Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5784

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
08.951463.13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 23-jarige vrouw van mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.951463.13

Datum vonnis: 27 oktober 2015

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 3] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw

mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel. De tenlastelegging is toegespitst op sub 4, respectievelijk sub 5 van artikel 273f, lid 1 (oud), van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

zij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 in de gemeente(n) Zwolle en/of Groningen en/of te Midwolde in de gemeente Leek en/althans (elders) in Nederland

(art. 273f lid 3 Sr.)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen, een ander, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1997,

(art. 273 f lid 1 sub 4 Sr.)

(telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer] had, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard, en/of

(art. 273 f lid 1 sub 5 Sr)

(telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] , enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handeling(en), terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet

had bereikt,

hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens):

(terwijl die [slachtoffer] verstandelijk beperkt/kwetsbaar is en/althans speciaal onderwijs volgt, en/of

nadat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] had(den) verteld over een parenclub “ [parenclub] ” in Groningen waar je geld kon verdienen en/of waar ze kon(den) komen kijken hoe het werkte, en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) had(den) aangegeven in die zelfde club te (willen) werken)

- gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijke en/of lichamelijke overwicht dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) over die [slachtoffer] had(den), en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben vervoerd/meegenomen naar de club/bordeel “ [parenclub] ” te Midwolde in de gemeente Leek, en/of

- die [slachtoffer] een jurkje/passende kleding heeft/hebben gegeven en/of die [slachtoffer] heeft/hebben bewogen dat jurkje/die kleding “voor de gelegenheid” te dragen, en/of

- die [slachtoffer] zonder het tonen van haar ID-kaart in die club heeft/hebben binnen gebracht, en/of

- die [slachtoffer] , voor zij die club/dat bordeel binnen ging en/althans haar werkzaamheden in die club begon, heeft/hebben laten blowen en/of alcohol heeft/hebben laten nuttigen, en/of

- die [slachtoffer] een “pilletje xtc/drugs” heeft/hebben gegeven, en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben overgehaald/bewogen om seks met (een) man(nen) te hebben en/of seksuele handelingen met (een) man(nen) te verrichten en/althans (telkens) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat ze (telkens) met een man mee kon gaan, en/of

- nadat die club/dat bordeel sloot die [slachtoffer] naar een caravan in de buurt van die club/dat bordeel heeft/hebben gebracht om te overnachten, en/althans

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft/hebben gevraagd/gepushed om mee te gaan naar (een) die club/dat bordeel,

terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 214 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, in het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen, heeft zij bepleit onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van het reeds ondergane voorarrest, en daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de door de deskundigen geadviseerde bijzondere voorwaarden, eventueel in combinatie met een werkstraf. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het dossier de navolgende feiten en omstandigheden af. Verdachte woonde ten tijde van het tenlastegelegde samen met [slachtoffer] in het ouderlijk huis van [slachtoffer] . Om een oplossing te zoeken voor de financiële nood binnen het gezin heeft de moeder van [slachtoffer] verdachte aangeraden om medeverdachte [verdachte 2] te vragen naar mogelijkheden om geld te verdienen met telefoonseks. Op enig moment voorafgaand aan
31 augustus 2013 zijn [verdachte 3] en [slachtoffer] gezamenlijk bij medeverdachte [verdachte 2] geweest en is daarover gesproken. [verdachte 2] heeft toen verteld dat er mogelijk beter geld te verdienen zou zijn met seks in een parenclub waar zij uitging, waarna de afspraak werd gemaakt om daar gezamenlijk naar toe te gaan. Verdachte heeft vervolgens zelf de bewuste keuze gemaakt om in de parenclub geld te gaan verdienen met seks en naar haar oordeel was ook [slachtoffer] ervan op de hoogte dat dat het doel was.

Op 31 augustus 2013 zijn medeverdachte [verdachte 2] , verdachte en [slachtoffer] daadwerkelijk naar de parenclub in Midwolde, genaamd " [parenclub] " gegaan. [verdachte 2] heeft daartoe het vervoer geregeld. [slachtoffer] was op de bewuste avond zestien jaar oud en is zonder een identiteitsbewijs te hoeven tonen de club binnengekomen. Gedurende de avond heeft zij met meerdere mannen seks gehad, al dan niet tegen betaling.

