Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5747

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
08.955476.14, 08.730353.14 (+ tul 13.202333.13) en 08.730450.14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige vrouw uit Amsterdam is veroordeeld tot een celstraf van 14 maanden. Samen met een 25-jarige Amsterdamse maakte zij zich schuldig aan een winkeldiefstal in Ommen en Rijssen en in zes gevallen het pinnen van geldbedragen met de bankpassen van anderen in Nederland. De vrouw is in het verleden veroordeeld voor diefstallen. Zij liep nog in de proeftijd van een eerdere straf toen zij weer werd gepakt. De vrouw moet daarom ook 1 week celstraf van eerdere voorwaardelijke veroordelingen uitzitten. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2015:5746.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.955476.14, 08.730353.14 (+ tul 13.202333.13) en 08.730450.14 (P)

Datum vonnis: 29 december 2015

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2014, 11 juni 2015, 6 oktober 2015 en 15 december 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Leunk en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting van 11 juni 2015 heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 08.955476.14, 08.730353.14 en 08.730450.14 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14, na wijziging van de tenlastelegging:

feit 1: in de periode van 4 februari 2014 tot en met 11 juni 2014 samen met een ander van negen verschillende mensen in verschillende plaatsen geldbedragen heeft gestolen;

feit 2: op 25 april 2014 te Vleuten samen met een ander sieraden van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

feit 3: op 25 april 2014 te Utrecht samen met een ander een portemonnee met inhoud van [slachtoffer 2] heeft gestolen;

feit 4: op 30 mei 2014 te Oegstgeest samen met een ander een mapje, inhoudende een bankpas, 200 euro, een ID-kaart en/of een rijbewijs van [slachtoffer 3] heeft gestolen;

feit 5: op 3 juni 2014 in de gemeente Heemstede en/of de gemeente Amsterdam geldbedragen van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gestolen;

in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14:

feit 1: op 1 juli 2014 te Ommen samen met een ander DVD's en ondergoed en tubes body scrub uit [supermarkt] heeft gestolen;

feit 2: op 1 juli 2014 te Rijssen samen met een ander een blouse heeft gestolen uit ' [kledingwinkel 1] ';

feit 3: op 1 juli 2014 te Rijssen samen met een ander panty's heeft gestolen uit ' [kledingwinkel 2] ';

feit 4: op 1 juli 2014 te Rijssen samen met een ander pakjes geurtabletten heeft gestolen van [drogisterij 1] ;

in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14

feit 1: op 13 mei 2014 te Warnsveld samen met een ander een pinpas van [slachtoffer 6] heeft gestolen;

feit 2: op 13 mei 2014 in de gemeente Zutphen samen met een ander een geldbedrag van [slachtoffer 6] heeft gestolen;

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14, na wijziging van de tenlastelegging, dat:

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met
11 juni 2014, in de gemeente Veenendaal en/of in de gemeente IJsselstein en/of te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer en/of te Nieuw Vennep in de gemeente Haarlemmermeer en/of te Maarssen in de gemeente Stichtse Vecht en/of in de ggemeente Oegstgeest en/of in de gemeente Leiden en/of te Roelofarendsveen in de gemeente Kaag en Braassem en/of in de gemeente Leiderdorp en/of in de gemeente Apeldoorn en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pin-, geld- en/of betaalautomaat heeft weggenomen de/het hierna te noemen geldbedrag(en), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en wel:

een geldbedrag van 1.000 euro en/of een geldbedrag van 250 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 1.250 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , en/of

een geldbedrag van 1.200 euro en/of een geldbedrag van 50 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 1.250 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , en/of

een geldbedrag van 570 euro en/of een geldbedrag van 250 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 820 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10], en/of

een geldbedrag van 930 euro, 1.009 euro, 1.009 euro, 250 euro, 100 euro en/of 100 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 3.398 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11], en/of

een geldbedrag van 1.000 euro, 1.009 euro, 1.009 euro, 250 euro en/of 5 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 3.273 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12], en/of

een geldbedrag van 1.000 euro en/of een geldbedrag van 400 euro, in elk geval (een) geld(bedrag/bedragen) tot een totaal van 1.400 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13], en/of

een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van 2.125,78 euro, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 14], en/of

een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van 3.867,98 euro, althans enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 15], en/of

een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van 3.100 euro, althans enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 16],

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende code op naam van die Boon, die Brink, die [slachtoffer 10] , die [slachtoffer 11] , die [slachtoffer 12] , die [slachtoffer 13] , die [slachtoffer 14] , die [slachtoffer 15] en/of die Aberson);

2.

zij op of omstreeks 25 april 2014, te Vleuten in de gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning op of aan het Alenveltpark (nummer 302) heeft weggenomen een of meer (gouden en/of zilveren) ring(en), een of meer (gouden en/of zilveren) ketting(en), een broche en/of een (gouden) hanger in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

3.

zij op of omstreeks 25 april 2014, in de gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/althans (inhoudende) (ongeveer) 80 euro, een of meer bankpas(sen) en/of een staatsloterijlot, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

zij op of omstreeks 30 mei 2014, in de gemeente Oegstgeest, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mapje en/of (inhoudende) een bankpas, 200 euro, een ID-kaart en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

