Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5088

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
AWB 14/2157
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor het in werking hebben van en het wijzigen van een pluimveehouderij.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de aangevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2157

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] e.a., te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. V. Wösten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst - Wijhe, verweerder.

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:

Maatschap [maat 1] – [maat 2], te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.J. Smaling.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het in werking hebben van en het wijzigen van de pluimveehouderij aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Dit besluit omvat mede een verklaring van geen bedenkingen ingevolge de Natuurbeschermingswet.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit pro forma beroep ingesteld. De gronden zijn op

23 september 2014 binnengekomen. De gronden zijn nader aangevuld op 25 september 2014.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Eisers zijn verschenen in de persoon van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker gemeente 1] en

[medewerker gemeente 2] , werkzaam bij de gemeente Olst – Wijhe, [medewerker uitvoeringsdienst] , werkzaam bij de regionale uitvoeringsdienst, en [medewerker provincie] , werkzaam bij de provincie Overijssel. Derde-belanghebbende (hierna: de maatschap) heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Na de zitting heeft verweerder, op een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank, nadere stukken met betrekking tot het verlenen van (bouw)vergunning(en) voor stallen B, C en D, in het geding gebracht.

De rechtbank heeft op 2 maart 2015 het onderzoek heropend.

Op 2 april 2015 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) als deskundige benoemd. Op 29 juni 2015 heeft de StAB een advies uitgebracht. In dit advies zijn de reacties van eisers, verweerder en de maatschap op het conceptadvies verwerkt.

Op 22 september 2015 hebben eisers nadere stukken in het geding gebracht.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Eisers zijn verschenen in de persoon van [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 4] , [eiser 3] en

[eiser 5] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker gemeente 3] en [medewerker uitvoeringsdienst] . De maatschap en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. J.H. Grit en W. Veth, werkzaam bij de StAB, zijn als deskundigen ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. De maatschap exploiteert op het perceel een pluimveehouderij. De (voorheen) vergunde situatie betrof het navolgende:

Stal B: 12.000 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 (RAV-code E2.11.2.1).

Stal C: 10.000 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 (RAV-code E2.11.2.1).

Stal D: 17.900 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 (RAV-code E2.11.2.1).

Stal E: 2 paarden.

Bij aanvraag, binnengekomen 17 juli 2013, heeft de maatschap verweerder verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen voor het in werking hebben en het wijzigen van het pluimveebedrijf op het perceel. Deze aanvraag ziet op een uitbreiding van het aantal te houden leghennen van 39.900 hennen naar 61.900 hennen. De uitbreiding vindt plaats binnen de bestaande gebouwen en wordt gerealiseerd door wijziging van het huisvestingssysteem in stallen B en D en doordat de wintergartens (in stallen B, C en D) gebruikt gaan worden als strooiselruimten. Het aantal paarden (2 stuks) blijft ongewijzigd.

Deze aanvraag is meerdere keren aangevuld, laatstelijk op 23 januari 2014.

Verweerder heeft de aanvraag als volgt geduid en beoordeeld:

Stal B: 22.100 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2005.04.V1 (RAV-code E2.11.3).

Stal C: 15.100 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 (RAV-code E2.11.2.1).

Stal D: 24.700 leghennen; huisvestingssysteem BWL 2005.04.V1 (RAV-code E2.11.3).

Stal E: 2 paarden.

De ontwerpbeschikking heeft van 27 maart 2014 tot en met 7 mei 2014 ter inzage gelegen. Eisers hebben binnen deze termijn een zienswijze ingediend.

Op 28 mei 2014 hebben gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) juncto artikel 47b van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) verleend.

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning (gewijzigd) verleend. Deze wijziging betreft het verwijderen van de afwijkende meethoogte van

1,5 meter voor de [adres 2] uit voorschrift 5.1.4, zodat de gebruikelijke meethoogte van

5 meter van toepassing is. Dit besluit omvat mede de verklaring van geen bedenkingen op grond van de Nbw.

