of the contract, unless the contract is modified by agreement.”

4.18

Op grond van het voorgaande geldt als uitgangspunt dat de wederpartij een redelijke mogelijkheid moet hebben gehad om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Hiervan is – onder meer – sprake indien partijen in het verleden vaker overeenkomsten zijn aangegaan onder dezelfde algemene voorwaarden.

4.19

In deze zaak staat vast dat partijen reeds sinds 2008 zaken doen met elkaar, waarbij telkens op de facturen van FIT de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden werd vermeld met op de achterzijde de weergave van die algemene voorwaarden. Niet is vast te stellen of FIT voorafgaande aan de eerste levering in 2008 haar algemene verkoopvoorwaarden van toepassing heeft verklaard en aan [X] heeft toegezonden, maar dat is voor de beoordeling van dit geschil niet relevant. In de jaren daarna is voor [X] duidelijk geweest dat FIT louter wenste te contracteren met toepasselijkheid van haar algemene verkoopvoorwaarden.

4.20

Nu partijen telkenmale op deze wijze de bestellingen van [X] hebben afgehandeld, hebben zij gedurende hun handelsrelatie telkens gehandeld met toepassing van de algemene verkoopvoorwaarden van FIT. Ten tijde van de bestellingen van het knoflookpoeder, die nu onderwerp van geschil zijn, was [X] bekend met de toepasselijkheid van de algemene verkoopvoorwaarden van FIT en had zij meermalen de tekst van deze voorwaarden op de achterzijde van de per post verzonden facturen ontvangen.

4.21

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de algemene verkoopvoorwaarden van FIT onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen haar en [X] . Voorts heeft [X] betoogd dat enkele bedingen uit de algemene verkoopvoorwaarden buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank zal de bezwaren van [X] tegen deze bepalingen hierna telkens beoordelen bij de bespreking van de onderwerpen waarop die bepalingen betrekking hebben.

De vordering in conventie

4.22

De vordering in conventie van FIT bestaat uit twee onderdelen:

- de door [X] onbetaald gelaten facturen ad € 217.557,81;

- de gevorderde forfaitaire schadevergoeding ad € 43.511,56 op grond van artikel 6 van de algemene verkoopvoorwaarden van FIT.

4.23

Met betrekking tot de juistheid van de facturen heeft [X] aangevoerd dat FIT ten onrechte een eenzijdige prijswijziging heeft doorgevoerd in haar facturen, zonder hiervan mededeling te doen aan [X] . Voorts betwist [X] de verschuldigdheid van de facturen. In dat kader voert [X] aan dat de facturen voor een bedrag van € 102.591,92 zien op de levering van ondeugdelijk knoflookpoeder. Daarnaast beroept [X] zich op opschorting met het oog op verrekening met haar vordering in reconventie.

De prijsverhoging

4.24

FIT stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 2 van haar algemene verkoopvoorwaarden de prijzen eenzijdig kan wijzigen:

De mededeling van prijzen geldt als inlichting. Zij verbinden onze vennootschap slechts na schriftelijke bevestiging. Opmerkingen over onze bevestigingen dienen ons toe te komen binnen de acht dagen om in aanmerking te worden genomen.”

4.25

Tussen partijen staat vast dat er door FIT geen mededeling is gedaan aan [X] over de gewijzigde prijzen. De algemene verkoopvoorwaarden van FIT bieden weliswaar de mogelijkheid om af te wijken van geoffreerde prijzen, maar slechts nadat hiervan bevestiging of mededeling is gedaan. Nu geen mededeling is gedaan, is de termijn van 8 dagen om te reageren voor [X] nimmer aangevangen.

4.26

Uit de processtukken blijkt dat [X] begin juni 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met FIT over de gewijzigde prijzen. [X] heeft toen een berekening gemaakt van het verschil tussen de oorspronkelijke prijzen en de sinds februari 2013 gehanteerde prijzen. Dat verschil bedroeg € 9.816,62.