5.

zij op of omstreeks 3 juni 2014, in de gemeente Heemstede en/of in de gemeente Amsterdam en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pin- geld- en/of betaalautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 20 euro en/of een geldbedrag van 6 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutels (te weten (te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende code op naam van die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] );

in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14, dat:

1.

zij op of omstreeks 01 juli 2014 te Ommen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel op/aan de [adres 1] heeft weggenomen drie (3), althans één of meer DVD's en/of zes (6), althans één of meer stuks ondergoed en/of twee (2), althans één of meer tubes body scrub, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

zij op of omstreeks 01 juli 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel op/aan de Haarstraat 37) heeft weggenomen een blouse, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [kledingwinkel 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

zij op of omstreeks 01 juli 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel op/aan [adres 2] ) heeft weggenomen één of meer panty's en/of één of meer kousen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 17] en/of " [kledingwinkel 2] ", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

zij op of omstreeks 01 juli 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel op/aan de [adres 3] ) heeft weggenomen 10, althans één of meer pakjes geurtabletten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [drogisterij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14, dat:

1.

zij op of omstreeks 13 mei 2014 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

zij op één of meer verschillende tijdstippen op of omstreeks 13 mei 2014 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) in/uit/middels één of meer geldautomaten en/of pintransacties heeft weggenomen één of meer geldbedragen (in totaal 2111,26 euro), in elk geval enig goed/geld, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd:

- in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14: vrijspraak van de feiten 2 en 3 en veroordeling voor de feiten 1, 4 en 5;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14: veroordeling voor de feiten 1, 2, 3 en 4;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14: veroordeling voor de feiten 1 en 2;

- ten aanzien van voornoemde feiten een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13.202333.13;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] tot een bedrag van € 150,00;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] tot een bedrag van

€ 407,50;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] tot een bedrag van € 1400,00;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering.

De verdediging heeft zich in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14 ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 en in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 ten aanzien van feit 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de overige feiten heeft de verdediging vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de verdediging geen opmerkingen.

De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat, voor zover vrijspraak is bepleit, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen en heeft zich voor het overige ten aanzien van de vorderingen aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Overwegingen met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14:

feit 1

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 8]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 8] , waaruit blijkt dat aangeefster op 4 februari 2014 in een Kruitvat-filiaal aan de Passage te Veenendaal haar pinpas heeft gebruikt om 11.45 uur en dat aangeefster omstreeks 12.35 uur merkte dat zij haar pinpas miste. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat omstreeks 11.59 uur bij twee verschillende geldautomaten, die dichtbij elkaar zijn gesitueerd, in totaal 1250 euro is opgenomen met de pas van aangeefster.

De camerabeelden van één van deze transacties zijn onderzocht. Daarop wordt medeverdachte [medeverdachte] door verbalisant [verbalisant] herkend, die haar kent in zijn hoedanigheid van wijkagent van onder andere huisbezoeken die hij bij haar aflegde. Op basis van een vergelijking met politiefoto's wordt door verbalisant [verbalisant] eveneens verdachte [verdachte] herkend op de beelden. Deze herkenning vindt steun in de eigen waarneming van de rechtbank dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon die op de in het dossier gevoegde beelden zichtbaar is.

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte de personen zijn geweest die op de bewuste datum omstreeks 11.59 uur geld hebben opgenomen met de pinpas van aangeefster. Nu de tweede transactie op vrijwel hetzelfde tijdstip heeft plaatsgevonden en de pas met bijbehorende code op dat moment in bezit waren van de verdachten, acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij de tweede transactie hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transactie te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 9]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 9] , waaruit blijkt dat aangeefster op 28 februari 2014 tussen 15.45 en 16.05 uur bij de Blokker in IJsselstein haar pinpas heeft gebruikt, dat zij vervolgens in getrek en geduw met twee vrouwen met een zigeuneruiterlijk terechtkwam en enige tijd later haar portemonnee met pinpas miste. Uit de aangifte blijkt voorts dat met de pinpas die dag om 16.01 uur een bedrag van 1200 euro bij de Rabobank is opgenomen en om 16.08 uur een bedrag van 50 euro bij de ING bank te IJsselstein.

De camerabeelden van één van deze transacties zijn onderzocht. Daarop wordt medeverdachte [medeverdachte] door verbalisant [verbalisant] herkend, die haar in zijn hoedanigheid van wijkagent kent van onder andere huisbezoeken die hij bij haar aflegde. Op basis van een vergelijking met politiefoto's wordt door verbalisant [verbalisant] eveneens verdachte [verdachte] herkend op de beelden. Deze herkenning vindt steun in de eigen waarneming van de rechtbank dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon die op de in het dossier gevoegde beelden zichtbaar is.

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte de personen zijn geweest die op de bewuste datum om 16.01 uur1 geld hebben opgenomen met de pinpas van aangeefster. Nu de tweede transactie kort daarna heeft plaatsgevonden en de pas met bijbehorende code zeven minuten daarvoor in bezit waren van de verdachten, acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij de tweede transactie hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transactie te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 10]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 10] , waaruit blijkt dat aangeefster op 7 maart 2014 omstreeks 14.20 uur op de markt te Hoofddorp een bedrag van 20 euro heeft gepind en vervolgens naar de Coolcat is gelopen. Daar merkte zij dat haar portemonnee uit haar schoudertas was verdwenen. Uit de aangifte blijkt dat van de rekening van aangeefster om 14.33 uur een bedrag van 570 euro is opgenomen en om 14.38 uur een bedrag van 250 euro, beide bij de ABN AMRO aan de Nieuweweg 63 te Hoofddorp.

De camerabeelden van één van deze transacties, die van omstreeks 14.33 uur, zijn onderzocht. Daarop worden door verbalisant [verbalisant] twee vrouwen beschreven, die om 14.34.21 uur pinnen bij de ABN AMRO aan de Nieuweweg 63 te Hoofddorp, welk tijdstip overeenkomt met een afschrijving van 570 euro van de rekening van aangeefster. Medeverdachte [medeverdachte] is van de camerabeelden herkend door verbalisant [verbalisant] , die haar in zijn hoedanigheid van wijkagent kent van onder andere huisbezoeken die hij bij haar aflegde. Op basis van een vergelijking met politiefoto's wordt door verbalisant [verbalisant] eveneens verdachte [verdachte] herkend op de beelden. Deze herkenning vindt steun in de eigen waarneming van de rechtbank dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon die op de in het dossier gevoegde beelden zichtbaar is en het signalement van beide dames dat door verbalisant [verbalisant] op basis van die beelden is gegeven.

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte de personen zijn geweest die op de bewuste datum omstreeks 14.33 uur geld hebben opgenomen met de pinpas van aangeefster. Nu de tweede transactie kort daarna heeft plaatsgevonden en de pas met bijbehorende code vijf minuten daarvoor in bezit waren van de verdachten, acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij de tweede transactie hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transactie te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 11]

De rechtbank constateert dat het dossier een aangifte van [slachtoffer 11] bevat. Voorts worden beelden beschreven van een camera bij de ABN-AMRO bank en de daarop zichtbare personen worden vergeleken met beelden van personen die bij een soortgelijk misdrijf in Nieuw-Vennep op camerabeelden zichtbaar zouden zijn. De rechtbank kan deze vergelijking niet toetsen, noch op basis van een eigen waarneming tot identificatie komen, nu het dossier geen (foto’s van) beelden van de door aangeefster genoemde pintransacties bevat. Nu het dossier ook overigens geen bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bevat, zal de rechtbank haar van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Met betrekking tot aangever [slachtoffer 12]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 12] , waaruit blijkt dat aangever op 14 maart 2014 omstreeks 16.00 uur een boodschap heeft gedaan bij drogisterij Etos te Nieuw-Vennep en daar met zijn bankpas heeft afgerekend. Vervolgens komt hij op de parkeerplaats bij zijn auto in contact met een vrouw, die - ongevraagd - de jas van aangever schoon begint te maken, waarbij aangever zijn jas ook uittrekt. Omstreeks 20.00 uur die dag komt aangever erachter dat hij zijn bankpas niet meer in bezit heeft. Uit de aangifte blijkt dat er diverse bedragen van de rekening zijn afgeschreven, alle tussen 16.14 en 16.26 uur, tot een totaalbedrag van 3.273 euro.

De camerabeelden van (een deel van) deze transacties zijn onderzocht. Daarop worden door verbalisant [verbalisant] twee vrouwen beschreven, die om 16.26 uur pinnen aan de Venneperstraat te Nieuw-Vennep, welk tijdstip overeenkomt met een afschrijving van 250 euro van de rekening van aangever. Deze rechtbank concludeert op basis eigen waarneming van de rechtbank dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon die op de in het dossier gevoegde beelden zichtbaar is en met het signalement van beide dames dat door verbalisant [verbalisant] op basis van die beelden is gegeven.

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte de personen zijn geweest die op de bewuste datum om omstreeks 16.26 uur geld hebben opgenomen met de pinpas van aangever. Nu de overige vier transacties kort daarvoor hebben plaatsgevonden en de pas met bijbehorende code 14 minuten na de eerste transactie in ieder geval in bezit waren van de verdachten, acht de rechtbank – gelet op het zeer korte tijdsbestek – eveneens bewezen dat zij de vier eerdere transacties (te weten om: 16.12, 16.14, 16.21 en 16.23 uur) hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transacties te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 13]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 13] , waaruit blijkt dat aangeefster op 11 april 2014 omstreeks 10.45 uur te Maarssen geld heeft gepind en vervolgens naar de Albert Heijn is gegaan, waar haar schoudertas met daarin onder meer twee bankpassen is gestolen. Uit de aangifte blijkt dat die dag om 10.54 uur een bedrag van 1000 euro van de privérekening van aangeefster is gepind bij de geldautomaat van de ABN-AMRO bank te Maarssen. Kort daarna, om 10.55 uur is er bij dezelfde automaat 400 euro gepind van de spaarrekening van aangeefster.

