Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5325

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
ak_14_1600_14_2248_14_3260
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag directeur openbare basisschool; van een verstoorde arbeidsrelatie naar oordeel rechtbank geen sprake; voorts onbekwaamheid voor de functie niet aangetoond; beroep gegrond; besluit in stand gelaten tegen beter weten in; rechtbank wijkt af van forfaitair systeem Besluit proceskosten bestuursrecht en kent proceskosten toe ten bedrage van € 20.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/630
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

Zaaknummers 14/1600, 14/2248 en 14/3260

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] te Aadorp, eiseres,

gemachtigde: mr. N Boerman-Bove,

en

Stichting Openbaar Primair Onderwijs Almelo (OPOA), verweerder,

gemachtigde: mr. A.E.M. Boogerman.

Procesverloop

Bij primair besluit van 19 februari 2014 heeft verweerder eiseres bij wijze van ordemaatregel geschorst. Bij primair besluit van 15 mei 2014 heeft verweerder die schorsing verlengd. Bij primair besluit van 17 juli 2014 heeft verweerder eiseres ingaande 1 augustus 2014 ontslag verleend.

Bij besluiten van 21 mei 2014, 8 juli 2014 en 20 november 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. De beroepen zijn onderzocht ter zitting van 16 juni 2015, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door J. Gerrits en A. Kraak.

Na sluiting van het onderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld om met elkaar in mediation een alternatieve oplossing van de geschillen te bereiken. Partijen zijn daarin niet geslaagd.

Overwegingen

1.1

Eiseres is per 1 augustus 2012 aangesteld als directeur van openbare basisschool [naam school] te Almelo. Omstreeks april 2013 is er een probleem ontstaan over een door haar aan een leerkracht gegeven verbod om te communiceren met een lid van de Medezeggenschapsraad (MR), tevens de ouder van een leerling op [naam school] (verder: [naam 2] ). Dit probleem heeft er op enig moment toe geleid dat eiseres in conflict is geraakt met de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur van OPOA, [voorletters] . [naam 4] (verder: [naam 4] ). Na een kortstondige ziekte van 2 tot 5 december 2013 is eiseres door [naam 4] naar huis gestuurd.

1.2

Op 19 februari 2014 heeft verweerder besloten eiseres bij wijze van ordemaatregel voor een periode van maximaal drie maanden tot en met 20 mei 2014 met behoud van salaris:

- te schorsen in haar functie,

- vrij te stellen van werk,

- de toegang tot [naam school] en het computernetwerk van OPOA te ontzeggen, en

- contacten met ouders en ouder- en personeelsgeledingen binnen OPOA en [naam school] te verbieden.

Bij het bestreden besluit van 21 mei 2014 (verder: schorsingsbesluit) heeft verweerder het bezwaar tegen die schorsing ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen, dat

  • -

    de terugkeer van eiseres als directeur van [naam school] niet tot de mogelijkheden behoort, omdat het team geen vertrouwen in eiseres heeft en een impasse is ontstaan over het vinden van een alternatieve oplossing;

  • -

    verweerder het verzoek van eiseres om rust heeft opgevat als een verzoek om vrijstelling van haar werkzaamheden;

  • -

    een schorsing als ordemaatregel niet diffamerend is.

In haar beroepschrift tegen het schorsingsbesluit (procedure 14/1600) vordert eiseres de opheffing van de schorsing en haar rehabilitatie. Zij stelt daartoe – kort samengevat – dat de schorsing berust op de aanname dat zij in haar functioneren tekort schiet, doch dat niet wordt weergegeven welke tekortkomingen dat zijn en dat daarvan geen concreet bewijs wordt geleverd. De verslagen van de gesprekken kunnen als zodanig niet dienen, nu deze volgens eiseres geen reële weergave zijn van de werkelijkheid. Bovendien heeft verweerder eiseres geen verbetertraject gegund.

Nu eiseres in haar beroepschrift geen gronden aanvoert ten aanzien van de vrijstelling van haar werk, het toegangsverbod en het contactverbod, laat de rechtbank die bij de beoordeling van het schorsingsbesluit buiten beoordeling.