4.27

Naar het oordeel van de rechtbank kan het [X] niet worden tegengeworpen dat zij niet binnen 8 dagen na factuurdatum heeft gereageerd op de gewijzigde prijzen. Zonder expliciete mededeling van FIT, behoefde [X] niet bedacht te zijn op prijswijzigingen. De prijs betreft immers een essentieel onderdeel van de overeenkomst en blijkens de algemene verkoopvoorwaarden van FIT wordt bij prijswijzigingen een bevestiging daarvan gestuurd. De prijswijziging heeft dus niet plaatsgevonden met wederzijdse instemming en evenmin is sprake van een wijziging waarbij de voorwaarden van FIT in acht zijn genomen. Tot het moment dat [X] zelf het prijsverschil ontdekte, kon FIT dan ook niet eenzijdig haar prijzen aanpassen. De rechtbank zal de vordering van FIT dan ook voor een deel van € 9.816,62 afwijzen.

4.28

Na ontdekking van het prijsverschil in juni 2013 heeft [X] echter opnieuw bestellingen gedaan bij FIT. Toen was [X] wel op de hoogte van de aangepaste verkoopprijzen van FIT. Niet is gesteld of gebleken dat in afwijking van de door FIT gehanteerde prijzen in de overeenkomst met [X] de oude prijzen zouden worden berekend. Voor de bestellingen na begin juni 2013 kon FIT, gelet op haar algemene verkoopvoorwaarden, de gewijzigde prijzen hanteren.

Opschorting van de betaling door [X]

4.29

[X] stelt zich op het standpunt dat zij niet kan worden gehouden de facturen van FIT te betalen, omdat FIT haar ondeugdelijk knoflookpoeder heeft geleverd, waardoor zij schade heeft geleden. Zoals hiervoor in r.o. 4.24 overwogen betreft een deel van de facturen ad € 102.591,92 de levering van dit knoflookpoeder en het restant andere ingrediënten voor de sauzen van [X] . Het onbetaald laten van de facturen betreffende het knoflookpoeder houdt verband met de door [X] gestelde ondeugdelijkheid.

Het onbetaald laten van het restant van de facturen, betreft een opschorting met het oog op verrekening met de mogelijk toekomstige vordering wegens schadevergoeding, zoals gevorderd in reconventie.

4.30

In de algemene verkoopvoorwaarden is geen bepaling opgenomen die de opschorting (ter verrekening) uitsluit. De artikelen 58 en 71 van het WKV bevatten een uitputtende regeling voor de bevoegdheid tot opschorting. De beoordeling van de opschorting door [X] dient aan de hand van dit verdrag te geschieden en niet naar Belgisch recht.

4.31

Het WKV bevat niet een algemene mogelijkheid om de eigen verplichting op te schorten in geval de andere partij tekortschiet in de nakoming van diens verplichting. Uitgangspunt van het WKV is dat levering en betaling gelijktijdig plaatsvinden. Artikel 58 van het WKV bevat de mogelijkheid voor de koper om zijn betaling uit te stellen, tot hij gelegenheid heeft gehad de geleverde goederen te controleren. Daarnaast bevat artikel 71 van het verdrag de mogelijkheid om de eigen prestatie op te schorten in geval van een dreigende, toekomstige tekortkoming door de wederpartij. In de literatuur en de jurisprudentie wordt aangenomen dat aan de aan het WKV ten grondslag liggende principes een ruimere uitleg gegeven moet worden aan de bevoegdheden tot opschorting dan de letterlijke tekst van het verdrag lijkt te bieden (Rechtbank Arnhem 29 juli 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4645 en het Oostenrijkse Oberster Gerichtshof 8 november 2005, CISG-online nr. 1156). Indien na controle van de geleverde goederen ex artikel 58 van het verdrag blijkt dat de goederen ondeugdelijk zijn, moet de koper de mogelijkheid hebben om zijn betaling op te schorten, teneinde af te dwingen deugdelijke goederen geleverd te krijgen. In die gevallen komt de koper een verdergaand opschortingsrecht toe dan
artikel 58 WKV lijkt te bieden. In alle gevallen wordt de bevoegdheid tot opschorting in het WKV toegekend als pressiemiddel.

