Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1135

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
C/08/183210 / KG ZA 16-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van weg op grond van notariële akte of door verkrijgende of extinctieve verjaring? Noodweg? Ordemaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/183210 / KG ZA 16-69

Vonnis in kort geding van 24 maart 2016

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

3. [C],

wonende te [woonplaats] ,

4. [D],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

enkel eisers 1 en 2 zijn verweerders in reconventie,

advocaat mr. H. Dijks te Enschede,

tegen

1 [E] ,

wonende te [woonplaats] ,

in persoon verschenen,

2. [F],

wonende te [woonplaats] ,

3. [G],

wonende te [woonplaats] ,

4. [H],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

enkel gedaagden 2, 3 en 4 zijn eisers in reconventie,,

advocaat van mr. P.A. Speijdel te Enschede.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [F] c.s., dan wel afzonderlijk [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] , [G] en [H] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de wijziging van eis

  • -

    de stelbrief van 17 maart 2016, inclusief producties en aankondiging reconventionele eis

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [A] c.s.

  • -

    de pleitnota van [F] c.s. inclusief de eis in reconventie

1.2.

Heden wordt bij vervroeging vonnis gewezen.

2 De feiten

2.1.

[A] c.s. en [F] c.s. zijn buren van elkaar en wonen allen aan dezelfde weg, te weten de [adres] te [plaats] . Het echtpaar [A] en [B] woont op nummer 104, het echtpaar [C] en [D] woont op nummer 106, het echtpaar [F] en [G] woont op 108, [H] woont op nummer 110 en [E] op nummer 100. Om vanaf de openbare weg de [adres] hun woningen te kunnen bereiken, maken [A] c.s. en [F] c.s. gebruik van een onverharde weg die over de percelen van alle partijen loopt.

2.2.

Bij brief van 6 oktober 2015 hebben [F] c.s. aangekondigd dat er stootdrempels en varkensruggen op de weg zouden worden aangebracht, hetgeen ook is gebeurd.

2.3.

Bij brief van 29 januari 2016 heeft de advocaat van [A] c.s. [F] c.s. gesommeerd het volgens [A] c.s. bestaande recht van erfdienstbaarheid of het bestaan van een noodweg te respecteren en vóór 6 februari 2016 de stootdrempels en varkensruggen te verwijderen en om de breedte van de weg te herstellen tot circa 5 meter.

2.4.

Aangezien aan deze sommatie geen gehoor is gegeven hebben [A] c.s. zich genoodzaakt gezien dit kort geding te entameren.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[A] c.s. vorderen na vermeerdering van eis samengevat - op straffe van verbeurte van een dwangsom [F] c.s. :

- te gelasten hen vrije doorgang te verlenen over de weg totdat er een onherroepelijke beslissing over dit geschil is genomen

  • -

    hoofdelijk te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van de stootdrempels en varkensruggen

  • -

    hoofdelijk te veroordelen tot het herstellen en in stand houden van de breedte van de weg tot vijf meter

Voorts vorderen [A] c.s.:

  • -

    hen te machtigen om op kosten van en voor rekening van [F] c.s. over te gaan tot herstel van de weg, wanneer [F] c.s. in gebreke blijven met nakoming van het gevorderde

  • -

    [F] en [G] op straffe van verbeurte van een dwangsom hoofdelijk te veroordelen om de aan de voorzijde van hun perceel aangebrachte camera binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis te verwijderen, althans deze zodanig af te stellen dat het onmogelijk is opnamen te maken van personen dan wel voertuigen die zich op de weg begeven.

Tot slot vorderen [A] c.s. [F] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[F] c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[F] c.s. vorderen samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [A] en [B] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om als bestuurder over de weg te rijden ter hoogte van de kavels 108 en 110 met een snelheid hoger dan primair 10 kilometer per uur, subsidiair 15 kilometer per uur, meer subsidiair een door de rechtbank te bepalen snelheid. Tot slot vorderen [F] c.s. [A] c.s. te veroordelen in de kosten van de reconventie.

