Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5214

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
08/710086-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn minderjarige zoon mishandeld door deze bij de keel/hals te grijpen en de keel/hals dicht te drukken. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een periode van een aantal maanden meermalen schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn beide kinderen door deze jongens te slaan, schoppen, knijpen en aan de oren en haren te trekken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast moet hij zich laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/710086-14

Datum vonnis: 24 november 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats 1] , [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 februari 2015 en 10 november 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. ter Braak en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M. Tijken, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:

feit 1: dat verdachte heeft geprobeerd zijn kinderen zwaar te mishandelen, dan wel dat

verdachte zijn kinderen heeft mishandeld;

feit 2: dat verdachte gedurende een periode zijn kinderen meermalen heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks enig tijdstip in de periode van 12 juni 2014 tot en met 13

juni 2014 te Borne,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn

kind(eren) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bij

de keel/hals heeft vastgepakt en/of in de keel/hals heeft (dicht-)geknepen

en/of de keel/hals heeft dichtqedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, terwij1 de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks enig tijdstip in de periode van 12 juni 2014 tot en met 13

juni 2014 te Borne,

opzettelijk mishandelend zijn kind(eren) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of in de keel/hals heeft

(dicht-)geknepen en/of de keel/hals heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt

gehouden, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en of pijn heeft/hebben

ondervonden;

2.

hij in of omstreeks één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2014

tot en met 11 juni 2014 te Borne, althans in Nederland, opzettelijk

mishandelend zijn kind(eren) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

(meermalen) heeft geslagen, geschopt, geknepen en/of aan de oren en/of haren

getrokken, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben

ondervonden;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.000,- en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.000,- en oplegging bij beide vorderingen van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging zware mishandeling van de kinderen van verdachte kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat beide kinderen een betrouwbare verklaring hebben afgelegd.

Verdachte heeft, gelet op de aard van de geweldshandeling, de kracht waarmee dit is gepaard gegaan en de plek op het lichaam waarop het geweld is uitgeoefend, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toegenomen. De verklaring van verdachte dat het letsel bij zijn zoons zou zijn ontstaan doordat verdachte zijn zoons uit elkaar heeft gehaald acht de officier van justitie niet geloofwaardig, nu door de huisarts is beschreven dat de blauwe plek bij [slachtoffer 2] van latere datum is dan de blauwe plek bij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 primair en het onder 1 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs.

De verbalisanten hebben bij het eerste gesprek met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet conform de vereisten van de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ (hierna: de Aanwijzing) gehandeld, zodat de tijdens dit gesprek gegeven antwoorden niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat sprake is van beïnvloeding van beide jongens door een eerste foutief afgenomen verhoor, beïnvloeding door derden en sturing door verbalisanten tijdens het studioverhoor richting bevestiging van het tenlastegelegde. Bovendien hebben de jongens tegenstrijdige antwoorden gegeven. Derhalve kan niet worden gesproken van betrouwbare verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verklaringen van de kinderen dienen aldus van het bewijs te worden uitgesloten.

De raadsman heeft aangevoerd dat deskundige Van der Sleen heeft geconcludeerd dat verschillende mogelijke scenario’s voor het ontstaan van het letsel bij de jongens in de nek, zoals ten gevolge van het uit elkaar halen door verdachte tijdens een ruzie, niet voldoende zijn onderzocht.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het onder 1 primair dan wel onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen wegens het ontbreken van opzet nu verdachte niet het oogmerk had om zijn zoons zwaar lichamelijk letsel dan wel pijn of letsel toe te brengen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

- Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

In onderhavige zaak heeft bij de politie met de minderjarige broertjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een tweetal gesprekken plaatsgevonden. Tijdens het eerste gesprek dat verbalisanten hadden met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren beide broertjes en ook de moeder en de opa van de jongens aanwezig. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit eerste gesprek niet is aan te merken als een verhoor waarop de Aanwijzing van toepassing is, nu de Aanwijzing slechts ziet op geplande verhoren en onderhavig gesprek ongepland heeft plaatsgevonden onmiddellijk nadat de moeder en opa zich met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het politiebureau meldden. Voorts is de rechtbank niet gebleken van de door de raadsman gestelde zware beïnvloeding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tijdens dat eerste gesprek. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat door de aanwezigheid van moeder en opa een andere verklaring tot stand is gekomen, dan wanneer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zouden hebben verklaard buiten aanwezigheid van moeder en opa.

De rechtbank stelt overigens vast dat de geplande studioverhoren met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijnde verhoren waarop de Aanwijzing wel van toepassing is, conform deze Aanwijzing zijn afgenomen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank niet gebleken van sturing of beïnvloeding door de verbalisanten tijdens de studioverhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waardoor de jongens een andere of onware verklaring hebben afgelegd. In navolging op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook niet kan worden gezegd dat wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tijdens de, conform de Aanwijzing afgenomen, studioverhoren hebben verklaard als overduidelijk onwaar moet worden beschouwd.

De rechtbank betrekt bij haar overwegingen het navolgende.

Deskundige J. van der Sleen heeft een onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , afgelegd tijdens de studioverhoren, mede gezien in het licht van het hiervoor genoemde eerste gesprek met beide jongens waarbij moeder en opa aanwezig waren.

Van der Sleen heeft in het rapport geconcludeerd dat de verhoorder tijdens de studioverhoren van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zich niet sturend heeft opgesteld en de deskundige ziet geen reden te veronderstellen dat de verklaring van beide jongens door een beïnvloedende werkwijze van de verhoorder tot stand is gekomen.