De camerabeelden van (één van) deze transacties zijn onderzocht.

De rechtbank stelt vast dat op de twee foto’s van deze camerabeelden die zich in het dossier bevinden tijdstippen (te weten: 10:39:22 en 10:40:39) staan vermeld die niet corresponderen met de tijdstippen van de geldopnames blijkens de aangifte en de betreffende bankafschriften van aangeefster (te weten: 10:54 en 10:55 uur). De rechtbank stelt vast dat sprake is van een tijdsverschil van 15 tot 16 minuten. Nu enige verklaring voor dit tijdsverschil ontbreekt, zal de rechtbank het betreffende proces-verbaal dat betrekking heeft op deze camerabeelden buiten beschouwing laten. De rechtbank zal – gelet hierop en gelet op het ontbreken van overig bewijs van betrokkenheid van verdachte bij dit feit – verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Met betrekking tot aangever [slachtoffer 14]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 14] , waaruit blijkt dat aangever op 30 mei 2014 omstreeks 12.15 bij de Jumbo te Oegstgeest een pinbetaling heeft gedaan. Vervolgens heeft aangever kort nadat hij was thuisgekomen een jonge vrouw met zwart haar in zijn woning binnengelaten, die vertelde dat ze hem kwam interviewen voor school. Deze vrouw heeft met toestemming van aangever zonder diens aanwezigheid de woning bekeken en is op enig moment weer weggegaan. Aangever ontdekte op 3 juni 2014 dat zijn bankpas niet meer in zijn portemonnee zat. Uit de aangifte blijkt dat er vanaf 30 mei 2014 € 2125,78 van de rekening van aangever is gepind. Uit de aangifte en het bij de aangifte gevoegde rekeningafschrift2 blijkt dat onder meer bij een geldautomaat "Rabo Leiden en Omstreken", en bij [drogisterij 2] te Leiden geld is gepind van de rekening van aangever. Getuige [getuige 1] , werkzaam bij [drogisterij 2] , verklaart dat op 30 mei 2014 twee vrouwen – één met een gezet postuur en de ander met een slank postuur en een spits gezicht – bij haar in de winkel waren en zich nogal gehaast en opvallend gedroegen, omdat ze meerdere malen dezelfde pinpas gebruikten om te betalen. Uit de bij de aangifte overgelegde bankafschriften blijkt dat op 30 mei 2014 om 13:57, 14:00 en tweemaal om 14:04 uur voor een totaalbedrag van € 430,67 is gepind bij [drogisterij 2] .

De camerabeelden van voornoemde transacties zijn onderzocht. De op de beelden zichtbare vrouwen zijn door verbalisant [verbalisant] , in samenwerking met verbalisant [verbalisant] , geïdentificeerd als verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] , aan de hand van vergelijkbare politiefoto's. Deze identificatie vindt steun in de eigen waarneming van de rechtbank dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon die op de in het dossier gevoegde beelden zichtbaar is en past ook in de – weliswaar summiere – signalementen gegeven door getuige [getuige 1] .

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte de personen zijn geweest die op 30 mei 2014 omstreeks 13.23 uur geld hebben opgenomen bij de Rabobank Leiden en Omstreken met de pinpas van aangever. Nu alle overige transacties alle op 30 mei 2014 hebben plaatsgevonden (kort) na 13.23 uur, terwijl de pas met bijbehorende code op dat moment in bezit waren van de verdachten, acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij de overige transacties hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transacties te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging daarom wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij tot een bewezenverklaring komt van een bedrag dat € 11,61 lager ligt dan het bedrag dat in de aangifte wordt vermeld, nu aangever dit bedrag blijkens zijn aangifte zelf heeft gepind bij de Jumbo.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 15]

De rechtbank constateert dat het dossier een aangifte van [slachtoffer 15] bevat, waarin zij verklaart dat zij op 6 juni 2015 haar boodschappen heeft afgerekend bij de Albert Heijn te Leiderdorp. Daar wordt zij door een Oost-Europees uitziende vrouw aangesproken. Ongeveer twee uur later komt aangeefster erachter dat haar pinpas weg is en blijkt dat er meerdere geldbedragen van haar rekening zijn afgeschreven. Het dossier bevat daarnaast beelden van de betreffende Albert Heijn en een proces-verbaal van bevindingen, waarin deze beelden worden beschreven. De rechtbank constateert dat op basis van voornoemde bevindingen weliswaar twee vrouwen als verdachte in beeld komen, maar dat het dossier evenwel geen beelden van de door aangeefster genoemde pintransacties bevat. Nu het dossier ook overigens geen bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het wegnemen van de tenlastegelegde geldbedragen bevat, zal de rechtbank haar van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 16]

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 16] , waaruit blijkt dat aangeefster op 11 juni 2014 omstreeks 14.15 uur bij de Dekamarkt te Apeldoorn heeft gepind en dat zij vervolgens op weg naar haar auto het gevoel krijgt dat zij door personen wordt opgejaagd. Bij de auto wordt zij door een vrouw aangesproken die haar de weg naar het ziekenhuis vraagt. Vervolgens rijdt ze in haar auto naar huis en merkt daar dat het portier aan de bijrijderszijde, waar zij haar handtas met daarin haar bankpas had neergelegd, niet goed dicht zit. Omstreeks 17.00 uur wordt aangeefster gebeld door de fraudeafdeling van de ING bank en krijgt aangeefster te horen dat er grote bedragen van haar rekening zijn opgenomen. Het betreffen meerdere transacties, waarbij in totaal ruim 3100 euro van de rekening van aangeefster is afgeschreven. Aangeefster geeft aan dat zij – naar aanleiding van betalingen met haar gestolen pinpas bij supermarkt Nico de Wit op 11 juni 2014 – de camerabeelden van supermarkt Nico de Wit van die dag heeft bekeken en op de beelden tussen 15:12 en 15:14 uur de vrouw herkent die haar bij haar auto heeft aangesproken.

De camerabeelden van supermarkt Nico de Wit zijn onderzocht. Daarop wordt medeverdachte [medeverdachte] door verbalisant [verbalisant] , die haar in zijn hoedanigheid van wijkagent kent van onder andere huisbezoeken die hij bij haar aflegde, herkend. Op basis van een vergelijking met politiefoto's wordt door verbalisant [verbalisant] eveneens verdachte [verdachte] herkend op de beelden.

De rechtbank stelt evenwel vast dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte en de medeverdachte ook de personen zijn geweest die de betreffende geldtransacties hebben verricht. Zo blijkt uit de foto van de camerabeelden van Nico de Wit niet dat verdachte en de medeverdachte op 11 juni 2014 omstreeks 15:12 en/of omstreeks 15:14 uur pintransacties hebben verricht bij supermarkt Nico de Wit. Nu het dossier ook overigens geen bewijs bevat waaruit de betrokkenheid van verdachte bij dit feit blijkt zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Medeplegen

De rechtbank overweegt dat verdachte en medeverdachte ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde feiten telkens samen op de in het dossier gevoegde camerabeelden zijn herkend en dat uit de bewijsmiddelen ten aanzien van verschillende aangevers telkens is gebleken dat twee vrouwen bij de voorbereiding betrokken waren en/of dat de beide verdachten onderling contact hadden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom voor elk van de onder 1 bewezenverklaarde feiten komen vast te staan dat verdachte telkens in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] heeft gehandeld.

feit 2 en 3

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal haar daarvan vrijspreken.

feit 4

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 3] , waaruit blijkt dat zij na een bezoek aan de Albert Heijn te Oegstgeest op 30 mei 2014 merkt dat zij een mapje met daarin een ING bankpas, 200 euro, een ID-kaart en een rijbewijs mist. Aangeefster verklaart dat zij op meerdere momenten gedurende het boodschappen doen op tamelijk ongebruikelijke wijze met twee vrouwen in aanraking is gekomen. Het dossier bevat daarnaast beelden van de Albert Heijn en een proces-verbaal van bevindingen met een beschrijving van die beelden. Op de beelden worden twee vrouwen waargenomen, die zich in de nabijheid van aangeefster hebben bevonden en die - uiteindelijk - door verbalisant [verbalisant] worden geïdentificeerd als verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde omstandigheden weliswaar vragen oproepen, maar dat moet worden geconstateerd dat aangeefster niet heeft gezien wie haar mapje met inhoud heeft weggenomen en dat ook op de camerabeelden geen wegnemingshandeling zichtbaar is. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en zal haar daarvan vrijspreken.

feit 5

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 4] , waarin wordt gerelateerd dat zij in de middag van 3 juni 2014 in de Blokker te Heemstede een pinbetaling heeft gedaan en daarna in haar woning tussen 14.00 uur en 14.30 uur een meisje heeft binnengelaten, dat - naar zij vertelde - een scriptie wilde schrijven over het leven van ouderen. De aangifte bevat een signalement van dit meisje en vermeldt bovendien dat het meisje (onder meer) appeltaartpunten van de Albert Heijn had meegebracht. Later op de avond merkte aangeefster dat haar pinpassen weg zijn. Er blijkt van haar rekening gepind te zijn onder meer bij de Rabobank te Heemstede en om 20.24 uur bij Q-park te Amsterdam.

Er is onderzoek gedaan naar camerabeelden bij de betreffende Blokker, bij een nabijgelegen Albert Heijn en bij voornoemde Q-park te Amsterdam. Uit de bevindingen bij de Blokker blijkt dat op het moment dat aangeefster bij de Blokker aan het pinnen was zich twee vrouwen in haar nabijheid bevonden. Van beide vrouwen is een signalement opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank stelt vast dat het door de verbalisant gegeven signalement van één van hen qua uiterlijke kenmerken en kleding grotendeels overeenkomt met het door aangeefster gegeven signalement.

Onderzoek naar camerabeelden bij een Albert Heijn in de nabije omgeving van de Blokker waar aangeefster heeft gepind, tonen dat omstreeks 13.30 uur door een vrouw gebak wordt gekocht. Ook deze vrouw vertoont qua signalement (uiterlijk en kleding) grote overeenkomsten met de door aangeefster beschreven vrouw.

