Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5457

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
C/08/163477 / HA ZA 14-525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Revindicatie. Retentierecht.

De door eiser gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar, in de zin dat eiser gerechtigd wordt geacht de vier paarden met bijbehorende paspoorten te revindiceren. Het gevorderde gebod tot in bezitstelling aan eiser wordt, gezien hetgeen in reconventie zal worden beslist, gekoppeld aan voldoening van de vordering van eiser in reconventie in het kader van het retentierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/163477 / HA ZA 14-525

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

[X] ,

wonende te [woonplaats 1] , [land 1] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

verder te noemen [X] ,

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Tilburg,

tegen

[Y] , laatst wonende te [woonplaats 2] , [land 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

verder te noemen [Y] ,

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo.

Procesverloop

Na het wijzen van het incidentele vonnis van 14 oktober 2015 hebben partijen vervolgens vonnis in de hoofdzaak verzocht.

De verdere beoordeling van het geschil en de gronden van de beslissing

In conventie en reconventie

1. De rechtbank acht alhier ingelast en herhaald hetgeen in het vonnis van 14 oktober 2015 omtrent de procedure, de feiten en de vorderingen in dit geschil in hoofdzaak is overwogen c.q. vastgesteld en/of beslist.

De beoordeling

Toepasselijk recht

Overeenkomst(en) [A] (c.q. [X] )/ [Y]
2. Voor de beoordeling van de respectieve vorderingen van [X] en [Y] is allereerst van belang de (tot standkoming van de) tussen [A] , de vader van [X] , en [Y] in 2009 gesloten overeenkomst van opdracht tot verzorging, training, deelname aan wedstrijden etc. door [Y] van een aantal paarden van [A] in diens stal Old Lodge in Hickstead, [land 2] respectievelijk in het verlengde daarvan de (contractuele) verhouding tussen [X] en [Y] .

3. Door partijen is geen rechtskeuze gedaan.
Derhalve zal de rechtbank het toepasselijke recht vaststellen.

4. Daartoe acht de rechtbank van belang:
a. De overeenkomst is volgens [A] mondeling in Ryad te Saoedi-Arabië gesloten en volgens [Y] in Fontainebleau te Frankrijk.
b. Partijen bezitten beiden de nationaliteit van Saoedi-Arabië.
c. [A] woont in Ryad. [Y] woont, althans woonde op dat moment in [woonplaats 2] , [land 2] .
d. De uitvoering van de overeenkomst diende door [Y] (voornamelijk) plaats te vinden in Hickstead, Verenigd Koninkrijk, alwaar de stal van [A] was gelegen en ook de administratieve be- en afhandeling van de overeenkomst plaatsvond.

5. Gezien de aard en strekking van deze overeenkomst van opdracht en de woonplaats van [Y] tevens zijnde de plaats van uitvoering door [Y] als opdrachtnemer, ziet de rechtbank aanleiding op die overeenkomst(en) het Engelse recht toe te passen.

Retentierecht
6. Ten aanzien van het door [Y] tegenover [X] en [A] hier te lande ingeroepen retentierecht op de door hem naar Nederland getransporteerde paarden, geldt dat het bestaan en inhoud daarvan naar het recht, toepasselijk op de hiervoor genoemde overeenkomst, derhalve naar het Engelse recht te beoordelen is en voorts het Nederlandse recht bepaalt in hoeverre dat retentierecht alhier geldend kan worden gemaakt1.

Schenking [A] / [X]
7. Inzake de eigendomsvraag van de paarden speelt de schenking door [A] van die paarden aan zijn zoon [X] , die is naar het recht van Saoedi-Arabië te beoordelen.

De vorderingen
8. De rechtbank ziet aanleiding van de op zich samenhangende vorderingen om de conventionele vordering eerst te behandelen.

Conventie
9. De primaire vordering van [X] strekt tot revindicatie van de paarden.
[X] legt daaraan ten grondslag dat de paarden hem in eigendom toebehoren.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat de paarden Sawyer l’Enchante, Gucci van het Costerveld, Carat en Gracefull W. zijn gekocht op door FENCES georganiseerde veilingen in Frankrijk in 2009 en 2010, alwaar [X] niet aanwezig was.
Op grond van de overgelegde stukken2 blijkt dat die paarden door dan wel namens [A] zijn gekocht en [A] mitsdien in dat kader als (verkrijgende) eigenaar dient te worden aangemerkt.
[X] legitimeert zijn revindicatie-actie op het feit dat hij de betrokken paarden van zijn vader, [A] , in 2009 en 2010 geschonken heeft gekregen en derhalve (thans) daarvan eigenaar is.
Toelichtend stelt [X] dat een dergelijke schenking binnen de (uitgebreide koninklijke)familie in Saoedi-Arabië volstrekt gebruikelijk is en schriftelijke vastlegging niet pleegt plaats te vinden.
Ten behoeve van het eerder gevoerde kort geding is die schenking schriftelijk bevestigd3 door [X] en [A] tezamen.
Daaruit blijkt dat de (eigendom van die) paarden op het moment van aankoop door/voor [A] direct aan [X] zijn geschonken.
Gezien deze tweezijdige verklaring acht de rechtbank [X] (in voldoende mate) als eigenaar gelegitimeerd om -in principe- uit dien hoofde de onderhavige actie tot revindicatie tegen [Y] in te stellen.

