Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5635

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
08.760194-14 en 08.770122-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Zwolle is veroordeeld tot 7 jaar cel omdat hij op 22 oktober 2014 een man in zijn achterhoofd schoot. Zij stonden op dat moment in een woning op de 8e etage van een Zwols flatgebouw. Het slachtoffer overleefde het schot, vluchtte de flat uit en probeerde via de balustrade naar beneden te komen. Tussen de 6e en 5e verdieping verloor hij zijn grip en viel naar beneden op het afdak van de centrale ingang, met de kogel nog in zijn achterhoofd. Ook de val overleefde hij.

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de 29-jarige Zwollenaar schuldig is aan een poging tot doodslag. Hij moet een schadevergoeding betalen van ruim 28.000 euro en een eerdere voorwaardelijke straf van 8 maanden uitzitten.

De rechtbank oordeelt dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De schutter komt voor de tweede maal in korte tijd in aanraking met justitie vanwege een ernstig geweldsdelict. Hij was slechts drie maanden uit detentie en pleegde dit feit binnen zijn proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.760194-14 en 08.770122-13 (tul) (P)

Datum vonnis: 22 december 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende aan de [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI Almelo, De Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 september 2015, 1 oktober 2015 en 10 december 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Jongtien-Polfliet en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel hem zwaar letsel heeft toegebracht of dit heeft geprobeerd;

feit 2: [slachtoffer] heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging, na wijziging daarvan conform artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), aan de verdachte, dat:

1. hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Zwolle

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen (van dichtbij) in/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschoten, in elk geval meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting (van het hoofd) van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Zwolle

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten voortdurende pijn en/of voortdurend ongemak als gevolg van niet (zonder aanzienlijke risico’s) operatief te verwijderen kogeldelen in zijn hoofd (schedel) en/of nek en/of hals, heeft toegebracht door deze [slachtoffer] met een vuurwapen (van dichtbij) in/tegen het hoofd te schieten, in elk geval meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting (van het hoofd) van die [slachtoffer] te schieten;

meer SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Zwolle

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen (van dichtbij) in/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschoten, in elk geval meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting (van het hoofd) van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Zwolle [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten en/of (vervolgens) (toen die [slachtoffer] reeds met een kogel in zijn hoofd geraakt en/of gewond was) het vuurwapen op die [slachtoffer]

heeft gericht en vervolgens die [slachtoffer] (met dat vuurwapen) heeft achtervolgd (waarbij/waarna die [slachtoffer] meermalen (in blinde paniek) over de balustrade van het flatgebouw naar beneden is geklommen en/of gesprongen en/of (uiteindelijk) is gevallen).

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf wordt toegewezen.

Tot slot heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs.

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Inleiding

Op 22 oktober 2014 omstreeks 20.50 uur kregen surveillerende eenheden opdracht om te gaan naar de Monteverdilaan te Zwolle, waar een persoon uit een flatgebouw (de zogeheten Rembrandtflat) zou zijn gevallen of gesprongen. Op de eerste verdieping van het flatgebouw troffen verbalisanten de zwaar gewonde [slachtoffer] aan. Op het afdak van de centrale ingang van het flatgebouw, op meerdere galerijen en op de galerij van de achtste verdieping tot aan de woning op nummer [adres] werden bloedsporen aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] in de woning aan de [adres] , op de achtste verdieping, in het hoofd is geschoten, waarna hij via het trappenhuis naar de zevende verdieping is gelopen. Vervolgens is hij vanaf de galerij van de zevende verdieping naar de galerij van de zesde geklommen. Bij het klimmen van de zesde verdieping naar de vijfde is [slachtoffer] naar beneden gevallen en terecht gekomen op het afdak van de centrale hal.

Ten tijde van het schieten waren verdachte (bijnaam [bijnaam verdachte] ), zijn broer [broer verdachte] (bijnaam [bijnaam broer verdachte] ), [naam 1] ( [naam 1] ), aangever/slachtoffer [slachtoffer] (bijnaam [bijnaam slachtoffer] ), [naam 2] (bijnaam [bijnaam naam 2] ) en [naam 3] ( [naam 3] ) in de woning aan de [adres] aanwezig.