1.3

Op 15 mei 2014 heeft verweerder de eerder opgelegde schorsing verlengd tot en met 19 augustus 2014. In aanvulling op de overwegingen die ten grondslag zijn gelegd aan verweerders besluit van 19 februari 2014, heeft verweerder overwogen dat:

  • -

    het ondanks de met eiseres gevoerde gesprekken niet gelukt is om een passende (niet: haar terugkeer als directeur) oplossing te vinden,

  • -

    dat het aanbieden van een verbetertraject geen optie is, nu voor een terugkeer van eiseres onvoldoende draagvlak bij het team en [naam 4] bestaat,

  • -

    van een onjuiste belangenafweging of het ontbreken van concrete feiten waaruit bleek dat de onderwijskwaliteit onder de maat was, geen sprake is geweest, en

  • -

    de handelwijze van [naam 4] niet voortvloeit uit een (vooropgezette) bezuiniging.

Bij het bestreden besluit van 8 juli 2014 (verder: verlengingsbesluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de verlenging van de schorsing ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen, dat:

- terugkeer in de functie van directeur voor eiseres niet mogelijk is,

- de inbreng van eiseres over alternatieve oplossingen zeer eenzijdig is en dat eiseres over opties zoals die door [naam 4] worden aangedragen niet wil nadenken, en

- eiseres elk inzicht voor verhoudingen mist, als zij bij terugkeer een groot deel van het team wil vervangen.

In haar beroepschrift tegen het verlengingsbesluit (procedure 14/2248) heeft eiseres de vordering en de gronden, zoals aangevoerd tegen het schorsingsbesluit, herhaald.

1.4

Op 17 juli 2014 heeft verweerder besloten het dienstverband met eiseres ingaande 1 augustus 2014 te beëindigen.

Bij het bestreden besluit van 20 november 2014 (verder: het ontslagbesluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de beëindiging van het dienstverband ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen, dat:

  • -

    eiseres verantwoordelijk wordt gehouden voor achterstanden, de verstoorde samenwerking met het team en de als gevolg daarvan ontstane onvoldoende kwaliteit van het onderwijs op [naam school] in de loop van het schooljaar 2012-2013 en in de eerste helft van het schooljaar 2013-2014, in zodanige mate dat het bezoek van de Onderwijsinspectie diende te worden uitgesteld,

  • -

    een directeur te allen tijde op een professionele manier met ouders dient te kunnen omgaan; eiseres is op de gespannen verhouding met een van die ouders aangesproken door [naam 4] , maar daarin is geen verbetering gekomen,

  • -

    het functioneren van eiseres en het gebrek aan vertrouwen in haar bij het team zodanig zijn, dat een verbeterkans op een andere school binnen OPOA niet zinvol wordt geacht, en

  • -

    gesprekken met [naam 4] over een alternatieve functie tot niets hebben geleid, als gevolg waarvan inmiddels sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen eiseres en OPOA.

In haar beroepschrift tegen het ontslagbesluit (procedure 14/3260) vordert eiseres de vernietiging van het ontslagbesluit en het herstel van haar arbeidsovereenkomst door:

  • -

    primair: de onmiddellijke plaatsing in de functie van directeur op [naam school] , dan wel een andere OPOA-school,

  • -

    subsidiair: (indien onmiddellijke plaatsing onmogelijk is) tijdelijke plaatsing in een andere functie met zicht op de toekomstige plaatsing als directeur binnen OPOA,

  • -

    meer subsidiair: (indien herstel van de arbeidsovereenkomst onmogelijk is) eervol ontslag en een ontslagvergoeding.

Daarbij vordert zij volledige rehabilitatie, vrijwaring van verhalen binnen OPOA en in de media, en de vergoeding door OPOA van haar kosten van rechtskundige bijstand.

Daartoe voert eiseres – kort samengevat – aan dat verweerders conclusie dat in haar geval sprake zou zijn van ongeschiktheid dan wel onbekwaamheid, niet uit de stukken is gebleken noch door verweerder aannemelijk is gemaakt. Voorts betoogt eiseres dat zij op enig disfunctioneren niet door verweerder is gewezen en niet de kans heeft gekregen om zich daarin te verbeteren. Eiseres bestrijdt verder dat zij er de oorzaak van is dat de arbeidsrelatie met verweerder zou zijn verstoord, nu zij alles heeft gedaan wat door [naam 4] van haar werd verlangd, die verstoring niet eerder met haar is besproken dan bij het voornemen tot ontslag en door de opvolger van [naam 4] ( [naam 5] ) niet de mogelijkheid is aangegrepen om die belemmering alsnog weg te nemen.

