Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5278

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
08/952029-15 en 08/910014-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 55-jarige man uit Berkelland moet negen jaar de gevangenis in omdat hij een man doodschoot tijdens een uit de hand gelopen drugsdeal in Hengelo. Een 43-jarige Hengeloër die samen met hem het lichaam in het Twentekanaal dumpte krijgt een jaar gevangenisstraf. Ook voor het bezit van de zes kilo hennep die de mannen wilden verkopen veroordeelt de rechtbank beide mannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers (P): 08/952029-15 en 08/910014-15

Datum vonnis: 1 december 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] (Indonesië),

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Zwolle in Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2015 en 17 november 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Veen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.D. Smid, advocaat te Losser, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er ten aanzien van parketnummer 08/952029-15, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met een ander en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten;

feit 2: al dan niet samen met een ander het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] heeft weggemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij of omstreeks 16 december 2014, althans op een tijdstip in of omstreeks de

periode van 16 december 2014 tot en met 17 december 2014, te Hengelo, gemeente

Hengelo (O) en/of te Markelo, gemeente Hof van Twente, in ieder geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1]

achtervolgd en/of opgejaagd en/of een of meerdere kogels op hem afgevuurd en

die [slachtoffer 1] geraakt en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), de een

ten opzichte van de ander, zich niet gedistantieerd en/of de politie niet

gewaarschuwd in een potentieel levensbedreigende situatie, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 16 december 2014, althans in of omstreeks de periode van

16 december 2014 tot en met 17 december 2014, te Hengelo, gemeente Hengelo (O)

en/of te Markelo, gemeente Hof van Twente, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een lijk, te weten het lijk van [slachtoffer 1] , heeft/hebben verborgen en/of

weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van

het overlijden te verhelen;

De verdenking komt er ten aanzien van parketnummer 08/910014-15, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven door hem met een vuurwapen achterna te lopen en in zijn richting te schieten;

feit 2: al dan niet samen met een ander ongeveer 6 kilogram hennep in zijn bezit heeft gehad;

feit 3: een pistool (Glock 9 mm) en munitie in zijn bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 16 december 2014, althans op een tijdstip in of omstreeks

de periode van 16 december 2014 tot en met 17 december 2014, te Hengelo,

gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, door die

[slachtoffer 2] met een (vuur)wapen achterna te lopen en/of (vervolgens) een of

meerdere kogels op, althans in de richting van, die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 16 december 2014, te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kilogram, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 16 december 2014, althans in de periode van 16 december

2014 tot en met 21 januari 2015, te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en/of elders

in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool

(Glock, 9 mm), en/of munitie van categorie III, te weten een of meer

kogels/patronen (9 mm), voorhanden heeft gehad.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 08/952029-15 en de feiten 1 tot en met 3 onder parketnummer 08/910014-15 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. De officier van justitie heeft daarnaast geconcludeerd tot volledige toewijzing van de civiele vordering van [benadeelde] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, Team Grootschalige Opsporing, onderzoek Valero. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5.1

Partiële vrijspraak feit 1 onder parketnummer 08/952029-15

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet bewezen, zodat de rechtbank verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord vrijspreekt.

Voorts is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), zodat de rechtbank verdachte van het tenlastegelgde medeplegen vrijspreekt.

5.2

De feiten 1 en 2 onder parketnummer 08/952029-15 en de feiten 2 en 3 onder parketnummer 08/910014-15

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de feiten voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 november 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

2. Het geschrift van 23 december 2014 opgemaakt door arts en patholoog M. Buiskool, betreffende een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina’s 2288 tot en met 2299, voor zover van belang;

3. Het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , mobiel verkeersleider in dienst van Rijkswaterstaat, van 17 december 2015, pagina’s 750 en 751, voor zover van belang;

4. Het proces-verbaal van sporenonderzoek van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] ,

[verbalisant 5] , [verbalisant 6] van 20 februari 2015, pagina 1870, voor zover van belang;

5. Het geschrift van 3 april 2015 opgemaakt en ondertekend door ing. [verbalisant 7] betreffende wapen- en munitieonderzoek na het aantreffen van een lichaam in het Twentekanaal te Markelo op 17 december 2014, pagina’s 2350 t/m 2368, voor zover van belang;

6. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] , van 13 april 2015 met bijlage, pagina’s 1000 tot en met 1002, voor zover van belang.

5.3

Feit 1 onder parketnummer 08/910014-15

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] , de verklaring van [medeverdachte] en de resultaten van het ballistisch en forensisch onderzoek.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, terwijl verdachte ontkent op [slachtoffer 2] te hebben geschoten. Indien de rechtbank toch van oordeel is dat verdachte heeft geschoten op [slachtoffer 2] , verzoekt de raadsvrouw om vrijspraak wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 2] .

