Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1072

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
C/08/174066 / FA RK 15-1647
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst het verzoek van de meemoeder om kind te adopteren af. Rechtbank is van oordeel dat naast de gedane erkenning de adoptie niet kan worden uitgesproken. De meemoeder heeft het kind al erkend en op grond daarvan bestaat reeds een familierechtelijke betrekking tussen hen. Hoewel in de wet niet expliciet is vermeld of adoptie naast erkenning al dan niet mogelijk is, volgt uit het systeem van de wet en de wetsgeschiedenis dat dit niet mogelijk is. De meemoeder dient, wanneer er sprake is van een bekende donor, te kiezen hoe ze haar moederschap laat ontstaan: door erkenning of door adoptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/89
FJR 2016/48.6
PFR-Updates.nl 2016-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/174066 / FA RK 15-1647

beschikking van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 februari 2016

inzake:

[X]

verzoekster,

wonende [woonplaats] , [adres] ,

advocaat: mr. L.I. Boomsma-Shriber te Amsterdam

Als belanghebbende is aangemerkt:

[Y] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder te noemen: de moeder,

Als informant is aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ,

zetelend te [plaats] ,

hierna te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand of abs,

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende bescheiden:

- het verzoekschrift binnengekomen op 13 juli 2015 met – onder meer – de volgende bijlagen:

 uittreksels uit de basisregistratie personen van de [gemeente] van verzoekster en de moeder;

 een afschrift van de huwelijksakte van het jaar 2013 met aktenummer 300061;

 een kopie van de ondertekende donorovereenkomst d.d. 1 juni 2015;

 een verklaring van de bekende donor d.d. 1 juni 2015;

 een instemmingsverklaring verzoek tot partneradoptie van de moeder d.d. 1 juni 2015;

 een instemmingsverklaring van de met het ouderlijk gezag belaste persoon d.d. 1 juni 2015;

 een verklaring omtrent de geslachtsnaam d.d. 1 juni 2015;

 een afschrift van de akte erkenning van elk kind waarvan een vrouw thans zwanger is d.d. 29 juni 2015 met aktenummer 0031;

- de brief van mr. Boomsma-Shriber d.d. 29 juli 2015, met daarbij een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige 1] van het jaar 2015 met aktenummer 100008, ter griffie binnengekomen op 30 juli 2015 en een uittreksel uit het gezagsregister;

- de brief van mr. Boomsma-Shriber d.d. 21 september 2015, ter griffie binnengekomen op 21 september 2015;

- de brief van mr. Boomsma-Shriber d.d. 16 oktober 2015, ter griffie binnengekomen op 16 oktober 2015;

- de brief van mr. Boomsma-Shriber d.d. 11 februari 2016 met bijlage, ter griffie binnengekomen op 11 februari 2016;

- het aanvullend verzoek tot benoeming bijzonder curator, vernietiging erkenning, verklaring voor recht d.d. 15 februari 2016, ingekomen op 15 februari 2016.

1.2.

Op 16 februari 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid van deze behandeling zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door de moeder. De heer A.A.H. Pots is namens de Raad voor de Kinderbescherming verschenen. Aan de heer [A] en mevrouw [B] , beiden ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] is bijzondere toegang verleend en zij zijn als informant gehoord. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Verzoekster is geboren [1982] in de [geboorteplaats] .

2.2.

Verzoekster is [2013] te [plaats] gehuwd met de moeder.

2.3.

De moeder en de donor hebben op 1 juni 2015 een donorovereenkomst gesloten, welke overeenkomst is ondertekend door verzoekster, de donor en de partner van de donor.

2.4.

[2015] is te [geboorteplaats] geboren: [minderjarige 1] , kind van de moeder en verzoekster. De minderjarige is verwekt met het semen van [Z] door middel van kunstmatige (zelf) inseminatie.

2.5.

[minderjarige 1] verblijft sinds haar geboorte in het gezin van moeder en verzoekster.