Hoewel dit nader onderzocht had kunnen worden lijkt van bewuste onterechte beschuldiging van verdachte door moeder of opa naar de mening van de deskundige geen sprake.

De deskundige heeft voorts vastgesteld dat het scenario dat verdachte als mogelijkheid naar voren heeft gebracht, te weten dat de blauwe plekken zijn ontstaan bij het hardhandig uit elkaar halen van de jongens bij een ruzie, voldoende is onderzocht en niet wordt ondersteund door de verklaringen van beide jongens. Voor de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het verhaal over de mishandelingen volledig zelf hebben verzonnen, heeft de deskundige in het dossier geen duidelijke aanknopingspunten gevonden. De deskundige heeft geen problemen met de accuraatheid en consistentie van de verklaring van [slachtoffer 1] geconstateerd en hoewel [slachtoffer 2] niet geheel consequent heeft verklaard, heeft de deskundige ook geen problemen met de accuraatheid van de verklaring van [slachtoffer 2] geconstateerd.

De rechtbank is van oordeel dat genoemd rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en sluit aan bij de in het rapport gestelde conclusies van de deskundige. De rechtbank acht op basis van het vorenstaande de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank verwerpt aldus de verweren van de raadsman hieromtrent.

Op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft zijn zoon [slachtoffer 1] bij de keel/hals gepakt en verdachte heeft de keel/hals van [slachtoffer 1] dichtgeknepen, waardoor [slachtoffer 1] even niet kon ademhalen. [slachtoffer 1] heeft hierdoor letsel opgelopen: links onderin de hals een haematoom, rechts onderin de nek wat gezwollen en diffuus iets blauw (hematoom) en rechts onder de kin een rode streep. Ook heeft [slachtoffer 1] pijn ondervonden.

In de nek van [slachtoffer 1] aan de achterzijde bevond zich in juni 2014 een oppervlakkig litteken rood, hetgeen ouder letsel betreft.

- [slachtoffer 2]

Hoewel [slachtoffer 2] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd over hetgeen op 13 juni 2014 tussen hem en verdachte zou zijn voorgevallen, vindt de rechtbank onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen om ten aanzien van [slachtoffer 2] tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] .

- Feit 1 primair ten aanzien van [slachtoffer 1]

Voor een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte de opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag die in dit verband beantwoord dient te worden, is of verdachte ten minste heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet, oftewel of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door de handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte dit (voorwaardelijke) opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Nu de bewijsmiddelen geen uitsluitsel geven over de kracht en de duur waarmee de handdelingen van verdachte gepaard zijn gegaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] door de handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is van een poging zware mishandeling en zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Feit 1 subsidiair ten aanzien van [slachtoffer 1]

Voor een bewezenverklaring van een mishandeling in de zin van artikel 300 Sr moet sprake zijn van het opzettelijk toebrengen van lichaamspijn of lichamelijk letsel. De term mishandeling omvat niet alleen opzet, maar ook het gevolg. Het veroorzaakt zijn van letsel of pijn vormt een voorwaarde voor strafbaarheid. Aldus moet vaststaan dat pijn of letsel is opgetreden.

Zoals hierboven reeds uiteengezet staat vast dat verdachte, zijn zoon [slachtoffer 1] bij de keel/hals heeft vastgepakt, in de keel heeft geknepen en de keel/hals heeft dichtgedrukt. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van dit geweld pijn en letsel ondervonden. Het standpunt dat verdachte [slachtoffer 1] niet opzettelijk pijn wilde doen verwerpt de rechtbank, nu naar het oordeel van de rechtbank de opzet gegeven is in de aard van de door verdachte verrichte handelingen bij zijn jonge zoontje.

De rechtbank acht op basis van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door als voormeld te handelen, zich aan (eenvoudige) mishandeling van zijn zoon [slachtoffer 1] heeft schuldig gemaakt.

5.2

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zijn zoons over een langere periode heeft mishandeld nu beide jongens daarover hebben verklaard en ook tegen verschillende getuigen hebben gezegd dat zij door verdachte zijn geslagen, geschopt, geknepen en aan de haren zijn getrokken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte van het onder 2 tenlastegelgde moet worden vrijgesproken wegens ontbreken van wettig bewijs dan wel het ontbreken van opzet.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van een mishandeling in de zin van artikel 300 Sr moet sprake zijn van het opzettelijk toebrengen van lichaamspijn of lichamelijk letsel. De term mishandeling omvat niet alleen opzet, maar ook het gevolg. Het veroorzaakt zijn van letsel of pijn vormt een voorwaarde voor strafbaarheid. Aldus moet vaststaan dat pijn of letsel is opgetreden.

Op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

[slachtoffer 1] heeft sinds januari 2014 vier of vijf keer aan zijn lerares [lerares 1] verteld dat verdachte hem pijn had gedaan en dat verdachte hem wel eens kneep, schopte en aan zijn haren trok en dat dit elke week gebeurde. De lerares heeft wel eens blauwe plekken bij [slachtoffer 1] gezien.

De andere lerares van [slachtoffer 1] , mevrouw [lerares 2] , heeft van [slachtoffer 1] gehoord dat verdachte [slachtoffer 1] knijpt en schopt tegen de billen of rug en dat verdachte hem aan de haren heeft getrokken. [slachtoffer 1] mocht dan niet huilen of gillen, als hij geslagen werd, want dan konden de buren het horen.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn meermalen door verdachte geschopt, geknepen, aan de oren en haren getrokken. Hierdoor hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] pijn ondervonden. [slachtoffer 2] heeft op zijn rug en been blauwe plekken gekregen. [slachtoffer 1] heeft door de handelingen van verdachte blauwe plekken gehad. [getuige] heeft twee a drie maanden voorafgaand aan juni 2014 bij [slachtoffer 1] in de hals striemen gezien.