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Weliswaar is op de eerste verdieping van het pand aan de [adres] in de gang naar links in de wand boven de dubbele openslaande deuren een kogel aangetroffen die is afgeschoten met het wapen van verdachte, maar de omstandigheden waaronder die kogel daar is terechtgekomen kunnen op grond van het onderhavige dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 08/952029-15 feit 1 impliciet primair en onder parketnummer 08/910014-15 feit 1 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder parketnummer 08/952029-15 feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 december 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte een kogel op die [slachtoffer 1] afgevuurd en

hem geraakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij in de periode van 16 december 2014 tot en met 17 december 2014, te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een ander, het lijk van [slachtoffer 1] heeft verborgen en weggevoerd en weggemaakt met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder parketnummer 08/910014-15 feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 16 december 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk ongeveer zes kilogram hennep aanwezig heeft gehad, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 16 december 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en elders in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een pistool (Glock, 9 mm) en munitie van categorie III, te weten patronen (9 mm) voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

6.1

Feit 1 onder parketnummer 08/952029-15

6.1.1

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer 1] , [medeverdachte] onder schot hield, dreigde [medeverdachte] neer te schieten als zijn maat ( [slachtoffer 2] ) iets zou zijn overkomen en dat [slachtoffer 1] direct op verdachte richtte op het moment dat hij verdachte in de nis zag staan. [slachtoffer 1] had daarvoor al een aantal keren zijn pistool op verdachte gericht en daarbij de trekker overgehaald. Verdachte had geen reden om te geloven dat [slachtoffer 1] nu niet zou schieten. Daarnaast kon verdachte geen kant op en was het schieten op [slachtoffer 1] de enige hem nog resterende mogelijkheid. Gezien deze omstandigheden was sprake van een acute noodweersituatie. Van culpa in causa is geen sprake. Verdachte is weliswaar teruggegaan het pand in, maar heeft zich, om een confrontatie uit de weg te gaan toen hij [slachtoffer 1] en [medeverdachte] hoorde aankomen, verschanst in een nisje en zich zo klein mogelijk gemaakt zodat [slachtoffer 1] hem niet zou zien. Verdachte heeft de confrontatie niet opgezocht.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een noodweersituatie. Verdachte staat alleen in zijn verklaring dat [slachtoffer 1] het wapen op hem richtte en dat verdachte zelf schoot, omdat hij niet het risico wilde lopen dat het wapen nu wel werkte. Deze verklaring wordt namelijk niet bevestigd door de verklaring van [medeverdachte] en ook het onderzoek naar de inschotwond en de baan die de kogel in het hoofd van [slachtoffer 1] heeft afgelegd past niet bij de verklaring van verdachte. Daarnaast is het gedrag van verdachte te kwalificeren als het gevaarzettend opzoeken van een confrontatie of een potentiële confrontatie; verdachte nam een geladen vuurwapen mee naar een drugstransactie met onbekenden. Hij heeft zich daarmee in een situatie gebracht waarin diverse factoren leiden tot voorzienbaar geweld. Daarmee is sprake van culpa in causa en kan verdachte zich niet op noodweer beroepen.

6.1.2

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw moet worden verworpen en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte is bewust met een geladen vuurwapen naar een hennepdeal gegaan, kennelijk voorbereid op een gewelddadige situatie. Op enig moment is de situatie ook gewelddadig geworden, omdat een van de kopers, [slachtoffer 1] , een wapen op [verdachte] en [medeverdachte] richtte en de trekker daadwerkelijk enkele malen overhaalde, waarbij het wapen haperde. Vervolgens heeft verdachte de achtervolging ingezet op [slachtoffer 2] die met een tas met hennep wegrende. [slachtoffer 2] wist te ontkomen, waarna verdachte, nog steeds gewapend, het pand weer binnen is gegaan, terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] ook gewapend was en dat [slachtoffer 1] kort daarvoor niet geaarzeld had om zijn wapen te gebruiken. Hij is in de richting van [slachtoffer 1] en [medeverdachte] gelopen en op het moment dat hij hen vanaf de eerste verdieping hoorde naderen, heeft verdachte zich verschanst in een nisje tegenover die trap van waaruit hij [slachtoffer 1] uiteindelijk dood heeft geschoten.

Gelet op deze gedragingen en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte er meer dan in aanmerkelijke mate rekening mee had moeten houden dat de hennepdeal en de latere confrontatie in het pand gepaard zouden kunnen gaan met vuurwapengebruik van zijn kant of van de kant van de kant van de potentiële kopers, te meer nu het een feit van algemene bekendheid is dat in (de illegale wereld van) de drugshandel van (grote) partijen hennep verkopers regelmatig worden geript. Nu verdachte in weerwil daarvan zich willens en wetens gewapenderhand in de drugsdeal heeft begeven, heeft hij zich verwijtbaar in een positie gebracht waarin hij zijn toevlucht heeft gezocht tot gebruik van zijn wapen en komt hem geen beroep op noodweer toe. Daarbij komt dat verdachte het pand weer is ingegaan terwijl hij op de hoogte was van het feit dat [slachtoffer 1] eveneens in het bezit was van een vuurwapen en er niet voor schroomde dat wapen ook te gebruiken. De door de raadsvrouw in haar pleitnota aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feiten en omstandigheden in belangrijke mate afwijken van de in deze zaak vastgestelde feiten en omstandigheden.

