Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5729

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
C/08/160439 / FA RK 14-1821
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank laat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn stiefkind buiten beschouwing wegens het ontbreken van financiële gegevens van de biologische ouders van stiefkind. Tevens bestaat de verplichting van de man jegens het stiefkind nog maar kort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0020

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/160439 / FA RK 14-1821

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 17 juli 2015

inzake

[verzoeker] [verzoeker],

verder te noemen: de man

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker

advocaat mr. J.U. van der Werff te Deventer

en

[verweerder] [verweerder],

verder te noemen: de vrouw

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. S.C.M. Koerhuis te Zwolle.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 31 juli 2014;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 25 september 2014;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 19 november 2014;

- een op 7 januari 2015 binnengekomen brief van de vrouw d.d. 6 januari 2015 met bijlagen;

- een op 22 mei 2015 binnengekomen brief van de man d.d. 21 mei 2015 met bijlagen;

- een op 22 mei 2015 binnengekomen brief van de vrouw d.d. 21 mei 2015 met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 2 juni 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 18 oktober 1996 te Dalfsen met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [2000] ,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [2003] ,

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [2003] .

2.2.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door beiden ondertekende ouderschapsplan.

2.3.

Bij beschikking van 4 november 2013 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 19 november 2013 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.4.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:

  • -

    de inhoud van hiervoor bedoeld onderhoudsplan deel uitmaakt van die beschikking;

  • -

    de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 384,- (zegge: driehonderd vierentachtig euro) per kind per maand telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;

  • -

    aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van € 3.072,- (zegge: drieduizend tweeënzeventig euro) per maand wordt toegekend.

2.5.

Ingevolge de wettelijke indexering belopen voormelde bijdragen met ingang van 2014 respectievelijk € 3.099,65 per maand en € 387,46 per kind per maand.

en met ingang van 2015 respectievelijk € 3.124,45 per maand en € 390,56 per kind per maand.

2.6.

De man is op 7 maart 2014 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [X] .

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2013 vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te wijzigen en deze bijdragen met ingang van 1 augustus 2014 de kinderbijdrage op € 504,- per kind per maand en de partneralimentatie op € 400,- per maand vast te stellen. Nadien heeft hij verzocht de partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2014 op nihil te stellen. Ter zitting heeft hij verzocht de partneralimentatie per 1 januari 2015 in verband met de gewijzigde kindregelingen op € 681,14 te stellen.

4 Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Zij verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat eerder bij beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt gewijzigd met ingang van 1 oktober 2014, in die zin dat de man met ingang van die datum aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te voldoen van € 4.000,- per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank het zelfstandige verzoek van de vrouw zal afwijzen en persisteert voor het overige.

6 De beoordeling

De ontvankelijkheid

6.1.

Nu tussen partijen vaststaat dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt, kunnen partijen in hun verzoek worden ontvangen.

6.2

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De stiefkinderen van de man

Allereerst zal de rechtbank ingaan op de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn stiefkinderen. Hoewel in beginsel bij de man door het aangaan van een geregistreerd partnerschap met de huidige partner van de man een onderhoudsverplichting is ontstaan jegens zijn tot zijn gezin behorende stiefkinderen naast de reeds bestaande verplichting van de biologische ouders van deze kinderen, dienen in de huidige berekening van de behoefte en de draagkracht naar het oordeel van de rechtbank de stiefkinderen buiten beschouwing te worden gelaten wegens het ontbreken van inkomens- en draagkrachtgegevens van de biologische ouders van de stiefkinderen. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat in de onderlinge verhouding van de onderhoudsplichtigen de betreffende verplichting van de man relatief nog maar kort bestaat. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er van uit dat de biologische ouders voldoende zelf in staat zijn in de behoefte van deze kinderen te voorzien.

behoefte van de minderjarige kinderen van partijen

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige kinderen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.

Uit de echtscheidingsbeschikking van 4 november 2013 blijkt dat voor de bepaling van de behoefte van de kinderen alleen de inkomsten van de man zijn betrokken alsmede de heffingskortingen van beide partijen. Er is uitgegaan van een gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van € 7.234,- netto per maand. De behoefte van de kinderen werd in november 2013 gesteld op € 1.285,-, dat wil zeggen € 495,- per kind per maand.

Tussen partijen staat vast dat de man thans een lager inkomen heeft dan ten tijde van de samenleving. De rechtbank concludeert op grond daarvan dat het huidige inkomen van de man niet hoger is dan het gezinsinkomen van destijds. Gelet op de aanbevelingen zal de rechtbank daarom uitgaan van de behoefte van destijds en dit bedrag indexeren. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen per kind per maand in 2014 op € 499,46 en in 2015 op € 503,46.