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 22 oktober 2014 (van een korte afstand) in het hoofd heeft geschoten.

Het van een korte afstand met een vuurwapen in (de richting van) het hoofd van een persoon schieten betekent naar de uiterlijke verschijningsvorm dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer moet hebben gehad. Daarmee is volgens de officier van justitie het als feit 1 primair ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie op basis van de verklaring van [naam 2] en het technische bewijs, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd door op hem te schieten, vervolgens nogmaals met een wapen op hem te richten en hem te achtervolgen.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat niet duidelijk is door wie [slachtoffer] is beschoten. Niemand heeft gezien dat het schot werd afgevuurd. De mogelijkheid dat verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten, kan niet worden uitgesloten, zodat vrijspraak dient te volgen. Indien de rechtbank ervan overtuigd is dat verdachte heeft geschoten, kan niet worden bewezen dat hij opzet zou hebben gehad op de dood van [slachtoffer] . Ook dan dient vrijspraak te volgen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte uit noodweer heeft geschoten, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Voor feit 2 geldt volgens de raadsvrouw primair dat niet kan worden bewezen dat verdachte zou hebben geschoten, zodat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] zou hebben bedreigd. Subsidiair is aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Mocht de rechtbank er van uitgaan dat verdachte de schutter is, zonder dat sprake is van noodweer, dan geldt het volgende. Onder zowel feit 1 als 2 vormt dezelfde handeling - te weten het schieten met een vuurwapen - een belangrijk deel van het vermeende strafbare feit. Zou feit 1 wettig en overtuigend bewezen en strafbaar worden geacht dan is van opzet op bedreiging in ieder geval géén sprake. Met diezelfde, ene handeling, kan door de dader immers onmogelijk zowel zijn beoogd om iemand te doden of zwaar te verwonden, als om het slachtoffer bang te maken voor een dergelijk gevolg, terwijl dat gevolg nu juist niet zou intreden.

5.3

De overwegingen van de rechtbank

Feit 1

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, zich bevindend in de woning aan de [adres] , uit het niets een klap op zijn achterhoofd voelde en dat hij verdachte zag staan met een pistool in de hand.

Uit de verklaringen van [broer verdachte] , de broer van verdachte, [naam 2] en [naam 3] blijkt dat er zes mensen in de woning aan de [adres] aanwezig waren. Vier van hen, de broer van verdachte, [broer verdachte] , [naam 2] en [naam 3] , zaten in de woonkamer. Verdachte en [slachtoffer] waren, zo kan uit getuigenverklaringen van [broer verdachte] , [naam 3] en [naam 2] worden afgeleid, samen in of nabij de hal die aan de woonkamer grenst. De broer van verdachte en [naam 3] hebben een knal gehoord die afkomstig was uit hun richting, vanuit de gang. [naam 2] heeft gezien dat [slachtoffer] na de knal in de deuropening tussen gang en woonkamer op de grond lag en dat verdachte een revolver in zijn hand had. Ook heeft zij gehoord dat [slachtoffer] tegen verdachte in het Papiaments zei: “Je hebt mij geschoten, vriend.” Dit laatste wordt bevestigd door [naam 3] . Uit de verklaring van de broer van de verdachte blijkt dat hij verdachte, nadat hij de knal heeft gehoord, zag staan en naast hem op de grond [slachtoffer] zag liggen, waarop hij verdachte heeft gevraagd: “Wat heb je gedaan?”