Cougar III
11. Ten aanzien van de in beslag genomen paarden dient ten opzichte van het voorgaande een uitzondering gemaakt te worden voor het paard Cougar III.
Te dien aanzien ontbreekt in deze procedure elk document op grond waarvan enige aanspraak van [A] , laat staan [X] , als eigenaar van Cougar III zou moeten worden aangenomen.
[Y] heeft daarentegen een aankoopbewijs4 overgelegd waaruit blijkt dat een paard met de naam Cougar (niet helemaal duidelijk is het of het hier gaat om Cougar III) op 31 oktober 2009 is gekocht door [D] .
[Y] heeft daarbij overgelegd een factuur, gedateerd 21 december 2009 van die [D] aan [Y] ter hoogte van de halve koopprijs van Cougar ad € 14.000,--, zulks wil echter nog niet zeggen, dat [Y] dan mede-eigenaar van Cougar zou zijn geworden.
Gezien de voorliggende (revindicatie)vordering van [X] ziet de rechtbank geen aanleiding deze kwestie in deze procedure verder te onderzoeken, nu [X] geen eigendomsrecht op Cougar III zal worden toegekend.

Reconventie

12. De vordering van [Y] op [A] ziet op de door [Y] gemaakte kosten en geclaimde vergoedingen in het kader van de opdrachtovereenkomst met name over de jaren 2012, 2013 en 2014 (tot 15 juli) ten bedrage van € 261.890,89 in hoofdsom5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat [A] op relevante wijze tijdig enig bezwaar heeft gemaakt tegen de door [Y] gepresenteerde facturen en/of daarin besloten kosten, die overigens veelal door [Y] voorgeschoten kosten van ingeschakelde derden (als b.v. grooms en dierenarts) betroffen en heeft [A] eerst nadat de onderhavige procedure tot volle omvang was gerezen, bemerkingen omtrent de (wijze van) uitvoering van de opdracht door [Y] gemaakt6.

13. De rechtbank acht zulks in het kader van deze procedure tussen [X] en [Y] in ieder geval tardief in die zin dat voor de beoordeling van het door [Y] ingeroepen retentierecht (ook de hoogte per 15 juli 2014 van) de vordering van [Y] per 15 juli 2014 in deze procedure in voldoende mate vaststaat.
Die bedraagt GBP 196.979,39 dat overeenkomt met € 279.542,17 (0,70465 per 24/11/2015).
Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [X] , juist omdat hij zich als eigenaar van die paarden beschouwt, ook zijnerzijds een eigen verplichting heeft zorg te dragen voor (de bekostiging van) het onderhoud en verzorging etc. van zijn paarden en zich niet achter zijn vader [A] kan en mag verschuilen als die bekostiging niet volstrekt “in orde” is, zeker als hij, zoals in dit geval, op de hoogte is van het niet-betaald zijn van [Y] in bovengenoemde zin.

14. Zulks betekent dat aan [Y] uit hoofde van de door hem met [A] gesloten overeenkomst een retentierecht kan toekomen ter zake van diens hiervoor onder (12.) geformuleerde vorderingen op de onder (10.) genoemde paarden van [X] .

15. Inzake het voorgaande overweegt de rechtbank, dat het haar ambtshalve bekend is dat (ook) naar Engels recht door [Y] ter zake van de door hem gemaakte kosten een retentierecht is uit te oefenen op het “zorg-object”, voornoemde paarden van [X] , waaraan dat recht kleeft, in principe ongeacht waar die paarden op het moment van inroepen van het retentierecht zich bevinden.
Het betoog van [X] dat het transport door [Y] van die paarden naar Nederland onrechtmatig tegenover [X] is te achten en dienvolgens de mogelijkheid van het uitoefenen door hem van het retentierecht vervallen is, ziet voorbij aan het feit dat de uitvoering van de overeenkomst door [Y] niet (dwingend) beperkt was tot uitsluitend de Old Lodge te Hickstead, maar [Y] juist ook de verplichting had met die paarden op wedstrijden, zowel in Engeland als op het Continent uit te komen en daartoe geregeld “op pad” was met die paarden.
Dat de motieven voor deze reis en het onderhavige verblijf in Nederland in meer of mindere mate daarmede in overeenstemming zijn, betekent echter niet dat de mogelijkheid van uitoefening van het retentierecht zou zijn vervallen.

