Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5819

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
C/08/175930 / FA RK 15-2114
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bepaling behoefte en verdeling draagkracht bij samengesteld gezin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/175930 / FA RK 15-2114

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 december 2015

inzake

[verzoeker][verzoeker],

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. S.J.M. Masselink,

en

[verweerster][verweerster],

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. J. Keupink.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 3 september 2015;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 9 oktober 2015;

- een op 17 november 2015 binnengekomen brief van mr. Keupink van diezelfde datum met bijlagen;

- een op 20 november 2015 binnengekomen brief van mr. Keupink van 19 november 2015 met bijlagen;

- een op 20 november 2015 binnengekomen brief van mr. Masselink van diezelfde datum met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 25 november 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren het navolgende minderjarige kind:

[A], geboren te [geboorteplaats] (O) op [geboortedatum 1] . De man heeft [A] erkend. De vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag.

2.2.

Bij beschikking van 6 januari 2010 heeft de rechtbank Almelo bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 9 oktober 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] € 310,- per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.3.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 335,28 per maand.

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 januari 2010 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] te wijzigen en deze bijdrage met ingang van 1 januari 2015, dan wel met ingang van 2 september 2015, nader vast te stellen op nihil, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

Omdat de man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat de man is hertrouwd, hij thans als stiefouder ook onderhoudsplichtig is voor het kind van zijn echtgenote en de vrouw vanaf 1 januari 2015 naast het kindgebonden budget tevens aanspraak kan maken op de alleenstaande ouderkop, maakt dat hij kan worden ontvangen in zijn verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook tot wijziging van de thans geldende bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] zal dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De behoefte

5.2.

De vrouw betwist niet dat de behoefte van [A] aan een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding het geïndexeerde bedrag van (afgerond) € 335,- per maand bedraagt, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

5.3.

Op 1 januari 2015 is de Wet Hervorming Kindregelingen (WHK) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen herzien. In dat kader is de zogenaamde alleenstaande ouderkop geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget. De rechtbank heeft in overeenstemming met de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen op dit punt, het afgelopen jaar het beleid gehanteerd om het volledige kindgebonden budget, dus inclusief de alleenstaande ouderkop in mindering te brengen op de behoefte. Als gevolg van de landelijke discussie die hierover is ontstaan en als gevolg van de van die aanbeveling afwijkende beslissingen van de rechtbank Den Haag en de rechtbank Noord-Holland, heeft het gerechtshof Den Haag een aantal prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

5.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) de prejudiciële vragen van het gerechtshof Den Haag beantwoord. Gelet op de inhoud van dit arrest neemt de rechtbank het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet langer in aanmerking bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Dit betekent dat het aandeel van de ouders in de kosten van hun kind kan worden vastgesteld op voormeld bedrag van € 335,- per maand.

5.5.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

5.6.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind uit van de navolgende gegevens.

5.7.

De man is gehuwd met mevrouw [B] , verder te noemen [B] . Tot het gezin van de man en [B] behoort tevens het uit een eerdere relatie van [B] met de heer [C] geboren kind, [E] , geboren op [geboortedatum 2] . Daarnaast is de man onderhoudsplichtig voor twee kinderen uit zijn relatie met mevrouw [F] , verder te noemen [F] , geboren kinderen te weten:
- [G] , geboren op [geboortedatum 3] , en
- [H] , geboren op [geboortedatum 4] .
[G] en [H] hebben hun hoofdverblijfplaats bij [F] .

5.8.

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden juli tot en met oktober 2015 bedraagt het inkomen van de man € 3.250,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

5.9.

Anders dan de vrouw ziet de rechtbank geen reden om rekening te houden met eventuele inkomsten uit onderneming dan wel vermogen, nu de vrouw deze inkomsten, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel anderszins heeft aangetoond.

5.10.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de premie OP/NP TB, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.11.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.381,- per maand.

5.12.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)] op € 554,- per maand.

5.13.

Omdat de man zowel voor [A] als voor [G] , [H] en [E] onderhoudsplichtig is ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de man over alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is te verdelen.