4.32

In deze zaak kan dit [X] echter niet baten. Niet is gesteld dat bij controle van het knoflookpoeder de ondeugdelijkheid is vastgesteld op grond waarvan [X] de betaling achterwege mocht laten. Pas na verwerking van het poeder in de sauzen is de beweerdelijke tekortkoming aan het licht gekomen. In dit geval werkt de opschorting niet als pressiemiddel, waarvoor het bedoeld is in het WKV, maar als voorschot op de ontbinding of verrekening met een aanvullende schadevergoeding.

4.33

Het WKV kent geen opschortingsmogelijkheid voorafgaand aan ontbinding of vooruitlopend op verrekening, zodat [X] haar betalingsverplichting niet kon opschorten op grond van het WKV.

De forfaitaire schadevergoeding

4.34

In de algemene verkoopvoorwaarden van FIT is in artikel 6 een bepaling opgenomen voor het geval de facturen van FIT onbetaald worden gelaten:

“(…) Elk bedrag dat onbetaald blijft op zijn vervaldag zal van rechtswege en zonder ingebrekestelling rente geven à rato van 1% per maand. In geval van niet-betaling op de vervaldag behouden wij ons het recht voor het bedrag van de factuur met 20% te verhogen met een minimum van 25€.
De niet-betaling op zijn vervaldag van één enkele factuur, maakt het verschuldigd saldo van al de andere, zelfs niet vervallen, facturen van rechtswege onmiddellijk opeisbaar. Deze eventualiteit laat ons tevens toe de uitvoering van onze verbintenissen te schorsen of te verzaken, zonder enige schadevergoeding hiervoor verschuldigd
te zijn.”

4.35

Deze bepaling schept voor FIT de mogelijkheid om een forfaitaire schadevergoeding in rekening te brengen. Dat geen sprake is van een direct intredend gevolg bij niet betaling, blijkt uit de woorden “behouden wij ons het recht toe”.

4.36

Het WKV bevat geen bepalingen omtrent de toelaatbaarheid van boete- en schadebedingen, zodat dit naar Belgisch recht dient te worden beoordeeld. Sinds 1970 erkent de Belgische rechter het boetebeding (of beter: “strafbeding”) alleen in de functie van gefixeerde schade (Cass. 17 april 1970, Arr. Cass. 1970, 754). Naar Belgisch recht kan een beding betreffende verschuldigde schadevergoeding alleen geldig zijn, indien er een reëel verband bestaat tussen de hoogte van de in geval van overtreding verschuldigde schadevergoeding en de op het moment van contractsluiting redelijkerwijze te voorziene schade. Indien de rechter van oordeel is dat dit verband ontbreekt, kan de rechter de schadevergoeding matigen.

4.37

Naar het oordeel van de rechtbank heeft FIT onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de contractsluiting te verwachten was dat bij het onbetaald laten van de facturen een schade van 20% van het factuurbedrag zou worden geleden. Thans heeft FIT in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat, afgezien van rente, schade is geleden als gevolg van het onbetaald laten van de facturen. De proceskosten worden apart gevorderd in deze procedure en FIT heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een aanvullende schadevergoeding rechtvaardigen in dit geval. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding dan ook afwijzen.

Exoneratiebeding FIT

4.38

In de algemene verkoopvoorwaarden is in artikel 8 een exoneratiebeding opgenomen:

“Koper is verplicht bij het in ontvangst nemen de goederen te controleren met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid. Een klacht zal niet aanvaard worden tenzij de controle werd uitgevoerd. Om in aanmerking te komen moet elke klacht wegens gebreken ons (…) worden binnen de vijf dagen van de ter beschikkingstelling.

