Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5617

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
08/041689-15 (2)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift. Klager heeft een lichtmast gekocht die gestolen bleek te zijn. Het OM is nu voornemens om de lichtmast terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar. Klager stelt een sterker recht te hebben op de lichtmast dan de oorspronkelijke eigenaar omdat hij de lichtmast te goeder trouw heeft gekocht.

De raadkamer is van oordeel dat klager geen aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW en verklaart het klaagschrift ongegrond.

Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2015:5616.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/041689-15

Klaagschriftnummer: 15/5951

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het klaagschrift, op grond van artikel 552a Sv van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , aan de [adres] ,

verder te noemen: klager.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift, gedateerd 28 oktober 2015, is op 28 oktober 2015 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens klager, door mr. G. Abbink, juridisch adviseur te Enschede. Het beslag is onder klager gelegd en hij stelt eigenaar te zijn van het beslag.

Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een Cube Tower Light, kleur geel, serienummer [serienummer] .

Zakelijk weergegeven wordt geklaagd over het per brief van 15 oktober 2015 aangekondigde voornemen van de officier van justitie om, in afwijking van de hoofdregel van artikel 116 Sv, het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene, (de klager) te doen teruggeven, te weten aan [belanghebbende] .

Het klaagschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 9 december 2015.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie, klager en de belanghebbende [belanghebbende] , vertegenwoordigd door dhr. [vertegenwoordiger belanghebbende] en bijgestaan door zijn raadsman mr. E. Dekker, gehoord.

De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde strafdossier van de (aanvankelijke) strafzaak tegen klager [klager] voornoemd, naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Overigens is klager door de politierechter in Almelo op 14 september 2015 vrijgesproken ter zake van heling c.q. schuldheling van de lichtmast.

De raadkamer heeft ook kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het op 30 november 2015 ingekomen klaagschrift van [belanghebbende] , strekkende tot teruggave aan haar van het onderhavige beslag, en

  • -

    een ongedateerde schriftelijke reactie van de officier van justitie op het klaagschrift van klager.

2 De standpunten van klager, de belanghebbende en de officier van justitie

Klager maakt bezwaar tegen het voornemen van de officier van justitie om het onderhavige beslag (kort omschreven: een lichtmast) aan [belanghebbende] (hierna ook: [belanghebbende] ) terug te geven. Klager stelt dat hij een sterker recht heeft aangezien hij de lichtmast gekocht heeft van iemand – ene [betrokkene] - die een metaalhandel had en dus handelde vanuit zijn reguliere bedrijfsvoering, terwijl de lichtmast tegen een normale prijs is aangeboden. Klager was te goeder trouw en genoot daarom de bescherming van artikel 3:86 lid 1 jo 3:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. De belangen van strafvordering verzetten zich niet langer tegen teruggave en belanghebbende [belanghebbende] kan redelijkerwijs als rechthebbende op de lichtmast worden aangemerkt nu onomstreden is dat de lichtmast aan [belanghebbende] toebehoorde toen deze werd gestolen. [klager] kan zich niet beroepen op de uitzondering vervat in art. 3:86 lid 3 sub a BW. Dat geldt te meer nu alle stickers en andere kenmerkende gegevens van [belanghebbende] op de lichtmast waren weggekrast en bovendien ook het slot was geforceerd. [klager] kan niet gelden als koper te goeder trouw met de daaraan verbonden aanspraken op eigendomsbescherming.

Het standpunt van de belanghebbende luidt samengevat dat zij ( [belanghebbende] ) de oorspronkelijke eigenaar is van de lichtmast, waarvan zij het bezit immers door diefstal op of omstreeks 2 februari 2015 heeft verloren. Klager [klager] kan niet met succes een beroep doen op de in artikel 3:86 lid 3 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde uitzondering, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat klager een verkrijger te goeder trouw is. Aan de in genoemd artikel gestelde eisen is niet voldaan omdat klager niet als natuurlijk persoon de lichtmast heeft gekocht, terwijl de vervreemder [betrokkene] uitsluitend handelde in metaal en [betrokkene] de lichtmast niet heeft verkocht in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.

