Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5818

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
C/08/170116 / FA RK 15-795
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kinderrechter wijzigt de hoofdverblijfplaats van een van de kinderen van partijen. De ontwikkeling van de kinderen brengt met zich mee dat zij het beste tot hun recht komen indien zij afzonderlijk van elkaar, elk bij een ouder opgroeien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats [geboorteplaats 1]

zaaknummer: C/08/170116 / FA RK 15-795 (SL(O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 24 december 2015

inzake

[verzoekster] ,

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. M.F. Kiers te Deventer,

en

[belanghebbende] ,

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer te Wierden.

Met betrekking tot dit verzoek is mede als belanghebbende aan te merken: de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, verder ook de GI te noemen.

Het procesverloop

Bij op 8 april 2015 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de moeder verzocht de omgangsregeling te wijzigen. Tevens heeft zij voorwaardelijk verzocht de kinderen onder toezicht te stellen, welk verzoek is ingeschreven onder zaaknummer C/08/170119/ JE RK 15/558.

Op 21 april 2015 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen. Dit verweerschrift bevat een zelfstandig verzoek.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 april 2015, gelijktijdig met het verzoek tot ondertoezichtstelling, waarover bij afzonderlijke beschikking is beslist. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, is vertegenwoordigd door de heer [A] . Aan mevrouw [B] , woonbegeleidster RIBW, is bijzondere toegang verleend. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 22 april 2015 is aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren. Op 26 juni 2015 is een rapport van de Raad ter griffie ingekomen.

Op 6 juli 2015 heeft de man een aanvullend verzoek gedaan.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 6 juli 2015. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De Raad is vertegenwoordigd door de heer

[C] . Namens de GI is aanwezig mevrouw [D] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 25 augustus 2015. Ter zitting zijn verschenen: ouders, bijgestaan door hun advocaten. De Raad is vertegenwoordigd door mevrouw [E] . Namens de GI is aanwezig mevrouw [F] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De Raad is op 25 augustus 2015 verzocht aanvullend te rapporteren. Op 17 december 2015 is een rapport van de Raad ter griffie ingekomen.

Op 22 december 2015 is een brief van de GI van 22 december 2015 ingekomen.

De zaak is nogmaals behandeld ter zitting van 22 december 2015. Ter zitting zijn verschenen: ouders, bijgestaan door hun advocaten. De Raad is vertegenwoordigd door de heer [A] . Namens de GI is aanwezig mevrouw [F] . Aan mevrouw [B] , een hulpverleenster van vader, is bijzondere toegang verleend. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

[Minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

[Minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] .

Partijen zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van [datum] is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 mei 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Rijssen-Holten.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 14 april 2008 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn, waarbij de kinderen afwisselend een week bij de ene ouder en daarna een week bij de andere ouder zullen verblijven. De wisseling zal zijn op woensdag. De ouder waar de kinderen op dat moment verblijven, brengt hen ’s ochtends naar school, de andere ouder haalt de kinderen dan om 12.00 uur van school.

In het kader van een ondertoezichtstelling van de kinderen in de periode na de echtscheiding heeft de GI de zorg- en contactregeling gewijzigd en met ouders afgesproken dat de kinderen eens in de twee weken bij vader verblijven.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank zijn de kinderen met ingang van 22 april 2015 onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft tevens een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 1] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 22 juli 2015 tot 22 januari 2016 onder aanhouding van het overige verzochte.

Het verzoek

De moeder verzoekt de rechtbank primair te bepalen dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en de minderjarigen. Subsidiair verzoek zij een omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat vader gedurende een dag per twee weken (op een vrijdag of zaterdag) de minderjarigen bij zich heeft van 09.00 uur tot 19.00 uur. Meer subsidiair verzoekt zij vaststelling van een omgangsregeling inhoudende dat de vader de minderjarigen een s in de twee weken een weekend bij zich heeft van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.

