Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1060

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
4840672 WM VERZ 16-23
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een autoverhuurbedrijf stelt met een beroep op artikel 8 Wahv administratief beroep in tegen de opgelegde sanctie voor een snelheidsovertreding die met het kort gehuurde voertuig is begaan. De officier van justitie heeft als vaste werkwijze dat hij eist dat een huurovereenkomst met de geboortedatum van de huurder wordt overgelegd. Nu de huurovereenkomst de geboortedatum wel die van de bestuurder maar niet die van de huurder vermeldt, verklaart hij het beroep ongegrond. In het daarop gevolgde beroep bij de kantonrechter geeft deze de officier van justitie ongelijk.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

tevens aantekening mondelinge beslissing wahv

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - zittingsplaats Enschede

zaaknummer : 4840672 WM VERZ 16-23

CJIB-nummer : 188732180

In de Mulder beroepszaak met het hierboven genoemde zaaknummer heeft

[autoverhuurbedrijf] B.V.

[adres]

[plaats]
hierna te noemen: betrokkene

een beroepschrift ingediend. Op de openbare zitting van 24 maart 2016 heeft mr. F.C. Berg,

kantonrechter, de heer W. Kok namens de officier van justitie gehoord. Betrokkene is niet verschenen.

Het volgende is ter zitting voorgevallen, besproken en door de kantonrechter overwogen:

Aan betrokkene is op 17 april 2015 een sanctie opgelegd van € 101,-- vermeerderd met € 7,-- administratiekosten, ter zake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, met 12 km/h”, gepleegd op 7 februari 2015 om 14.26 uur in de gemeente Hengelo.

Betrokkene heeft bij wijze van administratief beroepschrift op 20 april 2015 een overeenkomst van verhuur van de bettreffende auto toegestuurd. Daarop staat betrokkene herkenbaar als autoverhuurbedrijf genoemd. Als huurder staat vermeld: [huurder] , [adres] , [woonplaats] . In het vakje van de huurder staan verder vermeld “overeenkomstdatum: 7 februari 2015” en “ [nummer] ”. Als bestuurder staat vermeld: [bestuurder] , [adres] , [woonplaats] . Van de bestuurder staan ook vermeld een geboortedatum een rijbewijsnummer en de datum tot wanneer dat rijbewijs geldig is. De ruimte voor een handtekening van “huurder/bestuurder” is leeg. De auto is gehuurd van 7 februari 2015 08.32 uur tot 7 februari 2015, 16.44 uur, voor € 72 per dag exclusief BTW, brandstof en inclusief verzekering en 100 km vrij € 0,16 per extra km, met daarbij informatie over het eigen risico en de per PIN betaalde € 150 borg.

Per brief van 2 juni 2015 wordt kenbaar gemaakt dat een huurovereenkomst ontbreekt met de vermelding daarop van de geboortedatum van de huurder. Gevraagd wordt om die alsnog toe te sturen.

Op 8 juni 2015 faxt betrokkene deze verzuimbrief retour met daarbij nogmaals een kopie van de huurovereenkomst, de geboortedatum van de bestuurder met pen omcirkeld.

Op 23 juli 2015 heeft de officier van justitie dat administratief beroep ongegrond verklaard omdat bewijs of aanvullende informatie nodig was om het beroepschrift te kunnen beoordelen maar dit bewijs of deze informatie niet is verstrekt.

In het beroep tegen die beslissing heeft betrokkene op 27 juli 2015 een kleurenkopie van de beslissing van de officier toegestuurd met een kleurenkopie van de huurovereenkomst, deze keer ondertekend met een paraaf bij de verhuurder en de letters PO met dezelfde paraaf bij huurder/bestuurder. Deze keer zijn er cirkels getekend om de naam en adresgegevens van de bestuurder en om zijn geboortedatum en rijbewijsnummer en de uiterste geldigheidsdatum daarvan.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, omdat de officier van justitie altijd de geboortedatum van de huurder wenst te kennen om te weten aan wie het voertuig is verhuurd. Het kan zijn dat er op één adres meer mensen met dezelfde voorletters wonen of dat de huurder anderszins onduidelijk blijkt te zijn.

Ter zitting is Google Streetview geraadpleegd om te bekijken of op het adres van de als huurder genoemde persoon een bedrijfsgebouw is te zien. Het lijkt een woonhuis te zijn.

De kantonrechter heeft aangekondigd uiterlijk twee weken later uitspraak te zullen doen.

De kantonrechter overweegt tot zijn oordeel het volgende.

Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.

