Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1079

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
ak_15_1961
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van handhavend optreden tegen proeverijen om niet had eiseres geen belang meer in verband met eerder verleende ontheffing; beroep gegrond voor zover in bezwaar is nagelaten een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1961

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Vereniging SlijtersUnie, te Eindhoven, eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.J. Houben,

en

de burgemeester van Hengelo, verweerder

gemachtigde: mr. M.S. van Dijk.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: De Wijnhal Hengelo – Wijnkoperij Hamburg, gevestigd te Hengelo.

Procesverloop

Bij primair besluit van 22 januari 2015 heeft verweerder het (eerste) handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 23 januari 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 juni 2015 heeft verweerder besloten alsnog deels handhavend op te treden en voor het overige de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand te laten.

Bij primair besluit van 17 april 2015 heeft verweerder op het (tweede) handhavingsverzoek van eiseres beslist. Eiseres heeft daartegen op 25 mei 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 september 2015 heeft verweerder dit bezwaar deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het vorige heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen.

Eiseres heeft tegen het besluit van 9 september 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door M.J. Lenferink en I.P.H. Claassen. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. Oudenallen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 20 oktober 2014 heeft eiseres verweerder verzocht handhavend op te treden tegen een op 25 en 26 oktober 2014 door de derde-partij te houden najaarsproeverij. Omdat dat weekend geen controle is uitgevoerd door toezichthouders van de afdeling Handhaving heeft verweerder geen overtreding vast kunnen stellen. Het verzoek om handhaving is vervolgens bij besluit van 22 januari 2015 afgewezen.

Tijdens de hoorzitting op 1 april 2015 over het bezwaar tegen dat besluit is gebleken, dat de derde-partij elk jaar organiseert:

  • -

    een voorjaars- en najaarswijnproeverij “om niet”, hetgeen ingevolge artikel 13, tweede lid van de Drank- en Horecawet (DHW) uitsluitend is toegestaan in een slijterslokaal, en

  • -

    enkele andere proeverijen “anders dan om niet”, hetgeen ingevolge artikel 12, eerste lid van de DHW uitsluitend is toegestaan in een horecalokaal.

Op 21 april 2015 heeft de derde-partij bij verweerder een aanvraag om ontheffing op grond van artikel 35, eerste lid van de DHW ingediend voor het om niet verstrekken van

zwak-alcoholhoudende drank tijdens proeverijen in het voorjaar (één zaterdag en zondag in april of mei) en het najaar (één zaterdag en zondag in oktober of november). Op 19 mei 2015 heeft verweerder die ontheffing verleend.

Bij het besluit van 12 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres vervolgens:

- ongegrond verklaard voor zover dit is gericht op het om niet verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank tijdens voorjaars- en najaarsproeverijen, omdat daarvoor inmiddels een DHW-ontheffing is verleend, en

- gegrond verklaard voor zover dit is gericht op proeverijen anders dan om niet.

Verweerder heeft de derde-partij bij afzonderlijk besluit van 12 juni 2015 gelast om te stoppen met het houden van proeverijen anders dan om niet en daarvoor een last onder dwangsom opgelegd van € 500,- per week met een maximum van € 2.500,-.

Tegen de besluiten van 12 juni 2015 zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, als gevolg waarvan deze in rechte zijn komen vast te staan.

1.2

Op 23 januari 2015 heeft eiseres verweerder andermaal verzocht om handhavend op te treden tegen de activiteiten van de derde-partij. Eiseres heeft daarbij vermeld dat de

derde-partij in zijn wijnhal elk jaar een voorjaars- en najaarsproeverij organiseert.

Verweerder heeft zich bij besluit van 17 april 2015 op het standpunt gesteld dat eiseres niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft te gelden bij de besluitvorming over de derde-partij.

Bij het besluit op bezwaar van 9 september 2015 heeft verweerder het handhavingsverzoek deels niet ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen, waarbij is overwogen dat:

  1. de wijnproeverijen om niet inmiddels zijn gelegaliseerd

  2. de wijnproeverijen anders dan om niet als gevolg van het handhavingsbesluit inmiddels zijn gestaakt, zodat er niet langer sprake is van een overtreding waartegen verweerder kan optreden.

Eiseres heeft op 14 september 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In haar beroepschrift voert zij, voor zover hier van belang, aan, dat:

  1. van legalisatie van de wijnproeverijen om niet geen sprake is, omdat de verleende ontheffing een wettelijke grondslag ontbeert;

  2. zij aanspraak heeft op een vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

2. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.1

Verweerder heeft eiseres bij het primaire besluit van 17 april 2015 ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ten aanzien van rechtspersonen worden ingevolge het derde lid van dit artikel als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Eiseres is een vereniging waarvan de leden ingevolge artikel 5, tweede lid van de statuten natuurlijke of rechtspersonen zijn die het slijtersbedrijf uitoefenen als bedoeld in artikel 1 van de DHW. Artikel 3, eerste lid van de statuten omschrijft als doel van de SlijtersUnie: het behartigen van de sociale en economische belangen van haar leden, voor zover die betrekking hebben op het slijtersbedrijf en het bestrijden van al hetgeen deze belangen zou kunnen schaden. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a tot en met j van de statuten tracht zij dit doel te bereiken langs wettige weg door:

