Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1051

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
182758 KG RK 114-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsbeslissing. Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 182758 KG RK 114-16

beslissing van 11 maart 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

verzoeker tot wraking,

verder ook te noemen verzoeker,

advocaat mr. M.M.A.J. Goris te Almelo,

strekkende tot wraking van mr. K.J.C. Geeve, rechter-commissaris in strafzaken.

1 De procedure

1.1

In een moordzaak waarin onder meer [verzoeker] verdachte is (parketnummer 08/910079-14) heeft een Foslo-bewijsconfrontatie met een ooggetuige plaatsgevonden onder leiding van rechter-commissaris Geeve. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de bewijsconfrontatie niet volgens de richtlijnen is verlopen.

Op 2 oktober 2015 heeft in het kabinet rechter-commissaris strafzaken een getuigenverhoor van [naam 1] plaatsgevonden, die als getuigenbegeleider aanwezig was bij de Foslo-bewijsconfrontatie. Mr. Geeve in haar hoedanigheid als rechter-commissaris heeft leiding gegeven aan bedoeld getuigenverhoor. Na afloop van dit getuigenverhoor heeft mr. Goris namens verzoeker een wrakingsverzoek gedaan met betrekking tot de rechter-commissaris, mr. Geeve. De grondslag van dat wrakingsverzoek komt erop neer dat de rechter-commissaris zelf partij is geworden in het onderzoek naar het verloop van de Foslo-confrontatie, waardoor de schijn van partijdigheid is gewekt. Bij beslissing van 7 oktober 2015 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen.

Op 12 februari 2016 was een getuigenverhoor gepland bij rechter-commissaris Geeve van onder meer [naam 2] , die in de functie van confrontatieleider aanwezig was bij de bewuste Foslo-bewijsconfrontatie. De advocaat van verzoeker en mr. Geeve hebben voorafgaand aan het horen van de getuige overleg gevoerd, waarbij bleek dat de uitspraak van de wrakingskamer van 7 oktober 2015 door hen verschillend werd geïnterpreteerd.

Vervolgens heeft mr. Goris opnieuw een wrakingsverzoek ingediend met betrekking tot mr. Geeve. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Mr. Geeve heeft niet berust in de wraking en heeft op 16 februari 2016 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

1.3

Het wrakingsverzoek is op 26 februari 2016 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn namens verzoeker verschenen mr. M.M.A.J. Goris en

haar kantoorgenoot mr. A.A.G. Hiddink. [verzoeker] zelf is, hoewel in de gelegenheid gesteld, niet verschenen. Mr. Goris heeft het verzoek toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

De officier van justitie mr. Lousberg heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Ook

mr. Geeve is niet verschenen.

1.4

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Namens verzoeker is in zijn wrakingsverzoek d.d. 12 februari 2016, toegelicht tijdens de zitting van 26 februari 2016, onder meer het volgende gesteld:

Het is bezwaarlijk dat de getuigen verbalisanten [naam 1] en [naam 1] door of in het bijzijn van de rechter-commissaris worden bevraagd over de rol van diezelfde rechter-commissaris tijdens de Foslo. Deze omstandigheid kan voor de getuigen een belemmering zijn om vrijuit te spreken. Daarnaast wordt de schijn van partijdigheid gewekt omdat de rechter- commissaris zelf partij is geworden. Bij het eerste wrakingsverzoek speelde hetzelfde probleem.

Vóór het indienen van het eerste wrakingsverzoek hadden de rechter-commissaris, de officier van justitie en de raadslieden een praktische oplossing bedacht om tegemoet te komen aan de bezwaren; [naam 1] en [naam 1] zouden worden gehoord door een collega rechter-commissaris. Uit het maken van die afspraak bleek dat mr. Geeve begrip had voor de bezwaren van de verdediging. Mr. Goris heeft toch het eerste wrakingsverzoek ingediend, nadat mr. Geeve had medegedeeld dat zij de rechtbank niet formeel zou verzoeken zich te mogen verschonen, omdat mr. Goris betwijfelde of het voorstel voor een praktische oplossing rechtmatig zou zijn.

In de beslissing van de wrakingskamer van 7 oktober 2015 is expliciet gerefereerd aan de afspraak om [naam 1] en [naam 1] te laten horen door een collega rechter-commissaris. De wrakingskamer is er vanuit gegaan dat die afspraak bleef bestaan en zou worden nagekomen. De wrakingsbeslissing moet zo worden gelezen, dat het verzoek wordt afgewezen onder voorwaarde dat de rechter-commissaris de verhoren van [naam 1] en [naam 1] door een collega laat doen.

