Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5357

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
08/119279-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is een journalist die wordt verdacht van het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg toen hij verslag wilde doen van een ernstig verkeersongeluk op de A1.

De kantonrechter oordeelt dat de afleiding die de journalist kon veroorzaken voor het passerende verkeer niet zodanig is dat men kan spreken van hinder of gevaar. De kantonrechter spreekt hem daarom vrij van het ten laste gelegde.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/8 met annotatie van mr. W.H. Regterschot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Sector Kanton Almelo

Parketnummer : 08/119279-15

Volgnummer : 1

Uitspraak : 7 december 2015

De kantonrechter te Enschede heeft het volgende schriftelijk vonnis gewezen in de strafzaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats]

wonende aan het [adres] te [woonplaats] ,

De kantonrechter te Enschede;

gezien de in het strafdossier aanwezige stukken;

gelet op het onderzoek ter openbare terechtzitting van 23 november 2015

gehoord de officier van justitie in zijn vordering;

gelet op hetgeen door de verdachte en zijn raadsman ter verdediging is aangevoerd;

Overweegt:

Aan betrokkene is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 februari 2015 te Rijssen, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto, te weten een Nissan Quashquai voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de (snel)weg, de A1, komende uit de richting Amsterdam en gaande in de richting van Hengelo (Overijssel), in strijd met artikel 43 lid 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, ter hoogte van hectometerpaal 120.8, de vluchtstrook is opgereden, vervolgens de naast gelegen berm is ingereden en vervolgens de door hem bestuurde auto in de berm tot stilstand heeft gebracht, waarna hij vervolgens uit zijn auto is gestapt en zich naast zijn auto en/of in de berm en/of op de vluchtstrook heeft bewogen, zulks terwijl er op de rijbaan voor het verkeer komende uit de richting Hengelo (Overijsel) en gaande in de richting van Amsterdam een dodelijk ongeval had plaatsgevonden en de

hulpdiensten aldaar bezig waren, en terwijl er over de rijbaan waarlangs verdachte zich bevond, veel, althans meerdere voertuigen (met hoge snelheid) reden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

De officieer van justitie heeft uit de verklaringen in het dossier de conclusie getrokken dat gevaar op de weg kon ontstaan door de gedragingen van verdachte en hij heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en oplegging van een geldboete van € 250.

De raadsman heeft gesteld dat er feitelijk geen gevaar op de weg was veroorzaakt. Hij heeft de vrijspraak van verdachte van het tenlastegelegde bepleit. Verdachte heeft zich daarbij aangesloten.

De kantonrechter stelt op grond van de beelden die hij ter zitting heeft afgespeeld en waargenomen en uit hetgeen is neergelegd in de drie processen-verbaal van brigadier van politie [verbalisant 1] en de hoofdagent [verbalisant 2] , brigadier [verbalisant 3] en inspecteur van politie [verbalisant 4] de volgende feiten vast:

Op woensdag 4 februari 2015, omstreeks 10.52 uur, had er op de autosnelweg A1 links, de rijrichting van Hengelo naar Amsterdam, ter hoogte van hectometerpaal 120.8, in Rijssen, binnen de gemeente Rijssen-Holten, een aanrijding plaatsgevonden. Eén persoon is daarbij overleden. Meerdere vrachtwagens waren erbij betrokken. Veel voertuigen van de politie, brandweer, ambulancedienst, Rijkswaterstaat, takeldiensten en van andere betrokken hulpverleners waren op het voor deze zaak relevante moment ter plaatse. Er was een COPI ingericht, naar de kantonrechter veronderstelt was dat de ter plaatse gebrachte rode 40voets-werkcontainer van de brandweer van waaruit de activiteiten van verschillende hulpverlenende instanties worden gecoördineerd en die op de beelden op een rijbaan van de snelweg staand, te zien is. Het bij de hulpdiensten behorende personeel was op het voor deze zaak relevante moment druk doende met zijn werkzaamheden op allerlei posities langs en op de rijbanen van de A1 links. Het verkeer op die rijbaan was toen geheel of in belangrijke mate geblokkeerd. Blauwe, rode en gele zwaailichten werden door zeker tien voertuigen gevoerd. De omvang van de situatie met tenminste drie betrokken vrachtwagens en het forse aantal hulpverlenende al of niet zwaailicht voerende voertuigen van hulpverleners leverde al met al een groot spektakel op. Uit de beelden van RTV Gelderland blijkt dat het verkeer in de andere richting (op een zeker moment) niet sneller dan 40 à 50 km per uur langs die aandachttrekkende situatie reed.