2.1

Bij de beoordeling van de vraag of de bestreden besluiten in rechte in stand dienen te worden gelaten gaat de rechtbank uit van de voorschriften zoals die zijn gegeven in:

  • -

    de Collectieve Arbeidsovereenkomst Primair Onderwijs van 1 januari 2013 (verder: CAO PO 2013); en

  • -

    de Collectieve Arbeidsovereenkomst Primair Onderwijs van 1 juli 2014 (verder: CAO PO 2014-2015).

2.2

De bepalingen over de schorsing als ordemaatregel en de verlenging daarvan zijn in beide CAO’s gelijkluidend. Voor het schorsingsbesluit (CAO PO 2013) en verlengingsbesluit (CAO PO 2014-2015) gelden derhalve de volgende voorschriften.

Artikel 4.12 van de CAO PO 2014-2015:

1. De werknemer kan worden geschorst, indien het belang van de instelling dit dringend noodzakelijk vereist, voor een periode van maximaal vier weken, welke periode met maximaal vier weken kan worden verlengd.

2. Voordat tot schorsing als bedoeld in het eerste lid wordt overgegaan, wordt de werknemer in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Een besluit tot schorsing wordt vervolgens zo spoedig mogelijk daarna doch uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk aan de werknemer kenbaar gemaakt, waarbij de zienswijze van de werknemer in het schorsingsbesluit wordt opgenomen.

3. Gedurende de periode dat het besluit nog niet is bevestigd, kan de werknemer de toegang tot het gebouw en de terreinen van de instelling(en) worden ontzegd.

Artikel 4.13, aanhef en onder b van de CAO PO 2014-2015:

Onverminderd het bepaalde in artikel 4.12 kan de werknemer worden geschorst: in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen éénmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden.

Artikel 4.14, lid 2 van de CAO PO 2014-2015: De schorsing kan gepaard gaan met een ontzegging tot de toegang van het gebouw en de terreinen van de instelling(en).

2.3

Voor het ontslagbesluit gelden de voorschriften als gegeven in de CAO PO 2014-2015.

In artikel 4.7, aanhef en onder g en subsidiair onder k van de CAO PO 2014-2015 is bepaald dat de werknemer, met inachtneming van het in artikel 4.8 bepaalde, ontslag kan worden verleend:

g. wegens ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f;

k. op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

3.1

Volgens vaste rechtspraak (zie CRvB, 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3440) moet onbekwaamheid of ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren.

Verweerder stelt dat aan die criteria in het onderhavige geval is voldaan, omdat eiseres onjuist zou hebben gehandeld in de kwestie [naam 2] en heeft verzuimd er voor te zorgen dat het onderwijs op [naam school] op een voldoende kwalitatief niveau blijft.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet en oordeelt daartoe als volgt.

a. Disfunctioneren

De rechtbank laat in de eerste plaats wegen, dat eiseres – aanvankelijk als leerkracht en de laatste jaren als directeur – een lang arbeidsverleden in het basisonderwijs heeft. Uit de door eiseres in het geding gebrachte stukken leidt de rechtbank af, dat haar functioneren tot het moment waarop [naam 4] aantrad als voorzitter van het CvB geen reden vormde tot het nemen van verbeteringsmaatregelen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat [naam 4] in de periode daarna het gestelde disfunctioneren van eiseres niet binnen een formeel kader van functionerings- en beoordelingsgesprekken aan de orde heeft gesteld.

Daar waar zij het functioneren van eiseres tijdens informele gesprekken wel aan de orde heeft gesteld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende dat sprake was van disfunctioneren in de zin als hiervoor is gedefinieerd. Uit de managementrapportage van juni 2013 volgt immers dat eiseres goed heeft gehandeld in de kwestie [naam 2] en dat zij in de wijze waarop zij daarin heeft opgetreden door haar team wordt gesteund. Voorts blijkt daar geenszins uit dat de onderwijskwaliteit en de schoolontwikkeling niet de aandacht van eiseres hadden noch dat zich daarin een negatieve tendens manifesteerde die tot ingrijpen van haar had moeten leiden.