4.2.

[A] c.s. voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang van de procedure in conventie met die in reconventie zullen de geschillen gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat de onderlinge verhoudingen tussen partijen ernstig zijn verstoord. Partijen lijken niet meer in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren, hetgeen tot escalaties leidt. Daarmee is het spoedeisend belang bij het gevorderde reeds gegeven. De voorzieningenrechter zal overgaan tot de materiële beoordeling.

5.3.

De voorzieningenrechter volgt [F] c.s. niet in hun betoog dat [C] en [D] hen rauwelijks hebben gedagvaard, doordat eerst ter zitting is gebleken wat de reden is waarom zij hen dagvaarden. Gebleken is immers dat hen bij brief van

29 januari 2016 is aangezegd: ‘Cliënten wezen u er al eerder op dat u stootdrempels en zogeheten varkensruggen op de weg hebt aangebracht die een onbelemmerde doorgang voor cliënten verhinderen. (…)

Voorts sommeer ik u namens cliënten (…) de stootdrempels en varkensruggen te verwijderen (…)

Indien aan de sommaties niet integraal gehoor wordt gegeven, zullen cliënten u in rechte moeten betrekken’.

Uit de eerste alinea van deze brief blijkt dat mr. Dijks deze brief mede namens [C] en [D] heeft geschreven.

5.4.

Beide partijen hebben ter zitting te kennen gegeven dat zij betreuren dat het tot een rechtzaak is gekomen en dat zij er niet in zijn geslaagd hun geschillen in onderling overleg op te lossen. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat het voornaamste geschilpunt tussen partijen is de snelheid waarmee door [A] en [B] over de weg over de percelen van hun buren wordt gereden. Ongeacht de juridische positie van alle betrokkenen met betrekking tot het gebruik van de weg hebben [F] c.s. ter zitting benadrukt dat zij geen doorslaggevend bezwaar hebben tegen het gebruik van de weg door [A] en [B] , mits dat op in hun ogen fastoenlijke wijze gebeurt. Daar waar [F] c.s. stellen dat [A] en [B] te hard over de weg rijden, wordt dit door laatstgenoemden ontkend. De irritaties die over en weer over de rijstijl van [A] en [B] zijn ontstaan, hebben de opmaat gevormd naar de juridische geschillen die nu ter beoordeling aan de voorzieningenrechter worden voorgelegd. Omdat partijen in onderling overleg niet tot een oplossing konden komen hebben [F] c.s. uiteindelijk obstakels in de vorm van stootdrempels en varkensruggen (verder: drempels) op de weg geplaatst om de snelheid over de weg te beperken. Volgens [A] c.s. worden zij door de geplaatste drempels gehinderd in hun recht om onbelemmerd gebruik te kunnen maken van de weg.

5.5.

[A] c.s. stellen primair dat zij recht hebben op een onbelemmerde doorgang conform de notarieel vastgelegde erfdienstbaarheden van weg. Uit de in het geding gebrachte notariële aktes blijkt volgens hen expliciet dat ten behoeve en ten laste van de erven van [A] c.s. erfdienstbaarheden van weg zijn gevestigd ter breedte van vijf meter. Zouden deze erfdienstbaarheden niet door notariële vastlegging en inschrijving in het kadaster zijn ontstaan, dan zijn zij door zowel verkrijgende als extinctieve verjaring ontstaan, aldus [A] c.s. Voor zover er geen sprake zou zijn van een erfdienstbaarheid door vestiging of verjaring, is er volgens [A] c.s. sprake van een noodweg.

5.6.