De moeder voert daartoe aan dat de huidige feitelijke zorg- en contactregeling niet meer in het belang van de kinderen is. Voor het geval wel een contactregeling wordt vastgelegd, verzoekt de moeder om de kinderen onder toezicht te stellen. Zij meent dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd als er omgang is met hun vader.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vader verzoekt de verzoeken van de moeder niet ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren. Hij verzoekt voorts primair het hoofdverblijf van [Minderjarige 1] bij hem te bepalen en de beschikking van de rechtbank Almelo van 14 april 2008 te bekrachtigen ten aanzien van [Minderjarige 2] , inhoudende dat [Minderjarige 2] de ene week bij de ene ouder zal zijn en de andere week bij de andere ouder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op de woensdag, alsmede dat er een passende omgangsregeling wordt vastgelegd tussen de vrouw en [Minderjarige 1] . Subsidiair verzoekt hij vastlegging van een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot maandagmorgen voor school bij hem verblijven, dan wel een zodanige zorgregeling als de rechtbank meent dat behoort.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De kinderen zijn geboren uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders. Zij zijn in Nederland geboren en hebben de Nederlandse nationaliteit. Vader heeft de Nederlandse nationaliteit en moeder de [---se] . De kinderen wonen in [---se] (Nederland) en de Nederlandse rechter, in het bijzonder de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, vestigingsplaats Almelo, is bevoegd om van de verzoeken van de ouders kennis te nemen en daarover te beslissen.

Uit het onderzoek van de Raad en hetgeen ouders en gezinsvoogdes daarover hebben verklaard, blijkt dat zich omstandigheden hebben voorgedaan waarmee de rechter die in het verleden de hoofdverblijfplaats van de kinderen heeft bepaald en de omgangsregeling heeft vastgesteld, geen rekening heeft kunnen houden. Gebleken is namelijk dat [Minderjarige 1] in het kader van de ondertoezichtstelling met machtiging van de kinderrechter al een aantal maanden niet meer bij moeder woont en dat de verdeling tussen de ouders met betrekking tot de zorgtaken voor beide kinderen inmiddels niet meer is en ook niet meer kan zijn zoals destijds bepaald.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn rapport van 16 december 2015 op de in dat rapport genoemde gronden geadviseerd om de kinderen in de toekomst niet langer samen bij een ouder te laten wonen. [Minderjarige 2] woont nu nog bij moeder en [Minderjarige 1] is vanuit een woonsituatie bij moeder met machtiging opgenomen in een instelling voor 24 uurs hulp (Intermetzo in Almelo). De Raad is van oordeel dat de persoonlijkheid van beide kinderen en hun onderlinge interactie, waarbij [Minderjarige 1] , hoewel hij de oudste is, vaak wordt overvleugeld door [Minderjarige 2] , met zich brengen dat hun ontwikkeling het beste tot hun recht komt indien zij afzonderlijk van elkaar elk bij een ouder opgroeien. Daarbij behoort moeder de eerste verantwoordelijkheid te hebben voor [Minderjarige 1] en vader voor [Minderjarige 2] . Hoewel moeder twijfels heeft bij de opvoedkundige vaardigheden van vader is de Raad van mening dat vader in de afgelopen tijd grote stappen voorwaarts heeft gezet, open staat voor hulp en adviezen en ook bereid is tot overleg met moeder en gezinsvoogdes. De Raad acht vader in staat om op verantwoorde wijze [Minderjarige 2] op te voeden en te verzorgen.

De gezinsvoogdes / jeugdbeschermster onderschrijft de bevindingen en de gronden die de Raad aan zijn advies ten grondslag legt en zij is het eens met de gegeven adviezen over woonplekken en omgangsregeling. Als de rechter beslist zoals de Raad adviseert dan kan de plaatsing van [Minderjarige 1] bij Intermetzo begin januari 2016 formeel eindigen en kan hij na de kerstvakantie vanuit het huis van moeder naar de school die hij nu ook al bezoekt, de [...school] in [vestigingsplaats] .