Het tweede wrakingsverzoek is ingediend, omdat op 12 februari 2016 bleek dat de

rechter-commissaris ondanks die afspraak van plan was zelf de getuige [naam 1] te gaan horen. Er is wederom overleg gevoerd over een praktische oplossing, maar zonder resultaat.

Voor verzoeker staat vast dat er bij mr. Geeve geen sprake is van vooringenomenheid ten opzichte van verzoeker. Er is dan ook geen bezwaar tegen het voortzetten van het gerechtelijk vooronderzoek onder verantwoordelijkheid van mr. Geeve, alleen tegen het horen van [naam 1] en [naam 1] door mr. Geeve. Op dat punt bestaat de schijn van partijdigheid omdat zij ondanks de gemaakte afspraak en ondanks de uitspraak van de wrakingskamer van plan was zelf getuige [naam 1] te gaan horen.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken partij dat dat het geval is, is daarbij niet beslissend. De vrees voor partijdigheid moet, op grond van feiten of omstandigheden, objectief gerechtvaardigd zijn.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien – geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak – de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiterlijke schijn.

3.2

De wrakingskamer zal de stellingen/gronden waarop het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is gebaseerd, in het hiernavolgende beoordelen.

Aan het verzoek ligt onder meer de stelling ten grondslag dat het vorige wrakingsverzoek is afgewezen, onder voorwaarde dat het tweede deel van het verhoor van getuige [naam 1] , alsmede het verhoor van [naam 1] , zal worden geleid door een collega rechter-commissaris. Doordat mr Geeve zich niet aan die voorwaarde wilde houden, zou wraking nu gerechtvaardigd zijn.

De wrakingskamer volgt die stelling niet. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke wraking; een verzoek wordt toegewezen of afgewezen. Het eerste wrakingsverzoek is afgewezen, omdat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid bestond. De overwegingen in het besluit moeten gelezen worden als motivering, niet als omstandigheden waaronder de uitspraak heeft te gelden.

Ook op het onderhavige verzoek kan alleen worden beslist met afwijzing of toewijzing. Een gedeeltelijke toewijzing of een toewijzing onder voorwaarde, door te bepalen dat mr. Geeve het horen van getuigen [naam 1] en [naam 1] moet overlaten aan een collega, waarbij zij voor het overige leiding blijft geven aan het vooronderzoek, is niet mogelijk.

Uit het feit dat verzoeker er geen bezwaar tegen heeft dat mr. Geeve de volle verantwoordelijkheid blijft dragen voor het vooronderzoek (afgezien van de beide getuigenverhoren), blijkt dat er bij verzoeker geen vrees voor vooringenomenheid bestaat. Verzoeker heeft dat ook met zoveel woorden aangegeven door erop te wijzen dat hij geen beroep doet op wat wel de subjectieve toets wordt genoemd.

Blijft over de vraag of overigens van feiten of omstandigheden is gebleken, die los van de persoonlijke opstelling van de rechter, de schijn van partijdigheid hebben gewekt of hebben kunnen wekken (objectieve toets). De wrakingskamer kan in de gang van zaken rond het Foslo onderzoek en het horen van getuigen degelijke feiten of omstandigheden niet vaststellen. Met name kan de schijn van partijdigheid niet worden gebaseerd op het enkele feit dat het onderzoek naar de nadere feitenvaststelling van de onderscheiden rollen bij de Foslo confrontatie door deze rechter-commissaris zal worden geleid, ook niet als de rechter-commissaris in dit onderzoek door een getuige een rol krijgt toegekend. Ook het feit dat er mogelijk kritische vragen kunnen worden gesteld over de onder haar verantwoordelijkheid uitgevoerde Foslo bewijsconfrontatie is daarvoor onvoldoende.

Dat Mr Geeve in de gegeven omstandigheden een praktische oplossing heeft voorgesteld en daar later op is teruggekomen leidt evenmin tot de conclusie dat zij niet meer onpartijdig is.

Het verzoek moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.O.M. van Aerde, mr. G. van Eerden en mr. W.K.F. Hangelbroek, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Reesink en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2016.1

1 type: coll: