Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5089

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
08/994510-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk zonder over gespecialiseerde kennis te beschikken. Het vuurwerk was opgeslagen in de woning van verdachte die is gelegen in een woonwijk.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 uur, plus een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/994510-15

Datum vonnis: 18 november 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 november 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.H.E. Groeneboer en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. T. Geerdink, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 23 december 2014 samen met een ander in Hengelo professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 december 2014, in de gemeente Hengelo, op het adres

[adres] , samen en in vereniging met anderen of een ander

dan wel alleen, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, al

dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten

- 4, althans een aantal flowerbeds (artikelnummer DT14043/F951056A-200,

Bateria 2"R01210, R1325A en/of TXB585) (blz. 109),

-144, althans een aantal Shells of mortierbommen (één 12 inch zonder naam,

merk of artikelnummer, overige met de artikel nummers IC6001, IC4001,

DS03, LB/FRF/SNY/U en/of Colpo Atomyc 80) (blz. 140),

- 8, althans een aantal bangers (Cobra 8) (blz. 185 en aanvullend

proces-verbaal de dato 1 mei 2015),

- 14, althans een aantal bangers (Cobra 6), (blz. 185 en aanvullend

proces-verbaal de dato 1 mei 2015),

- 20, althans een aantal bangers (Butterfly Cracker) (blz. 185)

en/of

- 20, althans een aantal vuurpijlen (Thunderking) (blz. 244)

voorhanden heeft gehad;

art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, met dien verstande dat het bij het laatste gedachtestreepje gaat om 10 vuurpijlen, en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen verklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.1

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de machtiging op grond waarvan de woning van verdachte is binnengetreden niet voorzien is van een handtekening van een (hulp)officier van justitie, die volgens de verdediging op grond de Algemene wet op het binnentreden vereist is. Verder heeft de verdediging, kort weergegeven, aangevoerd dat het verslag, dat is opgemaakt van het binnentreden, geen eenduidig beeld geeft van de wijze waarop het vuurwerk is aangetroffen en of er in de woning daadwerkelijk sprake is geweest van niet meer dan “zoekend rondkijken”. Er is onder een dekzeil gekeken, hetgeen verder gaat dan zoekend rondkijken, zodat het daaronder aangetroffen vuurwerk van het bewijs moet worden uitgesloten.

De officier van justitie heeft er op gewezen dat er, naast een niet ondertekende machtiging, er wel degelijk ook een ondertekende machtiging tot binnentreding in het dossier aanwezig is. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de binnentreding op een rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat verdachte toestemming heeft gegeven de woning te betreden en vervolgens aan de verbalisanten heeft aangegeven waar het vuurwerk zich in de woning bevond.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweeg allereerst dat zich in het dossier (blz. 320) een getekende machtiging tot binnentreden van een woning bevindt die ziet op het adres waar verdachte woonachtig is zodat de feitelijke grondslag aan het verweer van de verdediging op dit punt ontbreekt.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer hersteld kunnen worden en de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, kan de rechtbank ingevolge artikel 359a Sv bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het verzuim hoeft niet tot het genoemde rechtsgevolg te leiden. Genoemd artikel biedt de rechtbank de mogelijkheid daarvan af te zien. De rechtbank dient daarbij rekening te houden met belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Aan een inbreuk op het huisrecht hoeft in de strafprocedure geen rechtstreeks rechtsgevolg te worden verbonden mits het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.

In het onderhavige geval beschikten de verbalisanten over een machtiging tot binnentreden van de woning van verdachte. Uit het proces-verbaal (blz. 25) blijkt dat verbalisanten, voorafgaand aan het tonen van de machtiging, verdachte hebben geïnformeerd over de aanleiding van hun komst, waarna verdachte verklaarde vuurwerk in huis te hebben. Na het tonen van de machtiging en het geven van de cautie, heeft verdachte aangegeven dat er zowel op de zolder als in de kruipruimte vuurwerk lag. De verbalisanten hebben vervolgens al zoekend rondkijkend in de kelder en op zolder vuurwerk aangetroffen. De enkele omstandigheid dat daarbij een luik en/of een afdekzeil is opgetild maakt niet dat de verbalisanten traden buiten de sfeer van het zoekend rondkijken, waarvoor verdachte toestemming had verleend. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van schending van het huisrecht van verdachte of dat het verdedigingsbelang van verdachte anderszins is geschonden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

5.4

De conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

  1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

  2. het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 december 2015, blz. 367;

  3. het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, blz. 109, 110, 140, 141, 185, 186 en 244.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2014, in de gemeente Hengelo, op het adres [adres] , samen en in vereniging met een ander, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten

- 4 flowerbeds,

- 144 shells of mortierbommen (één 12 inch zonder naam),

- 8 bangers (Cobra 8),

- 14 bangers (Cobra 6),

- 20 bangers (Butterfly Cracker)

en

- 10 vuurpijlen (Thunderking),

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 9.2.2.1 Wet milieubeheer, 1.2.2. Vuurwerkbesluit, 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet Milieubeheer.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk zonder over gespecialiseerde kennis te beschikken. Het vuurwerk was opgeslagen in de woning van verdachte die is gelegen in een woonwijk. Dit heeft grote risico’s met zich meegebracht voor zowel voor de bewoners van de woning van verdachte zelf, als voor de omwonenden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het vuurwerk voorhanden heeft gehad zonder zich rekenschap te geven van het gevaarzettende karakter daarvan. Professioneel vuurwerk is niet alleen brandgevaarlijk maar brengt bij ontbranding en ontploffing ook enorme risico’s met zich mee. De rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd, zwaar laten wegen dat verdachte niet eerder voor een soortelijk delict met justitie in aanraking is geweest en op de andere persoonlijke omstandigheden blijkend uit het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn, maar dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, desalniettemin kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf van na te noemen duur. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde aan verdachte een duidelijke waarschuwing voor de toekomst mee te geven.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan in zoverre vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet Milieubeheer;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Melaard en

mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2014231559 van 10 maart 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.