Uit de bevindingen bij Q-park blijkt voorts dat om 20.24 uur - het tijdstip waarop bij aangeefster een bedrag van de rekening wordt afgeschreven bij Q-park - een vrouw bij de betaalautomaat staat en een pincode intoetst. Ook van deze vrouw wordt een signalement gegeven, dat qua uiterlijke kenmerken overeenkomt met die van aangeefster en die van de vrouw die op de camerabeelden bij de Blokker en de Albert Heijn is waargenomen. Daarna wordt op de beelden gezien dat zij - met een man en een jongetje - in een personenauto met kenteken [kenteken] stapt, welke auto vanaf 12 mei 2014 door verdachte blijkt te zijn gehuurd.

De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting gezien en haar vergeleken met enkele stills van voornoemde camerabeelden, die zich in het dossier bevinden. De rechtbank constateert dat verdachte qua postuur, vorm van het gezicht, haarkleur en haardracht, sterk lijkt op de vrouw op deze stills.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de persoon op de beelden is, dat zij de persoon is die bij aangeefster in de woning is geweest en dat zij degene is die bij de Q-park een pintransactie met de pas van aangeefster heeft verricht.

Nu aangeefster omstreeks 13.30 uur nog in het bezit was van haar pinpas, terwijl daarmee om 14.20 uur is gepind bij de Rabobank - een tijdstip dat goed kan passen bij het bezoek van verdachte aan aangeefster - en nu de pas en de bijbehorende code diezelfde avond in bezit waren van verdachte, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte de transactie om 14.20 uur heeft uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transactie te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft gedaan.

Overwegingen met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14:

feit 1

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de Albert Heijn te Ommen aan de [adres 1] op heterdaad is aangehouden. Nadat door aangever [naam 1] en getuige [getuige 2] op camerabeelden is waargenomen dat zij en een andere vrouw goederen in hun tas stopten, heeft [naam 1] op de winkelvloer gezien dat verdachte deze goederen bij het passeren van de kassa niet had afgerekend. In de tas van verdachte is ondergoed aangetroffen en bij medeverdachte [medeverdachte] zijn dvd's en tubes bodyscrub aangetroffen. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat zij zich aan diefstal heeft schuldig gemaakt. Op grond van het winkelgedrag van verdachte, zoals dat door getuige [getuige 2] aan de hand van de camerabeelden wordt beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] heeft gehandeld. Uit die beschrijving volgt immers dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de winkel binnen gaat, dat beide dames met een open tas lopen waar zij beiden goederen in doen, dat zij het merendeel van de tijd gezamenlijk door de winkel lopen en elkaar daarbij kennelijk afschermen, en dat zij vervolgens ieder een afzonderlijke kassa kiezen en een aantal goederen niet afrekenen. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

feit 2

De rechtbank constateert dat tussen het tijdstip van de mogelijke diefstal van een blouse bij de winkel ' [kledingwinkel 1] ' en het tijdstip waarop een soortgelijke blouse wordt aangetroffen in een door verdachte [verdachte] gehuurde auto een aanzienlijk tijdsverloop (te weten: één week) is geweest. Het aantreffen van deze blouse is op zichzelf reden voor een verdenking van diefstal. Nu echter op basis van het dossier niet kan worden geconcludeerd dat verdachte, dan wel medeverdachte [medeverdachte] deze blouse heeft weggenomen uit de winkel, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 2 ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

feit 3

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 17] , betreffende de diefstal van pantykousen uit de winkel " [kledingwinkel 2] " op 1 juli 2014. In een door verdachte gehuurde auto zijn pantykousen aangetroffen en verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting bekend dat zij deze gestolen heeft. De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen de onder 3 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen met een - onbekend gebleven - ander, gelet op de door aangeefster beschreven camerabeelden, waaruit blijkt dat twee vrouwen gezamenlijk de winkel in lopen, dat zij samen door de winkel lopen en dat zij beiden panty's in hun tassen stoppen.

feit 4

Het dossier bevat een aangifte van [naam 2] , betreffende de diefstal van pakjes geurtabletten/geurkaarsen uit de [drogisterij 1] op 1 juli 2014. In een door verdachte gehuurde auto zijn geurtabletten aangetroffen en verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting bekend dat zij deze gestolen heeft. De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen de onder 4 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte op dit punt vrijspreken