6.2

De strafbaarstelling en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 151 en 287 Sr, bij artikel 11 Ow en bij artikel 26 WWM. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 08/952029-15

feit 1 impliciet subsidiair

het misdrijf: doodslag

feit 2

het misdrijf: medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

Ten aanzien van parketnummer 08/910014-15

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie waarbij het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

7.1

Feit 1 onder parketnummer 08/952029-15

7.1.1

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, nu verdachte uit blinde paniek heeft geschoten op het moment dat [slachtoffer 1] hem waarnam in de nis en direct zijn wapen op hem heeft gericht.

De officier van justitie heeft hierover niet expliciet een standpunt ingenomen.

7.1.2

De overwegingen van de rechtbank

Zoals hiervoor onder 6.1.2 reeds overwogen heeft verdachte zichzelf verwijtbaar in een positie gebracht waarin hij blijkbaar geen andere uitweg zag dan [slachtoffer 1] dood te schieten. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van dusdanige eigen schuld dat verdachte evenmin een beroep op noodweerexces toekomt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft buitengewoon ernstige misdrijven gepleegd. Verdachte is gewapend met een pistool meegegaan naar een drugsdeal die dramatisch uit de hand is gelopen. Verdachte en [medeverdachte] zijn door [slachtoffer 1] onder schot genomen en zijn slechts aan erger ontkomen omdat het wapen van [slachtoffer 1] bij herhaling weigerde waarna verdachte uiteindelijk [slachtoffer 1] door het hoofd heeft geschoten. Deze schokkende gebeurtenis heeft niet alleen bruut ingegrepen in het leven van [slachtoffer 1] , maar ook in dat van zijn naaste familieleden en vrienden. De schriftelijke slachtofferverklaring van zijn moeder, maar ook die van zijn vriendin – die in verwachting was van hun eerste kind – geven daarvan op indringende wijze blijk. De nabestaanden zullen [slachtoffer 1] voor altijd moeten missen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] samen schoonmaakspullen en folie opgehaald waarin zij het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] hebben gepakt. [medeverdachte] heeft hem in de kofferbak van zijn auto gelegd, waarna zij de plaats delict hebben schoongemaakt.

Daarna zijn zij naar het Twentekanaal gereden waar zij uiteindelijk het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] hebben gedumpt. Verdachte is vervolgens gevlucht en heeft het door hem gebruikte wapen in zee gegooid.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij, kennelijk om de sporen van zijn daad uit te wissen, op deze respectloze wijze is omgegaan met het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] . Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat het lichaam van [slachtoffer 1] de volgende ochtend al werd gevonden door oplettende medewerkers van Rijkswaterstaat en de nabestaanden niet langer in onzekerheid hoefden te verkeren over het lot van [slachtoffer 1] .

Tegenover de ernst van het doden van [slachtoffer 1] is het bezit van een grote hoeveelheid hennep relatief minder ernstig. Softdrugs kunnen evenwel bij langdurig gebruik leiden tot schade voor de gezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen veroorzaakt, mede door vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade in de samenleving. Deze laatste gevolgen zijn, zoals de rechtbank hiervoor ook uiteen heeft gezet, ook op zeer pijnlijke wijze duidelijk geworden. Verdachte heeft hierbij kennelijk nooit stilgestaan.

Op het plegen van dergelijke feiten kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank houdt daarbij wel rekening met het feit dat [slachtoffer 1] zelf ook gewapend naar een drugsdeal is gegaan en in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan de escalatie van de situatie door verdachte en [medeverdachte] te rippen, waarbij [slachtoffer 1] niet geaarzeld heeft om een wapen te trekken en geprobeerd heeft om op verdachte en [medeverdachte] te schieten.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 9 oktober 2015 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor twee levensdelicten. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 29 oktober 2015.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren gevorderd. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

9 De schade van benadeelden

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , ter zitting vertegenwoordigd door mr. L.E. de Jong, advocaat in Amsterdam,

heeft zich ter terechtzitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de escalatie van de drugsdeal tenminste voor een substantieel deel aan het optreden van [slachtoffer 1] te wijten is geweest. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek naar de mate van schuld van alle betrokkenen en naar de verdeling van de schade tussen verdachte en de benadeelde, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/952029-15 feit 1 impliciet primair en het onder parketnummer 08/910014-15 feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 08/952029-15 feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 en het onder parketnummer 08/910014-15 feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    ten aanzien van parketnummer 08/952029-15

feit 1 impliciet subsidiair

het misdrijf: doodslag

feit 2

het misdrijf: medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

ten aanzien van parketnummer 08/910014-15

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, waarbij het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen (9) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2015.