2. Er is sprake van een inrichting en, gezien de bedrijfsmatige activiteiten die deze inrichting uitoefent, van een IPPC-installatie. Het betreft een aangewezen (vergunningplichtige) inrichting in de zin van artikel 1.1, derde lid, van de Wabo juncto artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is er sprake van een type C inrichting.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.4, eerste en tweede lid, van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid, van de Bor juncto categorie 8 van onderdeel C van bijlage I van het Bor, is verweerder bevoegd om te beslissen op de aanvraag.

Het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning als aangevraagd door de maatschap slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

3. Eisers hebben acht beroepsgronden ingebracht. Verweerder heeft in zijn verweerschrift met betrekking tot een aantal beroepsgronden aangevoerd dat deze beroepsgronden hun grondslag niet vinden in de ingediende zienswijze, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zou zijn. De rechtbank merkt dit verweer aan als een beroep op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en overweegt hieromtrent het volgende.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155, het navolgende geoordeeld:

“Toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij omgevingsvergunningen

2.4.

Hoewel de Wabo op dit geding niet van toepassing is, acht de Afdeling het voor de rechtspraktijk van belang reeds thans de vraag te beantwoorden of de in overweging 2.3.1 bedoelde rechtspraak inzake artikel 6:13 van de Awb moet worden voortgezet in gedingen over besluiten inzake een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

2.4.1.

Een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo heeft betrekking op het uitvoeren van een project dat uit verschillende activiteiten kan bestaan. Het ligt in de rede voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb elk van de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen, als besluitonderdeel op te vatten.

2.4.2.

De Afdeling overweegt over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb op de beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende categorieën milieugevolgen, die in een omgevingsvergunning zijn vervat, als volgt.

Onder het recht dat voor de invoering van de Wabo gold, moest het bevoegd gezag ook bij beslissingen over een vrijstelling met het oog op de verlening van een bouwvergunning onder omstandigheden de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen voor het woon- en leefklimaat beoordelen. De rechtspraak vatte die beoordelingen voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen op. Tekst noch geschiedenis van de Wabo geeft aanleiding die lijn te wijzigen. Dit betekent dat, als met betrekking tot een omgevingsvergunning - als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met c, van de Wabo - voor het bouwen in strijd met een bestemmingsplan eerst in beroep gronden over bijvoorbeeld geluid worden aangevoerd, er ook onder de Wabo geen aanleiding is het beroep ter zake van die toestemming in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Als de desbetreffende omgevingsvergunning tevens een - in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedoelde - toestemming tot het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting bevat en het beroep zich ook tegen deze toestemming richt, ligt het niet in de rede ter zake van deze toestemming wel te beslissen dat het beroep wegens het eerst in beroep aanvoeren van gronden over geluid in zoverre niet-ontvankelijk is. Daarom ziet de Afdeling, in aanmerking genomen dat tekst noch geschiedenis van de Wabo in een andere richting wijst, aanleiding beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende categorieën milieugevolgen die in een besluit over een omgevingsvergunning zijn vervat, voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen aan te merken.

Wijziging van de rechtspraak over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij milieuvergunningen

2.5.

Ook na de invoering van de Wabo kunnen in een aantal gevallen nog steeds op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer besluiten inzake milieuvergunningen worden genomen. Tegen die besluiten staat op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer rechtstreeks beroep bij de Afdeling open. Overweging 2.4.2 geeft de Afdeling aanleiding, ter wille van de rechtseenheid, ook in die gedingen beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen niet meer voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb als besluitonderdelen aan te merken. In het belang van de rechtszekerheid zal deze wijziging van de rechtspraak eerst worden toegepast op beroepen tegen besluiten die op of na 1 april 2011 op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt.”

