Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5211

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
AWB 15/2301, 15/2302, 15/2303 en 15/2304
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De omgevingsvergunningen voor de bouw en uitbreiding van de gemeentewerf in IJsselmuiden zijn terecht verleend. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2301, 15/2302, 15/2303 en 15/2304

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van

Driepak Verpakkingen B.V. gevestigd te IJsselmuiden, verzoekster I,

gemachtigde mr. J. de Vet,

[naam 1] Hei- en Waterwerken B.V., [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,

gevestigd/wonende te IJsselmuiden, verzoekers II,

gemachtigde: mr. J. de Ruiter.

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

Als belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: Anna’s Factory B.V., gevestigd te IJsselmuiden.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2014 (primair besluit A) heeft verweerder aan belanghebbende omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van loodsen op het perceel [adres 1] in IJsselmuiden, kadastraal bekend gemeente IJsselmuiden, [kadastrale gegevens 1] .

Bij besluit van 22 september 2015 (primair besluit B) heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het bouwen/uitbreiden/verbouwen van een bestaande inrichting naar gemeentewerf en voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [adres 2] in IJsselmuiden, kadastraal bekend gemeente IJsselmuiden, [kadastrale gegevens 2] .

Verzoeksters hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Namens verzoekster I is verschenen J. Beens. Namens verzoekers II zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [verzoeker 2] . Verzoekster I en verzoekers II zijn ter zitting bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers II, mr. J. de Ruiter. Namens verweerder zijn verschenen J.L. Bogerd en M.B.M. Roelink. Namens belanghebbende is verschenen [naam 4] .

Overwegingen

1.1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2

Ter toetsing ligt voor de vraag of de bestreden besluiten naar verwachting in bezwaar in stand zullen blijven.

Relevante feiten

2.1

De bestreden besluiten houden verband met verplaatsing van de gemeentewerf naar het Tasveld in IJsselmuiden (op het bedrijventerrein Zendijk). Belanghebbende heeft van de gemeente Kampen opdracht gekregen om de omgevingsvergunningen uit te voeren.

2.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat besluit A betrekking heeft op het uitbreiden van de op de overgelegde situatietekeningen aangeduide gebouwen B en C met een tussenstuk van 250 m2 tussen de bestaande loodsen, ten behoeve van de stalling van veegmachines.

2.3

Besluit B heeft betrekking op het bouwen, uitbreiden en intern verbouwen van de op de overgelegde situatietekeningen aangeduide gebouwen A, D, E, F, G, H.

Het besluit ziet, anders dan de formulering van het bestreden besluit B (zoals vermeld onder ‘Procesverloop’) doet vermoeden, niet op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), zo is ter zitting door verweerder bevestigd.

Wet- en regelgeving, toetsingskader

3.1

Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, onder a en c, van de Wabo bepaalt, voor zover van belang en samengevat weergegeven, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen voldoet aan het Bouwbesluit;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen voldoet aan de Bouwverordening;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo bepaalt, voor zover van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

3.2

Ter plekke geldt ingevolge het bestemmingsplan “Spoorlanden en Zendijk” de bestemming “Bedrijventerrein” met de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”.

Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder c, bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van Bijlage 1 (de “Staat van Bedrijfsactiviteiten”).

In de Staat van Bedrijfsactiviteiten is onder SBI-code 9002.1 opgenomen: “Gemeentewerven (afval-inzameldepots)”, behorend tot categorie 3.1.

Artikel 4.2.1 van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met deze bestemming gebouwen ten dienste van deze bestemming mogen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

d. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen.

Artikel 4.4, aanhef en onder c, van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bepaalde in:

4.2.1

onder d en toestaan dat de afstand tot de zijdelingse perceelgrens wordt verminderd tot 0 m, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en veiligheid in geval van calamiteiten.

Artikel 4.4.1 bepaalt dat een in 4.4 genoemde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. het straat- en bebouwingsbeeld;

b. de milieusituatie;

c. de verkeersveiligheid;

d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

e. de sociale veiligheid;

f. de externe veiligheid.

3.3

Artikel 2.3.27, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Kampen 2012 bepaalt het volgende.

Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Standpunten

4.1

Verweerder heeft geconcludeerd dat het bouwplan dat aan besluit A ten grondslag ligt, in overeenstemming is met het bestemmingsplan (zowel wat betreft de gebruiksvoorschriften als de bouwvoorschriften).

Met betrekking tot besluit B heeft verweerder geconcludeerd dat het bouwplan dat daaraan ten grondslag ligt ook in overeenstemming is met de gebruiks- en bouwvoorschriften van het bestemmingsplan, behalve voor zover de gebouwen D, E en F (nagenoeg) op de erfgrens zijn gesitueerd. Dit is in strijd met artikel 4.2.1d van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft daarom voor deze afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 4.4c van de bestemmingsplan. In verband hiermee heeft verweerder overwogen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en veiligheid en voorts geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de sociale veiligheid en de externe veiligheid. Daarom waren er volgens verweerder geen redenen om de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan niet te verlenen.

4.2

Verzoekster I voert – samengevat – het volgende aan:

 Verzoekster I heeft gewezen op de gebrekkige communicatie vanuit de gemeente met de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven en de bewoners.

Volgens verzoekster I is voorts sprake van het door de gemeente overtreden van regels voor aanbestedingen en toekenning van werkzaamheden.

Verder is volgens verzoekster I sprake van belangenverstrengeling, nu verweerder omgevingsvergunningen heeft verleend ten behoeve van de vestiging van de gemeentewerf op het bedrijventerrein.

 Volgens verzoekster I is de onderhavige locatie ook ongeschikt om als gemeentewerf in gebruik te nemen. Er worden teveel mensen en materialen op een te kleine locatie gepropt. Een andere locatie zou geschikter zijn.

 Verzoekster I heeft in verband hiermee voorts aangevoerd dat het bedrijventerrein ook niet berekend is op een toename van verkeersbewegingen en er zal overlast ontstaan voor de ambulancedienst die op het bedrijventerrein is gevestigd en voor de 20 gezinnen die op het bedrijventerrein woonachtig zijn, ook omdat er geen voet- en fietspaden zijn. Verder zal het gebruik van sluiproutes toenemen.

 Verzoekster I verwacht nadelige milieugevolgen, in die zin dat de opslag van groenafval schade en overlast zal veroorzaken, doordat sprake zal zijn van zwerfvuil, ongedierte en geuroverlast.

 Verzoekster vreest ook dat de veroorzaakte geur zal worden opgenomen in zijn handelswaar (karton en papier). Verder verwacht verzoekster I beschadiging van zijn gebouwen en handelswaar door zoutafzetting vanwege het zoutdepot en door water en nevel afkomstig van de wasplaats.

 Door het bouwen op de erfgrens verdwijnt volgens verzoekster I het uitzicht en is er sprake is van (minder) daglicht en zon. Ook wordt gevreesd voor overlast door de schittering van de zon op het opgeslagen zout.

 Voorts is aangevoerd dat door de toename van bebouwing (mede door het bouwen tot de erfgrens) het brandrisico toeneemt.

4.3

De grieven van verzoekers II komen overeen met de grieven van verzoekster I, behalve voor zover verzoekster I vreest voor bedrijfsspecifieke gevolgen.

Verzoekers II hebben daaraan toegevoegd dat door vestiging van de gehele gemeentewerf op het bedrijventerrein (parkeer)overlast zal ontstaan door personeel, toeleveranciers en onderaannemers, die met personeel en materieel naar het bedrijventerrein komen. Parkeren en laden, lossen en overslag van onder meer vrachtwagens zal niet op eigen terrein plaatsvinden, maar op de openbare weg of ‘bij de buren’, met alle overlast van dien.

Verzoekers II voeren specifiek ten aanzien van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan nog aan dat gevreesd wordt voor de bedrijfsvoering van [naam 1] Hei- en Waterwerken B.V. op het naastgelegen perceel, omdat gewerkt wordt met lange voorwerpen zoals kranen, heistellingen, heipalen en ijzeren pijpen. Hier wordt op het terrein veel mee gedraaid, gezwaaid, verplaatst en heen en weer gereden. Door te bouwen tot op de erfgrens, verwachten verzoekers II onderlinge problemen, ergernissen en schade en een toename van het brandgevaar. Ook verliezen mensen door te bouwen op de erfgrens hun uitzicht op de omgeving en de langslopende openbare weg.

De beoordeling

5.1

Vooropgesteld moet worden dat het in artikel 2.10 van de Wabo neergelegde stelsel voor de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunningen een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel betreft. Dat houdt in dat dwingend is voorgeschreven dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien één of meer van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoet/voordoen en dat de vergunning moet worden verleend indien geen van die weigeringsgronden zich voordoet. Er is dus sprake van een gebonden beschikking. Dit betekent dat daarbij voor een afweging van belangen in zoverre geen ruimte is.

Dit geldt niet voor zover de gebouwen D, E en F in afwijking van artikel 4.2.1d van het bestemmingsplan tot op de erfgrens zijn gesitueerd. Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo en de artikelen 4.4, aanhef en onder c, en 4.4.1 van het bestemmingsplan laten wel ruimte voor een afweging van belangen, met dien verstande dat die ruimte wordt beperkt door de in die artikelen genoemde belangen.

Een besluit om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder. Daarbij heeft verweerder beleidsvrijheid. De voorzieningenrechter moet de toepassing van deze bevoegdheid daarom terughoudend toetsen, dat wil zeggen, zich beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het al dan niet verlenen van die omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten.

5.2

Ten aanzien van de door verzoekster I en verzoekers II (hierna: verzoekers) gestelde gebrekkige communicatie van de gemeente, onrechtmatige aanbesteding van werkzaamheden door de gemeente en de gestelde belangenverstrengeling, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit buiten het toepasselijke toetsingskader valt, zoals weergegeven onder 3. Deze grieven kunnen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet slagen en leiden niet tot het treffen van een voorlopige voorziening.

5.3

Met betrekking tot de grieven die het toetsingskader dat volgt uit artikel 2.10, eerste lid, onder a en c, van de Wabo betreffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

5.3.1

Voor wat betreft de toetsing van de bouwplannen aan het Bouwbesluit, geldt dat verzoekers weliswaar hebben aangevoerd dat er sprake is van een toename van brandrisico op het bedrijventerrein door een toename van de bebouwing, maar verzoekers hebben deze stelling niet geconcretiseerd of onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat de bouwplannen niet voldoen aan de eisen inzake brandveiligheid die volgen uit het Bouwbesluit. In zoverre treft deze grief geen doel.

5.3.2

Ten aanzien van de toetsing van de bouwplannen aan artikel 2.3.27, eerste lid, van de Bouwverordening, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verweerder heeft berekend dat ingevolge de Bouwverordening op de onderhavige locatie 36 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Deze parkeernorm is als zodanig niet bestreden. De voorzieningenrechter is voorts niet aannemelijk geworden, gelet op het aantal parkeerplaatsen dat reeds op de overgelegde situatietekeningen is aangeven (34), en de ter zitting nader aangeduide, resterende ruimte voor extra parkeerplaatsen, dat dit niet mogelijk is. Van strijdigheid met de Bouwverordening is de voorzieningenrechter derhalve niet gebleken.

5.3.3

Voor wat betreft de redelijke eisen van welstand geldt dat aan de bestreden besluiten een positief welstandsadvies van 19 augustus 2015 (een zogenaamd stempeladvies) ten grondslag ligt. Bij brief van 9 november 2015 heeft de welstandscommissie dit advies nader gemotiveerd. Verzoekers hebben dat advies en de nadere motivering niet bestreden, zodat de voorzieningenrechter evenmin gebleken is van strijdigheid met de redelijke eisen van welstand.

5.3.4

Ten aanzien van de grieven die verband houden met de gebruiks- en bouwmogelijkheden volgend uit het bestemmingsplan, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ten aanzien van de grief dat de onderhavige locatie ongeschikt is voor het vestigen van de gemeentewerf en een andere locatie geschikter zou zijn, overweegt de voorzieningenrechter dat het vestigen van de gemeentewerf op de onderhavige locatie als zodanig thans niet ter beoordeling voorligt. De voorzieningenrechter dient zich te beperken tot beoordeling van de omgevingsvergunningen. Deze betreffen de daaraan ten grondslag liggende bouwplannen. Weliswaar zijn de bouwplannen getoetst met het oog op het beoogde gebruik ten behoeve van de gemeentewerf, maar niet ter discussie staat dat dit gebruik als zodanig in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat op de onderhavige locatie immers bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toe, waaronder “Gemeentewerven (afval-inzameldepots)”, behorend tot categorie 3.1. Voor een nadere beoordeling van de geschiktheid van de onderhavige locatie is dan geen ruimte.

Nu ter plekke een gemeentewerf is toegestaan, treffen de grieven van verzoekers die zien op de gestelde, te verwachten verkeersproblemen en de (milieu-)gevolgen geen doel.

In verband hiermee overweegt de voorzieningenrechter dat de eventuele verkeers- en milieugevolgen door het gebruik van de onderhavige locatie in overeenstemming met de bestemming, reeds in het kader van de vaststelling van die bestemming geacht moeten worden (voldoende) te zijn beoordeeld en meegewogen.

Tegen eventueel toekomstig gebruik van de openbare weg of de onderhavige gronden, dat strijdig mocht blijken te zijn met het bestemmingsplan of geldende milieuvoorschriften, zal verweerder in beginsel handhavend moeten optreden. Ook dit valt thans buiten de omvang van de beoordeling. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand is gebleken van enig strijdig gebruik.

5.4

Voor zover omgevingsvergunning is verleend voor afwijking van het bestemmingsplan, waarmee situering van de gebouwen D, E en F tot op de erfgrens wordt toegestaan, overweegt de voorzieningenrechter, in het kader van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo en de artikelen 4.4, aanhef en onder c, en 4.4.1 van het bestemmingsplan, als volgt.

5.4.1

De voorzieningenrechter ziet geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat door deze afwijking onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en veiligheid in geval van calamiteiten. Voor zover verzoekers dat hebben willen betogen, is hun betoog onvoldoende concreet en onderbouwd.

5.4.2

Voor wat betreft de gestelde aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, geldt dat van onevenredige aantasting niet is gebleken, reeds nu de welstandcommissie positief heeft geadviseerd en het advies als zodanig niet is bestreden.

5.4.3

Ten aanzien van de door verzoekers gestelde gevolgen voor de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van hun aangrenzende percelen, vanwege overlast en schade door verspreiding van strooizout, pekel, water en nevel, geldt dat verweerder in het verweerschrift nader heeft gemotiveerd waarom van noemenswaardige verspreiding van strooizout en pekel en van water- en neveloverlast geen sprake zal zijn. Verzoekers hebben hun daartoe strekkende vrees niet nader gemotiveerd en onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter geen concrete aanknopingspunten ziet voor twijfel aan de motivering van verweerder.

5.4.4

De voorzieningenrechter acht evenmin voldoende concreet gemotiveerd en onderbouwd dat de afwijking – als zodanig – een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid meebrengt.

5.4.5

Met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, acht de voorzieningenrechter de enkele stelling dat sprake zal zijn van verminderde zon- en daglichttoetreding en het beperken van manoeuvreerruimte onvoldoende om voorlopig te oordelen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

Ten aanzien van de ter zitting door verzoekster I gestelde belemmering van het uitoefenen van een recht op erfdienstbaarheid ten behoeve van het openen en sluiten van het toegangshek naar het perceel van verzoekster I, geldt dat van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan omgevingsvergunningverlening in de weg staat ook niet is gebleken. Het is aan de betrokkenen om eventuele privaatrechtelijke geschillen op te lossen.

5.4.6

Ten aanzien de sociale en externe veiligheid hebben verzoekers geen specifieke gronden naar voren gebracht, althans niet voor zover deze in het licht van de hierboven genoemde grieven niet reeds zijn beoordeeld.

5.4.7

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is derhalve niet gebleken van belangen op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen komen.

6. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar de bestreden besluiten naar verwachting in stand zullen blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Het verzoek wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.