De behoefte van [G] , [H] en [E]

5.14.

Bij brief van 20 november 2015 heeft de man een overzicht in het geding gebracht omtrent de kosten van [G] , [H] en [E] . In dit overzicht stelt de man de behoefte van [G] en [H] gelijk aan de behoefte van [A] , ofwel op € 335,- per kind per maand, en de behoefte van [E] op € 378,- per maand. Nu de vrouw de hoogte van die behoefte niet heeft weersproken gaat de rechtbank daar eveneens vanuit.

Verdeling draagkracht over [A] , [G] , [H] en [E]

5.15.

Omdat de behoefte van [A] , [G] , [H] en [E] van elkaar afwijkt en gebleken is dat de draagkracht van de man van € 554,- per maand onvoldoende is om volledig in de behoefte van alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is te voorzien, zal de rechtbank de beschikbare draagkracht van de man verdelen naar rato van de behoefte van [A] , [G] , [H] en [E] volgens de formule: (behoefte 1 kind / totale behoefte alle kinderen) x de draagkracht. Het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van:
- [A] komt alsdan op € 134,- per maand ((335/1383) x 554).

- [G] komt alsdan op € 134,- per maand ((335/1383) x 554).

- [H] komt alsdan op € 134,- per maand ((335/1383) x 554).

- [E] komt alsdan op € 151,- per maand ((378/1383) x 554).

De draagkracht van [F]

5.16.

Omdat niet alleen de man maar ook [F] onderhoudsplichtig is voor [G] en [H] dient ook zij een bijdrage te leveren in de kosten van deze kinderen.

5.17.

[F] is na de ontbinding van haar huwelijk met de man opnieuw gehuwd geweest, uit welk huwelijk een kind is geboren. De draagkracht van [F] dient daarom te worden verdeeld over drie kinderen, te weten [G] en [H] en over het kind geboren uit haar tweede huwelijk. Uit de door de man overgelegde loonstroken over de weken 20 tot en met 23 van 2015 volgt dat [F] een basisuitkering ZW 70% ontvangt van € 255,47 bruto per week, te vermeerderen met vakantietoeslag.

5.18.

Rekening houdend met het voorgaande en in aanmerking nemend de verschuldigde premieheffing, de inkomstenbelasting, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting becijfert de rechtbank het besteedbaar inkomen van [F] op € 1.044,- netto per maand. Omdat het tweede huwelijk van [F] door echtscheiding is ontbonden, dan wel op korte termijn zal worden ontbonden, en niet gebleken is dat zij momenteel samenwoont, gaat de rechtbank ervan uit dat [F] gelet op de hoogte van haar inkomen en haar gezinssamenstelling aanspraak kan maken op het maximale kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 5.702,- per jaar, ofwel € 475,- per maand. Dit budget zal de rechtbank bij haar NBI optellen. Voor de berekening van haar draagkracht gaat de rechtbank daarom uit van een NBI van € 1.519,- per maand.

5.19.

Aan de hand van de draagkrachttabel stelt de rechtbank de draagkracht van [F] daarom op € 127,- per maand. Nu onbekend is wat de behoefte van het kind geboren uit het tweede huwelijk van [F] is, stelt de rechtbank deze behoefte in redelijkheid gelijk aan de behoefte van [G] en [H] , ofwel op € 335,- per maand. Zeker nu deze kinderen ook in gezinsverband met elkaar samenleven. Dit zo zijnde ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van [F] gelijkelijk over alle kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig is te verdelen. Haar aandeel in de kosten van [G] en [H] komt daarmee op € 84,- per maand, ofwel op € 42,- per kind per maand.

5.20.

Omdat de totale draagkracht van de man en [F] ten behoeve van [G] en [H] van € 352,- (268 + 84,-) per maand onvoldoende is om in de kosten van verzorging en opvoeding van [G] en [H] van € 670,- per maand te voorzien, is er geen reden de bijdrage van de man in de kosten van deze kinderen op een ander bedrag vast te stellen.

De draagkracht van [B]

5.21.