Gezien deze verklaringen, en in het bijzonder de verklaringen van getuige [naam 2] en [slachtoffer] die verdachte met het wapen in de hand hebben gezien in combinatie met het gegeven dat vastgesteld is dat ten tijde van het schieten verdachte en [slachtoffer] zich, apart van de andere aanwezigen in de woning in of nabij de hal bevonden en het schot uit hun richting kwam, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die op 22 oktober 2014 [slachtoffer] in zijn hoofd heeft geschoten, waardoor [slachtoffer] gewond is geraakt. Er is vanuit de verklaringen van de aanwezigen in de flat geen aanleiding om te veronderstellen dat iemand anders op [slachtoffer] heeft geschoten, nu geen van de getuigen een verklaring heeft afgelegd die in die richting wijst.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de rapporten van het NFI volgt dat het iets waarschijnlijker is dat de schootsafstand kleiner is geweest dan 200 centimeter dan dat de schootsafstand groter is geweest dan 200 centimeter. Ook gezien de situatie ter plaatse, te weten de hal van een flatwoning, kan er van worden uitgegaan dat verdachte op korte afstand van [slachtoffer] stond toen hij het schot loste. Daarbij richtte hij op het hoofd van [slachtoffer] en heeft hij hem geraakt in het hoofd, achter zijn oor. Met het op korte afstand schieten op het hoofd van [slachtoffer] is sprake van potentieel dodelijk letsel. Verdachte heeft, door van korte afstand [slachtoffer] in zijn hoofd te schieten, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het als feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 2

De verdediging heeft een voorwaardelijk beroep gedaan op innerlijke tegenstrijdigheid van het als feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat nu het als feit 1 primair ten laste gelegde, de poging doodslag, bewezen is, het als feit 2 ten laste gelegde een innerlijke tegenstrijdigheid bevat, voor zover dit ziet op het schieten met een vuurwapen. Immers, verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, zodat hij met het daadwerkelijk schieten op [slachtoffer] hem niet tegelijkertijd kan hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank acht de dagvaarding ten aanzien van het als feit 2 ten laste gelegde – voor zover het ziet op de zinsnede ‘meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten’ – partieel nietig.

Voor het overige als feit 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat verdachte het wapen na het schot nogmaals heeft gericht op [slachtoffer] . [slachtoffer] zelf heeft hier niets over verklaard. De verklaring van [naam 2] wordt niet ondersteund of bevestigd door andere bewijsmiddelen.

Uit het door verdachte achtervolgen van [slachtoffer] kan niet zonder meer worden aangenomen dat sprake was van bedreiging. Uit camerabeelden blijkt dat tussen het vluchten van het slachtoffer uit de flat en het verlaten van het flatgebouw door verdachte enkele minuten tijdverschil zit. Niet gebleken is dat verdachte met het achtervolgen het opzet had om [slachtoffer] te bedreigen.

5.4

De conclusie

Feit 1

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het als feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 oktober 2014 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen van dichtbij in het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte als feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 en 45 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: poging tot doodslag.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte uit noodweer heeft geschoten. Dit verweer is echter onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is waaruit de noodweersituatie zou hebben bestaan. De verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht en heeft ook hierover niets verklaard. Geen van de getuigen heeft verklaard over een aanval in de richting van verdachte tegen welke hij zich zou hebben mogen verdedigen voorafgaand aan het schieten. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De verdediging heeft met het horen van getuige [getuige 1] willen aantonen dat het wapen waarmee is geschoten van [slachtoffer] was. Gelet op de verklaring van [getuige 1] is dat niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding de andere getuige, [getuige 2] , ten aanzien van dit punt te horen. De noodzakelijkheid tot het horen van [getuige 2] is te minder aannemelijk geworden na hetgeen verdachte daarover ter zitting heeft verklaard.

Zelfs als het wapen waarmee is geschoten van [slachtoffer] was, leidt dat niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is geweest van een noodweersituatie.

Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag doordat hij [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn hoofd heeft geschoten.

Uit de medische verklaring van de forensisch arts volgt dat [slachtoffer] achter het rechter oor een zwelling met open wond heeft, die imponeert als een inschotopening, met een diameter van ongeveer een halve centimeter. Volgens de forensisch arts is op de röntgenfoto te zien dat ter hoogte van de 4e halswervel van [slachtoffer] een groot metaalachtig object zit. Aanvankelijk is het de bedoeling geweest om de kogel operatief te verwijderen maar daar is voorlopig van afgezien in verband met de daaraan verbonden risico’s voor het slachtoffer.

