Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1009

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
ak_ 15 _ 1395
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenoverzicht bevat Awb-besluit over de ingangsdatum; verhoging van de AOW-leeftijd bij wet voorzien; beroep overigens ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1395

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te Hengelo, eiser,

gemachtigde: W.F.K. ter Hennepe,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: A. van der Weerd.

Procesverloop

Bij brief van 12 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioenoverzicht van eiser naar hem toegestuurd.

Bij besluit van 10 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Na afloop van de zitting is het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 18 november 2014 heeft eiser zijn pensioenoverzicht opgevraagd bij verweerder. Op 12 februari 2015 heeft verweerder een pensioenoverzicht verstrekt. In dit overzicht is aangegeven dat de opbouw van het pensioen op 15 november 1971 een aanvang heeft genomen en dat eiser tot en met 10 februari 2015 88% van het AOW-pensioen heeft opgebouwd. De AOW-leeftijd wordt bereikt op 15 november 2021.

1.2.

Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift is verweerder gekomen tot het bestreden besluit.

2. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat de bezwaren, voor zover gericht tegen de ingangsdatum van een AOW-pensioen, niet-ontvankelijk zijn, omdat met het vermelden van de AOW-leeftijd in het pensioenoverzicht geen rechtsgevolg is beoogd. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op dit punt volgens verweerder geen sprake. Verder is overwogen dat geen sprake is van een aantasting van het genot van eigendom door het verschuiven van het aanvangstijdstip van de AOW-opbouw. Voor zover wel sprake zou zijn van het ontnemen van verzekerde maanden, kan eerst bij het bereiken van eisers pensioengerechtigde leeftijd worden beoordeeld of dit een inbreuk op het eigendomsrecht vormt. De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en van de aanvangsleeftijd zijn niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van het beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 14 van het EVRM heeft verweerder zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de wetgever met de invoering van de betreffende geboortecohorten de grenzen van artikel 14 van het EVRM niet heeft overschreden en dat niet gezegd kan worden dat de gemaakte keuze een redelijke en objectieve grond ontbeert. Van leeftijdsdiscriminatie is dan volgens verweerder geen sprake.

3. Namens eiser is betoogd dat de brief van 12 februari 2015 met de vermelding van de nieuwe AOW-datum in het pensioenoverzicht op rechtsgevolg is gericht. Er bestaat immers een nauwe samenhang tussen de periode van pensioenopbouw en het moment waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt, aldus eiser. Verweerder heeft volgens eiser miskend dat in het bezwaarschrift tevens de aanvangsdatum van de verzekeringsopbouw is bestreden. Naar de mening van eiser valt het primaire besluit verder ook aan te merken als een rechtsvaststelling van een toekomstige aanspraak en is deze mitsdien op rechtsgevolg gericht.

Eiser heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat op zijn eigendomsrecht reeds een inbreuk wordt gemaakt door het wijzigen van de aanvangsdatum van de AOW-verzekering. Het is immers niet de uitkering zelf die in dit kader object is van eigendomsontneming, maar één of meer tijdvakken die krachtens de AOW-opbouwverzekering zijn vervuld. Eiser heeft hierbij opgemerkt dat deze visie geheel in lijn is met de beleidsopvatting van verweerder, zoals gepubliceerd in de SVB Beleidsregels SB2191. Tenslotte heeft eiser naar voren gebracht dat de in het leven geroepen overgangsmaatregelen voor hem tekortschieten. Het opschuiven van de AOW-leeftijd tot 15 november 2021 brengt voor eiser derhalve een onevenredig zware last met zich. Slechts door het in het geval van eiser buiten werking stellen van de Wet van 12 juli 2012 wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het EVRM is de schade te voorkomen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Besluit in de zin van artikel 1:3 Awb

4.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of het pensioenoverzicht in zijn geheel als een besluit in zin van de Awb moet worden aangemerkt, zodat ook de ingangsdatum van de AOW in beroep voorligt, of dat, zoals verweerder betoogt, het besluit geen vaststelling bevat met betrekking tot het AOW-pensioen.

4.2.