Een garantie voor verborgen gebreken wordt niet gegeven:

a) voor zichtbare gebreken wanneer de koopwaar bewerkt of verwerkt werd,

b) voor verborgen gebreken indien de aangegeven gebruiksaanwijzing niet werd gevolgd of de goederen niet oordeelkundig behandeld werden.

Onze verplichtingen beperken zich steeds tot het kosteloos vervangen of herstellen van de geleverde goederen, zonder enige bijkomende schadevergoeding. Averij of manco wordt slechts aanvaard na protest op het ogenblik van de ontvangst.”

4.39

[X] meent dat deze bepaling uit de algemene verkoopvoorwaarden buiten beschouwing moet blijven. Het WKV bevat geen regeling voor de beoordeling van gehanteerde algemene voorwaarden, zodat het verweer van [X] op dit punt beoordeeld dient te worden naar Belgisch recht.

4.40

Op grond van het Belgisch recht zijn exoneratiebedingen principieel geoorloofd. Op die hoofdregel bestaan drie uitzonderingen:

- exonoratiebedingen die strijdig zijn met dwingend recht of recht dat raakt aan de openbare orde en de goede zeden,

- exoneratiebedingen die de schuldenaar bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor zijn eigen opzet,

- exoneratiebedingen die de overeenkomst uithollen.

4.41

Niet is gesteld of gebleken dat onderhavig exoneratiebeding in strijd is met dwingend recht of recht dat raakt aan de openbare orde en de goede zeden. Voorts is de rechtbank met FIT van oordeel dat geen sprake is van het uitsluiten van aansprakelijkheid in geval van opzettelijke fouten. Zo al vastgesteld zou kunnen worden dat sprake is van een fout van FIT bij de levering van het knoflookpoeder, gaat de vereiste opzet voor uitsluiting van dit beding verder. [X] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat FIT met opzet een knoflookpoeder met onjuiste samenstelling aan [X] heeft geleverd.

4.42

Exoneratiebedingen voor eigen zware fouten zijn toegelaten
(Cass. 25 september 1959, Arr. Cass. 1960 / 86). In de literatuur bestaat discussie over de invulling van het begrip “zware fout” en over de vraag of men zich hiervoor mag exonereren. Vooralsnog heerst in de jurisprudentie de opvatting dat exoneratie voor “zware fouten” kan worden getoetst aan de maatstaven van de hiervoor onder 4.42 genoemde uitzonderingen. De rechtbank volgt deze lijn en ziet in het voorgaande geen aanleiding om het exoneratiebeding buiten beschouwing te laten.

4.43

Van uitholling van de overeenkomst door een exoneratiebeding is sprake als de aangegane verbintenis teniet wordt gedaan
(Cass. 25 september 1959, Arr. Cass. 1960, 87) of het onderwerp van de verbintenis wordt vernietigd (Cass. 23 november 1987, Arr. Cass. 1987-88, 374).

4.44

In deze zaak is de essentiële verbintenis voor FIT de levering van deugdelijk knoflookpoeder. Deze verbintenis wordt in het exoneratiebeding niet teniet gedaan. In dit beding wordt immers juist die verbintenis in stand gelaten: het kosteloos vervangen of herstellen van de geleverde goederen.

4.45

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een naar Belgisch recht ontoelaatbaar exoneratiebeding. FIT is gerechtigd om iedere aansprakelijkheid die verder gaat dan het rechtzetten van de eigen verbintenis uit te sluiten.

Verrekening met gestelde schade [X]

4.46

De voorgaande overwegingen hebben gevolgen voor het beroep van [X] op verrekening van haar schadevordering met de verschuldigde facturen. Op grond van het exoneratiebeding kan [X] FIT immers slechts aanspreken voor de deugdelijke levering van knoflookpoeder en wordt iedere andere aansprakelijkheid uitgesloten in de overeenkomst.

4.47

[X] kan FIT derhalve niet aanspreken voor een aanvullende schadevergoeding verband houdende met de gestelde tekortkoming in de levering van het knoflookpoeder. Het beroep op verrekening met die schadevergoeding behoeft dan ook niet verder te worden besproken.

Verschuldigdheid betaling knoflookpoeder

4.48

Vervolgens resteert de vraag of [X] gehouden is om de facturen te voldoen voor zover zij zien op de betaling van het knoflookpoeder dat volgens [X] ondeugdelijk is. Aansprakelijkheid voor de juistheid van die levering is immers niet uitgesloten in de algemene verkoopvoorwaarden. Een dergelijke uitsluiting zou de overeenkomst overigens uithollen.

4.49

Alvorens de door [X] gestelde gebreken aan het geleverde knoflookpoeder te bespreken, dient de rechtbank vooraleerst vast te stellen wat partijen met betrekking tot die levering zijn overeengekomen.

4.50

Zoals hiervoor reeds vastgesteld werd in de handelsrelatie tussen partijen sinds 2008 door [X] telkens per e-mail of telefonisch de bestelling van de ingrediënten doorgegeven aan FIT, waarna FIT de bestelde ingrediënten leverde en in rekening bracht. Op de leveringen betreffende het knoflookpoeder zijn de algemene verkoopvoorwaarden van FIT van toepassing. Voor de beoordeling van de tussen partijen gemaakte afspraken is in bijzonder artikel 8 van deze voorwaarden van belang. Dit artikel bevat een contractuele klachttermijn:

“Koper is verplicht bij het in ontvangst nemen de goederen te controleren met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid. Een klacht zal niet aanvaard worden ten zij de controle werd uitgevoerd. Om in aanmerking te komen moet elke klacht wegens gebreken ons (…) worden binnen de vijf dagen van de ter beschikkingstelling.”

Deze klachttermijn werd voorts nog eens benadrukt door een stempel op de voorzijde van de facturen:

“(…) Gelieve klachten binnen de 5 dagen te melden op bovenstaand adres.”

4.51

Met betrekking tot deze klachttermijn heeft [X] onweersproken gesteld dat zij bij binnenkomst van de ingrediënten deze heeft gecontroleerd op hoeveelheid en identiteit conform de vereisten van HACCP. De in artikel 8 van de algemene verkoopvoorwaarden genoemde controle van identiteit en hoeveelheid, kan naar het oordeel van de rechtbank, niet zover worden opgerekt dat hier alle voorstelbare gebreken aan de geleverde producten moeten worden gecontroleerd.

De terminologie “identiteit en hoeveelheid” legt de verplichting voor de kopende partij op om te controleren of zij de juiste producten en de juiste hoeveelheid daarvan heeft ontvangen. Met de onbetwiste ingangscontrole heeft [X] dan ook voldaan aan haar contractuele controleverplichting ex artikel 8 van de
algemene verkoopvoorwaarden.

4.52

Dit laat onverlet dat na verwerking of toepassing van de producten van FIT in een later stadium gebreken aan de ingrediënten kunnen worden geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan in een dergelijk geval de controleverplichting uit de algemene verkoopvoorwaarden niet aan de klagende partij worden tegengeworpen in die zin dat de producten binnen 5 dagen hadden moeten worden gecontroleerd op dit eventuele gebrek.

4.53

Voor de beoordeling van de tussen partijen geldende verplichtingen is voorts van belang vast te stellen wat partijen met elkaar hebben afgesproken. In dat kader is van belang dat FIT op verzoek van [X] jaarlijks een zogenaamd “leveranciersverklaringsformulier” invulde. Hierin werd, onder meer, afgesproken dat een leverancier aan [X] productspecificaties moet verstrekken:

“de specificaties moeten minimaal de volgende informatie bevatten:

1. Declaratie van ingrediënten in aflopende volgorde met percentages;

2. GMO status;

3. Voedingswaarde;

4. Oorsprong;

5. Microbiologische en chemische eigenschappen;

6. Allergenen;

7. ……….”