Dit bedrag dient te worden gecorrigeerd door het bedrag dat wordt ontvangen aan kindgebonden budget (KGB). Het KGB bedroeg in 2014 € 1.161,- per jaar (rekening houdend aan de zijde van de vrouw met het bedrag dat de man heeft opgelegd gekregen aan uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw), dat wil zeggen € 96,75 per maand (€ 32,25 per kind), en blijkens het overgelegde overzicht in 2015 € 5.312,- per jaar, dat wil zeggen € 442,67 per maand (€ 147,56 per kind).

Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen komt daarmee afgerond in 2014 op € 467,- (€ 499,46 minus € 32,25) per kind per maand en in 2015 op € 356,- (€ 503,46 minus € 147,56) per kind per maand.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

De vrouw heeft gesteld dat voor het inkomen van de man enkel dient uit te worden gegaan van het inkomen van de man bij [naam werkgever 1] . Er was volgens de vrouw geen noodzaak tot wijziging van zijn baan.

De man heeft gesteld dat door de nieuwe wetgeving ten aanzien van topinkomens hij ook bij zijn oude werkgever minder was gaan verdienen. Daarnaast stelt de man dat het voor zijn carrière niet goed was te lang in dezelfde functie te blijven. De man werkt 36-uur omdat hij valt onder de CAO van de ziekenhuizen.

De rechtbank is van oordeel dat de keuze van de man voor een andere baan een te begrijpen en in redelijkheid te respecteren stap voor de langere termijn betreft.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen daarom uit van de navolgende gegevens.

Voor 2014

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden januari 2014 en maart 2014 bedraagt het inkomen van de man bij [naam werkgever 1] € 13.082,71 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 6.700,- per maand.

Voor 2015

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden februari 2015 tot en met april 2015 bedraagt het inkomen van de man bij [naam werkgever 2] € 11.826,70 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8 % en een eindejaarsuitkering van 8,3 % van het jaarsalaris.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 6.510,- per maand.

Voor de berekening van het besteedbare inkomen van de man, verwijst de rechtbank naar de brutoberekeningen, die aan deze beschikking zijn gehecht.

draagkrachtformule

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule

in 2014: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)] en in 2015: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]

Voor zover recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man tot 1 januari 2015 met dit bedrag verhogen. Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man in 2014 op € 2.681,- per maand. Omdat de man in 2014 aanspraak kon maken op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen (tot 1 januari 2015) verhoogt de rechtbank de berekende draagkracht met een fiscaal voordeel van € 135,- per maand. De draagkracht inclusief fiscaal voordeel bedraagt in 2014 € 2.816,- per maand.

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man in 2015 op € 2.577,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

Uit de gegevens van de vrouw blijkt dat zowel in 2014 als in 2015 tot op heden sprake is van een minimale draagkracht van € 50,- per maand aan de zijde van de vrouw.

De draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen in 2014 € 2.866,- (€ 2.186,- + € 50,-), en in 2015 € 2.627,- (€ 2.577,- + € 50,- ) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag van in 2014 € 1.377,- per maand (€ 2.816,- : € 2.866,- x € 1.401,-) en in 2015 € 1.048,- per maand (€ 2.577,- : € 2.627,- x € 1.068,-) . Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) in 2014 € 24,- per maand (€ 50,- : € 2.866,- x € 1.401,-) en in 2015 € 20,- per maand (€ 50,- : € 2.866,- x € 1.401,-).

De zorgkorting

De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van de beperkte regeling geldt het laagste zorgkortingspercentage van 15 %. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen in 2014 € 1.401,- per maand bedraagt en in 2015 € 1.068,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting in 2014 € 210,- per maand en in 2015 € 159,- per maand .

Aldus gerekend resteert een door de man in 2014 tot 1 januari 2015 aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor de kinderen van € 1.167,- (€ 1.377,- minus de zorgkorting van € 210,-) per maand, ofwel € 389,- per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Aldus gerekend resteert een door de man in 2015 aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor de kinderen van € 889,- (€ 1.048,- minus de zorgkorting van € 159,-) per maand, ofwel € 296,- per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen met ingang 1 januari 2015.

Voor de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen, verwijst de rechtbank naar de aangehechte berekeningen.

Partneralimentatie

De behoefte

De man stelt dat het voorstelbaar is dat de behoefte van de vrouw is gewijzigd omdat zij hem niet heeft geïnformeerd over haar (pogingen om) inkomen (te genereren). Zij heeft volgens de man bovendien onvoldoende inspanningen verricht om inkomen te genereren.

De netto behoefte van de vrouw is in de echtscheidingsbeschikking van 4 november 2013 becijfert op netto € 3.449,- per maand. De vrouw heeft gesteld nog steeds behoefte te hebben aan dit bedrag.