Art. 8 WAHV bepaalt, voor zover hier van belang, dat de officier van justitie in het geval van art. 5 WAHV de inleidende beschikking vernietigt, indien degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was. De officier van justitie kan dan binnen acht maanden na de datum van de gedraging alsnog een sanctie opleggen aan de huurder of aan degene die de gedraging begaan heeft.

De kantonrechter overweegt dat deze tekst op zichzelf ook reeds vrij duidelijk is ten aanzien van wat moet worden overgelegd: een huurovereenkomst waaruit blijkt wie de huurder was. Er worden geen bijzondere eisen gesteld aan die huurovereenkomst. Het overleggen van een huurovereenkomst waarop de geboortedatum van de huurder staat is bovendien onmogelijk in het niet zeldzame geval van een verhuur aan een rechtspersoon. In dit geval is een met naam en voorletter aangeduid persoon met een volledig en kennelijk bestaand adres vermeld. De eis dat aanvullend ook zijn geboortedatum op de overeenkomst staat op straffe van het niet van toepassing kunnen verklaren van artikel 8 Wahv gaat naar de kantonrechter oordeelt te ver. Het onvoldoende zijn van de huurovereenkomst is eerst aan de orde indien blijkt dat daarmee niet eenvoudig is vast te stellen wie de huurder is. Het zich voordoen van die situatie heeft de officier van justitie niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Hij doet slechts een beroep op zijn eigen werkwijze waarin de geboortedatum op de huurovereenkomst wordt vereist.

Ook bij de parlementaire behandeling van artikel 8 Wahv is aan de orde gekomen wat moet worden overgelegd en waarom. De kantonrechter wijst op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 8 juni 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9431, in de eerste plaats op rechtsoverweging 3.4:

3.4.

Bij tweede nota van wijziging op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de WAHV is art. 8 WAHV aangevuld in dier voege dat de kentekenhouder niet aansprakelijk is in het geval hij "een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijke aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was.".

Blijkens de wetsgeschiedenis is deze bepaling op aandrang van de Tweede Kamer opgenomen met name met het oog op de belangen van autoverhuurbedrijven. De regering achtte deze uitzondering op het uitgangspunt van art. 5 WAHV aanvaardbaar. De nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II 1988-1989, 20329, nr. 9, pag. 6) houdt dienaangaande in:

"Wij menen bij nadere overweging eventuele problemen in de verhaalsfeer voor autoverhuurbedrijven te kunnen ondervangen door in art. 8 te bepalen dat de beschikking door de officier wordt ingetrokken indien - kort gezegd - de verhuurder van een auto aantoont wie ten tijde van de gedraging de huurder was. Dit laatste dient te geschieden door overlegging van de huurovereenkomst.".

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer (Hand. II, 15 februari 1989 49-4950) heeft de minister van justitie ten aanzien van verhuurbedrijven verklaard:

"(...) Daar heeft de betrokkene een schriftelijke huurovereenkomst waarin de gegevens van de huurder vermeld staan. Die zijn ook altijd geverifieerd aan de hand van een rijbewijs. De kans dat een onjuiste opgave wordt gedaan van de bestuurder is daar dus aanzienlijk geringer.".

De kantonrechter meent dat wanneer er om dezelfde reden ook bij een bedrijf of een persoon zonder rijbewijs doorgaans niet lichtvaardig een auto zal worden meegegeven, ook bij deze personen de huurovereenkomst doorgaans geacht mag worden voldoende garantie te bieden voor de juistheid van de vermelding van de huurder, ook als daarvan geen geboortedatum wordt vermeld of als deze huurder een rechtspersoon zonder geboortedatum is. Nu de wetgever kennelijk uitdrukkelijk niet meer eist dan een huurovereenkomst die de huurder identificeert kan de eis van een geboortedatum van de huurder niet zonder meer gesteld worden. Opmerkelijk vindt de kantonrechter dat de minister in zijn zojuist aangehaalde woorden de begrippen huurder en bestuurder kennelijk op één lijn stelt.

Hoe dat ook zij, net als in de door het gerechtshof beoordeelde zaak zijn in de onderhavige zaak van de bestuurder wel de gegevens en ook die van zijn rijbewijs genoteerd op de huurovereenkomst. Het gerechtshof komt in zijn zaak tot de overweging dat

3.12.

Uit het hoger beroepschrift volgt, dat de relatie van de verhuurder met de bestuurder elementen in zich draagt van enerzijds een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, korter dan drie maanden en anderzijds van een situatie, waarin de betrokkene mogelijk een beroep toekomt op de disculpatiegrond als vervat in art. 8, aanhef en onder a, WAHV.