De rechtbank beoordeelt de rol van verdachte bij bovenstaande feiten en omstandigheden in het licht van de volgende omstandigheden. Als vermeld woonde verdachte ten tijde van het tenlastegelegde samen met [slachtoffer] in dier ouderlijk huis. Verdachte was op dat moment
21 jaar en [slachtoffer] was 16 jaar. Zij leefden samen en zagen elkaar als vriendinnen die op gelijkwaardige voet met elkaar omgingen. Het leeftijdsverschil wordt bovendien gerelativeerd door de persoonlijkheid van verdachte, zoals die in een psychologisch rapport van 2 juni 2014 is geschetst. Uit dit rapport komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en beperkte sociale vermogens. Gezien haar cognitieve beperkingen kan worden verondersteld dat verdachte beperkt stressbestendig en beïnvloedbaar is en dat zij gemakkelijk tot impulsieve handelingen kan komen, waarvan zij de reikwijdte en consequenties voor zichzelf en anderen amper kan overzien. Gezien deze beperkingen en haar zwakke persoonlijkheidsopbouw kan dan ook worden gesteld dat ten tijde van het tenlastegelegde de draagkracht van verdachte fors overbelast is geweest, waardoor zij impulsiever en verwarder werd en niet meer in staat is geweest tot enige kritische zelfreflectie. De psycholoog ziet in voornoemde persoonlijkheidskenmerken van verdachte argumenten om, in het geval van een veroordeling, het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank overweegt dat artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr in de kern een strafbaarstelling van het door dwang beïnvloeden van andermans gedrag inhoudt. Het kan daarbij gaan om elke handeling waardoor een ander in de feitelijke situatie komt te verkeren dat hij of zij zich beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Gedoeld wordt, kortgezegd, op het misbruik maken van een uitbuitingssituatie.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] is gedwongen mee te gaan naar de parenclub, noch dat zij daar gedwongen is seks te hebben met anderen. Uit de verklaring van [slachtoffer] zijn geen omstandigheden af te leiden die in die richting wijzen en ook de overige betrokkenen verklaren niets daarover. Het dossier bevat aanwijzingen voor het tegendeel, namelijk dat [slachtoffer] ervan op de hoogte was dat het doel van de betreffende avond het verdienen van geld met seks was. Daarover is volgens verdachte en medeverdachte [verdachte 2] voorafgaand aan de avond van 31 augustus 2013 ook openlijk gesproken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de persoonlijkheid van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van verdachte ten opzichte van [slachtoffer] . Verder is uit het dossier niet gebleken dat verdachte op enige wijze profijt heeft gehad van de verdiensten van [slachtoffer] . Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van misleiding of van het misbruik maken van een kwetsbare positie van [slachtoffer] . Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of het handelen van verdachte ertoe leidt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 5. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat [slachtoffer] ertoe is gebracht zich beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden, terwijl zij minderjarig was. De rol die verdachte daarbij heeft gehad is gelegen in het feit dat zij zelf naar de parenclub is gegaan om zich te prostitueren en dat zij daarbij niet heeft verhinderd dat [slachtoffer] ook mee is gegaan. Verdachte heeft over haar rol desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat zij wel aan [slachtoffer] vragen heeft gesteld in de trant van: "Zou je echt wel mee gaan?", maar dat [slachtoffer] erop stond wel mee te gaan. Achteraf gezien is verdachte van mening dat zij meer had moeten doen om te voorkomen dat [slachtoffer] in de parenclub terecht zou komen.

De rechtbank is, evenals de verdediging, van oordeel dat verdachte in morele zin wel enig verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken op 31 augustus 2013. De rechtbank acht echter het aandeel van verdachte – dat feitelijk niet als een handelen maar een nalaten beschouwd moet worden - in de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in aanmerking genomen de persoon van verdachte en de positie waarin zij ten tijde van het tenlastegelegde verkeerde, onvoldoende substantieel om tot het oordeel te komen dat haar, naast een moreel verwijt, ook het strafrechtelijke verwijt treft dat zij - al dan niet in vereniging met een ander of anderen - [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich te prostitueren. De rechtbank zal verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd en zal haar daarvan vrijspreken.

5 De schade van benadeelden

5.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert, na een toelichting ter terechtzitting door mr. M.N. Maris, advocaat te Zwolle, veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 6.129,50 (zesduizend honderdnegenentwintig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De vordering bestaat voor € 6.000,00 uit immateriële schade en voor € 129,50 uit materiele schade. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Nu verdachte van de tenlastelegging wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-

ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.