Overwegingen met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14:

feiten 1 en 2

Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer 6] , waaruit blijkt dat hij op 13 mei 2014 omstreeks 15.45 uur nog in het bezit was van zijn pinpas. Kort nadat hij op de parkeerplaats aan de Dreiumme te Warnsveld door twee - hem onbekende - vrouwen is aangesproken, blijkt dat aangever zijn pinpas mist. Wanneer aangever zijn pinpas laat blokkeren, blijkt dat in korte tijd, tussen 15.50 uur en 16.46 uur3 grote bedragen, (in totaal 2111,26 euro) van zijn bankrekening zijn afgeschreven. Er is onder andere gepind bij de Gall&Gall, de Etos en de Albert Heijn en bij een Rabobank-filiaal te Zutphen. Van deze bedrijven zijn beelden van de beveiligingscamera's opgevraagd en onderzocht. Daarop worden door verbalisant [verbalisant] en verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] telkens dezelfde twee vrouwen waargenomen.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met één van de vrouwen die op deze beelden zichtbaar is. Daarnaast hebben twee afzonderlijke getuigen, een medewerker van de Gall&Gall en een medewerkster van de Albert Heijn, verklaard dat twee vrouwen op 13 mei 2014, omstreeks 16.30 respectievelijk 16.45 uur - derhalve in de korte tijdsspanne dat geldbedragen van de rekening van aangever werden afgeschreven - meerdere pintransacties hebben uitgevoerd om alcoholhoudende dranken respectievelijk sigaretten te kopen. De bedragen die bij Gall&Gall omstreeks voornoemde tijdstippen zijn gepind en van de rekening van aangever zijn afgeschreven, komen globaal overeen met het bedrag dat deze vrouwen aan alcoholische dranken hebben uitgegeven. De bedragen die bij de Albert Heijn door deze vrouwen zijn uitgegeven aan sigaretten komen exact overeen met de bedragen die van de rekening van aangever worden afgeschreven.4 Beide getuigen hebben een signalement gegeven van deze vrouwen. De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting gezien en constateert dat zij sterke gelijkenissen vertoont met het signalement dat door beide afzonderlijke getuigen van één van deze vrouwen wordt gegeven.

De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte één van de vrouwen is geweest die op de bewuste datum en tijdstippen geldbedragen hebben opgenomen bij de Gall&Gall, de Albert Heijn, de Etos en de Rabobank met de pinpas van aangever.

Nu de overige transacties alle binnen het tijdsbestek van één uur hebben plaatsgevonden en de pas met bijbehorende code op dat moment in bezit waren van verdachte en haar mededader, acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij deze overige transacties hebben uitgevoerd. Een alternatief scenario om deze transacties te verklaren is geenszins aannemelijk en is evenmin door de verdediging aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met een tweede - niet geïdentificeerde - vrouw de pinpas van aangever gebruikt om geldbedragen weg te nemen. Deze samenwerking blijkt uit het gegeven dat op de beelden telkens dezelfde twee vrouwen zichtbaar zijn en dat zij, blijkens de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] , gezamenlijk de winkel binnenkwamen en verlieten, dat zij de pinpas onderling uitwisselden en dat zij met elkaar communiceerden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De navolgende bewezenverklaring steunt op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd

- in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 2, 3 en 4;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14 onder 2.

De rechtbank zal haar daarvan vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het

- in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 1 en 5;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14 onder 1, 3 en 4;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14 onder 1 en 2

tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14, dat:

1.

zij in de periode van 4 februari 2014 tot en met 11 juni 2014, in de gemeente Veenendaal en in de gemeente IJsselstein en te Hoofddorp en te Nieuw Vennep en in de gemeente Oegstgeest en in de gemeente Leiden, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen de hierna te noemen geldbedragen, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, en wel:

geldbedragen tot een totaal van 1.250 euro, toebehorende aan [slachtoffer 8] , en

geldbedragen tot een totaal van 1.250 euro, toebehorende aan [slachtoffer 9] , en

geldbedragen tot een totaal van 820 euro, toebehorende aan [slachtoffer 10], en

geldbedragen tot een totaal van 3.273 euro, toebehorende aan [slachtoffer 12], en

geldbedragen tot een totaal van 2.084,17 euro, toebehorende aan [slachtoffer 14],

waarbij verdachte en haar mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende code op naam van die [slachtoffer 8] , die [slachtoffer 9] , die [slachtoffer 10] , die [slachtoffer 12] en die [slachtoffer 14] ;

5.

zij op 3 juni 2014, in de gemeente Heemstede en in de gemeente Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pin- geld- en/of betaalautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 20 euro en een geldbedrag van 6 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende code op naam van die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] ;

in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14, dat:

1.

zij op 1 juli 2014 te Ommen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel aan de [adres 1] heeft weggenomen DVD's en ondergoed en tubes body scrub, toebehorende aan [supermarkt] B.V.

3.

zij op 1 juli 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan [adres 2] heeft weggenomen panty's, toebehorende aan " [kledingwinkel 2] ".

