Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5869

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
F 13/959-960
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toepassing wsnp onder gelijktijdige opheffing faillissement. Niet te goede trouw ten aanzien van ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2598
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo

Insolventienummers: F 13/959-960

datum vonnis: 18 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op de verzoeken van:

[verzoeker] ,

en

[verzoekster] ,

beiden wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekers,

verder te noemen: [verzoekers] .

Het procesverloop

[verzoekers] hebben een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken onder gelijktijdige opheffing van het op 6 november 2013 uitgesproken faillissement.

Op 27 juli 2015 is ter griffie een brief van de curator mr. W.B. Brusse ontvangen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 augustus 2015. Ter zitting zijn [verzoekers] , alsmede mr. Masselink en mevrouw [K] , beiden kantoorgenoot van de curator, verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoekers] zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. [verzoeker] werkt bij [A] B.V. en verdient € 1.296,21 per maand. [verzoekster] werkt niet en heeft behalve de heffingskorting van de Belastingdienst geen inkomen.

[verzoekers] hebben vanaf 1 januari 2007 tot datum faillissement een vennootschap onder firma, genaamd ‘ [C] V.O.F.’ gedreven. Bij de Kamer van Koophandel staat de V.O.F. geregistreerd als eenmanszaak, omdat [verzoeker] de onderneming vanaf 2003 tot 2007 in de vorm van een eenmanszaak heeft gedreven. De wijziging van rechtsvorm van eenmanszaak naar V.O.F. in 2007 is niet aan de Kamer van Koophandel doorgegeven.

[verzoeker] was directeur grootaandeelhouder van [C] B.V. en [F] B.V. Beide besloten vennootschappen zijn in april 2013 failliet verklaard.

Volgens de crediteurenlijst van de curator bedraagt de totale schuldenlast van [verzoeker] inclusief de schulden van de V.O.F. in totaal € 362.865,69, waaronder de volgende schulden:

  • -

    Belastingdienst (privé), € 32.328,02, ontstaan vanaf 2006 tot en met 2013;

  • -

    Belastingdienst (V.O.F.), € 36.519,00, betreffende omzetbelasting;

  • -

    ABN Amro, € 10.146,19 en € 68.015,22;

  • -

    Mr. Engels q.q. [F] B.V. (privé), € 81.596,00, betreffende een rekening-courant verhouding, en

  • -

    Mr. Engels q.q. [F] B.V. (V.O.F.), € 93.40,00 en € 12.000,00.

Volgens de crediteurenlijst van de curator bedraagt de totale schuldenlast van [verzoekster] inclusief de schulden van de V.O.F. in totaal € 688.355,29, waaronder de volgende schulden:

  • -

    Westland Utrecht Bank, € 443.376,00, betreffende een hypothecaire geldlening;

  • -

    Mr. Engels q.q. [F] B.V. (privé), € 81.596,00, betreffende een rekening courant verhouding, en

  • -

    Mr. Engels q.q. [F] B.V. (V.O.F.), € 93.40,00 en € 12.000,00.

Het standpunt van de curator

De curator heeft schriftelijk een negatief advies uitgebracht over toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De belastingschulden zijn niet te goeder trouw ontstaan. De Belastingdienst is structureel niet betaald, terwijl andere (concurrente) schulden wel werden voldaan. Er was sprake van bewust selectief betalen. Daarnaast zijn er tijdens het faillissement nieuwe schulden ontstaan.

Ter zitting heeft mr. Masselink namens de curator verklaard dat er brieven van deurwaarders zijn ontvangen, waaruit blijkt dat er een achterstand bij onder andere Menzis is ontstaan. Het gaat om kleine bedragen, maar de vorderingen zouden niet bij de deurwaarder terecht moeten komen. Volgens mr. Masselink is er tot op heden niet vernomen over eventuele bestuurdersaansprakelijkheid met betrekking tot het faillissement van de B.V.’s. De door de curator van de B.V.’s ingediende vorderingen betreffen rekening-courant verhoudingen.

De toelichting van [verzoekers]

Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat de schuld aan Ziggo volledig is betaald en dat bij Menzis nog slechts een bedrag van € 27,0 openstaat. [verzoekster] heeft verklaard dat zij geen aanmaningen heeft ontvangen en dat zij vermoedt dat er post verdwijnt bij de curator van de B.V.’s. [verzoeker] heeft verklaard dat de zakelijke klanten van de onderneming waren ondergebracht bij de B.V. en de particulieren klanten bij de V.O.F. Desgevraagd heeft [verzoeker] verklaard dat de V.O.F. geen geld van de B.V. heeft ontvangen voor het zakelijke klantenbestand. De privéschuld van [verzoekers] aan [F] B.V. betreft een rekening-courant. Het geld is gebruikt om een deel van de woning te financieren. Er is sprake van forse onderwaarde. Het bouwen van de woning heeft bijna € 600.000,00 gekost en de hypotheek bij Westland Utrecht Bank bedroeg € 425.000,00. Er is in 2008/2009 ook ongeveer
€ 100.000,00 uit de zaak voor de woning gebruikt. [verzoeker] heeft verklaard dat hij destijds dacht dat hij het wel onder controle had, maar dat dit niet het geval bleek te zijn. De lasten van de woning waren erg hoog en achteraf bleek dit financieel niet haalbaar. In het begin is de Belastingdienst nog wel betaald, maar dat is al snel misgegaan, aldus [verzoeker] . De totale belastingschuld, zowel zakelijk als privé, bedroeg ongeveer € 175.000,00. [verzoeker] heeft verklaard dat er privé te veel geld nodig was en dat dit geld niet werd verdiend. Dit heeft ook tot de ondergang van de B.V. geleid. Als er geld binnenkwam bij de B.V. dan stortte [verzoeker] dit gelijk door naar de V.O.F.

De overwegingen van de rechtbank

Allereerst overweegt de rechtbank dat [verzoekers] ontvankelijk zijn in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het faillissement van [verzoekers] is weliswaar, gelijktijdig met het faillissement van hun V.O.F., uitgesproken op verzoek van een schuldeiser, maar de rechtbank is van oordeel dat [verzoekers] gelet op de bijzondere omstandigheden niet verweten kan worden dat zij niet binnen de in artikel 3 lid 1 Faillissementswet genoemde termijn een volledig verzoekschrift met bijbehorende verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 Faillissementswet hebben ingediend. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op 10 juli 2013 is het faillissement van de V.O.F. en haar vennoten [verzoekers] aangevraagd door de Ontvanger van de Belastingdienst. De behandeling van de aanvraag van het faillissement van [C] V.O.F. is meermalen aangehouden in verband met een mogelijke doorstart van het bedrijf. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat de curator van de B.V.’s op zich liet wachten. De behandeling van de aanvraag van het faillissement van [verzoekers] is om dezelfde reden ook meermalen aangehouden en uiteindelijk pas op 6 november 2013 uitgesproken. Indien de doorstart zou zijn geslaagd dan zou geen sprake zijn van een faillissement en/of wettelijke schuldsanering. In dat kader is het begrijpelijk dat in diezelfde periode geen compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 15b lid 1 Faillissementswet genoemde uitzondering van toepassing is op het huidige verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling en acht [verzoekers] ontvankelijk in hun verzoek.

Over de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de rechtbank het navolgende. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekers] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank doelt daarbij met name van op de schulden aan de Belastingdienst, zowel zakelijk als privé, en de zakelijke schuld aan [C] B.V.

Ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de crediteurenlijsten van de curator zijn belastingschulden ter hoogte van in totaal
€ 76.245,42 ter verificatie ingediend betreffende met name inkomsten- en omzetbelasting vanaf 2007 tot en met 2013. De curator heeft vastgesteld dat sprake is van selectieve betaling, in die zin dat de aanslagen van de Belastingdienst langdurig en structureel bewust onbetaald zijn gebleven terwijl andere (concurrente) schuldeisers wel werden voldaan. [verzoeker] heeft dit ter zitting erkend. De Belastingdienst heeft feitelijk jarenlang als financier van [verzoekers] en hun vennootschap(pen) gefungeerd. Nu er zeer geruime tijd – ongeveer vanaf 2007 – geen belasting is betaald, is de belastingschuld zowel in privé als ten aanzien van de V.O.F. steeds verder opgelopen. De rechtbank rekent dit [verzoekers] in ernstige mate aan. [verzoekers] hebben immers jarenlang een administratiekantoor gedreven en worden derhalve deskundig geacht op het gebied van boekhouding en fiscaliteit. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat [verzoekers] hun goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden aan de Belastingdienst aannemelijk hebben gemaakt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verzoekers] eerder hadden moeten stoppen met hun ondernemersactiviteiten. Al vanaf 2007 werden belastingaanslagen niet betaald omdat er grote geldbedragen nodig waren om de hoge (privé)kosten te kunnen dekken. Desondanks zijn [verzoekers] - tot de Belastingdienst in november 2013 het faillissement heeft aangevraagd - doorgegaan met hun ondernemersactiviteiten. Om onder andere de aan de (te) dure woning verboden hypotheeklasten te kunnen betalen is een bedrag van ruim
€ 100.000,00 aan [C] B.V. onttrokken via een rekening-courant verhouding. Op dat moment was er reeds sprake van een forse schuldenlast en was het financieel niet verantwoord nog meer financiële verplichtingen aan te gaan. Uit hoofde van hun jarenlange ervaring als ondernemer en expertise op boekhoudkundig gebied hadden [verzoekers] zich moeten weerhouden van het (blijven) aangaan van schulden en hadden zij eerder moeten ingrijpen.

De overige schuldenlast behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking.

De verzoeken zullen worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw).

Omstandigheden als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. zijn evenmin aannemelijk geworden, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden toegewezen.

De beslissing:

de rechtbank:

wijst de verzoeken af.

Gewezen door mr. J.M. Marsman, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 augustus 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.