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn zoons [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedurende een periode meermalen heeft mishandeld.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en onder 1 subsidiair ten aanzien van [slachtoffer 2] is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten aanzien van [slachtoffer 1] en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij in de periode van 12 juni 2014 tot en met 13 juni 2014 te Borne, opzettelijk mishandelend zijn kind [slachtoffer 1] bij de keel/hals heeft vastgepakt en in de keel/hals heeft geknepen en de keel/hals heeft dichtgedrukt en dichtgedrukt

gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 juni 2014 te Borne opzettelijk

mishandelend zijn kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geslagen, geschopt, geknepen en aan de oren en haren getrokken, waardoor deze letsel hebben bekomen of pijn hebben ondervonden.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 300 jo. 304 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn kind;

feit 2

het misdrijf: mishandeling begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zijn minderjarige zoon mishandeld door deze bij de keel/hals te grijpen en de keel/hals dicht te drukken. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een periode van een aantal maanden meermalen schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn beide kinderen door deze jongens te slaan, schoppen, knijpen en aan de oren en haren te trekken. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zoons, twee minderjarige jongens die aan de zorg van verdachte waren toevertrouwd. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn kinderen en heeft hij de jongens een van de meest elementaire rechten, het leven in een veilige huiselijke omgeving, ontnomen. Verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen dat zijn kinderen in hem mochten hebben ernstig beschaamd. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting door de moeder van de jongens voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voor feiten als de onderhavige zijn landelijke oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld. Voor een mishandeling, zijnde een droge klap, of een mishandeling enig letsel ten gevolge hebbend, geven de oriëntatiepunten een geldboete als uitgangspunt. In het gegeven dat in de onderhavige zaak sprake is van het meermalen mishandelen van minderjarige kinderen, te weten verdachtes eigen kinderen, waarbij de jongens letsel hebben opgelopen, ziet de rechtbank reden om af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf recht doet aan de ernst van de onderhavige feiten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen taakstraf rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder wegens onder meer een geweldsmisdrijf met justitie in aanraking is geweest. Nu hij desondanks gewoon blijft doorgaan met het plegen van deze feiten geeft verdachte er blijk van het strafwaardige van zijn handelen niet te willen inzien en die eerdere veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen volledig te negeren.

De rechtbank is van oordeel dat naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank onderschrijft de door de officier van justitie benoemde toezichtnoodzaak en weegt hierbij mee dat verdachte ter zitting heeft verklaard niet negatief te staan tegenover hulpverlening. Voorts heeft de rechtbank de door J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, over verdachte opgemaakte psychologische rapportage, waaruit volgt dat bij verdachte sprake is van narcistische persoonlijkheidstrekken, als ook het reclasseringsadvies van 23 januari 2015 van M. Wissink van Reclassering Nederland in aanmerking genomen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte niet alleen zijn medewerking verleent aan reclasseringstoezicht maar ook aan begeleiding of behandeling door derden, bijvoorbeeld een instelling als De Tender, als ook aan eventueel noodzakelijke nadere diagnostiek, een en ander indien en voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht. Derhalve zal de rechtbank, zoals door de officier van justitie gevorderd, een reclasseringstoezicht aan het voorwaardelijk strafdeel koppelen, met daarbij een meldplicht.

Al het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en oplegging van de voormelde bijzondere voorwaarden passend en geboden. Ondanks dat de rechtbank minder heeft bewezenverklaard dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de onderhavige feiten een straf als voormeld rechtvaardigt.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

- [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats 2] aan de [adres 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade bestaat uit de post:

- Smartengeld € 1.000,--.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade door de benadeelde partij niet voldoende is onderbouwd. Gelet op de persoonlijke familiaire omstandigheden waarin de benadeelde zich reeds lange tijd bevindt, te weten onder meer de beëindiging van het huwelijk van zijn ouders en de daarmee gepaard gaande veranderingen in benadeeldes leven, de tijdelijke afwezigheid van benadeeldes moeder vanwege haar psychische gesteldheid en de wijzigingen in zijn hoofdverblijfplaats, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen of de opgevoerde immateriële schade het direct gevolg is van (uitsluitend) het bewezenverklaarde feit. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

- [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats 2] aan de [adres 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.723,20 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    kosten verwisseling slot € 19,00;

  • -

    reiskosten € 210,--;

  • -

    advocaatkosten i.v.m wijziging hoofdverblijf € 287,--;

  • -

    extra telefoonkosten (verschil in nota’s) € 61,49;

  • -

    kopieerkosten div. geschat € 7,50;

  • -

    smartengeld € 1.000,--;

  • -

    extra reiskosten € 138,21.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Materiële schade

Op grond van art. 51f, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Daarnaast geldt dat degene die de schade heeft geleden, in de bewezenverklaring moet worden geduid of aan de hand van de bewezenverklaring moet kunnen worden aangewezen als direct slachtoffer van het delict. Hiermee is de kring van gerechtigden tot schadevergoeding in de strafprocedure beperkter dan in een civiele procedure. Anders dan de strafrechter, die gebonden is aan de tenlastelegging, kan de burgerlijke rechter de relativiteitseis corrigeren doordat tegelijkertijd ongeschreven zorgvuldigheidsnormen gelden die strekken ter bescherming tegen de geleden schade, ook al strekt de geschreven en tenlastegelegde norm daar niet toe. De strafrechter mag deze ongeschreven normen echter niet toepassen omdat hij dan buiten de grondslag van de tenlastelegging treedt.