2.6.

Verzoekster adopteerde reeds eerder de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [2013] , dochter van de moeder.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekster verzoekt de rechtbank, na wijziging, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

primair: de adoptie uit te spreken en voor zoveel nodig verzoekster te belasten met het ouderlijk gezag;
subsidiair: de erkenning d.d. 29 juni 2015 te vernietigen en aansluitend de adoptie van de minderjarige door verzoekster uit te spreken;

meer subsidiair: een verklaring voor recht af te geven omtrent het ouderschap van verzoekster over de minderjarige in die zin dat de minderjarige en verzoekster en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan en dat de juridische banden met de biologische vader en zijn bloedverwanten definitief zijn verbroken;

primair en subsidiair: een bijzondere curator te benoemen.

3.2.

Hiertoe stelt verzoekster dat het steeds haar intentie is geweest om [minderjarige 1] , net zoals [minderjarige 2] , te adopteren. Verzoekster hecht eraan dat de juridische band en de gevolgen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gelijk zijn. Adoptie biedt meer waarborgen dan erkenning, zeker nu er een bekende donor in beeld is. Bovendien is de adoptie in het belang van de minderjarige. Verzoekster stelt dat het mogelijk is om naast de gedane erkenning de adoptie uit te spreken. Ware dit niet het geval, dan zou dat strijdig zijn met artikel 8 EVRM.

Subsidiair wenst verzoekster de gedane erkenning te vernietigen, nu zij heeft gedwaald door de mededeling van de ambtenaar van de burgerlijke stand die haar onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van adoptie na erkenning. Indien de erkenning zou worden vernietigd, staat niets meer aan het uitspreken van een adoptie in de weg.

4 De informatie van de ambtenaar van de burgerlijke stand

4.1.

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij er destijds niet van op de hoogte was dat een gedane erkenning door verzoekster mogelijk in de weg zou kunnen staan aan een adoptie. De wetgeving op dit punt was ten tijde van de erkenning door verzoekster van de ongeboren vrucht net gewijzigd. Vanuit de overheid is geen instructie of circulaire uitgegeven over hoe te handelen in zo’n geval. Het was de ambtenaar van de burgerlijke stand bekend dat verzoekster [minderjarige 1] wenste te adopteren. Wel had verzoekster (ook) de wens om in de geboorteakte als juridisch ouder te worden vermeld, aangezien zij door de erkenning als meemoeder bij de geboorte direct juridisch ouder zou zijn.

5 Het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming

5.1.

De Raad voor de Kinderbescherming acht de verzochte adoptie in het belang van [minderjarige 1] .

6 De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De Wet Juridisch ouderschap voor de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat met de invoering van de Wet Juridisch ouderschap voor de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie per 1 april 2014, het juridisch moederschap van de vrouw die het kind heeft erkend, is opgenomen in de wet.

6.2.

Ingevolge artikel 1:198 lid 1 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek (BW) is [Y] moeder van [minderjarige 1] , nu [minderjarige 1] uit haar geboren is. Ingevolge artikel 1:198 lid 1 aanhef en onder c BW is verzoekster moeder van de minderjarige, nu zij [minderjarige 1] heeft erkend.
Dit betekent dat [minderjarige 1] thans twee juridische ouders heeft, te weten de moeder en verzoekster, waardoor familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en [minderjarige 1] , alsmede tussen verzoekster en [minderjarige 1] tot stand zijn gekomen.

Ten aanzien van het primaire verzoek tot adoptie

6.3.

Thans wenst verzoekster [minderjarige 1] te adopteren. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:229 lid 1 BW komen door de adoptie de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. Op grond van het bepaalde in lid 2 van dit artikel houdt tegelijkertijd de familierechtelijke betrekking tussen geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.

6.4.