Zij stelt dat zij nog geen inkomen genereert. De opleiding tot hondentrimmer heeft de vrouw ten aanzien van het theoretische gedeelte afgerond, maar ze dient thans te starten met de onbetaalde stage. De vrouw stelt voorts onderbouwd veel te hebben gesolliciteerd, maar dat deze pogingen nog niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

Gezien de leeftijd van de vrouw, de nog niet afgeronde opleiding, de situatie op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat de vrouw al geruime tijd niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank nog niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Uit de overgelegde sollicitaties blijkt dat de vrouw wel degelijk probeert een eigen inkomen te genereren. De rechtbank verwacht van de vrouw een blijvende inspanning om ondanks de genoemde omstandigheden toch een inkomen te gaan genereren.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zou moeten worden afgeweken van de destijds becijferde netto behoefte van de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw.

De draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

inkomen

De vrouw heeft gesteld dat voor het inkomen van de man enkel dient uit te worden gegaan van het inkomen van de man bij [naam werkgever 1] . Er was volgens de vrouw geen noodzaak tot wijziging van zijn baan.

De man heeft gesteld dat door de nieuwe wetgeving ten aanzien van topinkomens de man ook bij zijn oude werkgever minder was gaan verdienen. Daarnaast stelt de man dat hij voor zijn carrière niet te lang in dezelfde functie wilde blijven. De man werkt 36-uur omdat hij valt onder de CAO voor ziekenhuizen.

Hetgeen hierboven te dien aanzien is overwogen, geldt als hier herhaald en ingelast.

2014

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden januari 2014 en maart 2014 bedraagt het inkomen van de man bij [naam werkgever 1] € 13.082,71 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

2015

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden februari 2015 tot en met april 2015 bedraagt het inkomen van de man bij [naam werkgever 2] € 11.826,70 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8 % en een eindejaarsuitkering van 8,3 % van het jaarsalaris.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

woonlasten

De man heeft gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de woonlasten van de woning waarvan hij voor 45 % eigenaar is geworden. De man stelt dat het redelijk is om uit te gaan van de situatie na 6 jaar (tweede helft van 2019) ten aanzien van de betaling van de aflossing en de rente op deze woning. De rente is op dat moment € 529,92 ( [A] B.V.) per maand alsmede € 235,40 (Aegon) per maand. De aflossing is op dat moment € 943,87 per maand alsmede € 367,54 per maand.

De vrouw stelt primair dat moet worden uitgegaan van de woonlasten zoals de huidige partner van de man deze voorheen voldeed zonder de constructie van koop door de man. Subsidiair stelt de vrouw dat van de lagere renteverplichting uit dient te worden gegaan dan de nieuwe akte van geldlening. De man is volgens de vrouw met die nieuwe akte bewust een hogere renteverplichting aangegaan.

De man verweert zich door te stellen dat hij een huis mag kopen dat qua woonlasten blijft binnen de grenzen van redelijke netto woonlasten. Ten aanzien van de rente stelt de man dat hij uiteindelijk heeft afgezien van een variabele rente en heeft gekozen voor een vaste rente. De man stelt dat deze keuze redelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de woonlasten niet zodanig zijn dat sprake is van onredelijke netto woonlasten. De rechtbank zal derhalve de man volgen in zijn berekening van de woonlasten. Het betreft een hypotheek met een verplichte aflossing. De rechtbank is van oordeel dat deze last, ondanks het vermogensvormende effect, meegenomen dient te worden vanwege dit verplichte karakter. De aflossing zal de rechtbank terug laten komen in het netto-gedeelte van de bruto-berekening.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in het kader van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw in 2014 op € 7.017,- per maand en in 2015 op € 6.819,- per maand.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de navolgende, door de man in zijn overgelegde berekening gestelde en door de vrouw niet weersproken, lasten:

  • -

    de helft van het forfait overige eigenaarslasten;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering);

  • -

    het verplicht eigen risico.

Voor zover het de draagkracht van de man betreft, verwijst de rechtbank naar de bruto berekeningen, die aan deze beschikking zijn gehecht.

Uit de aangehechte berekeningen blijkt dat de man in 2014 een draagkracht heeft om bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen van € 2.447,- per maand en in 2015 een draagkracht heeft om bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen van € 2.579,- per maand.

De rechtbank zal de bijdrage van € 2.447,- per maand opleggen met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 en de bijdrage van € 2.579,- met ingang van 1 januari 2015.

De proceskosten

6.4

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2013 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud en stelt die bijdrage met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 op € 2.447,- (tweeduizend en vierhonderdenzevenenveertig EURO) per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 2.579,- (tweeduizend en vijfhonderdennegenenzeventig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.2.

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2013 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [2000] ,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [2003] ,

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [2003]

en stelt die bijdrage met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 op € 389,-(driehonderd en negentachtig EURO) per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 296,- (tweehonderd en zesennegentig EURO) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. A.L. Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015 in tegenwoordigheid van mr. M.G. Jansen, griffier.