16. De omvang en wijze van uitoefening van het retentierecht wordt –als hiervoor overwogen-bepaald door het Nederlandse recht en met name beperkt door het feit dat in deze zaak het enige aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer het toevallige en tijdelijke verblijf van die paarden hier te lande is.

17. Het voorgaande houdt naar het oordeel van de rechtbank in, dat de omvang van het retentierecht zich beperkt tot de openstaande facturen/vordering van [Y] op [A] tot en met 15 juli 2014 groot GBP 196.979,39 met de daarover verschuldigde rente, maar zonder verdere kosten.
Dit houdt in dat het onder (I.) gevorderde dient te worden afgewezen, maar de onder (IV.) inmiddels onvoorwaardelijk gevorderde verklaring voor recht dat [Y] zich tot dat bedrag terecht op zijn retentierecht kan beroepen, kan worden toegewezen.

18. De vordering onder II. inzake de blessure die het paard Cougar onder de gerechtelijke bewaring zou hebben opgelopen, valt allereerst buiten dit bestek en zal bovendien door de rechthebbende eigenaar tegen die bewaarder geldend gemaakt moeten worden.
Ook de gevorderde ongedaan making van enige melding aan overkoepelende ruiterorganisaties c.a. zullen in deze procedure niet aan de orde komen.
Evenmin komt de vordering onder (V.) wegens ongerechtvaardigde verrijking in deze aan de orde.

Voorts in conventie

19. Ten aanzien van de vorderingen van [X] heeft het tot nu toe overwogene tot gevolg, dat de onder (I.) gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is in de zin dat [X] gerechtigd wordt geacht de vier eerdergenoemde paarden met bijbehorende paspoorten te revindiceren.
Het onder (II.) gevorderde gebod tot in bezitstelling aan [X] wordt, gezien hetgeen in reconventie zal worden beslist, gekoppeld aan voldoening van de vordering van [Y] in het kader van het retentierecht.

20. De vordering onder (III.) uit hoofde van onrechtmatige daad en onder (IV.) voorschot op de schadevergoeding komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat zij allereerst buiten eerder gemeld bestek vallen en daarnaast in (direct) verband staan met de inhoud van de overeenkomst tussen [Y] en [A] , welke laatste in deze procedure geen partij is.

21. Omtrent de vordering onder (V.) overweegt de rechtbank dat die, voor zover ziende op proceskosten, hierna apart zal worden beoordeeld en voor zover de kosten van gerechtelijke bewaring en stallingskosten et cetera betreffend, niet zal worden toegewezen.
Dit allereerst op grond van de beslissing dat [Y] het retentierecht terecht tegenover [X] heeft ingeroepen, het terughouden van de paarden eenvoudig en snel te beëindigen was geweest door het voldoen aan [Y] van de betrokken vordering dan wel het stellen van vervangende zekerheid, waartoe [X] echter niet bereid is geweest en -tot slot- de kosten van verblijf van de paarden als zodanig door eigenaar [X] altijd gemaakt moeten worden, of dat nu hier in Nederland of in Engeland zou zijn geweest, terwijl niet althans in onvoldoende mate is gesteld dat het verschil (in prijs) daartussen relevant is.


In conventie en reconventie
22. Omtrent de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat zowel [X] als [Y] gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld en uit dien hoofde er aanleiding is om die proceskosten tussen hen te compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:
I. Verklaart voor recht dat [X] gerechtigd is de door [Y] in beslag genomen paarden, Sawyer l’Enchante, Gucci van het Costerveld, Carat en Gracefull W., als zijn eigendom op te vorderen.

II. Gebiedt [Y] om binnen 24 uur nadat hem het bedrag van GBP 196.979,39 of tegenwaarde daarvan in Euro, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2015, zal zijn voldaan zodanig dat hij daarvoor kwijting heeft moeten geven, die vier paarden met bijbehorende paspoorten aan [X] feitelijk in bezit te stellen zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 25.000,-- voor elke dag dat [Y] daarmede in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 250.000,--.

In reconventie:
III. Verklaart voor recht dat [Y] gerechtigd is tegenover [X] het recht van retentie uit te oefenen voor een bedrag van GBP 196.979,39 vermeerderd met wettelijke rente op de door hem in beslag genomen paarden van [X] , te weten Sawyer l’Enchante, Gucci van het Costerveld, Carat en Gracefull W..

In conventie en reconventie:
IV. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

VI. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. van der Veer en op woensdag 25 november 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HR7 januari 2000, NJ 2001,406

2 productie 1 en 2 dagvaarding: verzamelfactuur van 9 september 2009 en de afzonderlijke facturen

3 productie 14 CvA rec

4 productie 26 CvA

5 productie 24 CvA

6 productie 45 CvA rec: brief 1 oktober 2014