Niet eerder dan tijdens de bijeenkomst die [naam 4] met het team buiten aanwezigheid van eiseres heeft gehouden op 7 januari 2014, wordt het functioneren van eiseres ter discussie gesteld. In het gespreksverslag daarvan kan de rechtbank echter niet lezen dat eiseres op de haar door verweerder bij de bestreden besluiten verweten aspecten ernstig disfunctioneert. Weliswaar blijkt hieruit dat door het team op de wijze waarop eiseres intern communiceert en de eigen organisatie runt aanmerkingen worden gemaakt, doch die aanmerkingen zien nadrukkelijk niet op de kwestie [naam 2] of de kwaliteit van het onderwijs en worden ook niet door elk teamlid gedragen. Bovendien heeft eiseres zich op dat moment noch op een later moment tegenover het team kunnen verweren, hetgeen strijdig is te achten met het beginsel van hoor- en wederhoor.

Ook het gesprek van [naam 4] met eiseres op 14 januari 2014 gaat over de communicatie- en organisatieaspecten en niet specifiek over de aspecten die haar bij het ontslagbesluit worden verweten (de kwestie Geerding en de kwaliteit van het onderwijs).

Verder laat de rechtbank wegen, dat door de MR van [naam school] – gelet op hetgeen eiseres voor [naam school] heeft betekend – bij schrijven van haar voorzitter van 4 maart 2014 nadrukkelijk de wens wordt uitgesproken dat eiseres haar werkzaamheden als directeur op de school zo spoedig mogelijk hervat en dat de tekortkomingen binnen de school ten onrechte op haar worden afgewenteld.

Uit de rapportage van de Onderwijsinspectie in het dossier blijkt voorts, dat de inspectie na een tweetal vierjaarlijkse bezoeken in september 2009 en juni 2014 geen aanleiding ziet om het toezichtniveau voor [naam school] te verhogen. De inspectie acht de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van de wettelijke voorschriften op [naam school] bij beide inspecties op orde. Bij het bezoek in 2014 worden door de inspectie wel aandachtspunten geconstateerd inzake de onderwijskwaliteitszorg, maar die worden geplaatst in de context van het conflict tussen [naam 4] en eiseres. Ondermaats functioneren van de directeur wordt daarbij door de inspectie niet als risicofactor genoemd. Datzelfde geldt voor het interne onderzoek dat door een door [naam 4] ingestelde auditcommissie in 2014 is gedaan. Het functioneren van de directeur is daar nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten.

Verbeteren

De rechtbank is verder niet gebleken, dat eiseres door verweerder een reële kans is geboden om zich in het haar verweten disfunctioneren te verbeteren. Weliswaar geeft [naam 4] in het gesprek met eiseres op 14 januari 2014 aan dat op [naam school] onderwijskundig een slag moet worden gemaakt, echter zij stelt eiseres niet in de gelegenheid om die slag te maken, omdat zij eiseres niet terug wil op [naam school] .

Ook uit andere stukken kan de rechtbank niet afleiden dat [naam 4] met eiseres in een later stadium concrete afspraken heeft gemaakt die betrekking hebben op het verbeteren van haar vermeende disfunctioneren.

Daarmee is eiseres – voor zover de aanleiding daartoe al bestond – de kans onthouden om zich te kunnen verbeteren.

De rechtbank is gelet op het voren overwogene dan ook van oordeel dat verweerder in onvoldoende mate heeft onderbouwd dat bij eiseres, blijkend uit concrete gedragingen, sprake is van een dermate ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor haar functie dat zij van haar werkzaamheden ontslagen diende te worden.

3.2

Volgens vaste rechtspraak (zie CRvB, 30 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1380) moeten redenen van gewichtige aard in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van de betrokkene en zijn directe werksituatie. Dergelijke redenen kunnen zijn gelegen in een ontstane impasse, die redelijkerwijs slechts kan worden doorbroken door beëindiging van het dienstverband. De beoordeling daarvan dient plaats te vinden aan de hand van feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van het nemen van het – in casu in beroep bestreden – ontslagbesluit.

Verweerder stelt dat de reden van gewichtige aard in het onderhavige geval gevonden kan worden in de tussen eiseres en OPOA verstoorde arbeidsrelatie.

Van een verstoorde arbeidsrelatie wordt volgens vaste rechtspraak (zie CRvB, 26 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:915) geacht sprake te zijn indien de omstandigheden van dien aard zijn, dat een goede voortzetting van de arbeidsrelatie niet langer tot de mogelijkheden behoort. De vraag of het bestuursorgaan in die verstoring een aandeel heeft gehad staat los van de bevoegdheid tot ontslag.