Uit deze jurisprudentie volgt dat de verschillende categorieën milieugevolgen niet meer als verschillende besluitonderdelen in de zin van artikel 6:13 van de Awb worden aangemerkt. Het enkele feit dat bepaalde beroepsgronden hun grondslag niet vinden in de zienswijzen betekent dan ook niet automatisch dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. Bepalend is of deze beroepsgrond zich richt op een afzonderlijk dan wel hetzelfde besluitonderdeel.

3.1.

Eisers stellen dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen omdat de aanvraag niet voldoet aan de indieningsvereisten zoals neergelegd in artikel 4, eerste lid, onder j, van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor). De reden hiervoor is dat er geen onderzochte alternatieven in de aanvraag zijn genoemd. Ter zitting hebben eisers desgevraagd meegedeeld dat een vermindering van het aantal te huisvesten leghennen dan wel het op andere wijze situeren van de stallen een alternatief is.

De maatschap heeft desgevraagd ter zitting betoogd dat de in de aanvraag omschreven (en thans vergunde) huisvesting van de legkippen een verbetering is ten opzichte van de voorheen vergunde situatie. Het verminderen van het aantal leghennen is volgens de maatschap geen financieel haalbaar alternatief. Ditzelfde geldt voor het op andere wijze situeren van de stallen, nu er sprake is van reeds bestaande bebouwing.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 4.1, eerste lid, onder j, van de Mor bepaalt dat in of bij de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting, voor zover het betreft inrichtingen waartoe IPPC-installaties behoren, de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

De rechtbank oordeelt dat uit het enkele feit dat niet is voldaan aan de indieningsvereisten, zoals gesteld bij de Mor, niet volgt dat de omgevingsvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan verweerder om te beoordelen of er voldoende gegevens en bescheiden bij de aanvraag zijn ingediend. In casu is tussen partijen niet in geschil dat de aanvraag, zoals geduid door verweerder, en de daarin omschreven technieken in stallen B, C en D, kunnen worden aangemerkt als de voor deze diercategorie in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Gelet hierop en gelet op het feit dat de stalsystemen worden gerealiseerd in reeds bestaande stalruimten (B, C en D) heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de gegevens en bescheiden zoals deze bij de aanvraag zijn gevoegd en nadien nog zijn aangevuld, voldoende kunnen achten.

Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

3.2.

Eisers stellen dat het project zoals aangevraagd niet alleen betrekking heeft op de activiteit ‘milieu’, zoals neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo maar tevens betrekking heeft op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Dit betreft het veranderen van de omvang van stal C en het plaatsen van ventilatiekokers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 10 mei 2010 heeft verweerder een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van stal C. De bouwwerkzaamheden zijn kort nadien voltooid.

Op 26 juni 2013 heeft verweerder een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend voor het uitbreiden van stal D met een overdekte uitloopruimte.

Op 23 december 2013 heeft verweerder geoordeeld dat de ingediende melding met betrekking tot het wijzigen van de ventilatiekokers en ventilatoren op stallen B en C, volledig is. De hoogte van de ventilatiekokers, inclusief kap, bedraagt 1,93 meter (stal B) dan wel 2 meter (stal C), beide gemeten vanaf de nok.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat de thans voorliggende omgevingsvergunning niet ziet op een gewijzigde omvang van stal C.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het verlengen van de ventilatiekokers op stallen B en C geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is vereist, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet is vereist indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geen verandering van de draagconstructie,

b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van bijlage II van het Bor bepaalt dat, tenzij anders bepaald, de waarden die in deze bijlage in m of m² zijn uitgedrukt op de volgende wijze worden gemeten: maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.

In de Nota van Toelichting op het Bor (hierna: NvT), Stb. 2010, 143, pagina’s 157 en 158, staat over artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor, het navolgende verwoord.

“Dit artikelonderdeel komt in de plaats van de «verandering van niet-ingrijpende aard» uit artikel 3, eerste lid, onderdeel k, van het Bblb. Het betreft hier een restcategorie van vergunningvrije bouwwerken. Indien het bouwen niet is aan te merken als een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2, of de eerdere onderdelen van artikel 3, kan het bouwen mogelijk nog omgevingsvergunningvrij zijn ingevolge deze restcategorie.