Nadat [slachtoffer] was geraakt door de kogel is hij in paniek geraakt en wilde hij vluchten. Hij is met de trap van de 8e naar de 7e etage van het flatgebouw gegaan. Omdat dat niet snel genoeg ging, is hij via de balustrade op de galerij van de 7e naar de 6e verdieping geklommen. Bij het klimmen van de 6e naar de 5e verdieping is [slachtoffer] naar beneden gevallen en op het afdak van de centrale ingang terechtgekomen. Bij zijn vlucht heeft [slachtoffer] diverse verwondingen opgelopen, waaronder de breuk van enkele middenhandsbotjes aan de basis van de linkerduim en de ontwrichting van het eindgewricht van de rechterduim.

Hoe ingrijpend de gevolgen voor [slachtoffer] zijn geweest, is gebleken uit de verklaring die hij als slachtoffer ter terechtzitting heeft gegeven en uit het voegingsformulier benadeelde partij. [slachtoffer] heeft vanwege zijn verwondingen vier nachten in het ziekenhuis gelegen. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis heeft [slachtoffer] bij zijn moeder in huis gewoond om verder te herstellen en verzorgd te worden. Hij was tot medio 2014 tot niets in staat omdat zijn armen eerst in het gips hebben gezeten en later zijn gespalkt. Daarnaast heeft het voorval grote psychische gevolgen gehad voor [slachtoffer] . Hij heeft de dood op één avond twee maal in de ogen gekeken. Ook is [slachtoffer] bang dat de kogel, die nog in zijn hoofd zit, zal gaan bewegen en vitale delen zal raken.

Het betreft een zeer ernstig strafbaar feit, waarvoor een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is.

Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum, waarvan door D.I. Kuijpers, psychiater, en P.A.E.M.T. Cremers, GZ-psycholoog, een rapport is opgemaakt, d.d. 23 juli 2015. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek consequent geweigerd, zodat de onderzoekers de vragen naar het bestaan van een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet hebben kunnen beantwoorden. De rechtbank kan dan ook geen rekening houden met eventueel factoren vanuit de persoonlijkheidsstructuur van verdachte die mogelijk van invloed zouden kunnen zijn op de mate van toerekenbaarheid van het feit aan verdachte.

Reclassering Nederland heeft d.d. 31 juli 2015 een reclasseringsadvies uitgebracht, opgemaakt door M. Pieffers, reclasseringswerker. Verdachte heeft niet mee willen werken aan een reclasseringsrapport. Volgens de reclassering is verdachte een groot gevaar voor zijn omgeving als hij onder invloed van alcohol is.

Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Verdachte komt voor de tweede maal in korte tijd vanwege een ernstig geweldsdelict in aanraking met justitie. De omstandigheden van beide delicten zijn vergelijkbaar: verdachte is dronken, het slachtoffer betreft een 'bevriende' Antilliaanse man en het slachtoffer had dodelijk gewond kunnen raken.

Ingeschat wordt dat er een hoog risico op onttrekken aan voorwaarden is omdat verdachte slechts drie maanden uit detentie was en recidiveerde binnen de proeftijd.

Ingeschat wordt dat er risico op letselschade is voor willekeurige mensen, in het bijzonder Antilliaanse kennissen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 november 2015. Daaruit blijkt dat verdachte in 2013 ook is veroordeeld voor een poging tot doodslag. Ondanks zijn jeugdige leeftijd is verdachte daarnaast herhaaldelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben blijkbaar niet een zodanige invloed op verdachte gehad dat hij is opgehouden met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank weegt dit ten nadele van verdachte mee.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Ten tijde van het strafbare feit was verdachte slechts drie maanden uit detentie vanwege een eerdere poging tot doodslag. Het gemak waarmee verdachte naar wapens grijpt, maakt hem roekeloos en onberekenbaar ten aanzien van de levens van de mensen om hem heen. Het is niet dankzij verdachte dat het slachtoffer [slachtoffer] niet ten gevolge van het schieten is overleden maar er “slechts” is afgekomen met zware verwondingen. Verdachte heeft, door niet mee te willen werken aan onderzoek, geen inzicht gegeven in zijn persoonlijkheid en beweegredenen en het daarmee samenhangende recidivegevaar, dat hoog wordt geacht. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 48.360,32 (zegge: achtenveertig duizend driehonderd zestig euro en 32/100 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  1. Immaterieel € 45.000,-

  2. Ziekenhuis - 112,-

  3. Reiskosten + parkeren ziekenhuis - 197,34

  4. Verzorging in verband met armen - 1.568,-

  5. Tijd zus in verband met rijden - 416,-

  6. Niet vergoede ziektekosten (ER/medic) - 416,-

  7. materiële schade - 525,-

- kleding - 100,-

- telefoon (kapot) - 275,-

- telefoon (beslag) PM

- schoenen (onderzoek) - 150,-

kosten vaststelling schade - 125,98

Dit bedrag is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het overgrote deel van het letsel het gevolg lijkt te zijn van de val van het flatgebouw en daarmee geen rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade is.