Aan het standpunt dat van een dergelijke situatie in het onderhavige geval sprake is legt verweerder ten grondslag, dat het team van [naam school] heeft uitgesproken geen vertrouwen meer in eiseres te hebben, zodat terugkeer als directeur op die school niet tot de mogelijkheden behoort. Voorts bestond in de visie van verweerder geen mogelijkheid om op een andere school binnen OPOA als directeur terug te keren wegens de bij eiseres geconstateerde onderwijs- en kwaliteitsinhoudelijke tekortkomingen, waarbij verweerder refereert aan de wijze waarop eiseres heeft gehandeld in de kwestie [naam 2] en het verzaken van haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs.

Zoals hiervoor reeds overwogen kan verweerder hierin niet worden gevolgd, zodat de rechtbank concludeert dat de gestelde redenen van gewichtige aard (lees: de verstoorde arbeidsrelatie) niet in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van eiseres of haar directe werk als directeur van [naam school] . Nu voorts uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat de functie van eiseres als directeur van [naam school] ten tijde van het in beroep bestreden ontslagbesluit nog werd vervuld door een directeur ad interim, kan tevens niet worden geoordeeld dat een goede voortzetting van de arbeidsrelatie niet tot de mogelijkheden behoorde.

Van een gewichtige reden in de vorm van een verstoorde arbeidsrelatie acht de rechtbank dan ook geen sprake.

3.3

Nu verweerder de onbekwaamheid of ongeschiktheid van eiseres voor haar functie als directeur, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie zijn vereist, niet heeft aangetoond aan de hand van concrete gedragingen, en voorts niet gebleken is van redenen van gewichtige aard die in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van eiseres en haar directe werksituatie, moet worden geoordeeld dat verweerder de bevoegdheid om eiseres te ontslaan niet toekomt.

Het ontslag van eiseres kan mitsdien niet in stand worden gelaten.

4. Volgens artikel 4.13, aanhef en onder b van de CAO PO 2014-2015 kan de werknemer worden geschorst in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen éénmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden.

Het betreft hier de bevoegdheid van verweerder om een ordemaatregel te treffen. Gezien het karakter van de schorsings- en verlengingsbesluiten past de bestuursrechter hier een terughoudende toetsing, in die zin dat, indien geoordeeld moet worden dat het besluit op een toereikende feitelijke grondslag berust, er voor schorsing slechts plaats is indien het bestuursorgaan in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het ontslagbesluit moet, nu deze steunen op hetzelfde samenstel van feiten en omstandigheden, worden geoordeeld dat de schorsings- en verlengingsbesluiten niet op een toereikende feitelijke grondslag berusten, als gevolg waarvan verweerder de bevoegdheid tot het treffen van de betreffende ordemaatregel niet toekomt.

De schorsing van eiseres, alsmede de verlenging daarvan, kan mitsdien niet in stand worden gelaten.

5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de in beroep bestreden schorsings-, verlengings- en ontslagbesluiten vernietigen. Omdat aan de primaire besluiten dezelfde gebreken kleven als aan de bestreden besluiten zal de rechtbank deze herroepen.

Als gevolg daarvan herleeft de rechtspositie van eiseres zoals die bestond voorafgaand aan de genomen besluiten. Aan hetgeen door eiseres overigens in beroep is gevorderd komt de rechtbank daarom niet toe.

6. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten vergoedt.

7.1

Eiseres heeft bij brieven van 1 september 2015 en 14 september 2015 verzocht om haar kosten van rechtskundige bijstand te vergoeden overeenkomstig de declaraties van haar gemachtigde (voor de periode van juni 2014 tot 8 september 2015) ten bedrage van

€ 41.020,85 respectievelijk € 1.118,05. Eiseres neemt daarbij het standpunt in dat zij aanzienlijke kosten heeft moeten maken, die zij niet zou hebben hoeven te maken als [naam 4] haar niet zo onheus zou hebben behandeld, maar conform de regels en rechtmatig zou hebben gehandeld.

7.2

In de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neergelegde systematiek van vergoeding van kosten van rechtsbijstand geldt als uitgangspunt dat de hoogte van deze vergoeding wordt bepaald op grond van het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb juncto de bijlage bij het Bpb opgenomen forfaitaire systeem. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan in bijzondere omstandigheden van dit systeem worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van dit forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. De enkele omstandigheid dat de burger door onzorgvuldig handelen van het bestuur een procedure heeft moeten starten, is als zodanig geen reden om te spreken van “bijzondere omstandigheden” in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb.