(…).

Vastgehouden is aan het ook al in het Bblb opgenomen vereiste dat de bebouwde oppervlakte door de verandering niet mag toenemen. Gelet op de wijze van meten uit artikel 1, tweede lid, onderdeel c, kunnen ondergeschikte onderdelen tot een omvang van 0,5 m daarbij overigens buiten beschouwing gelaten worden. Het maken van bijvoorbeeld een overstek, raamdorpel of regengoot, behoeft niet als uitbreiding van bebouwd oppervlakte te worden gezien.

Nieuw is het vereiste dat geen uitbreiding van het bouwvolume mag plaatsvinden. Het aanbrengen van uitbreidingen op bestaande bouwlagen valt derhalve niet onder deze regeling. Ook hier geldt evenwel, onder verwijzing naar artikel 1, tweede lid, onderdeel c, dat uitstekende delen van ondergeschikte aard buiten beschouwing blijven. Het is dus toegestaan dat ventilatie- of rookgasafvoerpijpjes, kleine schoorstenen en andersoortige veranderingen en toevoegingen worden aangebracht.”

In de NvT, pagina’s 138 en 139, staat over artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van bijlage II van het Bor, het navolgende verwoord.

“In onderdeel c is voor het buitenwerks meten van de maten een clausule opgenomen dat uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. Gedacht moet worden aan uitstekende delen in de sfeer van dakgoten, dakoverstekken, regenafvoer-pijpen, rookgasafvoeren en kleine schoorstenen. Deze eis is opgenomen om het meten van de oppervlakte van bouwwerken te vereenvoudigen. De meeste dakgoten en overstekken vallen binnen deze 0,5 m maat waardoor de oppervlakteberekening van gebouwen kan plaatsvinden aan de hand van de buitengevels. Ook voor de hoogte van bouwwerken blijven rookgasafvoerpijpjes en dergelijke dus in principe buiten beschouwing. Koelunits, airco-installaties, ontluchtingsinstallaties en andere technische units die veelal op daken of aan gevels worden bevestigd, zullen de maat van 0,5 m veelal overschrijden en dus vergunningplichtig zijn.”

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de afmetingen van de ventilatiekokers inclusief kap zoals die op de in het geding gebrachte tekeningen is aangegeven, deze bouwwerken niet kunnen worden geduid als bouwwerken in de zin van artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor. Dat betekent dat voor het verlengen van de ventilatiekokers een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is vereist.

Deze activiteit ‘bouwen’ is door de maatschap niet aangevraagd en verweerder heeft de maatschap niet gewezen op het feit dat niet kan worden volstaan met enkel een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 2.7 van de Wabo nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het eisers in de gegeven omstandigheden - als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb - redelijkerwijs niet te verwijten dat zij in hun zienswijze geen gewag hebben gemaakt van deze beroepsgrond.

Deze beroepsgrond slaagt, voor zover zij ziet op het verlengen van ventilatiekokers zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

3.3.

Eisers stellen dat niet wordt voldaan aan de systeemeisen van de aangevraagde stalsystemen (stallen B, C en D) omdat niet wordt voldaan aan het vereiste leefoppervlak voor de leghennen (maximaal 9 stuks per m²). De reden hiervoor is dat de plateaus voor de legnesten in het bestreden besluit zijn meegenomen bij de oppervlakteberekening, terwijl dit alleen is toegestaan indien er een voorziening is die voorkomt dat mest terechtkomt op dieren die er onder zitten, bijvoorbeeld een mestband.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft de StAB verzocht haar ten eerste te adviseren over de beroepsgrond van eisers (zie overweging 3.4.) dat er sprake is van een technisch ondeugdelijke ventilatiehuishouding, waardoor de berekeningen met betrekking tot geur, fijn stof en ammoniak niet juist zouden zijn. Indien deze berekeningen inderdaad niet juist zijn, verzoekt de rechtbank de StAB ten tweede een advies te geven of in de vergunde situatie desondanks kan worden voldaan aan de normen voor geur, fijn stof en ammoniak.