In het leveranciersverklaringsformulier verklaart de leverancier verder dat wijzigingen moeten worden gemeld bij [X] :

“Ik verklaar tevens dat wanneer veranderingen plaatsvinden of nieuwe (aanvullende) informatie beschikbaar wordt die voor [X] van belang kunnen zijn, [X] op zo kort mogelijke termijn hiervan in kennis te stellen.”

4.54

Op enig moment is door [X] een derde partij, Smartfood R&D, ingeschakeld om de kwaliteit van de producten van [X] te handhaven en te controleren. In de aanloop naar de in geschil zijnde leveringen, hebben tussen Smartfood R&D en FIT diverse besprekingen plaatsgevonden over de kwaliteit van de door FIT aan [X] geleverde ingrediënten. Van deze besprekingen zijn verslagen gemaakt. In deze besprekingen zijn ook nadere afspraken gemaakt over de (kwaliteit van de) te leveren ingrediënten aan [X] :

“Knoflookpoeder, witte peper, peterselie: kleur, smaak en lactobacillen

Kruiden en specerijen worden normaliter niet geanalyseerd op lactobacillen. Besmetting met lactobacillen is een belangrijk kwaliteitsrisico voor [X] .

Afspraak: FIT laat voor levering door de leverancier een microanalyse uitvoeren waaronder in elk geval een telling op lactobacillen.

Smaak, kleur en besmetting knoflookpoeder

Het huidige knoflookpoeder dat gebruikt wordt heeft een te hoge besmetting (met name sporen en waarschijnlijk ook lactobacillen).

Lopende afspraak:

FIT gaat op zoek naar schonere kruiden (knoflook, witte peper, peterselie) die minder grauw van kleur zijn (met name het knoflookpoeder) en die een lagere microbiële besmetting hebben. Monsters worden opgestuurd en beoordeeld door Smartfood. Tijdens het bezoek heeft [F] een monster knoflookpoeder meegenomen van Caldic België.

Opmerking [F] : dit onderwerp moet snel worden afgehandeld; [X] heeft op dit moment een te hoge microbiële besmetting in de sauzen waarin knoflookpoeder wordt verwerkt.

Overig:

FIT vraagt in de toekomst voor elke wijziging in grondstoffen (type grondstof, leverancier) toestemming aan [X] . Hierbij worden drie stappen in acht genomen:

1. Toestemming wijziging vragen

2. Controle wijziging door [X] aan de hand van specificaties en/of labmonsters

3. Valideren wijziging (bijvoorbeeld aan de hand van een testproductie)”

(gespreksverslag d.d. 25 maart 2013)

4.55

Het verslag van dit gesprek is op 27 maart 2013 per e-mail toegezonden aan de heren [L] en [V] van FIT, met het verzoek om akkoord te geven op de weergave van de bespreking. Het thans zijdens FIT ingenomen standpunt dat dit verslag eenzijdig door Smartfood R&D is opgesteld en zodoende een eenzijdig beeld vormt, wordt door de rechtbank verworpen. Niet is gesteld of gebleken dat FIT naar aanleiding van dit verslag heeft geprotesteerd tegen de weergave van de afspraken en hetgeen is besproken, terwijl zij hier wel direct na de bespreking daartoe de gelegenheid heeft gekregen.

4.56

Op basis van voormelde afspraken was FIT gehouden tot het leveren van knoflookpoeder dat gecontroleerd was op lactobacillen. Bij FIT was bekend dat dit een belangrijk kwaliteitsrisico was voor de producten van [X] .