Indien het bestuursorgaan niet tegen beter weten in onzorgvuldig heeft gehandeld en het besluit heeft genomen terwijl het hem niet duidelijk moest zijn dat dit geen stand zou kunnen houden, en de betrokkene door die handelwijze en besluitvorming niet gedwongen was tot het inroepen van rechtshulp waarmee uitzonderlijk hoge kosten waren gemoeid, is naar vaste rechtspraak (zie ABRS, 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1402) geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden.

7.3

De rechtbank heeft op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kunnen vaststellen, dat er voor de komst van [naam 4] bij OPOA geen enkel teken van ondermaats functioneren van eiseres zichtbaar was. Vervolgens heeft [naam 4] het functioneren van eiseres daarna als enige en buiten een formeel beoordelingskader beoordeeld, heeft eiseres alleen nog met [naam 4] mogen spreken en is eiseres door [naam 4] vrijwel direct op een zijspoor gezet door haar ziekteverlof te verlenen zonder dat zij ziek was, en haar te schorsen en een locatie- en contactverbod op te leggen zonder dat daarvoor – zoals hierboven nadrukkelijk is overwogen – een gegronde aanleiding bestond. Door haar handelwijze heeft [naam 4] eiseres verder de mogelijkheid ontnomen om zich te verweren tegen hetgeen haar terzake van haar functioneren werd verweten, heeft zij haar niet in de gelegenheid gesteld om zich bij het team van [naam school] te verdedigen tegen het – zoals door [naam 4] uitgelegde – ontbreken van een vertrouwensbasis en is haar geen verbetertraject voor haar vermeende disfunctioneren aangeboden. [naam 4] heeft voorts ook als enige daarover besluiten genomen.

De rechtbank concludeert, dat de wijze waarop in het besluitvormingstraject zijdens verweerder is gehandeld of nagelaten, van dien aard is dat het verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de primaire besluiten geen stand konden houden. Nu verweerder daar bij de bestreden besluiten niettemin niet van terug is gekomen, oordeelt de rechtbank dat verweerder die besluiten bewust en tegen beter weten in stand heeft gelaten. Van een dergelijke handelwijze en besluitvorming kan niet worden geoordeeld dat eiseres niet gedwongen was tot het inroepen van rechtshulp waarmee gelet op de specificaties van haar gemachtigde uitzonderlijk hoge kosten – in casu € 42.138,90 – waren gemoeid. Hieruit volgt, dat in de onderhavige beroepen sprake is van een uitzonderlijk geval op grond waarvan afwijking van het forfaitaire systeem in het Bpb gerechtvaardigd is.

7.4

Bij de vraag in hoeverre die afwijking gerechtvaardigd is, dient naar vaste rechtspraak (zie CRvB 17 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0039) ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft.

Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen in de door haar over de periode van juni 2014 tot en met 8 september 2015 werkelijk gemaakte kosten voor rechtskundige bijstand ter hoogte van een bedrag van € 42.138,90. Dit bedrag correspondeert, gelet op het door de gemachtigde van eiseres gehanteerde honorarium, met circa 240 uren.

De rechtbank stelt vast, dat een deel van die kosten (€ 1.118,05) is gemaakt nadat het onderzoek ter zitting d.d. 16 juni 2015 reeds was gesloten. Voorts blijkt uit de stukken die eiseres in het kader van haar bezwaren tegen verweerders primaire besluiten heeft geproduceerd, dat die rechtskundige bijstand, ondanks dat eiseres die bezwaren zelfstandig heeft ingediend, daarbij eveneens is verleend. De rechtskundige bijstand die eiseres heeft gedeclareerd, heeft derhalve mede betrekking op de bezwarenprocedures. Eiseres heeft ten aanzien van de rechtskundige bijstand in de bezwarenprocedures niet op de grond van artikel 7:15, tweede lid van de Awb om vergoeding van die kosten verzocht. Die kosten kunnen gelet op het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid van de Awb dan ook niet worden meegerekend bij de vaststelling van de kosten van rechtskundige bijstand die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

Gelet hierop stelt de rechtbank de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die eiseres in verband met de behandeling van haar beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, in goede justitie vast op € 20.000,-.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de primaire besluiten;

  • -

    draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 495,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 20.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. van Montfort, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Buiten staat om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.