De StAB heeft in haar advies vermeld dat het beantwoorden van de tweede vraag samenhangt met de vraag of de huisvestingssystemen voldoen aan de stalbeschrijvingen. Daarom heeft de StAB allereerst bezien of de (aanwezige) huisvestingssystemen al dan niet voldoen aan de desbetreffende stalbeschrijvingen, zoals eisers in hun beroepschrift eveneens hebben aangevoerd.

De StAB heeft in haar advies, samengevat weergegeven, het navolgende verwoord.

Bij de aanvraag heeft de maatschap de “Berekening stalbeschrijving”, uitgevoerd door Agra-Matic, ingebracht. In dit stuk zijn dwarsdoorsneden van de volièrestelling opgenomen. Deze dwarsdoorsneden laten zien dat onder het plateaurooster bij de legnesten geen voorzieningen zijn (zoals een mestband) ter voorkoming dat mest terechtkomt op dieren die eronder zitten. De aangevraagde volièrestellingen (dus zonder mestbanden) zijn vergund. De woordvoerder van de maatschap heeft desgevraagd aan de ter plaatse aanwezige deskundige van de StAB meegedeeld dat de stallen in werking zijn in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning, behoudens het aantal leghennen. Onderzoek ter plaatse heeft uitgewezen dat er geen mestbanden onder de plateauroosters zijn aangebracht en dat voor het aanbrengen van deze voorzieningen ook niet voldoende ruimte is.

Op grond van de Richtlijn ammoniak en veehouderij (hierna: Rav) en het Informatiedocument Leefoppervlaktes in de Intensieve veehouderij geldt het oppervlakte van deze roosters, vanwege het ontbreken van de mestbanden, niet als bruikbaar leefoppervlak. In de door de maatschap bij de aanvraag ingebrachte “Berekening stalbeschrijving” is, ondanks dat er geen mestbanden zijn aangevraagd, bij de berekening van de leefruimte ervan uitgegaan dat het oppervlak van de roosters kan worden meegenomen. Verweerder is bij het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning uitgegaan van de berekeningen, zoals opgenomen in de aanvraag, en heeft de plateauroosters bij de legnesten eveneens als bruikbaar leefoppervlak in de beoordeling meegenomen. Herberekening van het bruikbaar leefoppervlak laat zien dat bij stal C het percentage roosteroppervlak niet voldoet aan de norm bij de stalbeschrijving en dat in alle stallen meer leghennen per m² bruikbaar oppervlak kunnen worden gehouden dan de geldende norm in de stalbeschrijving.

De StAB concludeert dat de vergunde huisvestingssystemen (oftewel volièrestellingen zonder mestbanden) niet voldoen aan de in bijlage 1 van de Rav opgenomen stalbeschrijvingen.

Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting deze mededeling van de woordvoerder van de maatschap, zoals opgenomen in het advies, bevestigd.

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat hij terug is gekomen op zijn eerdere reactie op het conceptadvies. Verweerder onderschrijft thans de bevindingen in het StAB-advies.

De rechtbank onderschrijft de bevindingen en het advies van de StAB en maakt deze tot de hare. De rechtbank concludeert dat de door verweerder uitgevoerde berekeningen met betrekking tot de leefruimte van de hennen niet overeenstemmen met hetgeen is aangevraagd (en uiteindelijk ook vergund), te weten volièrestellingen zonder voorzieningen om te voorkomen dat mest op lager gelegen plateaus terecht komt.

Deze beroepsgrond slaagt.

3.4.