4 De ontvankelijkheid

Het klaagschrift is ontvankelijk.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Maatstaf

De officier van justitie heeft gesteld dat het belang van strafvordering bij het voortduren van het beslag niet langer aanwezig is zodat toetsing aan de toepasselijke maatstaf achterwege kan blijven. Bovendien is de strafzaak tegen klager inmiddels definitief geëindigd met de onherroepelijke vrijspraak op 14 september 2015 waarbij overigens verzuimd is een beslissing te nemen over het beslag. Volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv wordt het inbeslaggenomen voorwerp dan teruggegeven aan de degene onder wie het inbeslaggenomen is. De lichtmast is op 2 maart 2015 onder klager inbeslaggenomen en klager claimt eigenaar te zijn van die lichtmast. Vast staat dat de lichtmast toebehoorde aan [belanghebbende] en op omstreeks 2 februari 2015 is gestolen. Het beklag richt zich tegen het voornemen van de officier van justitie om, in afwijking van de hoofdregel van artikel 116 Sv, het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan klager te doen teruggeven, te weten: [belanghebbende] . In zo een geval dient de rechter in overeenstemming met die hoofdregel de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.

Feiten en omstandigheden

Op 2 februari 2015 is namens [belanghebbende] aangifte van diefstal gedaan van de onderhavige lichtmast. Nadat de lichtmast werd aangeboden op Marktplaats is klager op 2 maart 2015 aangehouden als verdachte van schuldheling. Hij is hiervoor door de politierechter in de rechtbank Overijssel op 14 september 2015 vrijgesproken. De officier van justitie heeft per brief van 15 oktober aangegeven voornemens te zijn de lichtmast aan [belanghebbende] terug te geven.

Overwegingen

De officier van justitie heeft gesteld dat het belang van strafvordering bij het voortduren van het beslag niet langer aanwezig is. Volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv wordt het inbeslaggenomen voorwerp dan teruggegeven aan degene onder wie het inbeslaggenomen is. De lichtmast is op 2 maart 2015 onder [klager] inbeslaggenomen en [klager] claimt eigenaar te zijn van die lichtmast. Vast staat dat de lichtmast toebehoorde aan [belanghebbende] en op omstreeks 2 februari 2015 is gestolen. De raadkamer dient de vraag te beantwoorden of teruggave in dit geval volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv moet plaatsvinden aan [klager] als degene onder wie de lichtmast inbeslaggenomen is ofwel dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en om die reden teruggave aan [belanghebbende] moet worden gelast overeenkomstig het voornemen van de officier van justitie.

Uit artikel 3:86 lid 3 BW volgt dat de (oorspronkelijke) eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen vanaf de dag van diefstal, als zijn eigendom kan opeisen. In beginsel dient een gestolen goed te worden geretourneerd aan de oorspronkelijke eigenaar, tenzij de koper van het gestolen goed te goeder trouw is. Dat is het geval indien koper – zijnde in dit geval klager [klager] – zich kan beroepen op de in artikel 3:86 lid 3 sub a BW genoemde voorwaarden, zakelijk weergegeven inhoudende dat [klager] de lichtmast als natuurlijk persoon heeft gekocht, [betrokkene] (zijnde de verkoper) van het verhandelen van lichtmasten zijn bedrijf heeft gemaakt, [betrokkene] op het moment van de verkoop handelde in de normale uitoefening van zijn bedrijf en zijn bedrijf uitoefende in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.

Uit een door [belanghebbende] overgelegd uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene] een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen exploiteert en dat deze onderneming vanuit een woning – en dus niet in een bedrijfsruimte – werd gedreven. Voorts heeft klager [klager] verklaard dat hij een inkomen genereert uit de verhuur van aggregaten en lichtmasten en staat vast dat [klager] de lichtmast wilde verhuren. De stelling van klager dat hij de lichtmast voor privé-doeleinden had aangeschaft, is niet onderbouwd en gelet op zijn eigen verklaring en op hetgeen uit het onderzoek naar voren is gekomen, niet geloofwaardig en niet aannemelijk.

De raadkamer is dan ook van oordeel dat klager geen aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Het is voorts onomstreden dat [belanghebbende] was van de lichtmast en deze lichtmast door diefstal heeft verloren. [belanghebbende] kan dan ook worden aangemerkt als rechthebbende van de inbeslaggenomen lichtmast. Om die reden dient het klaagschrift van klager ongegrond verklaard te worden.

6 De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.