Omdat niet alleen de man maar ook [B] onderhoudsplichtig is voor [E] dient ook zij een bijdrage te leveren in de kosten van deze kinderen.

5.22.

Uit de door de man overgelegde loonstroken over de maanden juli tot en met oktober 2015 volgt dat [B] een salaris ontvangt van € 39,58 bruto per maand en een vergoeding extra uren van (gemiddeld) € 309,62 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

5.23.

Rekening houdend met het voorgaande en in aanmerking nemend de verschuldigde premieheffing, de inkomstenbelasting, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, becijfert de rechtbank het besteedbaar inkomen van [B] op € 377,- netto per maand. Gelet op de hoogte van het verzamelinkomen van de man en [B] moet worden aangenomen dat zij niet in aanmerking komen voor een kindgebonden budget.

5.24.

Aan de hand van de draagkrachttabel stelt de rechtbank de draagkracht van [B] voor een bijdrage in de kosten van [E] op € 25,- per maand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man genoegzaam aannemelijk gemaakt dat van de biologische vader wordt verkregen dan wel kan worden verkregen. Het is dan ook redelijk dat alleen de man en [B] in deze kosten voorzien.

5.25.

Omdat de totale draagkracht van de man en [B] ten behoeve van [E] van € 176,- (151 + 25,-) per maand onvoldoende is om in de kosten van verzorging en opvoeding van [E] van € 378,- per maand te voorzien, is er geen reden de bijdrage van de man in de kosten van dit kind op een ander bedrag vast te stellen.

De draagkracht van de vrouw

5.26.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

5.27.

De vrouw vormt met [A] en haar twee uit een eerdere relatie geboren kinderen [I] , geboren op [geboortedatum 5] , en [J] , geboren op [geboortedatum 6] , een gezin. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering van € 963,- per maand. De hoogte haar inkomen en het aantal en de leeftijd van de tot haar gezin behorende kinderen in aanmerking nemend, moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw aanspraak heeft op een kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 460,- per maand. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van een NBI van € 1.423,- per maand. Aan de hand van de draagkrachttabel stelt de rechtbank de draagkracht van de vrouw daarom op € 110,-per maand.

5.28.

Omdat de vrouw onderhoudsplichtig is voor zowel [A] als [I] en [J] zal de rechtbank haar draagkracht gelijkelijk over al deze kinderen verdelen, ofwel op € 37,- per kind per maand. Dit geldt temeer nu door de vrouw geen gegevens zijn verstrekt omtrent de hoogte van de behoefte van [I] en [J] en ter mondelinge behandeling onweersproken door de vrouw is gesteld dat de biologische vader van [I] en [J] geen bijdrage levert in de kosten van deze kinderen.

De draagkrachtvergelijking

5.29.

Nu de gezamenlijke draagkracht van man en de vrouw om te voorzien in de kosten van [A] van € 171,- (€ 134,- + € 37,-) per maand lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van dit kind van € 335,28 per maand, ziet de rechtbank geen reden de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] op een lager bedrag vast te stellen dan zijn draagkracht toelaat.

De zorgkorting

5.30.

Uit het verweerschrift van de vrouw maakt de rechtbank op dat tussen de man en [A] geen contact is. Omdat de man in de door hem overgelegde berekening en verdeling van de kosten van [A] evenmin rekening heeft gehouden met een zorgkortingspercentage, houdt de rechtbank daar ook geen rekening mee. De rechtbank stelt daarom de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] op € 134,- per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De ingangsdatum

5.31.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Conform de geldende lijn dat na een nieuwe uitleg van het recht door de Hoge Raad moet worden aangenomen dat dit altijd zo heeft gegolden, hanteert de rechtbank, anders dan de man als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 2 september 2015, nu de vrouw vanaf dat moment rekening heeft kunnen en moeten houden met een wijziging van de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van [A] .

De proceskosten

5.32.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 januari 2010 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen:

[A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1]

en stelt die bijdrage met ingang van 2 september 2015 op € 134,- (éénhonderd vierendertig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

II. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.A.H. Heijink en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2015 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.