- het bevorderen van een gezonde geest in de door haar leden uitgeoefende ondernemingen,

- het uitgeven van geschriften ten behoeve van voorlichting, propaganda, vakkennis en reclame in het belang van de bedrijfstak,

- het plegen van overleg en samenwerking met andere verenigingen, lichamen en instanties, welke een gelijk of gelijksoortig doel beogen of mede beogen,

- zich te doen vertegenwoordigen in bedrijf- en productschappen en andere daarvoor in aanmerking komende organen en commissies, het bedrijfsleven, overheidslichamen of representatieve instanties,

- het uitvaardigen van voor leden bindende voorschriften,

- het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, bindende loonregelingen (bijvoorbeeld V.U.T.) en andere afspraken, alsmede het verlenen van medewerking aan de wijziging daarvan,

- het houden van vergaderingen, voordrachten en lezingen, alsmede het organiseren van tentoonstellingen en wedstrijden die op de bedrijfstak betrekking hebben,

- het verstrekken van hulp en voorlichting aan haar leden terzake van de uitvoering en het in acht nemen van wettelijke voorschriften die op de bedrijfstak betrekking hebben,

- het voeren van procedures ten behoeve van de branche in het algemeen en de leden in het bijzonder, en

- alle andere wettige middelen, die voor het doel van de SlijtersUnie bevorderlijk zijn.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (ECLI:NL:RVS:2006:AY6762), komt een belangenorganisatie die opkomt voor het belang van haar leden daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.

De belangen van (de leden van) eiseres omvatten, zoals volgt uit de statuten, sociale en economische belangen. Naar het oordeel van de rechtbank valt daaronder ook het belang dat de DHW correct wordt nageleefd omdat de slijters, zoals kan worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1961-1962, 6811, nr. 3, MvT, p. 13 en nr. 5, MvA,

p. 2-3), een belangrijke taak hebben bij de uitvoering van de wet, niet-naleving van de regels concurrentievervalsend kan werken en bovendien zou kunnen leiden tot een aanscherping van de wettelijke regels.

2.2

De rechtbank ziet het tweede handhavingsverzoek van eiseres niet als een herhaalde aanvraag. Deze aanvraag zag immers – anders dan de voorgaande – op alle proeverijen die derde-partij in zijn wijnhal organiseert en niet uitsluitend op de najaarsproeverij van oktober 2014. Bovendien geldt dat de derde-partij ten tijde van het (tweede) handhavingsverzoek, welk verzoek verweerder in een later stadium van de besluitvorming heeft gehonoreerd, zijn met de DHW strijdige activiteiten nog niet had gestaakt. Daarvan was eerst sprake ten tijde van het in beroep bestreden besluit.

2.3

Verweerder heeft zich in het primaire besluit van 17 april 2015 dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen belanghebbende is en dat het handhavingsverzoek van eiseres geen aanvraag in de zin van de Awb is. Nu verweerder eiseres, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, evenwel in de beslissing op bezwaar alsnog als belanghebbende heeft aangemerkt, had verweerder het besluit van 17 april 2015 in die zin had moeten herroepen. Bovendien had verweerder eiseres – zoals in bezwaar verzocht – met in achtneming van het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb op die grond een proceskostenvergoeding dienen toe te kennen.

2.4

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek van eiseres voor zover gericht op de voorjaars- en najaarsproeverijen om niet op goede gronden heeft afgewezen.

2.5

De wijnproeverijen om niet zijn in strijd met het bepaalde in de artikel 13 van de DHW. Verweerder is bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dat niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat.

Van die situatie was in het onderhavige geval ten tijde van het bestreden besluit sprake. De derde-partij beschikte op dat moment immers over een ontheffing op grond van artikel 35, eerste lid van de DHW, zodat de desbetreffende activiteit destijds was gelegaliseerd. Tegen de ontheffing was weliswaar bezwaar gemaakt door de Stichting Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid STAP (verder: STAP), doch dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 17 september 2015 ongegrond verklaard. Die ontheffing was ten tijde van het in dit beroep bestreden besluit derhalve nog steeds van kracht. Aan de vraag of die ontheffing op een juiste wettelijke grondslag berust komt de rechtbank bij de beoordeling van het in dit beroep bestreden besluit niet toe (vergelijk de uitspraak van 21 december 1999 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:1999: AA4296).

2.6

Ten aanzien van de proeverijen anders dan om niet had eiseres ten tijde van de beslissing op haar bezwaar geen belang meer bij handhaving. Daarvoor had verweerder immers reeds een last onder dwangsom opgelegd en daaraan heeft de derde-partij ook een zodanig gevolg gegeven dat de betreffende proeverijen zijn gestaakt.

3. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover verweerder daarbij heeft nagelaten om eiseres in bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.

4. De rechtbank zal verweerder alsnog veroordelen tot vergoeding van de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen de waarde per punt van

€ 496 en de wegingsfactor 1).

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres met betrekking tot haar beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting tegen een waarde per punt van € 496 en de wegingsfactor 1).

Omdat het beroep gegrond wordt verklaart, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder aan eiseres het door betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover is nagelaten eiseres vergoeding van proceskosten in bezwaar toe te kennen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.488;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en mr. W.F. Bijloo, leden, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.