De kinderrechter is het eens met de bevindingen en gronden van de Raad , welke als hier ingelast en herhaald kunnen worden beschouwd en ook hij schaart zich achter de adviezen over wonen en omgang.

Door het advies van de Raad te volgen, dus door de kinderen uit elkaar te halen, bestaat de mogelijkheid dat de beide kinderen in de thuissituatie kunnen blijven. Beide ouders kunnen de kinderen wat bieden. Als de kinderen bij elkaar zouden blijven, is de kans groot dat dat in de toekomst weer tot problemen gaat leiden en dat er weer escalaties ontstaan zoals een aantal maanden geleden tussen moeder en [Minderjarige 1] , waardoor wederom een uithuisplaatsing zou moeten worden verleend voor deze jongen. Maar mogelijk ook voor [Minderjarige 2] . Bij hem is na en misschien wel door het vertrek van [Minderjarige 1] uit het gezin van moeder nog net een uithuisplaatsing voorkomen kunnen worden. Zijn school gaf een aantal maanden geleden aan dat het gedrag van [Minderjarige 2] eigenlijk niet langer te hanteren was en dat hij mogelijk naar een andere, beter bij hem passende school zou moeten. Bij uitvoering van het advies van de Raad kunnen beide jongens 1 op 1 profiteren van de opvoedvaardigheden van de ouder bij wie zij hoofdverblijfplaats hebben. Moeder moet in staat worden geacht dat voor [Minderjarige 1] te kunnen invullen en vader heeft volgens de Raad voldoende vaardigheden om [Minderjarige 2] doordeweeks op te voeden en te verzorgen en de contacten met school te onderhouden.

Tijdens de vakanties kunnen de jongens samen zijn en kan worden bekeken hoe een en ander verloopt. Daarbij is een belangrijke taak weggelegd voor de gezinsvoogdes. Ouders hebben en vooral moeder heeft de wens dat de kinderen buiten schooltijd in weekenden en vakanties meer tijd samen met elkaar kunnen doorbrengen dan nu in het schema is opgenomen. De toekomst zal moeten uitwijzen of dat mogelijk en verstandig is. De gezinsvoogdes zal daarin het tempo moeten gaan bepalen.

De keuze en het voorstel van de Raad om [Minderjarige 1] bij moeder en [Minderjarige 2] bij vader te plaatsen is voor de kinderrechter eveneens begrijpelijk. Naast het feit dat de opvoedingssituatie van iedere afzonderlijke ouder het beste aansluit bij het betreffende kind, speelt ook mee dat formeel nog steeds onduidelijk is wie de vader van [Minderjarige 1] is. Als die onduidelijkheid blijft, bestaat de reële kans dat het voor vader in de toekomst moeilijker wordt om met hem verder te kunnen, moeilijker in ieder geval dan met [Minderjarige 2] . Bovendien als in de toekomst blijkt dat hij inderdaad niet de vader van [Minderjarige 1] is, zou de woonsituatie van [Minderjarige 1] , indien deze nu bij vader belegd zou worden, mogelijk weer zou moeten wijzigen. Dat is in elk geval niet in het belang van [Minderjarige 1] .

De beslissing

De kinderrechter:

I. Wijzigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van

14 april 2008 in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [Minderjarige 2] met ingang van heden bij de vader zal zijn.

II. Wijzigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van

14 april 2008 met ingang van heden.

Treft inzake het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de regeling zoals voorgesteld door de Raad en weergegeven op het aan deze beschikking gehechte en hiervan deel uitmakend overzicht.

Gedurende de feestdagen en vakanties zullen de kinderen (gezamenlijk) de ene helft van de feestdagen en vakanties bij vader en de andere helft bij moeder zijn, met dien verstande dat de exacte verdeling in overleg met de jeugdbeschermer nader zal worden afgesproken.

III. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. J.H. Olthof, kinderrechter in tegenwoordigheid van de griffier op 24 december 2015 om 12.00 uur.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.