4.

zij op 1 juli 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan de [adres 3] heeft weggenomen pakjes geurtabletten, toebehorende aan [drogisterij 1] .

in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14, dat:

1.

zij op 13 mei 2014 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 6] ;

2.

zij op of omstreeks 13 mei 2014 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens uit geldautomaten en/of middels pintransacties heeft weggenomen geldbedragen (in totaal 2111,26 euro), toebehorende aan [slachtoffer 6] , waarbij verdachte en haar mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, en zal haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14:

feit 1

het misdrijf: diefstal in vereniging, waarbij verdachte en haar mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: diefstal, waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14:

feit 1

het misdrijf: diefstal in vereniging.

feit 3

het misdrijf: diefstal in vereniging.

feit 4

het misdrijf: diefstal.

in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14:

feit 1

het misdrijf: diefstal in vereniging;

feit 2

het misdrijf: diefstal in vereniging, waarbij verdachte en haar mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. In het bijzonder neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan in totaal 10 diefstallen, zoals vervat in de bewezenverklaarde feiten. Het betreft in vier gevallen een (winkel)diefstal en in zes gevallen het pinnen van geldbedragen met de bankpassen van anderen. Het gaat in die laatste gevallen om zeer verwerpelijke vormen van diefstal, waarbij verdachte en haar mededader op slinkse wijze (grote) geldbedragen hebben buitgemaakt. Daarbij werden kennelijk bewust veelal oudere, kwetsbare personen als slachtoffer uitgezocht. Verdachte en haar mededader zijn daarbij - gezien deze werkwijze en de schaal waarop zij opereerden - op gewiekste en betrekkelijk professionele wijze te werk gegaan. Daarbij had verdachte uitsluitend oog voor eigen geldelijk gewin en werd met de schade en overlast voor anderen geen rekening gehouden. De gevolgen hiervan komen onder meer tot uitdrukking in gevoelens van onveiligheid en wantrouwen bij de slachtoffers en angst bij het betalen in winkels. Dit valt verdachte zeer zwaar aan te rekenen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 12 mei 2015, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden, ook in de laatste vijf jaar, is veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf, gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, voor het pinnen met bankpassen van anderen aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot zakkenrollerij. Gelet op de recidive van verdachte is daarvoor per feit een gevangenisstraf van twee maanden in beginsel gerechtvaardigd. Voor de winkeldiefstallen acht de rechtbank per feit twee weken gevangenisstraf een rechtvaardige sanctie. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken. De rechtbank ziet in de stukken voorts geen aanleiding een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, gelet op de omstandigheid dat in het onderhavige vonnis van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf alsnog de ten uitvoerlegging zal worden bevolen, omdat verdachte binnen de proeftijd opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft daarmee getoond zich niet aan de (algemene) voorwaarden bij een voorwaardelijk opgelegd strafdeel te kunnen of willen houden. De rechtbank zal daarom volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht, het voorgaande afwegend, een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14:

1.

Met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 heeft [slachtoffer 8] zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.457,50 (zegge: veertienhonderdzevenenvijftig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 4 februari 2014. De vordering betreft deels materiële (€ 1307,50) en deels immateriële (€ 150,00) schade. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank constateert dat ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij 1250 euro heeft gepind van de rekening van [slachtoffer 8] . De officier van justitie heeft verzocht dit bedrag en de gevorderde immateriële schade à 150 euro toe te wijzen, en de benadeelde voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank staan echter ook de overige schadeposten, te weten het opladen van de chipknip met 50 euro op 4 februari 2014 te 12.35 uur (kort nadat verdachte 1000 euro van de rekening heeft weggenomen) en de kosten voor een nieuwe bankpas a 7,50 euro, in zodanig nauw verband met het bewezenverklaarde feit, dat deze posten als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering kunnen worden aangemerkt. Het voorgaande brengt mee dat de vordering geheel zal worden toegewezen, inclusief de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

2.

Met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 heeft

[slachtoffer 11] zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 857,50 (zegge: achthonderdzevenenvijftig euro en vijftig eurocent). De vordering betreft materiële schade.

Nu verdachte van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op voornoemde benadeelde partij, wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

3.

Met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 heeft

[slachtoffer 16] zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 218,38 (zegge: tweehonderdachttien euro en achtendertig eurocent). De vordering betreft materiële schade.

Nu verdachte van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op voornoemde benadeelde partij, wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

4.

Met betrekking tot feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 heeft

[slachtoffer 1] zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 521,00 (zegge: vijfhonderdeenentwintig euro). De vordering betreft materiële schade.

Nu verdachte van de tenlastelegging wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-

ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens dit slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

Met betrekking tot parketnummer 13.202333.13:

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet daarop en op het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van
15 januari 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week toe te wijzen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast

berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen wat verdachte is tenlastegelegd

- in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 2, 3 en 4;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14 onder 2;

en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het

- in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 1 en 5;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730353.14 onder 1, 3 en 4;

- in de dagvaarding met parketnummer 08.730450.14 onder 1 en 2

tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] van een bedrag van € 1457,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2014, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het in de dagvaarding met parketnummer 08.955476.14 onder 1 bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1457,50 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 24 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk is in haar vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 16] niet-ontvankelijk is in haar vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in haar vordering;

tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 15 januari 2014 (parketnummer 13.202333.13), te weten een gevangenisstraf voor de duur van één week;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. L.J. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2015.

Buiten staat

Mr. M. van Bruggen en mr. L.J. Bosch zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Datum en tijdstip zijn zichtbaar op pagina 70, foto linksonder.

2 Pagina 182.

3 Overzicht afschrijvingen van de rekening: proces-verbaal van bevindingen, pagina 57-58.

4 idem.