[F] c.s. erkennen een notarieel vastgelegde erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het perceel 106, het perceel van [C] en [D] . [F] c.s. betwisten echter dat uit de door [A] c.s. in het geding gebrachte notariële aktes blijkt dat ten behoeve van het perceel van [A] en [B] , verder overeenkomstig het huisnummer aangeduid als perceel 104, erfdienstbaarheden van weg zijn gevestigd. Ook betwisten zij dat dergelijke erfdienstbaarheden door verjaring zijn ontstaan. Van een noodweg is volgens [F] c.s. evenmin sprake.

5.7.

Een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van perceel 104 door verkrijgende verjaring is volgens [F] c.s. niet aan de orde, reeds omdat [A] en [B] niet te goeder trouw in de veronderstelling konden verkeren dat ten behoeve van hun perceel een recht van erfdienstbaarheid van weg bestond. Aangezien in de door hen in het geding gebrachte aktes een dergelijk recht niet is opgenomen, kunnen zij daaraan niet te goeder trouw dat recht ontlenen, aldus [F] c.s. De goede trouw ontbrak volgens laatstgenoemden eveneens omdat [A] en [B] er meerdere keren door hen op zijn gewezen dat een dergelijke erfdienstbaarheid ontbrak.

5.8.

Aan de vereisten voor het verkrijgen van een recht van erfdienstbaarheid van weg wegens extinctieve verjaring wordt evenmin voldaan, zo stellen [F] c.s., omdat [A] en [B] de weg niet gedurende 20 jaar of meer hebben gebruikt om van en naar de [adres] te komen. In het verleden is immers ook door rechtsvoorgangers van [A] en [B] gebruik gemaakt van een andere ontsluitingsweg, die vanaf perceel 104 over perceel 30a liep, zo stellen [F] c.s. Aangezien deze weg er nog steeds is, kunnen zij die weg gebruiken om naar de openbare weg te komen.

5.9.

Dit laatste betekent in de visie van [F] c.s. tevens dat de weg over de percelen 100, 106, 108 en 110 geen noodweg voor perceel 104 is. Door [A] c.s wordt betwist dat [A] en [B] gebruik kunnen en mogen maken van de ontsluitingsweg over perceel 30a.

5.10.

Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter lijkt het erop dat uit de in het geding gebrachte notariële aktes blijkt dat ten laste van perceel 104 erfdienstbaarheden van weg zijn gevestigd, en niet dat dit ook ten behoeve van dit perceel is gebeurd. Hieruit volgt dat zal moeten worden beoordeeld of er door verjaring dergelijke erfdienstbaarheden zijn ontstaan en als dat niet zo zou zijn, of er dan sprake is van een noodweg. De voorzieningenrechter constateert dat, om vast te kunnen stellen welke van de verschillende standpunten van partijen hierover juist zijn, nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering nodig zijn. Voor dergelijk nader onderzoek leent een kort gedingprocedure zich naar zijn aard evenwel niet.

5.11.

De onzekerheid over de rechtsverhouding tussen partijen neemt echter niet weg dat partijen een ordemaatregel kunnen vragen. Het staat de rechter in kort geding, uitgaande van de onzekerheid van de rechtsverhouding tussen partijen, vrij om op basis van een afweging van de belangen van partijen een ordenende maatregel te nemen. (ECLI:NL:HR1990:AD3312)

5.12.

Het belang van [A] c.s. is gelegen in de mogelijkheid om via de weg hun perceel te kunnen bereiken. Het belang van [F] c.s. is erin gelegen om zonder gevaar voor lijf en leden gebruik te kunnen maken van de weg.

5.13.

Afweging van de wederzijdse belangen leidt de voorzieningenrechter tot het volgende oordeel. Nu niet is komen vast te staan dat [A] en [B] gebruik kunnen maken van een andere ontsluitingsweg, bestaat er een gerede kans dat tenminste sprake is van een noodweg. Gelet hierop dienen [A] en [B] de weg te kunnen blijven gebruiken om van en naar hun woning te komen.

5.14.