Op dezelfde hoogte van die autosnelweg A1 maar dan op de rechterrijbaan was verdachte aan komen rijden. Hij heeft zijn auto in de berm geparkeerd, aan de rechter zijde van een daar langs de vluchtstrook staande vangrail, daar waar de snelweg twee rijstroken en een vluchtstrook telt, op enkele meters van die vangrail en vluchtstrook vandaan. Hijzelf staat met een gekleurd hesje ook in de berm.

Wat de kantonrechter niet vaststelt, omdat hij daarover twijfel heeft, is de tekst tussen haakjes “(met hoge snelheid)” uit de tenlastelegging, kennelijk ontleend aan wat de verbalisant [verbalisant 5] in zijn proces-verbaal stelt, te weten dat de A1 aan de zijde van verdachte “gewoon werd bereden”. Dat is gelet op de algemene ervaring van iedereen die langs zwaardere ongevallen op een autosnelweg heeft gereden, volstrekt onwaarschijnlijk, in tegenspraak met wat verdachte erover zegt en overigens ook in strijd met wat uit de beelden is gebleken, zij het dat die beelden niet noodzakelijk van het relevante moment zijn. De rechter zal er in deze situatie in het voordeel van verdachte vanuit gaan dat er op zijn weghelft, ten opzichte van de normale snelheid, met ernstig gematigde snelheid werd gereden. Van die woorden tussen haakjes moet in elk geval partieel vrijgesproken worden.

Evenmin is door wettige bewijsmiddelen gebleken dat verdachte zich ophield op de vluchtstrook, anders dan nadat hij was aangehouden door [verbalisant 5] die hem daarnaartoe bracht en die zichzelf daarop wel ophield en zijn motorfiets daarop ook had geparkeerd. Ook van deze woorden moet dus partieel vrijgesproken worden.

Wat de kantonrechter verder moet vaststellen is niet of er hinder of gevaar is ontstaan maar of die hinder of gevaar kón ontstaan. Werd hinder of gevaar veroorzaakt is de vraag, niet of hinder of gevaar zich ook op enige manier heeft gemanifesteerd. Dat is volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het criterium.

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 luidt:

“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”

De kantonrechter haalt aan een passage uit de Conclusie van de PG van 3 juni 2014, (www.rechtspraak.nl ECLI:NL:PHR:2014:1468), waarbij de kantonrechter opmerkt dat de berm van de weg volgens artikel 1 WVW 1994 van die weg deel uitmaakt:

“Deze bepaling ziet volgens de memorie van toelichting in beginsel op ieder gedrag dat invloed heeft op de veiligheid en de vrijheid van het verkeer op de weg. Ook tegen gedrag buiten de weg, waarvan men kan weten dat dit tot gevaarlijke situaties op de weg leidt of kan leiden, kan door middel van dit artikel worden opgetreden. Het voorbeeld dat [in de memorie van toelichting] wordt gegeven is het verbranden van hooi in een aan een drukke weg liggend weiland, waarbij een dichte rook het zicht ter plaatste ernstig beperkt. Het is overigens niet de bedoeling dat deze strafbepaling op iedere vorm van hinder wordt toegepast. De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar aan te pakken.”

De kantonrechter merkt op dat met name deze laatste zin van belang is. Immers, elke losgelaten vogel of ballon, elk groepje zwaaiende kinderen op een viaduct, elk reclamebord van een fastfoodketen in de berm, elk mens of dier in een naastgelegen weiland, ja in wezen ook elke andere medeweggebruiker trekt enigszins de aandacht en kan dus hinder of gevaar veroorzaken. Het gaat erom dat het gevaar of de hinder een bepaalde drempel overschrijdt. Bovendien moet er een voldoende causaliteit zijn, een voldoende oorzaak- en gevolgrelatie, tussen de gedraging en de hinder en het gevaar.

Wat blijkt nu uit het dossier?

[verbalisant 1] relateert dat het parkeren in de berm alsmede de aanwezigheid van de bestuurder een gevaarlijke situatie opleverde. Waarom zegt hij niet.

Verbalisant [verbalisant 4] relateert dat hij bij een personenauto in de berm een man ziet die een blauw hesje aantrok. Hij werd op dat moment aangesproken door de officier van dienst van Rijkswaterstaat die ”mij attent maakte op een manspersoon aan de overkant in de berm en de levensgevaarlijke situatie die dat met zich meebracht en dat hij dit niet wilde hebben. Doordat het verkeer op de rijbaan waar deze man zich in de berm bevond nagenoeg allemaal ook haar aandacht op het ongeval op de andere rijbaan richten maakten meerdere auto’s slingerbewegingen waarbij men ook gebruik maakte van de vluchtstrook.”

