Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5966

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-08-2015
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
171383 FT-RK 15.814
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing WSNP-verzoek, artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet, stelselmatig gebruik van creditcard terwijl er reeds problematische schulden waren, niet tijdig hulp voor financiële problemen gezocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 171383 FT-RK 15.814

datum vonnis: 17 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster]

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 augustus 2015. Ter zitting is [verzoekster] verschenen vergezeld van haar dochter. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

De schuldenlast van [verzoekster] bedraagt volgens de verklaring in totaal

€ 31.290,23, waaronder de volgende schulden:

- ING ad € 16.367,06 (2008) wegens een bedrijfskrediet

- ING ad € 7.669,36 (2003)

De toelichting van [verzoekster] :

[verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat zij een aantal jaren geleden een onderneming is gestart. Het werk dat zij verrichtte betrof seizoensgebonden werk waardoor [verzoekster] in de winter geen inkomsten had. [verzoekster] was in de veronderstelling dat zij in de winterperiode recht zou hebben op een uitkering maar dit bleek niet zo te zijn. Als gevolg van het gemis van inkomsten in de winter heeft [verzoekster] daarom haar lening (bedrijfskrediet) bij ING Bank moeten verhogen. Uiteindelijk heeft [verzoekster] haar onderneming in 2008 beëindigd. De door [verzoekster] afgesloten lening (bedrijfskrediet) stond toen nog open. De schuldensituatie van [verzoekster] is volgens [verzoekster] vervolgens verergerd doordat relaties stukliepen en [verzoekster] dit moest ‘opvangen’. Diverse discussies met ING Bank, waar zij bovengenoemd bedrijfskrediet nog open had staan, hebben de situatie vervolgens verder verergerd, aldus [verzoekster] . Volgens [verzoekster] heeft ING Bank namelijk diverse fouten gemaakt waardoor [verzoekster] niet bij haar geld kon komen. [verzoekster] had namelijk een creditcard van ING Bank die zij af en toe gebruikte om ‘van te leven’ als haar inkomen, dat destijds wisselend was, ontoereikend was. Volgens [verzoekster] heeft ze in de loop der jaren een schuld van ongeveer € 7.000,00 opgebouwd op die creditcard. ING Bank heeft echter op enig moment, zonder overleg met [verzoekster] , haar creditcard opgeheven en het openstaande saldo van haar rekening-courant afgeschreven terwijl haar rekening-courantsaldo niet toereikend was. Hierdoor kwam [verzoekster] fors in de min te staan op haar rekening-courant en kon zij maandenlang niet bij haar geld komen. ING Bank verschafte [verzoekster] tegelijkertijd wel een nieuwe creditcard, die [verzoekster] vervolgens heeft gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien. [verzoekster] heeft verklaard dat het voorgaande omstreeks 2013 heeft plaatsgevonden. Volgens [verzoekster] heeft ING Bank in vijf jaren tijd meer van dit soort fouten gemaakt. Uiteindelijk heeft [verzoekster] begin 2014 contact gezocht met de Gemeentelijke Kredietbank.

De overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het wsnp-verzoek en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] na het beëindigen van haar onderneming reeds een forse openstaande lening (bedrijfskrediet) bij de ING Bank had en dat [verzoekster] in de jaren 2008 tot en met 2013 stelselmatig gebruik heeft gemaakt van haar creditcard om in haar levensonderhoud te voorzien aangezien het inkomen van [verzoekster] niet altijd voldoende was om van te kunnen leven. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een schuld van € 7.669,36 aan ING Bank. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] de goede trouw ten aanzien van deze schuld niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank immers op dat terwijl het inkomen van [verzoekster] in de jaren van 2008 en 2013 niet altijd voldoende was om aan haar bestaande verplichtingen te voldoen en in haar levensonderhoud te voorzien, [verzoekster] is doorgegaan met het maken van nieuwe schulden door regelmatig haar creditcard te gebruiken waardoor de schuldenlast uiteindelijk alleen maar toenam. Het verweer van [verzoekster] dat ING Bank in de loop der jaren diverse ‘fouten’ zou hebben gemaakt waardoor de schuldensituatie onoverzichtelijk dan wel verergerde kan [verzoekster] , wat er ook van zij, niet baten. [verzoekster] is er immers niet in geslaagd duidelijk te maken welke fouten dit dan precies waren en welke schade zij hebben veroorzaakt. Het laat bovendien onverlet dat [verzoekster] zelf jarenlang haar spreekwoordelijke kop in het zand heeft gestoken en door is gegaan met het stelselmatig gebruiken van haar creditcard terwijl zij reeds problematische schulden had. [verzoekster] had eerder hulp moeten zoeken bij een schuldhulpverlenende instantie maar dat heeft zij niet gedaan. Zelfs toen de creditcard van [verzoekster] in 2013 werd opgeheven door ING bank als gevolg waarvan [verzoekster] naar eigen zeggen ruim € 7.000,00 in de min kwam te staan op haar betaalrekening heeft [verzoekster] verzuimd hulp te zoeken en heeft zij in plaats daarvan wederom haar (nieuwe) creditcard gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien. In plaats van eerst in 2014 had [verzoekster] al veel eerder tot beëindiging van het gebruik van haar creditcard moeten overgaan en hulp bij haar schulden, waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat zij die niet kon af lossen, moeten zoeken.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast.

De rechtbank wijst het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Faillissementswet.

De beslissing:

de rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.