Naar het oordeel van de rechtbank is er een causaal verband tussen het schieten van verdachte op [slachtoffer] en het vallen van het flatgebouw door [slachtoffer] . Immers, door de beschieting is [slachtoffer] in paniek gevlucht en tijdens die vlucht gevallen. Ook de gevolgschade kan in redelijkheid aan het schietincident – en daarmee aan verdachte – worden toegerekend.

De opgevoerde schadeposten hiervoor gemeld onder e en h zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

[slachtoffer] heeft een bedrag van € 45.000,- aan smartengeld gevorderd. Dit bedrag is betwist. Namens [slachtoffer] is aangevoerd dat deze schade ziet op zowel de lichamelijke en psychische gevolgen van de kogel in het hoofd als die van de val (met name het letsel aan de polsen).

Deze schadepost is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onderbouwd dat deze volledig voor toewijzing in aanmerking zou moeten komen. Van de zijde van [slachtoffer] is niet voldoende inzichtelijk gemaakt, met bijvoorbeeld verklaringen van de behandelend arts en psychiater, wat de situatie op dit moment is. Zo is niet gebleken dat [slachtoffer] (alsnog) zou moeten vrezen voor de lichamelijke gevolgen van de in zijn hoofd aanwezige kogel. Hieruit volgt dat een deel van het gevorderde smartengeld op dit moment niet voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de ernst van het letsel en de verwachte duur van het herstel zal de rechtbank aan smartengeld een bedrag van € 25.000,- toewijzen.

De opgevoerde schadeposten hiervoor gemeld onder b, d, f en g zijn weliswaar betwist maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Schadepost c is deels betwist. Naar het oordeel van de rechtbank dient het gevorderde bedrag te worden verminderd met drie bezoeken ziekenhuis aangezien de benadeelde partij ten tijde van het maken van deze kosten in het ziekenhuis verbleef. Dit houdt voor de reiskosten in een vermindering met (3 maal 21 maal € 0,29 is) € 18,27 en voor de parkeerkosten met (3 maal € 1,50 is) € 4,50. Een bedrag van € 174,57 komt voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 28.337,55, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft het overige is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 is toegebracht.

10 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf van acht maanden die de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, in de zaak met parketnummer 08.770122-13 bij vonnis van 24 september 2013 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. De rechtbank is van oordeel dat die vordering moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zijn niet gebleken. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10 en 27 Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

dagvaarding partieel nietig

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het als feit 2 ten laste gelegde – voor zover het ziet op de zinsnede ‘meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten’ – nietig;

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het als feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte 1 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het als feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , wonende te [adres] , voor een deel van € 20.022,77 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van 28.337,55 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2015);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 28.337,55 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 176 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08.770122-13

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 24 september 2013 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, in de zaak met parketnummer 08.770122-13, te weten van de gevangenisstraf van acht maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en mr. R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.

Buiten staat

Mr. Elbers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, recherche Zwolle, met nummer PL0400-2014088626 (Onderzoek Koelewijn 04ZWL14015). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van inverzekeringstelling van verdachte [broer verdachte] van 23 oktober 2014, pagina 49, onder meer inhoudende:

(…) Ik was in de woning tijdens het gebeuren in perceel [adres] te Zwolle.

Ik hoorde opeens 1 harde knal.

Vervolgens zag ik dat mijn broertje [bijnaam verdachte] (fon) helemaal paranoia was.

Er was veel bloed.

[slachtoffer] (fon) was gewond. Wij probeerden allemaal [slachtoffer] te helpen maar hij ging de woning uit. (…)

2.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [broer verdachte] van 23 oktober 2014, pagina 54-56, onder meer inhoudende:

V= Had je veel gedronken?

A= Ik niet, maar [bijnaam verdachte] wel.

(…) ik hoorde opeens een harde knal uit hun richting. Ik schrok en vroeg aan [bijnaam verdachte] wat er was gebeurt? Hij keek met grote ogen en zei niks.

Ik zag dat [bijnaam slachtoffer] naar binnen strompelde en op de grond ging liggen. Ik zag een hoop bloed op zijn lichaam en kleding.

V= Hoeveel knallen hoorde je?

A= één.

V= Was het een schot van een vuurwapen?

A= Ik denk het wel. (…)

3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [broer verdachte] van 26 oktober 2014, pagina 61-62, onder meer inhoudende:

(…) V= Wat heeft [bijnaam verdachte] na het schieten tegen jou gezegd?

A= [bijnaam verdachte] zei tegen mij dat [bijnaam slachtoffer] zichzelf had geschoten.

V= Waarom heb je tegen [bijnaam verdachte] gezegd: Wat heb je gedaan?

A= Ik zag [bijnaam verdachte] staan en zag naast hem [bijnaam slachtoffer] op de grond liggen. Ik had net de knal gehoord en dacht dat dit een schot van een wapen was. Daarom wilde ik weten wat er was gebeurt. Als ik een wapen gezien zou hebben zou ik dat gezegd hebben.

Ik weet dat als [bijnaam verdachte] heeft gedronken hij onberekenbaar wordt. Hij krijgt dan de duivel in zich. Als hij een mes bij zich heeft kan hij zomaar opeens gaan steken.

Als ik weet dat hij een wapen heeft en hij gaat drinken dan probeer ik het wapen af te pakken omdat hij gevaarlijk wordt met dat wapen.

V= Hoeveel had [bijnaam verdachte] gedronken die avond?

A= Eerst bier, daarna Black Label en Jack Daniels. Hij had veel gedronken.

Ik geloof eerlijk gezegd niet dat [bijnaam slachtoffer] zichzelf heeft geschoten. (…)

4.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] van 24 oktober 2014, pagina 80-81, onder meer inhoudende:

(…) Ik zat die avond samen met [bijnaam broer verdachte] , [naam 1] en [bijnaam naam 2] aan tafel.

[bijnaam slachtoffer] en [bijnaam verdachte] waren in de hal of de keuken. Ik hoorde opeens een harde knal vanuit de gang.

Ik keek richting de hal en zag dat [bijnaam slachtoffer] met zijn hoofd om de deur kwam en zei:

“e hombu a tira mi” dat betekend: Die man heeft mij geschoten. Ik zag niet waar [bijnaam verdachte] was. Er waren verder geen anderen in de woning dan de personen die ik net heb genoemd. De enige twee die in de keuken of hal waren waren [bijnaam verdachte] en [bijnaam slachtoffer] .

Ik denk dat [bijnaam verdachte] [bijnaam slachtoffer] geschoten heeft. (…)

5.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 2] van 24 oktober 2014, pagina 92-94, onder meer inhoudende:

(…) V= Wat is er die woensdagavond, 22 oktober 2014 precies gebeurt?

A= Ik bevond mij die avond in perceel [adres] te Zwolle. (…)

Ondertussen is [slachtoffer] kennelijk opgestaan en naar [bijnaam verdachte] gelopen. Ik zag toen in het raam een lichtflits en hoorde harde knal alsof er een striker werd opgestoken. (…) Ik hoorde dat [bijnaam broer verdachte] zei: “Ba tire”. Dat betekend: Je hebt hem geschoten. Ik draaide me om naar [bijnaam verdachte] en zag dat [slachtoffer] halverwege de gang in de deuropening op de grond lag. Ik zag dat hij met zijn rechterhand zijn rechterzijde van zijn hoofd vasthield en dat er bloed tussen zijn vingers doorliep. Ik zag dat [bijnaam verdachte] een revolver in zijn hand had. (…) Het was een klein model kleur zwart. Ik weet dat het een revolver was omdat hij een cilinder had.