De rechtbank is met de rechtbank Den Haag in de tussenuitspraak van 7 mei 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:5321), de rechtbank Midden-Nederland in de uitspraak van 3 juli 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:4922) en de rechtbank Noord-Nederland in de uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:5585) van oordeel dat het pensioenoverzicht zoals dat aan eiser is verstrekt in zijn geheel moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank overweegt op dat punt dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 15 juli 2004 (LJN: AQ5147) heeft geoordeeld dat met een brief, die eveneens zag op opgebouwde verzekerde tijdvakken, een rechtsvaststelling plaatsvond met betrekking tot eventuele toekomstige aanspraken van betrokkene, ook zonder dat een concrete uitkeringssituatie zich aandiende. Ook met het aan eiser toegezonden pensioenoverzicht heeft een dergelijke rechtsvaststelling plaatsgevonden. In het besluit is immers bepaald dat de AOW-opbouw van eiser is begonnen op 15 november 1971, als gevolg waarvan eiser in ieder geval niet eerder dan op 15 november 2021 de AOW-leeftijd zal bereiken. Nu de vaststelling van de opbouw van eisers verzekerde jaren onlosmakelijk is verbonden met de ingangsdatum van zijn AOW-uitkering, is het pensioenoverzicht in zijn geheel aan te merken als een besluit gericht op rechtsgevolg. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom ten onrechte niet ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar ziet op de ingangsdatum van eisers AOW-pensioen. Het beroep van eiser is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking nu hierbij het bezwaar van eiser ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard.

4.3.

In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel of van een (ongeoorloofde) inbreuk op het eigendomsrecht van eiser.

Schending gelijkheidsbeginsel

4.4.

Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt het betoog aldus, dat eiser het -tegen de achtergrond van artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM- verboden acht dat het recht op AOW niet voor iedereen op dezelfde leeftijd een aanvang neemt. De rechtbank volgt eiser hierin niet en verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 12 maart 2014, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBOVE:2014:1247. In deze uitspraak heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat de wetgever het om redenen van betaalbaarheid wenselijk heeft geacht de leeftijd waarop op grond van de AOW recht op ouderdomspensioen ontstaat met ingang van 2013 stapsgewijs te verhogen naar 66 jaar in 2019 en naar 67 jaar in 2023 en vervolgens te koppelen aan de stijging van de levensverwachting. Dergelijke wetgeving bevat onvermijdelijk bepaalde tot op zekere hoogte arbitraire elementen, welke, naar het oordeel van de rechtbank echter niet te snel als discriminerend mogen worden aangemerkt. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de CRvB van 12 december 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AO0598). De wetgever heeft de verhoging van de AOW-leeftijd met ingang van 2013 gerechtvaardigd geacht, omdat daarmee wordt voorkomen dat de rekening van de oplopende kosten van de AOW geheel wordt doorgeschoven naar de groep 55-minners (zie Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 290, nr. 3, p. 3 e.v.). Daarbij heeft de regering in deze Kamerstukken, p. 7 e.v., in ogenschouw genomen dat eerdere invoering van de verhoging van de AOW-leeftijd tijdelijke overbruggingsproblemen kan veroorzaken voor mensen die weinig voorbereidingstijd hebben en weinig mogelijkheden hebben het verlies te compenseren. Daarom is een viertal overgangsmaatregelen genomen om de overbrugging voor mensen met weinig voorbereidingstijd te versoepelen:

“– Ten eerste wordt de verhoging van de AOW-leeftijd geleidelijk ingevoerd, zodat de overbruggingsproblemen voor de groep met weinig voorbereidingstijd sterk worden beperkt (zie tabel 3). Het overbruggingsprobleem wordt met dit verzachte invoerpad aanzienlijk verkleind voor mensen die het dichtst tegen hun pensioen aanzitten.

– Er komt voor de eerste jaren een voorschotregeling. Deze regeling biedt de mogelijkheid om een voorschot op de AOW te krijgen vanaf de 65e verjaardag. Hiermee kunnen mensen een eventueel inkomensgat overbruggen. Daarbij geldt dat het eerder opgenomen bedrag over een vastgestelde termijn (maximaal 1,5 jaar bij 3 maanden voorschot in 2015) dient te worden terugbetaald.

– In situaties van onvoldoende middelen om in het bestaan te voorzien tot de AOW-gerechtigde leeftijd kan door mensen die aan de voorwaarden voldoen altijd een beroep gedaan worden op de (bijzondere) bijstand, die geregeld is in de WWB. De SVB zal de groep ouderen met weinig voorbereidingstijd actief benaderen.

– Voor degenen die alleen als gevolg van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd geen partnertoeslag meer ontvangen, i.e. voor de mensen die in november en december 2014, 65 jaar worden en onder de bestaande regelingen recht hadden op de toeslag, blijft de AOW partnertoeslag beschikbaar. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen door dit wetsvoorstel opeens niet meer de partnertoeslag ontvangen, terwijl zij daar wel op rekenen.”

4.5.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven motieven en maatregelen van de wetgever kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het onderscheid bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd niet op redelijke en objectieve gronden berust. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

Schending artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM

4.6.