De kantonrechter is in de onderhavige zaak van oordeel dat het ontbreken van een handtekening op de huurovereenkomst zonder betekenis is nu de huurder en/of de bestuurder van de auto een borg van € 150 met PIN betaald heeft, de auto heeft opgehaald en dezelfde dag heeft teruggebracht, zodat kennelijk geen misverstand bestond over wat over en weer de afspraak was: autoverhuur voor één dag. Zoals de minister in de aangehaalde wetsgeschiedenis neemt ook de kantonrechter aan dat de verhuurder de gegevens van het rijbewijs van de bestuurder heeft geverifieerd.

Voor zover de officier van justitie heeft willen benadrukken dat hij alsnog een sanctie had willen opleggen bij vernietiging van de sanctie aan betrokkene, wijst de kantonrechter erop dat de overgelegde huurovereenkomst zowel de huurder als de bestuurder aanwijst, zodat naar keuze van de officier van justitie op grond van artikel 8, laatste alinea Wahv, aan de huurder of de bestuurder alsnog een sanctie kan worden opgelegd. Zelfs als de huurder alsnog moeilijk te identificeren blijft, kan dus nog steeds een sanctie worden opgelegd aan de bestuurder die mag worden verondersteld de gedraging te hebben begaan.

Dat de opsomming van drie personen aan wie blijkens die laatste alinea van artikel 8 Wahv alsnog een sanctie kan worden opgelegd, niet bedoeld is om per persoon onderscheidenlijk aansluiting te zoeken bij de personen bedoeld onder a, b en c, en dat een aanvulling van de ontbrekende gegevens zelfs nog in de beroepsfase kan plaatsvinden blijkt tenslotte uit de rechtsoverwegingen 3.15 en 3.16 van het gerechtshof:

3.15.

De disculpatiegronden van artikel 8 WAHV gaan uit van de situatie waarin de officier van justitie op grond van de hem aangereikte gegevens, na vernietiging van de aan de kentekenhouder uitgereikte beschikking een sanctie kan opleggen aan degene die de gedraging heeft verricht of die in de plaats van de kentekenhouder de verantwoordelijkheid voor de gedraging kan worden toegerekend. Teneinde de officier van justitie daartoe in staat te stellen dient de betrokkene in beginsel te zorgen voor een tijdig en eenduidig beroep op het bepaalde in art. 8 WAHV. Van het beroep van de betrokkene op disculpatie in de zin van dit artikel in de onderhavige zaak kan worden vastgesteld, dat daaraan het nodige heeft ontbroken. Daar staat tegenover, dat de termijn waarbinnen de officier van justitie de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie aan de ander als bedoeld in artikel 8 WAHV kan uitoefenen acht maanden bedraagt na de datum van de gedraging.

3.16.

Bij de wet van 15 mei 1997 (Stb. 1997, 212) is in art. 9 van de WAHV bepaald dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in afwijking van art. 6:4, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht wordt ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. De toelichting op art. 11, tweede lid, WAHV houdt in dit verband in: "Bijkomend voordeel van de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 en 10 is dat de officier van justitie, voordat hij de stukken naar de kantonrechter stuurt, de gelegenheid heeft nogmaals de zaak te beoordelen. De officier van justitie heeft immers, als ieder ander bestuursorgaan, de bevoegdheid om ook hangende een beroep een beschikking in te trekken (artikel 6:18 van de Awb)." (Kamerstukken II, 1995-1996, nr. 6, blz. 12). Een en ander brengt mee, dat de betrokkene eventuele gebreken, die hebben geleid tot een negatieve beslissing op het administratief beroep kan herstellen bij het instellen van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, indien voor het openbaar ministerie nog een reële mogelijkheid openstaat een administratieve sanctie aan de ander als bedoeld in art. 8 WAHV op te leggen.

De conclusie is dat van betrokkene niet meer verlangd mocht worden dan betrokkene in het administratief beroep reeds had verschaft. Hem komt een beroep op artikel 8 Wahv toe.

De beslissing van de officier van justitie en de inleidende sanctie moeten daarom worden vernietigd.

Beslissing:

Verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze.

Verklaart het beroep tegen de inleidende sanctie gegrond en vernietigt deze.

Bepaalt dat hetgeen door betrokkene aan zekerheid is gesteld aan betrokkene wordt terugbetaald.

Aldus gegeven te Enschede door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2016.

Afschrift toegezonden aan betrokkene en de officier van justitie op:

Voor betrokkene staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.