4.57

[X] stelt zich op het standpunt dat FIT, in strijd met de afspraken, zelfstandig heeft besloten tot de levering van een nieuw knoflookpoeder. Deze stelling wordt door FIT betwist, waarbij zij benadrukt dat telkens het “oude” knoflookpoeder is geleverd aan [X] . Voorts zou FIT tijdens de besprekingen van 18 juni 2013 en 9 juli 2013 hebben erkend dat er foutief knoflookpoeder is geleverd aan [X] :

“Tijdens de meeting geeft [D] aan dat FIT geen microsafe knoflookpoeder heeft ingekocht zoals aangegeven in de receptuur. [D] vertelt dat FIT het knoflookpoeder heeft ingekocht bij DIKA. Volgens [M] levert DIKA geen microsafe knoflookpoeder. Ook blijkt dat FIT geen sensorische ingangscontrole heeft uitgevoerd op de leveringen knoflookpoeder. Of FIT een microbiologische ingangscontrole heeft uitgevoerd op de knoflookpoeders wordt niet duidelijk.”

4.58

Uit de processtukken blijkt niet dat de verslagen van 18 juni 2013 en 9 juli 2013 aan FIT zijn toegezonden met het verzoek om de weergave te accorderen en eventuele fouten te melden, zoals wel is gebeurd bij het hiervoor geciteerde verslag van de bespreking van 25 maart 2013.
De rechtbank kan daarom thans niet vaststellen of FIT daadwerkelijk heeft erkend te zijn afgeweken van de afspraken omtrent de levering van het knoflookpoeder. Thans betwist FIT in ieder geval dat er “nieuw” of verkeerd knoflookpoeder is geleverd aan [X] .

4.59

De rechtbank zal [X] toelaten tot nadere bewijslevering van haar stellingen dat FIT bij de levering van knoflookpoeder is afgeweken van de hiervoor weergegeven afspraken tussen partijen door:

- zonder toestemming de ingekochte grondstof (i.c. knoflookpoeder) te wijzigen, zodat [X] de nieuwe grondstoffen niet heeft kunnen laten testen door Smartfood R&D conform de afspraken van 25 maart 2013;

- na te laten voor levering van het knoflookpoeder een micro-analyse uit te laten voeren, waarbij in ieder geval het aantal lactobacillen werd geteld.

4.60

Indien [X] er in slaagt bewijs te leveren van (één van) deze tekortkoming(en) leidt dit tot de conclusie dat FIT zich niet heeft gehouden aan de afspraken met [X] en dus tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, die mede is ingevuld door de nadere afspraken tussen partijen in, onder meer, de bespreking van 25 maart 2013. In dat geval zal de rechtbank bij een volgend vonnis beoordelen in hoeverre [X] gehouden is de facturen betreffende het geleverde knoflookpoeder te betalen.

4.61

De vraag of de eventueel vast te stellen tekortkoming in de levering van het knoflookpoeder tot schade heeft geleid in de vorm van bombage-verschijnselen in de sauzen waarin dat poeder is verwerkt, behoeft gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in r.o. 4.40 e.v. heeft overwogen, niet te worden beantwoord. Voor de vaststelling van enige tekortkoming in de levering is deze vraag niet relevant en vanwege het exoneratiebeding van FIT komt een eventuele schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

in reconventie

4.62

In reconventie vordert [X] op grond van artikel 843a Rv. overlegging van de onderzoeksrapporten van Cunningham & Lindsey en overlegging van de traceerbaarheidsgegevens van het geleverde knoflookpoeder.

4.63

FIT heeft geen bezwaar tegen inzage in de onderzoeksrapporten van
Cunningham & Lindsey.

4.64

Bij de beoordeling van de vordering van [X] moet worden vooropgesteld dat artikel 843a Rv. niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van enkele cumulatieve vereisten. Ingevolge het eerste lid van artikel 843a Rv. moet [X] in elk geval een rechtmatig belang hebben.
Verder moet hij afschrift vorderen van bepaalde bescheiden. Bovendien dienen de bescheiden aangaande een rechtsbetrekking te zijn waarbij [X] partij is of was.