Nu in de onderhavige zaak, gelet op de eisen van art. 51a, eerste lid, Sv, mevrouw [moeder] niet aan de hand van de bewezenverklaring kan worden aangewezen als direct slachtoffer van het delict en de opgevoerde materiële schadeposten, alsmede de advocaatkosten zien op kosten door [moeder] voornoemd gemaakt, dient het materiële deel van de vordering, naar het oordeel van de rechtbank, wegens het ontbreken van rechtstreekse schade niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Immateriële schade (smartengeld)

De gestelde immateriële schade is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Gelet op de persoonlijke familiaire omstandigheden waarin de benadeelde zich reeds lange tijd bevindt, te weten onder meer de beëindiging van het huwelijk van zijn ouders en de daarmee gepaard gaande veranderingen in benadeeldes leven, de tijdelijke afwezigheid van benadeeldes moeder vanwege haar psychische gesteldheid en de wijzigingen in zijn hoofdverblijfplaats, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen of de opgevoerde immateriële schade het direct gevolg is van (uitsluitend) het bewezenverklaarde feit. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 1 subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 2] ) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit1 subsidiair het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn kind;
    feit 2 het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) en onder 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op door Reclassering Nederland nader te bepalen plaats, dagen en tijdstippen zal melden;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt ambulante begeleiding of behandeling door derden, ook als dat inhoudt het verlenen van medewerking aan diagnostiek en ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich moet laten behandelen bij de kliniek “De Tender” te Deventer of een soortgelijke instelling;

  • -

    draagt Reclassering Nederland op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 150 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats 2] aan de [adres 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats 2] aan de [adres 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. M.H. van der Lecq en

mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PLO5GH - 2014060453. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

- Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] betreffende het verhoor van [slachtoffer 1] van 11 augustus 2014, pagina 52, 54 – 62,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

(Opmerking griffier: V = vraag A = antwoord)

V: Nou, waar ben je precies voor gekomen?

A: eh dat papa mij zo deed.

V: dat papa jou zo deed. Vertel daar eens alles over hoe dat ging?

A: eh dat papa mij in de nek greep.

V: Want waar was dat, waar dat gebeurd is?

A: in [woonplaats 1]

V: en welke straat?

A: [adres 1]

V: en waar in de [adres 1] is dat?

A: [adres 1]

V: en wat is daar op nummer [adres 1] ?

A: ons huis

V: en waar in dat huis is dat gebeurd?

A: in de woonkamer

V: in de woonkamer. Waar in de woonkamer?

A: eh, in de kamer.

V: in de kamer. Kijk hier nou hebben we hier zo he, stel dat dit de woonkamer is,

dan kun je zeggen, oh het is hier gebeurd aan tafel of het is daar op de bank

gebeurd of op de stoel of ergens anders. Waar was het?

A: in de speelhoek, bij het speelgoed

V: bij het speelgoed? Hm. Ok?. Het was bij het speelgoed gebeurd. En wanneer is

dat geweest?

A: dat weet ik niet meer

V: nee. Hoe vaak is zoiets gebeurd?

A: ??n keer.

V: ??n keer?

A: ja.

V: probeer mij eens precies te vertellen, hoe dat ging, toen jij in de woonkamer

was, bij het speelgoed, dat papa zo bij jou deed, hoe dat begon.

A: in de nek grijpen

V: aan welke kant?

A: hier

V: ja. Dus aan de voorkant. Toen greep hij in de nek, he? Wie waren er nog meer in de woonkamer?

A: mijn hond, en mijn broertje

V: en je broertje was er ook?

A: ja

V: en hoe heet jouw broertje?

A: [slachtoffer 2]

V: en waar was jouw broertje toen?

A: ook in de speelhoek

V: met welke hand deed papa dat dan?

A: met rechts

V: wat is de rechter hand dan? Met welke hand?

V: En toen, hoe voelde dat? Toen papa dat deed.

A: eh heel zeer

V: heel zeer? Hoe kwam dat?

A: uit het niets

V: nee en [slachtoffer 2] he? Die zat erbij zeg je. Heeft er iemand nog iets gezegd toen

dit gebeurde?

A: [slachtoffer 2] zei, je maakt [slachtoffer 1] nog dood

V: dat zei hij? Hoe weet je dat?

A: dat ik dat hoorde

V: je hebt niet op de klok gekeken maar misschien weet je of het nog donker was

of al licht of anders

A: licht

V: Zijn er, heeft papa jou wel eens vaker pijn gedaan? Heeft jou wel vaker

pijn gedaan, en wat voor dingen waren dat dan?

A: schoppen, heel hard in de rug

V: heel hard in de rug schoppen?

A: ja

V: en wat nog meer?

A: slaan.

V: waar dan?

A: weet ik niet, eh, en aan de oren trekken, aan de haren.

V: hoe kon jou, waar was je toen papa jou schopte?

A: in de woonkamer, toen hadden wij eh, papa zat aan het bellen en toen kwam, toen

ging papa eh schoppen en toen ging die mij naar boven sturen.

V: papa was aan het bellen. Maar was dat dan toen jullie nog Spangas aan het kijken

of daarna of daarvoor

A: Spangas kijken

V: waar was papa toen die aan het bellen was?

A: in de woonkamer op de bank

V: ok? dus hij deed dat onder het televisie kijken, begrijp ik dat goed? Maar hoe

kan hij jou schoppen als jij naast hem op de bank zit?

A: dat hij mij wegstuurde, toen ging hij mij schoppen

V: ok? hij stuurde jou weg, en waar stuurde hij jou naartoe zei je?

A: naar mijn kamer

V: naar jouw kamer.

Waar heeft papa jou geraakt,

kun je dat aanwijzen op je rug?

A: her

V: En hoe kon papa daar komen, stond hij hier, of stond hij hier, of stond die achter jou of aan die kant?

A: achter mij

V: achter jou? En waar schopte die mee?

A: met zijn voet

V: met zijn voet van welk been?

A: dat weet ik niet

V: en wat gebeurde er toen, toen hij jou schopte in je rug? Hoe voelde dat?

A: niet fijn

V: je zei hij schopte heel hard. Hoe weet je dat het heel hard was? Waaraan merkte

je dat het heel hard was?

A: dat kan ik voelen

V: en heeft er nog iemand iets gezegd toen dit gebeurde? En waar was [slachtoffer 2] toen

jij, toen papa jou schopte?

A: ook in de woonkamer

V: ook in de woonkamer dus die heeft dat gezien? Hm. Aan de oren trekken hoe vaak

doet papa dat?

A: weet ik niet

V: en aan de haren?

A: weet ik niet

V: nee. Bij wie doet papa dit soort dingen?

A: bij mij en mijn broertje

V: ook bij jouw broertje. En wat heb je dan gezien dat papa bij jouw broertje doet?

A: dat weet ik niet

V: dat weet je niet? Hoe weet je dan dat papa dat ook bij jouw broertje doet?

A: dat heb ik gezien

V: dat heb je gezien. Vertel mij eens ??n dingetje wat jij nog weet wat je hebt

gezien dat papa bij jouw broertje deed.

A: eh, ook zo

V: ook zo? Jij doet met de hand zo bij jouw keel. Ook zo. Dat heb jij gezien?

A: ja

V: en waar is dat gebeurd?

A: wel in ons huis

V: wel in jullie huis. Hm.

A: ik was er toen niet bij

V: ok? maar ik vroeg wat je gezien had he, het is dus wel in ons huis gebeurd maar

niet gezien. Hoe weet je dan dat papa dit gedaan heeft?

A: had mijn broertje mij verteld. En [slachtoffer 2] heb het ook aan mama verteld

V: ok?. Wat is het allerlaatste gebeurd bij papa?

A: dat (keel grijpen)

V: dat was het allerlaatste. En aan wie heb jij verteld dat het gebeurd is?

A: aan de politie

V: en aan wie heb jij het allereerste verteld dat dat gebeurd is?

A: aan mama en aan opa

V: aan mama en opa, want je was bij, je was bij papa begrijp ik dat het gebeurd

is. En wanneer vertelde je het dan aan mama op welke dag?

A: dezelfde dag toen ging mama ons ophalen

V: het was dezelfde dag gebeurd als dat mama jullie kwam ophalen, ok?

V: He, soms he, als iemand je pijn doet dan kun je er niks van zien, maar soms wel. Heb jij wel eens gehad dat er iets te zien was?

A: papa zo deed (bij de keel)

V: wat kon je zien dan?

A: ikke niet, dat kon de dokter zien en mama en opa en [slachtoffer 2] . Hier was alle maal

blauwe plekken.

V: daar waren blauwe plekken?

A: en bij [slachtoffer 2] ook

V: en je zegt de dokter, wanneer was je bij de dokter dan?

A: toen mama dat zag toen had mama de dokter gebeld

V: ok?. En welke dokter was dat?

A: dokter Blom maar dan een mevrouw

V: nee. En eh, hoe was jij toen papa jou bij de keel greep?

A: weet ik niet

V: nee. En wat voelde je toen?

A: pijn.

V: pijn. Voelde je nog andere dingen? Nee. En hoe zat het met jouw ademhaling?

A: ik kan niet ademhalen.

V: je kon niet ademhalen? Hoe kon dat dan?

A: dat papa mij heel strak deed

V: nee. En eh, was dat heel even dat je niet kon ademhalen of wat langer of heel

lang of anders?

A: even

V: Had jij wel eens eerder wat tegen anderen verteld over dat papa jou pijn deed?

A: hm

V: aan wie?

A: aan mama en aan opa

V: hm. En aan opa. En eh, wat had je al eerder verteld aan mama en opa?

A: dat papa mij zeer deed

V: en heb je op school wel eens iets aan ie mand verteld? Aan wie dan?

A: aan de directeur en aan de juffrouws

V: en wie zijn jouw juffrouws?

A: juffrouw [lerares 1] en juffrouw [lerares 2] .

V: en wat heb je aan hun verteld?

A: dat papa mij zeer deed

- Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , betreffende het verhoor van [slachtoffer 2] van 11 augustus 2014, pagina 39 – 46,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

(Opmerking griffier: V = vraag A = antwoord)

V: he [slachtoffer 2] , waar over kom jij hier vertellen?

A: eh over papa

V: over papa, en wat kom jij over papa vertellen?

A: als die ons zeer heb gedaan

V: dat hij ons zeer heb gedaan. Vertel daar eens alles over

A: eh, als hij ons soms wel eens slaat en schopt.

A: en wel een keer eh, geduwd.

V: ok? dan ga ik eerst eens beginnen bij jou, dat papa jou zeer heeft gedaan, hoe

vaak heeft papa jou zeer gedaan?

A: bijna elke dag

V: bijna elke dag. Nou vertel daar eens over

A: eh, soms wel een keer geschopt

V: hm

A: geslaat, geduwd, en een keer eh, voor de billen geschopt en oren getrokken,

V: hm ok?. En wat vond je ervan dat hij dat deed?

A: niet leuk

V: niet leuk en waarom vond je dat niet leuk?

A: want dat deed best wel zeer

V: ja? En waar deed het zeer dan?

A: dat hij dat ik heb gedaan

V: maar waar had je dan pijn? Waar deed het zeer?

A: eh..

V: dan wijs je op je arm en hoe kwam het dan dat het daar zeer deed?

A: papa had een keer daar heel hard gegrepen

V: heel hard gegrepen? Ja? En waarom doet hij dat dan?

A: dat weet ik niet

V: dat weet je niet, nee. En waar had je nog meer zeer?

A: ook een keer hier

V: nou moet ik even zien waar jij wijst hoor, dat kan ik niet zien, dat zit onder

de tafel. Nou wijs je op je rechter onderbeen, aan de binnenkant. En waarom deed

het daar zeer?

A: hij hebt daar een keer geschopt

V: en waarmee schopte hij dan?

A: eh met de sokken

V: met de sokken, hm, en waar zitten die sokken dan aan?

A: aan de voeten

V: ok?, en hoe vaak schopte die daar dan?

A: ??n keer

V: ??n keer. Ok?. Hm. En hij heeft jou hier geknepen zeg je he? En je hebt ook

gezegd dat hij wel eens slaat. Waar slaat hij dan?

A: soms wel hier.

V: ja en waar slaat hij dan mee?

A: wat is slaat mee?

V: wat zeg je?

A: wat is slaat mee?

V: waar slaat hij mee? Slaat hij met zijn neus of met zijn eh, met zijn voet, of

met zijn hand, of wat anders?

A: hand

V: met zijn hand? En hoe is die hand dan als die jou slaat? Zo? Dan laat jij zo een

vlakke hand zien he? Ja. En hoe vaak slaat hij jou dan?

A: eh, hij heb mij tien keer geslaan.

V: hm. Maar als die jou, je hebt toen straks verteld, hij sloeg jou wel bijna elke

dag he? Maar als die jou slaat op ??n dag, hoe vaak slaat hij jou dan op ??n dag?

A: ??n keer

V: Nou, he je hebt nou verteld dat papa jou een keer geschopt heeft en dat hij jou gesla gen heeft, dat hij jou geduwd heeft, heb je ook verteld. Vertel daar eens over dan, hoe gaat dat dan?

A: ook een keer ehm, toen hadden wij eh, toen ging die, ging die, toen gingen wij

eh, 's avonds bij elkaar in bed, bij papa in bed en toen gingen wij op de grond

dekbed leggen in de gang want daar is een hele zachte grond en dan gingen ehm, toen

ging papa, toen was papa wakker want wij moesten plassen, gingen wij per ongeluk

doortrekken, toen had papa dat gehoord, had papa dat gezien, toen moesten wij dat

opruimen, toen zei papa snel, toen ging die ons een beetje duwen.

V: een beetje duwen. En waar ging die een beetje duwen dan?

A: eh, toen wij met elkaar gingen grapjes maken en toen gingen wij niet opschieten,

wouden wij niet opruimen

V: ja maar waar ging die een beetje duwen dan? Bij wie?

A: bij [slachtoffer 1] en bij mij

V: en hoe deed die dat?

A: de rug,

V: en dan weet je het niet meer. En wat vond je ervan, van dat duwen?

A: niet leuk

V: en waarom niet?

A: want hij duwde best wel hard

V: hij duwde wel hard. En hoe weet je dat, dat hij best wel hard duwde?

A: want die ging bijna struikelen

V: En je hebt verteld dat hij ook wel eens voor je billen geschopt heeft. En

waar schopt hij dan mee voor je billen?

A: sokken

V: met zijn sokken, hm.

En hoe schopte je dan voor de billen?

A: met de voeten

V: met de voeten en is dat ??n keer of 5 keer of minder?

A: ??n, ??n

V: of wat anders, ??n keer? Hm en wat voel jij dan als hij dat doet?

A: het doet zeer

V: ja? Waar doet het dan zeer?

A: eh hier, en toen weet ik het niet meer

V: en toen weet je het niet meer. En je bent wel eens aan de oren getrokken. Hoe

doet hij dat dan?

A: met de handen

V: met de handen. Doet hij dat aan ??n oor of aan twee oren?

A: ??n

V: aan ??n. En wat doet hij dan precies?

A: zo.

V: en dan?

A: dan weet ik het niet meer

V: en waarom doet hij dat dan?

A: dan gaan wij niet goed luiste ren

V: gaan wij niet goed luisteren, ok? ja. Wat is de allerlaatste keer dat papa dat

soort dingen bij jou gedaan heeft? Wanneer was dat?

A: eh, dat was, als wij bij opa waren

V: als wij bij opa waren

A: als we daar naartoe gingen en blijven slapen

V: en wanneer was dat, weet je dat nog?

A: als papa in de gevangenis ging en dan een stukje later, toen dagen later.

V: nou snap ik het even niet hoor. Weet je nog wat ik vroeg? Wanneer was de

allerlaatste keer dat papa jou of geschopt heeft of geslagen heeft of geduwd heeft,

voor de billen geschopt heeft of aan de oren getrokken heeft, wanneer was de

allerlaatste keer dat dat soort dingen gebeurden?

A: dat was eh, als wij naar opa gingen

V: als jullie naar opa gingen

A: als wij daar bleven slapen

V: ok?. Goed. En is dat lang geleden of is dat kort geleden?

A: kort

V: nee? En eh, je hebt verteld, hij heeft ons zeer gedaan. Hij heeft ook [slachtoffer 1]

zeer gedaan en mama zeer gedaan he? Ja. Eh, wat weet jij dat hij bij [slachtoffer 1] zeer

gedaan heeft?

A: net als mij

V: net als jou, en hoe weet je dat?

A: dat heb ik wel gezien

V: ok?. En deed papa dat dan hetzelfde als bij jou of

A: hetzelfde

V: of harder of zachter of anders?

A: ietsjes harder

V: ietsjes harder, hoe weet je dat?

A: [slachtoffer 1] moet dan wel harder huilen dan bij mij

V: ok?. Hm. En wat is de allerlaatste keer bij [slachtoffer 1] geweest?

A: als hij ook naar opa gingen

V: en was dat dan op dezelfde dag van jou

A: zelfde

V: of de dag ervoor of twee dagen ervoor, de zelfde dag? En wat is er toen met

jullie gebeurd?

A: toen gingen wij even bij opa slapen

V: ja en wat was er toen met papa gebeurd dan?

A: hebben ze hem opgepakt, deze politie had papa gezegd, tegen de politie Borne

V: ja en wat vind jij daarvan?

A: eh, ik weet niet.

V: dat weet je niet? Nee? En toen je bij opa ging slapen he, wat was daarvoor met

papa gebeurd dan, bij jou?

A: eh, weet ik niet

V: en bij [slachtoffer 1] dan?

A: weet ik ook niet

V: nee? Wat vond jij nou de aller ergste keer dat papa bij jou deed?

A: eh slaan

V: het slaan? Ja? En waar slaan? Dat vond je de aller ergste keer ja? Weet je nog

wanneer die keer was?

A: nee

V: nee? En wat vond je de aller ergste keer bij [slachtoffer 1] dan?

A: ook slaan hier.

V: wat was er toen bij papa thuis gebeurd dan?

A: ehm, dat weet ik niet. Weet ik niet. Toen waren we bij opa.

V: maar waarom moest papa toen naar de gevangenis dan?

A: hij had zo gedaan

V: zo gedaan? Oh en wat bedoel je daarmee, hoe noem je dat als ie mand zo doet?

A: killen

V: killen? Oh. En bij wie heeft hij dat gedaan?

A: bij [slachtoffer 1] en bij mij

V: bij [slachtoffer 1] en bij jou? Nou vertel eens eerst over jou.

A: eh als ik naar bed ging en toen wou ik niet naar bed. En toen moest ik toch naar

bed.

V: ja?

A: toen ging mijn papa duwen, en toen ging ik meelopen en toen eh, en toen weet ik

het niet meer.

V: ja maar ik vind het wel belangrijk om het hele maal precies te weten hoe het

ging. Want je had het toen straks over killen, en toen deed je zo, en nou had je

het over van naar bed, je wilde niet naar bed en toen ging die jou duwen en

meelopen en toen? Ik wil precies weten hoe dat gegaan is.

A: en toen gingen we tandenpoetsen en toen wou ik bij papa in bed maar dat mocht

niet, ik ging bij papa in bed liggen, en toen wou papa mij eruit halen maar ik wou

niet dus papa die duwde mij eruit en toen eh, moest ik huilen en toen zei papa,

toen ging papa zo doen en toen deed hij dat ook bij [slachtoffer 1] en toen zei papa, de

ramen staan open. En dat zei die ook met [slachtoffer 1]

V: hm, maar ik wil het nou nog even hebben over bij jou doen, dat killen. Hoe waren

zijn handen precies? Kun je dat voordoen bij jezelf hoe papa's handen precies

waren? Laat maar zien bij jezelf dat killen. Zo. En dan heb jij zo de duimen hier

onder jouw kin en dan alle vingers naar achteren. En wat deed hij dan?

A: eh hij deed zo en toen zei die, de ramen staan open

V: hm maar wat voel jij dan als papa dit doet?

A: dan voel je dat gewoon hier

V: en wat voel je dan?

A: druk

V: druk. Ja? En hoe gaat het dan met je adem2

A: ehm, dat gaat wel goed

V: dat ging wel goed? En hoe lang deed papa dat dan?

A: zo. En toen los

V: en hoe lang duurde het dat papa dit deed?

A: tien tellen

V: hoe weet je dat?

A: ik ging tellen

V: jij ging tellen, ok?. En toen papa dit deed he, zei papa toen nog wat?

A: ja

V: wat dan?

A: de ramen staan open

V: en waarom zei papa dat dan?

A: omdat ik ging huilen

V: omdat je ging huilen

A: en toen was het al heel erg laat want het was vrijdag en dan mogen we altijd

ietst later opblijven en toen waren alle kindjes al naar bed

V: en toen, toen papa jou gekild had, wat toen?

A: toen gingen wij naar bed en toen kwam papa eventjes bij jou en toen niet meer.

V: eventjes bij je liggen en toen niet meer. Hm. En wanneer heeft hij dat dan bij

[naam 2] , ik zeg het altijd, ik zeg zijn naam verkeerd.

A: [slachtoffer 1]

V: [slachtoffer 1] en ik zeg [naam 2] . Dom he? Wanneer heeft hij dat bij [slachtoffer 1] gedaan?

A: dezelfde dag

V: dezelfde dag?

A: dan 's middags en bij mij 's avonds

V: ok? en hoe ging dat bij [slachtoffer 1] dan?

A: precies dezelfde

V: en waarom deed papa dat dan bij [slachtoffer 1] ?

A: [slachtoffer 1] die ging niet luisteren

A: en toen ging die daar staan bij [slachtoffer 1] en toen had hij dat gedaan

V: toen ging hij staan bij [slachtoffer 1] en toen had hij dat gedaan. Maar waar waren

jullie dan toen dat gebeurde?

A: bij papa in huis

V: ja en in welke kamer van het huis?

A: eh de woonkamer

V: hm. En ik probeer jou even na te vertellen, jullie waren goede tijden aan het

kijken en papa die wou dat [slachtoffer 1] stil was want die wou dat luisteren en wat deed

[slachtoffer 1] dan?

A: die maakte grapjes met mij en toen gingen wij heel hard lachen

V: ja en toen?

A: en papa had daar last van, van [slachtoffer 1] , als die zo hard had gelachen

V: ja en toen?

A: en toen, [slachtoffer 1] zei ook grapjes over papa. Dat wou papa niet

V: maar hij wou dat hij zijn mond hield en dat deed hij niet en toen?

A: en toen had papa bij keel gegrepen en toen moest [slachtoffer 1] naar bed

V: hm en hoe greep hij [slachtoffer 1] bij de keel dan?

A: net als mij

V: net als bij jou. En zei papa daar nog wat bij?

A: ja de ramen staan open

V: ok?. De ramen staan open. En heb jij nog wat gezegd?

A: ehm, nee. En toen moest ik naar bed.

V: wie heeft het verteld aan mam dan?

A: [slachtoffer 1]

V: [slachtoffer 1] ? Ja? He en eh, nou heb ik ook gehoord dat jij en [slachtoffer 1] bij de dokter

zijn geweest, klopt dat?

A: ja

V: en waarom was dat?

A: blauwe plekken te kijken

V: en waar waren die blauwe plekken dan?

A: hier bij mij, nee bij [slachtoffer 1] hier en bij mij hier. Nou zijn die blauwe plekken

weg denk ik

V: ok?. En eh, heb je wel eens vaker blauwe plekken daarvan gehad?

A: ja

V: waar dan?

A: soms wel hier, soms wel, moet ik even nadenken, SOMB wel eens hier. En soms wel

aan mijn rug en soms wel op mijn been.

V: en hoe komt dat dan?

A: toen had papa ons zeer gedaan.

- De medische verklaring betreffende [slachtoffer 1] , opgemaakt op 13 juni 2014 door

J.H.A. Teeuw-Schaap, waarnemer voor G.J. Blom, huisarts te Wierden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Heden zag ik op de praktijk de kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Objectief onderzoek (d.d. 13-6-2014 om 1500 uur)

- bij [slachtoffer 1] (geb [geboortedag] -2006)

- momenteel links onderin de hals een haematoom

- rechts onderin de nek wat gezwollen en diffuus iets blauw (hematoom)

- rechts onder de kin rode streep

- nek achter oppervl litteken rood (ouder letsel)

- Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 17 juni 2014, pagina 20, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

De laatste tijd, ongeveer 3 a 4 maanden, hoorde ik vaak van de jongens dat "papa is

vaak boos", "papa is bijna altijd kwaad" en dat papa hen wel eens pijn deed door

aan de haren te trekken en ook wel eens een schop gaf. Ik heb niet eerder gehoord

dat ze bij de keel waren gepakt door papa, want dan had ik het wel opgepakt.

Ongeveer drie weken geleden kwam [moeder] met de jongens bij mij en vertelde dat

[slachtoffer 1] had gezegd dat papa hem in de rug had getrapt en dat hij daardoor niet had

kunnen fietsen. Dit zou dan ongeveer 3 a 4 dagen geleden zijn gebeurd.

Bij [slachtoffer 1] heb ik, denk ik 2 a 3 maanden geleden, striemen in zijn nek gezien.

- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [lerares 1] van 24 juni 2014, pagina 22 en 23, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

Ik ben leerkracht op school " [school] " aan [adres 3] in [plaats] . Ik geef les in

groep 3/4.

In mijn klas zit [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zit sinds groep 2 bij ons op school.

Toen [slachtoffer 1] bij ons in de klas kwam wist ik wat van zijn persoonlijke geschiedenis.

[slachtoffer 1] heeft mij wel eens verteld dat zijn vader hem wel eens knijpt, schopt en aan zijn haren trekt. Ik heb hem eens gevraagd hoe vaak zijn vader dat doet. [slachtoffer 1] zegt dan:' wel elke

week.' Ik heb niet overdreven veel blauwe plekken gezien bij [slachtoffer 1] . Hij heeft ze wel eens. Ik denk dat [slachtoffer 1] vier a vijf keer heeft gezegd dat zijn vader hem schopt, knijpt

en aan de haren trekt. Aan het begin van het schooljaar had hij het er eigenlijk

nooit over. Maar toen was het AMK nog in beeld. Ik denk dat het sinds januari 2014

slechter gaat. Vanaf toen was het AMK uit beeld.

- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [lerares 2] van 24 juni 2014, pagina 26, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

Ik ben een van de leraressen van [slachtoffer 1] . Ik ben werkzaam op de " [school]

[school] " aan de [adres 3] te [plaats] . Dit is een speciaal basisonderwijs.

Ik weet niet precies wanneer, maar op een gegeven kwam [slachtoffer 1] met "papa knijpt mij wel

eens" of "papa schopt mij tegen mijn billen of rug" of "papa trekt mij aan mijn haren". Ik hoorde [slachtoffer 1] ook vertellen dat hij dan niet mocht huilen of gillen, als hij geslagen werd, want dan horen de buren het.

Ik heb [slachtoffer 1] op de donderdag, nadat zijn vader was aangehouden, gesproken. [slachtoffer 1]

vertelde dat hij bij zijn vader thuis met de Lego aan het spelen was en dat zijn

vader uit het niets hem bij zijn keel had gepakt. [slachtoffer 1] vertelde dat hij een minuut lang geen lucht had gekregen, omdat zijn vader zijn keel dichtkneep.