[verbalisant 5] hoort van de inspecteur [verbalisant 4] “dat een journalist langs de andere rijbaan gevaarlijk stond en niet wilde vertrekken.”[…] “Ook diverse brandweermensen in uniform gebaarden middels handgebaren en aanroepen dat hij daar weg moest gaan” [verbalisant 5] schrijft dat hij als hij reeds had gezien “dat erg veel bestuurders niet opletten doordat zij zich kennelijk lieten afleiden door het ernstige ongeval aan de andere kant van de middenvangrail. Tevens waren genoemde collega Bert [verbalisant 4] en ik van mening dat een journalist direct naast de vangrail ook weer zou zorgen voor afleiding van het rijdende verkeer aldaar. De journalist had aan de andere kant, die van het ongeval, voldoende gelegenheid om daar veilig zijn werk te kunnen doen.

[verbalisant 5] heeft nadat hij met zijn motorfiets ter plaatse was gegaan en toen verdachte op herhaald verzoek niet snel leek te willen vertrekken “op enig moment uit emotie op niet mis te verstane wijze geroepen ‘en nu opdonderen’. Ik vond het een schril contrast dat ik zojuist geconfronteerd was met het uiterst trieste overlijden van een 21 jarige vrachtwagenchauffeur welke inmiddels werd afgeschermd door hekwerken en dat de journalist het kennelijk nodig vond deze situatie op de spits te drijven.[..] Ik heb hem beetgepakt en geboeid omdat ik niet wist hoe de journalist zou reageren op zijn aanhouding.”

[verbalisant 5] : “Ik heb gedurende mijn bijna vijftienjarig dienstverband nog nooit problemen gehad met journalisten en begrijp altijd dat het hun nieuwsgaring en dus inkomsten zijn. Ik betreur het uiterst dat een dergelijke onderlinge verstandhouding door deze journalist op deze manier verstoord wordt.”

Welk gevaar verdachte nu concreet lijkt te veroorzaken, anders dan dat verkeer ook door verdachte en zijn auto kon worden afgeleid, wordt niet duidelijk.

Wat heel duidelijk is, is dat het verkeer totaal wordt afgeleid door de situatie op de linker rijbaan. Het ligt voor de hand dat de snelheid daarom lager is. Daardoor is meteen het gevaar of de hinder die uitgaat van betrokkene geringer. Men gaat zelfs af en toe over de vluchtstrook. Maar daar bevindt zich verdachte niet. De afleiding die verdachte eventueel veroorzaakt door in de rechterberm te staan met zijn auto is naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf genomen en ook in het totaal van afleidende factoren bezien zodanig gering, althans het tegendeel blijkt niet en ligt ook niet naar algemene ervaring als aannemelijk voor de hand, dat de kantonrechter van oordeel is dat verdachte’s gedragingen niet de drempel overschreden zodanig dat die met voldoende causaliteit een hinder of gevaar veroorzaakten zoals bedoeld in artikel 5 WVW 1994.

Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Ongevallen als dat op 4 februari 2015 wekken bij alle betrokkenen emoties op. Dat is menselijk. Ieder van de aanwezigen ter plaatse heeft bij een ongeluk zijn eigen professionele en belangrijke taak. Dat geldt echter ook voor de pers. Het is van belang dat ieder op een ongevalslocatie zijn taak kan doen, zelf invult hoe hij dat doet en dat men respect heeft voor elkaar. De kantonrechter kan zich gelet op de opmerking van de verbalisant met zijn besef van het belang van nieuwsgaring als inkomstenbron, gelet op de brandweermannen die iets van de aanwezigheid van de journalist in de berm vinden, en gelet op uiteindelijk de aanhouding en in de boeien slaan van verdachte, niet aan de indruk onttrekken dat het respect voor de journalist en het belang van nieuwsgaring anders dan als inkomstenbron van journalisten bij meerdere in de processen-verbaal voorkomende personen ver te zoeken was en dat meerderen van hen zich zonder noodzaak van hun belangrijke werk lieten afleiden door verdachte. Daarmee was niet de verkeersveiligheid maar een heel ander belang in geding.

Hoe dat laatste ook zij, gelet op het niet bewezen zijn van het kernbestanddeel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.

Rechtdoende:

Spreekt verdachte van de tenlastegelegde gedraging vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en op 7 december 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de H.S. Seuters, griffier.