Ik hoorde dat [slachtoffer] tegen [bijnaam verdachte] zei: “Ba tira mi swa” dat betekent: Je hebt mij geschoten vriend. Ik zag dat [bijnaam verdachte] het wapen weer op [slachtoffer] richtte alsof hij weer wilde schieten. Ik pakte zijn hand en duwde deze omhoog. [bijnaam broer verdachte] riep: “ [bijnaam verdachte] Ki Bo ta Hasi” oftwel [bijnaam verdachte] , wat doe je?

Ondertussen zag ik dat [slachtoffer] opstond en de voordeur uitliep. (…)

6.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 2] van 26 oktober 2014, pagina 96-97, onder meer inhoudende:

(…) Toen ik mijn tas pakte om weg te gaan zag ik dat [bijnaam verdachte] het wapen nog steeds in zijn handen had. (…)

7.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 23 oktober 2014, pagina 102-107, onder meer inhoudende:

(…) ineens toen voelde ik “tsak!” hier achter me (opmerking verbalisant: hij wees hierbij naar de wond op zijn achterhoofd). (…)

- Verbalisant:

Maar waarom denk jij dat [bijnaam verdachte] iets gedaan zou hebben bij je achterhoofd?

(…) Ja, ik vermoed [bijnaam verdachte] omdat ik weet [bijnaam verdachte] is een dreigende jongen. Die zat met mij te praten, die heeft me die ding, die pistool laten zien op het balkon van [naam 4] . Hij zei ook duidelijk: [bijnaam broer verdachte] heeft die andere.(…)

Ik heb maar aan één ding gedacht toen ik die klap voelden: het pistool! Je rent weg man! Ik raakte in paniek. Ik durfde niet met die trap, die trap is te traag, die lift ook. Ik dacht: klimmen, klimmen zo. Maar ik ging naar beneden… (…) Eén verdieping ging goed, maar ik ging verder want ik wist niet of ze achter me zouden komen. Ik ging daarom nog een verdieping, maar toen ging het mis. Ik kon niet meer goed vastgrijpen en viel. (…)

8.

Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] van 26 november 2014, pagina 113-114, onder meer inhoudende:

(…) A= Toen ik die harde klap op mijn achterhoofd voelde keek ik achterom en zag [bijnaam verdachte] met een revolver in zijn hand staan. (…)

9.

De door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts, opgemaakte medische verklaring van 27 oktober 2014, pagina 117-119, onder meer inhoudende:

(…)

letselbeschrijving

hoofd 1/ schaafwonden linker gelaatshelft en aan de linker zijkant van het hoofd (…)

2/ zwelling met open wond diameter ± 1/2 cm achter het rechter oor (…)

deze wond imponeert als een inschotopening

op de X-schedel is een projectiel IN het hoofd nabij de inschotopening zichtbaar (…)

SEH: wondje achter het rechter oor is inschotopening; in de hals rechts is ter hoogte van de 4e halswervel een harde zwelling voelbaar; op de röntgenfoto blijkt er ter hoogte van de 4e halswervel een groot metaalachtig object te zitten met daarboven - naast de 1e halswervel enkele kleiner metaalfragmentjes; (…)

bij controle na één dag is er onder de inschotwond een onderhuidse bloeduitstorting ontstaan

aanvankelijk is het de bedoeling geweest om het metalen voorwerp operatief te verwijderen maar daar is voorlopig tot nader order van afgezien (…)

armen

linker arm + hand bloedende huidverwonding aan linker duim (…)

SEH: aan de basis van de duim zijn enkele middenhandsbotjes gebroken; deze zijn operatief met een draad weer gefixeerd en nadien gespalkt

rechter arm + hand bloedende open verwonding aan rechter duim (…)

SEH: een open huidverwonding waarin het gewrichtskapsel zichtbaar is; het eindgewricht van de duim is ontwricht; de ontwrichting is gereponeerd (= op de plaats gezet) en gespalkt

benen

linker + rechter been (…)

SEH: schaafwonden aan de rechter knie en op de linker enkel (…)

beoordeling letsel

ontstaan bij onderzoek door ondergetekende vers letsel: schaafwonden en huidwonden ontstaan door direct en indirect inwerkend stomp en schurend geweld

schotwond ontstaan door beschieting met hard metaalachtig projectiel, wat nog in het lichaam (de hals) van SO aanwezig is (…)

herstel onduidelijk (…)

blijvend letsel onduidelijk (…)

letsel past bij toedracht (…) De “klap tegen het hoofd” die SO voelde is waarschijnlijk de impact geweest van het projectiel waardoor SO werd geraakt.