De door [F] c.s. op de weg aangebrachte drempels belemmeren

[A] c.s. naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig in gebruik van de weg, dat dit ertoe noopt nu bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de drempels verwijderd zouden moeten worden. Ter zitting is immers gebleken dat de hoogste dwars op de weg geplaatste drempels, die gelegen waren aan het begin van de weg, ter hoogte van de percelen 100 en 110, zijn verwijderd. [E] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat, toen hij bemerkte dat die drempels dusdanig hoog waren dat hij er met zijn auto op bleef ‘hangen’, hij dit bij [F] heeft gemeld en deze toen de grond bij de drempels heeft opgehoogd teneinde dit probleem te verhelpen. Dat de drempels - zowel de dwars op de weg geplaatste, als de in de lengterichting van de weg geplaatste - het rijden op de weg beïnvloeden, ligt voor de hand, maar dient ook een legitiem doel, namelijk het remmen van de snelheid, waardoor de veiligheid van alle weggebruikers beter wordt gewaarborgd. De snelheid dient te worden aangepast aan de weg. Nu tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een onverharde en bochtige weg, komt de voorzieningenrechter de reeds met een bord aangegeven maximum snelheid van

10 kilometer per uur niet onredelijk voor.

5.15.

Uit de in het geding gebrachte notariële aktes blijkt dat daar waar sprake is van gevestigde erfdienstbaarheden van weg, steeds sprake is van een breedte van de weg van

5 meter. Ter zitting is gebleken dat de weg niet op alle plaatsen 5 meter breed is. Dat zou te maken hebben met bomen of boomstronken die al sinds jaar en dag de weg versmallen en met door [F] c.s. meer recent geplaatste beplanting. Ook hiernaar zal zonodig in een bodemprocedure nader onderzoek dienen plaatst te vinden. Tot dat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist of liever, tot partijen op een andere wijze op dit punt afspraken hebben gemaakt, dienen [A] en [B] zich te onthouden van het eigenhandig, zonder overleg met [F] c.s., snoeien of anderszins verwijderen van beplanting op percelen van hun buren.

5.16.

De voorzieningenrechter zal de vordering van [A] c.s. om [F] en [G] te veroordelen om de op hun perceel aangebrachte camera te verwijderen, althans deze zodanig af te stellen dat er geen opnames mee kunnen worden gemaakt van personen dan wel voertuigen die zich op de weg bevinden, afwijzen. Nog daargelaten dat niet duidelijk is geworden of het een camera of een dummy betreft, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat - als al sprake is van een functionerende camera - de privacy van de weggebruikers daardoor wordt geschonden, zoals [A] c.s. stellen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

5.17.

De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsommen in navolgende zin matigen en maximeren.

5.18.

Het vorenstaande leidt ertoe dat partijen als na vermeld over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

gelast dat [F] c.s. [A] en [B] - zonder dat de thans aanwezige drempels en/of varkensruggen behoeven te worden verwijderd - een vrije doorgang verlenen over de weg die over de percelen van hun buren naar de [adres] loopt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag en/of dagdeel dat [F] c.s. hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,--

in reconventie

6.2.

verbiedt [A] en [B] om over de weg die over de percelen van hun buren naar de [adres] loopt ter hoogte van de kavels die behoren bij de huisnummers [adres] 108 en 110, harder te rijden of zich harder te laten rijden dan 10 kilometer per uur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding, met een maximum van € 50.000,--, des dat de een betaald zal hebben aan [F] c.s. de ander zal zijn bevrijd,

6.3.

gelast [A] en [B] zich te onthouden van het eigenhandig en zonder overleg met [F] c.s. snoeien of anderszins verwijderen van beplanting op de percelen van [F] c.s. tot dat in een bodemprocedure onherroepelijk op dit punt is beslist of tot partijen op een andere wijze op dit punt afspraken hebben gemaakt,

in conventie en in reconventie

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op

24 maart 2016.1

1 type: coll: