Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5810

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
C/08/177802 / FA RK 15-2506
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderrechter wijst het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing af. De belangen van de kinderen bij een onverstoord contact met de vader in een voor hen vertrouwde omgeving dienen te worden gerespecteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/177802 / FA RK 15-2506

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 2 december 2015

inzake

[verzoekster] ,

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats] , [adres]

verzoekster,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin,

en

[belanghebbende] ,

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. T. Hermans.

Het procesverloop

Bij op 21 oktober 2015 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vrouw vervangende toestemming verzocht voor een verhuizing naar [plaats 1] .

Op 13 november 2015 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen. Dit verweerschrift bevat een zelfstandig verzoek.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 november 2015. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Sabaroedin en de man vergezeld door mr. Hermans. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer J.J. de Vries. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders hebben een relatie gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] .

De man heeft deze kinderen erkend.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

De standpunten van partijen

Moeder is zwanger van haar partner die woonachtig is in [plaats 1] . Deze partner heeft een koopwoning in [plaats 1] en een eigen bedrijf in [plaats 2] . Als moeder in [plaats 1] gaat wonen dan kan zij aan de slag in het bedrijf van haar partner.
Moeder stelt dat zij en de kinderen reeds meer dan vier jaar om het weekend in [plaats 1] verblijven. De kinderen hebben daar ook vriendjes en spelen in de buurt van de woning van de partner van moeder. Moeder verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen om zo spoedig mogelijk met de kinderen bij hem in [plaats 1] te kunnen gaan wonen. Vader is het daar niet mee eens omdat hij dat niet in het belang van de kinderen acht. Moeder heeft volgens vader meerdere procedures gevoerd om te kunnen verhuizen naar haar partner in [plaats 1] . Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 11 november 2013, heeft de kinderrechter onder meer beslist dat moeder toestemming krijgt om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 1] . Die uitspraak is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en vader heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 11 september 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaat en de zorgregeling vernietigd. De vrouw kreeg van het Hof geen toestemming om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 1] . Binnen een jaar na die uitspraak doet de vrouw het onderhavige verzoek, maar volgens de man is er feitelijk niets veranderd in situatie van de vrouw dat ertoe zou leiden dat er nu -een jaar later- anders zou moeten worden beslist op haar verzoek. Vader verzoekt om moeders verzoek af te wijzen en bij zelfstandig verzoek vraagt hij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, waarbij een omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen kan worden vastgesteld.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

  1. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 november 2015 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Moeder heeft zich bereid verklaard om de kosten van het halen en brengen van de kinderen in het kader van de omgang voor haar rekening te nemen. De kinderen voelen zich thuis in [plaats 1] en kunnen bij een verhuizing vlakbij de woning van de partner van moeder naar school. Er is volgens moeder sprake van gewijzigde omstandigheden, omdat zij inmiddels vier jaar een relatie heeft met haar partner. Moeder stelt sinds 2009 voor de kinderen te zorgen en het voelt onrechtvaardig dat zij nu de kinderen dreigt te verliezen. Mocht de kinderrechter geen toestemming verlenen voor een verhuizing van moeder en de kinderen naar [plaats 1] dan zal moeder toch naar [plaats 1] verhuizen. Vader heeft aangevoerd dat, als moeders verzoek wordt afgewezen, de kinderen welkom zijn bij hem. [minderjarige 1] heeft te kennen gegeven dat hij bij vader wil gaan wonen als hij 12 jaar oud is. Vader is vrijdags vrij en zijn partner op maandag en woensdag. Als de kinderen bij hem zouden komen wonen dan is er opvang geregeld. De kinderen komen volgens vader bij hem niets te kort. Vader vindt het vervelend dat het zo is verlopen, maar als moeder zonder de kinderen gaat verhuizen en als zij zich daardoor dan ontworteld voelt, dan is dat het gevolg van haar keuze.

  2. De kinderrechter overweegt het navolgende. De gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen in beginsel toestemming van de vader behoeft. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

  3. Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad mag uit voornoemd artikel niet worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen.
    De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen wat er ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (zie de onder 5.6 genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008).

Ingevolge vaste rechtspraak kunnen in een geschil als het onderhavige de navolgende omstandigheden en belangen een rol spelen en dienen zij vervolgens te worden meegewogen:

  • -

    - het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om
    zijn of haar leven opnieuw in te richten;

  • -

    - de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    - de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    - de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de
    gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten
    en/of te compenseren;

  • -

    - de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    - de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met
    elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    - de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    - de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn
    in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

  • -

    - de extra kosten van de omgang na de verhuizing.

4. De kinderrechter constateert allereerst dat tussen partijen al sinds 2011 onenigheid bestaat over de vraag of de moeder met de kinderen naar [plaats 1] kan verhuizen. In juli 2011 heeft de moeder voor het eerst vervangende toestemming gevraagd om te verhuizen naar [plaats 1] teneinde bij haar toenmalige partner te gaan wonen. Deze toestemming is door de kinderrechter verleend, maar de moeder is niet verhuisd omdat de relatie in december 2011 was verbroken. Vervolgens heeft de moeder in december 2011 een relatie gekregen met haar huidige partner. In juni 2012 heeft de moeder opnieuw vervangende toestemming verzocht voor verhuizing. De kinderrechter heeft deze toestemming niet verleend, welke beslissing door het hof in februari 2013 is bekrachtigd. In september 2013, enkele maanden na de beslissing van het hof, is opnieuw vervangende toestemming verzocht, welke de kinderrechter in een beschikking heeft verleend. De kinderrechter heeft die beschikking nadrukkelijk niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, rekening houdende met de mogelijkheid dat de vader deze beslissing in hoger beroep wilde voorleggen. De kinderen van partijen zullen van al deze procedures het nodige hebben meegekregen. De moeder heeft weliswaar gesteld dat zij de kinderen tot de laatste beslissing van de kinderrechter niet over procedures heeft verteld, maar met de raad acht de kinderrechter aannemelijk dat de kinderen de spanningen die tussen partijen nu al een paar jaar spelen omtrent het al dan niet verhuizen, hebben ervaren.

5. Uit de stukken en het ter zitting in hoger beroep besprokene is gebleken dat de wens van de moeder om te verhuizen naar [plaats 1] overwegend is ingegeven door haar persoonlijke wens om daar een nieuw leven met haar nieuwe partner te kunnen opbouwen. Al sinds 2011 lijkt de moeder haar hele leven te hebben ingericht op een verhuizing naar [plaats 1] .
De kinderrechter stelt vast dat de moeder recht en belang heeft om te verhuizen en haar leven opnieuw in te richten. Het belang van de moeder dient echter afgewogen te worden tegen de andere relevante belangen.

6. De kinderrechter is van oordeel dat de moeder de noodzaak van een verhuizing naar [plaats 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ten tijde van de hoger beroep procedure in 2014 had moeder te kennen gegeven dat zij, als gevolg van de slechte financiële situatie van haar toenmalige werkgever, op 30 juni 2014 een beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend en dat haar arbeidsovereenkomst per 1 september 2014 zou eindigen. Per eind september 2014 zou zij een WW-uitkering ontvangen. Echter, gebleken is dat moeder inmiddels sinds april 2015 werkzaam is bij [X] te [plaats 3] . Zij beschikt derhalve over eigen inkomsten en wat dat betreft bestaat er geen financiële noodzaak tot verhuizing naar [plaats 1] .

7. Voorts heeft de moeder naar het oordeel van de kinderrechter niet aannemelijk gemaakt dat de partner van de moeder niet kan verhuizen naar de regio Twente. In de weekenden en vakanties verblijven moeder en de kinderen samen met de partner van moeder in haar woning in [plaats 3] of in die van hem in [plaats 1] . Volgens moeder is dat al een aantal jaren zo en naar het oordeel van de kinderrechter is onvoldoende onderbouwd waarom die situatie niet zo kan blijven. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat haar partner samen met zijn broer leiding geeft aan vijf personeelsleden van een assurantiekantoor. Op het kantoor in [plaats 2] wordt gewerkt met fysieke dossiers en een groot deel van de klanten is gevestigd in de Randstad. Haar partner sluit om 18.00 uur de zaak af, nadat de broer om 16.30 uur naar huis is gegaan. Het kantoor van haar partner bevindt zich naast of in het huis van de ouders van haar partner. Elke dinsdagavond komt haar partner naar [plaats 3] , arriveert daar rond 18.30 uur en eet gezamenlijk met de moeder en de kinderen. De volgende ochtend, nadat zij samen de kinderen naar school hebben gebracht, vertrekt hij weer richting [plaats 1] / [plaats 2] . Op de dinsdagavond sluit de vader van haar partner de zaak, waardoor haar partner rond 17.00 uur richting [plaats 3] kan rijden.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd waarom het voor haar partner onmogelijk is om (gedeeltelijk) vanuit [plaats 3] zijn werkzaamheden uit te voeren. Moeder stelt dat er dagelijks klanten moeten worden bezocht en er dagelijks klanten op haar partners zaak komen, maar daarbij is van belang dat haar partner mede-eigenaar is van het bedrijf en dus meer invloed heeft op de verdeling van taken dan wanneer er sprake is van een dienstbetrekking. Moeders partner zou afspraken kunnen maken met zijn broer en vader omtrent het ontvangen/bezoeken van klanten en het afsluiten van de zaak, waardoor moeders partner meer ruimte krijgt voor het wonen bij moeder in [plaats 3] . Weliswaar is er in de avondspits vaak fileleed, maar dat betreft niet zozeer het traject [plaats 1] / [plaats 3] . Wat betreft de koopwoning van haar partner heeft de moeder verklaard dat deze groter is dan haar huidige woning, maar dat deze over evenveel slaapkamers beschikt. Verder kent de woning van haar partner een overwaarde volgens moeder, zodat een eventuele verkoop geen schulden zal opleveren. Er is niet gebleken van financiële of hypothecaire redenen waarom de partner niet naar Twente kan verhuizen.

8. Naar het oordeel van de kinderrechter is evident dat het niet in het belang van de vader is dat de moeder met de kinderen naar [plaats 1] verhuist. De vader heeft nu elke week contact met de kinderen en de kinderen hebben ook elke week contact met hun halfbroertje. In geval van verhuizing naar [plaats 1] zou de vader een weekend in de veertien dagen contact hebben met zijn kinderen.
Compensatie in de vakanties biedt daarbij geen soelaas nu de vader onweersproken heeft gesteld dat hij over vijf weken vakantie per jaar beschikt en deze nu al aanwendt om de helft van de vakanties en feestdagen met de kinderen door te brengen. Over meer vakantiedagen beschikt de vader niet. Daarbij komt dat de vakanties een probleem zullen worden vanaf het moment dat zijn zoontje uit de relatie met zijn huidige partner naar school gaat en de kinderen dan in een verschillende vakantieregio’s wonen.

9. De kinderrechter constateert dat de ‘roots’ en het maatschappelijke netwerk van de kinderen in [plaats 3] liggen, alwaar zij hun vriendjes en school hebben. Met de raad is de kinderrechter van oordeel dat moeder belang heeft bij verhuizing en samenwoning met haar partner en het kindje dat geboren gaat worden. Van enig belang van de kinderen, die op dit moment frequent contact hebben met hun vader en hun halfbroertje in de nabije omgeving van hun woning, bij een verhuizing naar [plaats 1] is geen sprake. De kinderen hebben hun vertrouwde leefomgeving in [plaats 3] . Indien de kinderen verhuizen is aannemelijk dat zij door de omgangsregeling met de vader in [plaats 3] zeer lastig kunnen deelnemen aan (team)sporten, nu er in de weekenden wedstrijden gespeeld worden waaraan zij dan om de week niet kunnen deelnemen. Ook de mogelijkheid van de vader om actief betrokken te zijn bij de sportbeoefening van de kinderen zal vermoedelijk verminderen. Daarenboven acht de kinderrechter de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 3] van 300 kilometer (vice versa) erg belastend voor de kinderen.

10. Ten slotte merkt de kinderrechter op dat niet is gebleken dat de moeder de verhuizing in alle opzichten goed heeft voorbereid en doordacht. De moeder heeft weliswaar informatie ingewonnen betreffende een geschikte school en sportactiviteiten voor de kinderen om een verhuizing voor de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen, maar van een goede voorbereiding en een goed doordenken van de financiële aspecten van haar nieuwe relatie - en een eventuele verbreking hiervan - is (vooralsnog) niet gebleken. De moeder heeft verklaard dat zij bij haar partner zal gaan wonen, maar dat zij niet zal bijdragen aan de hypothecaire lasten. Voorts heeft zij verklaard dat zij geen mede-eigenaar van de woning wordt. Bij een eventuele verbreking van de relatie gaat zij ervan uit dat haar partner met haar een financiële regeling zal treffen in de zin dat hij haar financieel zal ondersteunen, maar zij moet daarover nog afspraken maken. Zij stelt dat navraag bij de gemeente [plaats 1] heeft opgeleverd dat moeder in dat geval in aanmerking zal kunnen komen voor een (sociale) huurwoning in [plaats 1] . Moeder stelt voorts dat zij en haar partner voornemens zijn om met elkaar in het huwelijk te gaan treden, maar voor zover thans bekend, is er tot op heden nog geen trouwdatum vastgesteld. Mocht de relatie voor een eventueel huwelijk van partijen toch stranden dan heeft moeder niets. Zij zegt dat in dat geval haar partner haar financieel zal ondersteunen, maar niet is gebleken dat zij daarover afspraken hebben gemaakt. In zoverre is er nog steeds onduidelijkheid omtrent de financiële consequenties van het eventueel verbreken van de relatie, voordat partijen met elkaar in het huwelijk zijn getreden.

11. Gelet op het vorenstaande en alle bovenstaande belangen tegen elkaar afwegende is het de kinderrechter evenals het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden in haar beslissing van 11 september 2014 van oordeel dat de belangen van de kinderen bij een onverstoord contact met de vader in een voor hen vertrouwde leefomgeving in de onderhavige zaak dienen te prevaleren boven het belang en de wens van de moeder om te verhuizen naar [plaats 1] om daar haar leven opnieuw in te richten. Sinds die beslissing van het Hof zijn de feiten en omstandigheden niet wezenlijk anders geworden en valt de weging daarvan niet anders uit. Het tijdsverloop sindsdien en de zwangerschap van moeder brengen aan haar zijde onvoldoende extra gewicht in de weegschaal om deze in haar voordeel te doen doorslaan. Haar verzoek behoort daarom te worden afgewezen.

12. Moeder heeft gezegd ook zonder toestemming van de kinderrechter te zullen verhuizen naar [plaats 1] , waarmee zij uiteindelijk kiest voor zichzelf en haar partner en haar thans nog ongeboren kindje en zich neerlegt bij het wonen van de jongens bij vader. Bij hem zijn de kinderen welkom en hij en zijn partner zijn in staat om voor de jongens te zorgen. De kinderen verblijven bij vader en zijn partner in een voor hen vertrouwde omgeving en kunnen naar hun huidige school blijven gaan. De kinderrechter zal derhalve vaders verzoek toewijzen en bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de jongens bij hem zal zijn als en zodra moeder naar [plaats 1] verhuist.

Vooralsnog gaat de kinderrechter ervan uit dat de ouders in goed onderling overleg afspraken kunnen maken over de verdeling van de opvoedings- en verzorgingstaken voor de situatie waarin de kinderen hoofdverblijf bij vader hebben.

13. De kinderrechter zal de proceskosten compenseren nu partijen een affectieve relatie hebben gehad en de procedure een voorziening van de hieruit geboren minderjarigen betreft.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Wijst af het verzoek vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder.

II. Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader zal zijn indien

en zodra moeder verhuist.

III. Verklaart deze beschikking voor wat onderdeel II betreft uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van H.-J. van der Woude als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.