De vraag die voorligt is of naast de gedane erkenning ook de adoptie kan worden uitgesproken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiertoe overweegt zij als volgt. Hoewel in de wet niet expliciet is vermeld of adoptie naast erkenning al dan niet mogelijk is, volgt uit het systeem van de wet en de wetsgeschiedenis dat dit niet mogelijk is. De meemoeder dient, wanneer er sprake is van een bekende donor, te kiezen hoe ze haar moederschap laat ontstaan: door erkenning of door adoptie. Op Kamervragen ter zake heeft de (toenmalige) staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geantwoord dat een juridische ouder van een kind een kind niet meer kan adopteren. Als een kind eenmaal is erkend door de meemoeder of het ouderschap van de meemoeder van rechtswege is ontstaan, dan behoort adoptie door de meemoeder derhalve niet meer tot de mogelijkheden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 032, nr. 6). Zoals hiervoor gesteld, zou een andersluidend oordeel zich niet verhouden tot de in de wet geregelde rechtsgevolgen. Immers, indien adoptie naast erkenning mogelijk zou zijn, zou dit betekenen dat bij toewijzing van het verzoek tot adoptie de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en [minderjarige 1] enerzijds wordt verbroken door de adoptie (artikel 1:229, lid 2 BW) om deze tegelijk weer te vestigen. Reeds om die reden is het standpunt van verzoekster niet houdbaar. Dat de (rechts)gevolgen van erkenning en adoptie deels verschillend zijn, maakt dit niet anders.

6.5.

Nu verzoekster [minderjarige 1] (al) erkend heeft, is de adoptie van [minderjarige 1] door haar, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen niet meer mogelijk. Dit primaire verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Van een inbreuk op artikel 8 EVRM (het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) is geen sprake, nu verzoekster reeds juridisch ouder is en er als zodanig familierechtelijke betrekkingen bestaan tussen [minderjarige 1] en verzoekster. Het feit dat verzoekster niet meer kan adopteren vormt dan ook geen inbreuk op artikel 8 EVRM.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek de vernietiging van de erkenning en de benoeming van een bijzondere curator

6.6.

Aangezien het primaire verzoek tot adoptie dient te worden afgewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek tot vernietiging van de erkenning.

6.7.

Alvorens op dit verzoek kan worden beslist, dient ingevolge artikel 1:212 BW een bijzondere curator te worden benoemd, nu dit verzoek een zaak van afstamming betreft. De bijzondere curator is de wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige 1] en behartigt de belangen van [minderjarige 1] in deze procedure.

6.8.

De rechtbank zal de beslissing op het subsidiaire verzoek aanhouden teneinde de bijzondere curator in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen en de belangen van [minderjarige 1] in deze te behartigen. De rechtbank zal de zaak hiertoe zes weken aanhouden en draagt verzoekster en de bijzondere curator reeds nu op om opgave te doen van hun verhinderdata over de maanden april, mei en juni 2016, zodat op korte termijn een nieuwe datum kan worden bepaald voor een (voortgezette) mondelinge behandeling.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1.

wijst het primaire verzoek tot adoptie af;

7.2.

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] :

mr. M.S. Flokstra, advocaat, kantoorhoudende te (7570 AA) Oldenzaal aan de Deurningerstraat 39e (Postbus 38);

7.3.

beveelt de raad voor rechtsbijstand ressort Arnhem om mevrouw mr. M.S. Flokstra voornoemd, aan de minderjarige [minderjarige 1] toe te voegen;

7.4.

houdt iedere verdere beslissing aan tot 7 april 2016 voor het onderzoek van en de belangenbehartiging door de bijzondere curator en draagt verzoekster en de bijzondere curator op om uiterlijk 10 maart 2016 verhinderdata over de maanden april, mei en juni 2016 op te geven, zodat een (voortgezette) mondelinge behandeling kan worden bepaald.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Flos, Jongebreur en Van der Lecq, in tegenwoordigheid van G.M. Keupink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.