4.65

Bij de eerste voorwaarde gaat het om de vraag of de gevraagde bescheiden naar maatstaven van redelijkheid noodzakelijk zijn voor de effectuering of instandhouding van het materiële recht dat eiser geldend wil maken en derhalve voor de einduitkomst van de procedure, zodat hij een onredelijk nadeel lijdt als de stukken niet te zijner beschikking worden gesteld. Vast staat dat op [X] de bewijslast rust om aan te tonen dat FIT onjuist knoflookpoeder heeft geleverd, zoals hiervoor in r.o. 4.59 is overwogen. Uit de traceerbaarheidsgegevens kan worden afgeleid welk knoflookpoeder aan [X] is geleverd. Inzage in deze gegevens is derhalve voor [X] noodzakelijk om het geleverde knoflookpoeder te vergelijken met het knoflookpoeder dat had moeten worden geleverd. Dit geldt ook voor de gevraagde inzage in de onderzoeksrapporten van Cunningham & Lindsey.

4.66

Voorts stelt de rechtbank vast dat de gevraagde inzage zich beperkt tot specifieke informatie, betrekking hebbend op de levering van knoflookpoeder door FIT aan [X] in de periode van 1 januari 2013 t/m 31 juli 2013. De informatie ziet verder ook op een rechtsbetrekking waar [X] partij bij was.

4.67

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat is voldaan aan alle vereisten gesteld in artikel 843a Rv.

4.68

De stelling van FIT dat [X] de bewijslast tracht om te keren is niet juist, aangezien toepassing van artikel 843a Rv. niet leidt tot omkering van de bewijslast zoals hiervoor in r.o. 4.59 en 4.65 is overwogen.

4.69

Het gegeven dat [X] geen normaddressaat is van artikel 18 Algemene Levensmiddelenverordening, is bij de beoordeling van het verzoek om inzage niet van belang. De gegevens zijn immers in het bezit van FIT en die gegevens zijn (zoals hiervoor vastgesteld) voor [X] noodzakelijk teneinde haar stellingen in rechte te kunnen onderbouwen. Dat de reden voor het bewaren van die gegevens is gelegen in de verplichtingen uit de Algemene Levensmiddelenverordening, maakt niet dat het verzoek ex artikel 843a Rv. enkel gedaan zou kunnen worden door de in die verordening genoemde normaddressaten.

4.70

De rechtbank zal de verzoeken ex artikel 843a Rv. van [X] dan ook toewijzen.

4.71

De overige vorderingen van [X] in reconventie hebben betrekking op de vaststelling en toewijzing van een eventuele schadevergoeding. Gelet op het door FIT terecht ingeroepen exoneratiebeding in artikel 8 van haar algemene verkoopvoorwaarden, zullen deze vorderingen in reconventie bij eindvonnis
worden afgewezen.

4.72

Nu [X] overwegend in het ongelijk is gesteld in reconventie, zal [X] bij eindvonnis worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, die thans worden begroot op 2 punten x tarief VII à € 2.580,00.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1

Draagt [X] op om te bewijzen als overwogen in rechtsoverweging 4.59.

5.2

Bepaalt dat indien [X] bewijs wenst te leveren door getuigen deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. Bosch, die hierbij tot rechter-commissaris wordt benoemd.

5.3

Verwijst de zaak naar de civiele rol van de rechtbank van woensdag 6 april 2016 voor dagbepaling enquête en draagt [X] op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen dan wel dat hij geen bewijs door getuigen wenst te leveren.

5.4

Bepaalt dat [X] indien hij andere bewijsstukken wil overleggen, die stukken bij akte in het geding moeten worden gebracht.

5.5

Verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van woensdag 20 april 2016 voor het nemen van de in onderdeel 5.4 bedoelde akte.

in reconventie

5.6

Veroordeelt FIT tot overlegging aan [X] van een afschrift:

- van de dossiers en onderzoeksresultaten van de onderzoeken, gerealiseerd door Cunningham & Lindsey België,

- van de traceerbaarheidgegevens van de door FIT aan [X] geleverde producten over de periode van 1 januari 2013 t/m 31 juli 2013.

in conventie en in reconventie

5.7

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Bosch, mr. W.K.F. Hangelbroek en mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.1

1 type: en coll: