Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5820

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-12-2015
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
C/08/177899 / FA RK 15-2528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst af het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/177899 / FA RK 15-2528

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 31 december 2015

inzake

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verzoeker,

hierna ook de Raad te noemen,

met betrekking tot het minderjarige kind:

[A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    [A] ;

  • -

    [B] , verder de moeder te noemen;

  • -

    de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en

Jeugdreclassering, verder de GI te noemen.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoek met bijlagen, binnengekomen op

22 oktober 2015.

1.2.

[A] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven in een gesprek met de kinderrechter op 18 november 2015, maar zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 4 december 2015. Ter zitting zijn verschenen:
- moeder,
- mevrouw [C] , namens de Raad,
- mevrouw [D] , namens de GI.

2 De feiten

2.1.

Moeder heeft een relatie gehad met [E] . Uit die relatie is [A] geboren. Moeder heeft alleen het gezag over [A] .

2.2.

Bij beschikking van 11 februari 2007 heeft de kinderrechter [A] (voorlopig) onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 maart 2015 voor de duur van een jaar, ingaande 4 april 2015.

2.3.

Bij beschikking van 11 februari 2007 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in AWBZ-instelling verleend, welke machtiging nadien telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 maart 2015 voor de duur van een jaar, ingaande 4 april 2015.

2.4.

[A] woont sinds 29 april 2013 in een woongroep van Aveleijn (AWBZ-instelling) te [vestigingsplaats 2] .

3 De standpunten

3.1.

De Raad verzoekt de rechtbank het ouderlijk gezag van moeder over de minderjarige [A] te beëindigen en stelt voor om de GI tot voogd te benoemen. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad is van mening dat sprake is van een zodanige bedreiging van de ontwikkeling van [A] dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. De bedreiging bestaat uit het feit dat [A] een andere woonwens heeft dan haar moeder, waardoor zij onvoldoende tot ontwikkeling komt. [A] is een meisje met heftige problematiek en zij heeft professionele begeleiding nodig. [A] is gericht op oma en heeft al jarenlang de wens om bij oma of in de omgeving te gaan wonen. De band tussen moeder en [A] is niet erg hecht. [A] voelt niet veel betrokkenheid van moeder. Moeder houdt onvoldoende rekening met de mening van [A] en is niet in staat om op een voor [A] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te kunnen dragen. Dit blijkt uit het feit dat [A] al achtenhalf jaar uit huis is geplaatst en dat er nooit is toegewerkt naar een thuisplaatsing. De Raad acht het niet reëel dat moeder de opvoeding weer gaat vormgeven. De Raad is van mening dat de GI met de voogdij dient te worden belast, omdat zij als neutrale instelling [A] verder kunnen begeleiden naar zelfstandigheid.

3.3.

Moeder is het niet eens met het verzoek. Zij maakt zich zorgen over het niet meer hebben van het gezag over [A] . [A] zal dan naar haar oma gaan en haar school in [vestigingsplaats 1] niet afmaken, terwijl zij in het examenjaar zit en het goed gaat op school. Daarnaast zal [A] meer contact hebben met oma en haar vader en hun gewoonten overnemen. Vader zit gedetineerd en heeft een gevangenisstraf van dertig jaar gekregen voor dubbele doodslag. Moeder is van mening dat de jeugdbeschermer en Aveleijn zich richten naar wat [A] wil en niet kijken naar wat het beste is voor [A] . Het ergste wat er volgens moeder kan gebeuren is dat zij [..] bij oma gaat wonen en dat zij zich deze cultuur eigen maakt. Zij maakt dan haar school niet af en heeft geen normale toekomst. Moeder maakt zich ook zorgen, omdat oma de zorg heeft over haar gehandicapte dochter en een tweede zoon van oma drugsverslaafd is. Moeder erkent dat de wens van [A] om bij oma te gaan wonen al lange tijd aanwezig is, maar zij heeft bij haar andere dochter gezien dat zo’n wens kan veranderen. Moeder wil [A] beschermen, in ieder geval tot zij achttien jaar is. Zij wil graag dat [A] hier in de regio blijft, omdat zij hier kansen heeft en tot bloei kan komen. Moeder vertelt dat zij momenteel een redelijk goed contact heeft met [A] . Er is ongeveer om de dag contact via de WhatsApp. Daarnaast zien ze elkaar ongeveer één keer in de twee weken en heeft [A] onlangs een keer bij haar geslapen.

3.4.

[A] heeft bij de Raad gezegd dat zij liever wil dat de jeugdbeschermer het gezag over haar krijgt, omdat zij dan haar vader in de gevangenis en haar familie in Zuid-Holland vaker kan bezoeken. [A] wil graag in de buurt van haar familie wonen. [A] is van plan om haar schooljaar af te maken op haar huidige school, zodat zij haar diploma heeft. Volgend jaar wil zij dan verhuizen en wil zij in Zuid-Holland beginnen aan een MBO opleiding. Indien zij niet bij haar oma mag wonen van de jeugdbeschermer, vindt zij het ook goed om nog op een groep te wonen. Als zij achttien jaar wordt, zal zij daar weg gaan en bij oma [..] gaan wonen. [A] denkt dat de relatie met haar moeder slechter zal worden als zij gaat verhuizen. Dit maakt [A] niet veel uit, omdat de relatie met haar moeder nu meestal ook al slecht is.

3.5.

De jeugdbeschermer vindt het verzoek voor een gezagsbeëindigende maatregel een

lastige keuze, maar heeft toch een gezagsbeëindigende maatregel verzocht. Zij wil de wens van [A] volgen en haar begeleiden om haar plek te vinden in het westen van het land. De jeugdbeschermer vindt het lastig in te schatten of [A] daar dan wel de hulp zal accepteren die nodig is, maar zij denkt dat oma hier een positieve rol in kan spelen door [A] proberen te stimuleren. De jeugdbeschermer heeft de ervaring dat oma betrouwbaar is en er alles aan doet, binnen haar mogelijkheden, om het zo goed mogelijk voor [A] te doen. De jeugdbeschermer erkent de zorgen van moeder over de

woonsituatie van oma, maar van de wijkagent heeft zij gehoord dat oma een positieve persoon is [..] . Het feit blijft dat [A] erg de hang heeft naar deze kant van de familie en hoe dan ook de familie zal gaan opzoeken. Volgens de jeugdbeschermer is het in het belang van [A] dat zij zo goed mogelijk begeleid gaat worden in haar zoektocht naar haar identiteit en haar hang naar de familie. De jeugdbeschermer vindt het belangrijk om de juiste zorgaanbieder voor [A] te organiseren ruim voor haar 18e jaar zodat zij ook na de afsluiting van de ondertoezichtstelling kan profiteren van de benodigde begeleiding. De GI staat dan ook achter het verzoek van de Raad en heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [A] uit te oefenen.

4 De beoordeling

Het wettelijk criterium

4.1.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien - voor zover hier van belang -:

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

4.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van moeder de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

Het oordeel

4.3.

Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat binnen de bestaande maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet wordt gewerkt aan terugkeer van [A] naar moeder. [A] is al ruim achtenhalf jaar uit huis geplaatst.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de ontwikkeling van [A] onvoldoende is gebleken van zorgelijk gedrag dat ertoe moet leiden dat een verderstrekkende maatregel in het belang van [A] is. Er zijn twee koersen die gevolgd kunnen worden. De eerste koers is handhaving van de huidige situatie. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de huidige opvoedingsomgeving tegemoet komt aan wat [A] op de korte termijn nodig heeft. Het gaat redelijk goed met haar op de groep en zij functioneert goed op school. De tweede koers is [A] volgen in haar wens om bij haar familie in het westen te gaan wonen en haar daar zo goed mogelijk bij te begeleiden. Omdat moeder hier geen toestemming voor geeft is verzocht het gezag van moeder te beëindigen.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de Raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom reeds nu ingezet moet worden op de tweede koers en dat de beëindiging van het gezag in het belang van [A] is. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat moeder oprechte zorgen heeft over de ontwikkeling en toekomst van [A] en acht het begrijpelijk dat moeder vanuit deze oprechte zorgen wil voorkomen dat haar dochter dichter bij de familie van haar vader gaat wonen. Uit het rapport leidt de rechtbank af dat de jeugdbeschermer het lastig vindt om in te schatten of [A] als zij naar het Westen is verhuisd dan wel de hulp zal accepteren die nodig is, maar dat zij denkt dat oma hier een positieve rol in kan spelen. De jeugdbeschermer wil nu graag de juiste zorgaanbieder voor [A] organiseren, zodat [A] , ook na de afsluiting van de ondertoezichtstelling, kan profiteren van de benodigde begeleiding, maar [A] kijkt daar toch anders tegen aan. Zij heeft tegen de raadsonderzoeker gezegd dat zij in het Westen geen therapie gaat volgen en dat zij in ieder geval als zij achttien wordt bij oma [..] gaat wonen. Gelet hierop heeft de rechtbank er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat het gaat lukken om voor [A] na de verhuizing de juiste begeleiding en zorg in te zetten die ervoor zal zorgen dat zij haar volwassen leven op een goede manier zal kunnen gaan beginnen. De rechtbank acht het nu nog te vroeg om definitief voor de tweede koers te kiezen.

4.6.

Voorts stelt de rechtbank vast dat het hier gaat om een moeder die haar gezag op een goede manier gebruikt en dat de samenwerking met de hulpverlening de laatste maanden is verbeterd. Moeder is niet tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [A] en heeft gesteld dat als haar mondelinge of schriftelijke toe- of instemming nodig is, zij voor de jeugdbeschermer beschikbaar is en haar medewerking verleent. Moeder hecht er zeer aan om haar gezag te mogen behouden en zij zegt beëindiging van het gezag emotioneel niet te kunnen accepteren. De rechtbank acht het van belang dat moeder haar gezag behoudt en vanuit die positie op de hoogte blijft van en betrokken blijft bij beslissingen die [A] aangaan. Uithuisplaatsing binnen het kader van ondertoezichtstelling is voldoende om de dreiging van zedelijke en geestelijke belangen en gezondheid van [A] af te wenden. Een beëindiging van het gezag is in dit geval niet in het belang van [A] te achten en daarom moet het verzoek van de Raad worden afgewezen.

4.7.

De rechtbank realiseert zich dat binnen deze ondertoezichtstelling niet langer gewerkt behoeft te worden aan terugplaatsing. Dat doel is vervallen. In beginsel behoort de ondertoezichtstelling te eindigen indien aan terugkeer naar een ouder niet meer gewerkt hoeft te worden. Dan zou gezagsbeëindiging resteren volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever. Naar het oordeel van de rechtbank blijven er echter ook na de wetswijziging per 1 januari 2015 gevallen waarin, ondanks het feit dat vanwege het ontbreken van een terugplaatsingsperspectief eigenlijk voor ondertoezichtstelling niet langer grond is, toch niet tot gezagsbeëindiging behoort te worden besloten en het evenmin anderszins in het belang is van het kind dat het gezag niet langer bij de ouder blijft. Dat zijn de gevallen waarin sprake is van een ouder die, zoals de moeder van [A] , duurzaam en consistent instemt met de plaatsing, die niet (meer) “trekt” aan het kind en die op constructieve wijze met de gezinsvoogd, en de hulpverlening meewerkt, die haar gezag niet misbruikt en die ook bereikbaar is voor gezinsvoogd en hulpverlening. Bij handhaving van de bestaande situatie (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) is geen sprake van een kind dat ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dan is er voor beëindiging van het zo op prijs gestelde gezag geen goede grond.

4.8.

Moeders wens om gezag te blijven behouden, ook als [A] in een AWBZ-instelling blijft wonen is goed te begrijpen. Behoud van het gezag geeft haar meer zekerheid dat tevoren met haar wordt overlegd als er belangrijke beslissingen moeten worden genomen en dat haar mening gewicht in de schaal legt. Het geeft haar ook de mogelijkheid om zonodig rechtstreeks informatie over [A] te vragen op school, bij een arts of aan een hulpverlener. Het is welhaast een feit van algemene bekendheid dat het voor veel ouders een niet te verteren, soms zelfs traumatische ervaring is om na een periode van ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing het laatste stukje band dat nog met het kind gevoeld wordt ook nog te moeten verliezen. Het tast hun gevoel van ouder-zijn aan. Bij de moeder van [A] is dat, zo zegt zij, niet anders.

4.9.

Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de Raad af.

5 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming af.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, voorzitter, mr. U. van Houten en mr. M.A.H. Heijink, allen kinderrechter, en is in het openbaar uitgesproken op

31 december 2015 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.

[.]

[.]

[.]

[.]