Schotverwonding en verder schaafwonden die kunnen passen bij de val of vlucht die SO heeft meegemaakt. (…)

10.

Een geschrift, zijnde het rapport ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een mogelijk schietincident in Zwolle op 22 oktober 2014’, van 14 januari 2015 van het NFI, waarin rapporteur ing. R.C. Roepnarain onder meer het volgende heeft gerapporteerd (pagina 11 van 11):

(…) Schootsafstand

De bevindingen van het onderzoek aan de jas (…) van het slachtoffer [slachtoffer] in combinatie met de foto’s met de verwoning op het achterhoofd van het slachtoffer zijn iets waarschijnlijker wanneer de schootsafstand kleiner is dan 200 centimeter dan wanneer de schootsafstand groter is dan 200 centimeter. (…)

11.

Een geschrift, zijnde het rapport ‘Beantwoording aanvullende vragen naar aanleiding van een schietincident in Zwolle op 22 oktober 2014’, 20 november 2015 van het NFI, waarin rapporteur ing. R.C. Roepnarain onder meer het volgende heeft gerapporteerd (pagina 6 en 7 van 8):

(…) Bij een schot worden afhankelijk van de schootsafstand sporen rond de inschotbeschadiging/verwonding afgezet in een gebied variërend van 0 centimeter tot wel circa 200 centimeter. In figuur 1 is een voorbeeld van een proefschotenserie van 0 tot 75 centimeter te zien. Hierbij is te zien dat naarmate de schootsafstand groter wordt de spreiding van de sporen groter en de intensiteit van de sporen kleiner wordt.

Vanaf een bepaalde schootsafstand (100 - 150 centimeter bij de meeste proefschotenseries in het NFI bestand met handvuurwapens) worden geen sporen en verkleuringen meer aangetroffen. (…)

Op de foto’s van de verwonding van het slachtoffer zijn visueel geen relevante sporen te zien. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sporen aanwezig zijn geweest.

Mogelijke sporen hadden veiliggesteld kunnen worden door met een schotrestenfolie (afmetingen circa 20 x 25 centimeter) een bemonstering van het gebied rondom de verwonding uit te voeren. Via een afdrukmethode van deze schotrestenfolie zouden dan eventueel aanwezige sporen zichtbaar gemaakt kunnen worden.

Op de kraag van de jas [AAFR7887NL] van het slachtoffer zijn ter hoogte van de verwonding op het achterhoofd van het slachtoffer sporen (een diffuse verkleuring) aangetroffen. Omdat bij het onderzoek slechts een deel van de sporen zichtbaar gemaakt konden worden, is bij het bepalen van de schootsafstand hiermee rekening gehouden en is voor de conclusie een marge gebruikt. Omdat niet alle verwachte typen sporen zijn teruggevonden op de jas en waargenomen op de foto’s en het gebruikte vuurwapen/munitie combinatie onbekend is, is de waarschijnlijkheidsgradatie “iets waarschijnlijker” gebruikt.

Op basis van bovenstaande is in het rapport de conclusie getrokken: “De

bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer de schootsafstand

kleiner is dan 200 centimeter dan wanneer de schootsafstand groter is dan 200

centimeter’.

Vraag 8

Is die afstand van 200 cm willekeurig gekozen? Zou ook kunnen worden gezegd dat het iets waarschijnlijker is dat de schootsafstand kleiner is dan 300 cm dan wanneer de schootsafstand groter is dan 300 cm? Of 400 cm? Of 500 cm? Of 100 cm? Of 50 cm?

Antwoord

De afstand van 200 centimeter is niet willekeurig gekozen. Deze afstand is gebaseerd op de proefschotenseries met handvuurwapens uit het NFI bestand. De proefschotenseries betreffen proefschoten met bepaalde vuurwapens en munitiecombinaties op verschillende afstanden variërend van 0 tot 200 centimeter. (…)