Eiser heeft voort aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), waarin is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoorde genot van zijn eigendom. In zijn eerdergenoemde uitspraak van 12 maart 2014 heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 1 van het EP het begrip ‘possessions’ wordt gehanteerd. In navolging van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet volgens de CRvB, bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY7897), onder het begrip ‘possessions’ niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij tenminste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd.

Als sprake is van ‘possessions’ en daarmee van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het EP, dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De Staat heeft een ruime beoordelingsmarge bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen.

4.7.

Eiser heeft aan zijn stelling dat sprake is van ontneming van eigendom ten grondslag gelegd dat hem verzekerde tijdvakken zijn ontnomen. Eiser heeft de vergelijking gemaakt met een spaarkaart waarop zegels zijn geplakt, die bij de verzilvering van de spaarkaart worden afgescheurd, waarna de klant weer verder moet sparen. De rechtbank begrijpt deze grond aldus, dat eiser zich op het standpunt stelt dat de herziening van verzekerde tijdvakken in het nadeel van eiser is en -daarmee- in strijd met artikel 1 van het EP.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan 1 januari 2013, de datum van inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW, geen recht had op pensioen ingevolge de AOW. Van ontneming van een bestaand recht bij het bestreden besluit is daarom geen sprake geweest. Of door het wegvallen van verzekerde tijdvakken, zoals hier aan de orde, het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van het EP in het geding is, laat de rechtbank in het midden. Als hiervan sprake zou zijn, is deze inbreuk naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.9.

Artikel 7a van de AOW is bij de Wet verhoging AOW- en pensioenleeftijd, een wet in formele zin, tot stand gekomen, zodat de inbreuk bij wet is voorzien. Voorts is voldaan aan het vereiste van een legitieme doelstelling in het algemeen belang, nu het blijkens de préambule van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd wetgeving betreft in verband met de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de noodzaak ook voor toekomstige generaties een solide stelsel van collectieve voorzieningen zeker te stellen. Gelet op deze beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, is de rechtbank van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat aan artikel 7a van de AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en de bescherming van het ingeroepen fundamentele recht van eiser. Er is geen inbreuk op het vereiste van proportionaliteit tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Daarbij neemt de rechtbank, verwijzend naar voormelde Kamerstukken, p. 20, allereerst in aanmerking dat de ophoging van de AOW-leeftijd waardoor eiser wordt getroffen niet een kleine groep burgers betreft, maar alle personen geboren na 30 november 1948. In de tweede plaats acht de rechtbank van belang dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat alle generaties een steentje bijdragen aan de rekening van de oplopende kosten van de AOW en dat de wetgever overgangsmaatregelen heeft genomen om mogelijke overbruggingsproblemen te compenseren voor mensen met weinig voorbereidingstijd.

4.10.

Eiser heeft betoogd dat de overgangsmaatregelen in het algemeen maar zeker ook in zijn geval tekort schieten, als gevolg waarvan op hem een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd. Eiser is vroeggepensioneerde en heeft niet de mogelijkheid gehad om binnen de uitgestelde duur van zijn recht op AOW-uitkering door middel van sparen het wegvallen van de uitkering te compenseren. De wachtgeldregeling waar eiser als gewezen militair gebruik van maakt, sluit niet aan bij de huidige ingangsdatum van de AOW en voor het oprekken van de regeling is volgens eisers gemachtigde geen budget binnen het Ministerie van Defensie. De rechtbank is het met eiser eens dat er sprake is van een last, maar deze acht de rechtbank in de situatie van eiser niet onevenredig zwaar. Eiser wordt weliswaar geconfronteerd met een inkomensgat voor een periode van 18 maanden waarover zijn pensioenaanspraken zijn uitgesteld, maar heeft hier vanaf de wijziging van de AOW per

1 januari 2013 op kunnen en moeten inspelen. Eiser heeft op dit punt ter zitting ook gemeld in ieder geval tot januari 2016 werkzaam te zijn via een uitzendbureau. Daarnaast is gebleken dat het pensioenfonds van eiser de mogelijkheid biedt om zijn pensioen naar voren te halen, welk alternatief door de gemachtigde van eiser ter zitting is benoemd. Dat dit per saldo neerkomt op een ‘sigaar uit eigen doos’ maakt niet dat van eiser niet verwacht mag worden van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.

5. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is voor zover verweerder het beroep van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat deel van het vernietigde besluit. Voor het overige is het beroep ongegrond.

6. Verweerder dient aan eiser het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat deel van het vernietigde besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.470,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Vijftigschild, voorzitter, mr. W.P.M. Elderman en mr. D. Hardonk-Prins, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door W.P.M. Elderman, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.