Eisers stellen dat de ventilatiehuishouding in stallen B, C en D ondeugdelijk is. In dat kader stellen zij dat de onderdruk in de strooiselruimten onvoldoende is dan wel onvoldoende is onderbouwd hoe een constante onderdruk wordt gerealiseerd. Hierdoor zijn de berekeningen met betrekking tot geur, fijn stof en ammoniak niet juist.

De rechtbank overweegt als volgt.

De StAB heeft in haar advies, samengevat weergegeven, het navolgende verwoord.

Een dimensioneringsplan geeft een technische onderbouwing van de benodigde minimale en maximale stalventilatie en de manier waarop dit kan worden bereikt. Uit een dergelijk plan moet blijken op welke wijze de ventilatie-opbouw en –afbouw gedurende warme dagen (worst case) is te regelen. Een dimensioneringsplan is in casu van belang omdat de ventilatiecapaciteit ongewijzigd blijft bij een toename van het staloppervlak en omdat het aantal te houden leghennen toeneemt van 39.900 naar 61.900 stuks. Complicerende factor is hierbij dat de doorlaatopeningen in beperkte verbinding staan met de volièreruimtes. Daarom dient het dimensioneringsplan ook inzicht te geven in de maximaal optredende luchtsnelheden bij een toereikend te realiseren onderdruk in de strooiselruimtes. In casu ontbreekt een dimensioneringsplan. Daarom is het op voorhand onzeker of het vergunde ventilatiesysteem toereikend is om voldoende onderdruk in de strooiselruimtes te kunnen garanderen voor een goedwerkende centrale luchtafzuiging en of een gezond stalklimaat is gewaarborgd. De woordvoerder van de maatschap heeft desgevraagd aan de ter plaatse aanwezige deskundige van de StAB meegedeeld dat de stallen in werking zijn in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning, behoudens het aantal leghennen.

Bij onderzoek ter plaatse bleek dat het windbreekgaas van met name stal D sterk vervuild is met stof dat zich aan de binnenzijde van het gaas heeft afgezet. Dit wijst erop dat de luchtstroom hier naar buiten is gericht en dat er dus sprake is van een ontoereikende onderdruk in de strooiselruimte.

De StAB concludeert dat, door het ontbreken van een dimensioneringsplan, de gewijzigde huisvesting (gebruik van strooiselruimten) bij een gelijkblijvende ventilatiecapaciteit en gelet op het feit dat er aanwijzingen zijn voor een falend ventilatiesysteem, er rekening mee moet worden gehouden dat de stallen ook op natuurlijke wijze ventileren. In dat geval zijn de uitgevoerde berekeningen met betrekking tot geur, fijn stof en ammoniak onjuist,

Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting deze mededeling van de woordvoerder van de maatschap, zoals opgenomen in het advies, bevestigd.

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat hij terug is gekomen op zijn eerdere reactie op het conceptadvies. Verweerder onderschrijft thans de bevindingen in het StAB-advies.

De rechtbank onderschrijft de bevindingen en het advies van de StAB en maakt deze tot de hare.

Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

3.5.

Eisers stellen dat niet wordt voldaan aan de systeemeisen van het aangevraagde stalsysteem in stallen B en D met betrekking tot de aanvoer van buitenlucht. Meer specifiek stellen eisers dat hiervoor een warmtewisselaar (zowel in stal B als in stal D) is vereist, welke niet is aangevraagd en vergund. Deze warmtewisselaar is in het akoestisch rapport ook niet meegenomen.

De rechtbank zal deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken nu uit de overwegingen bij onderdeel 3.3. blijkt dat de vergunde huisvestingssystemen niet voldoen aan de in bijlage 1 van de Rav opgenomen stalbeschrijvingen.

3.6.

Eisers stellen dat niet duidelijk is of aan de geluidnormen kan worden voldaan. In dat kader stellen eisers dat de technische specificaties van de kappen op de (verlengde) ventilatiekokers niet zijn genoemd, zodat niet inzichtelijk is gemaakt dat deze maatregel inderdaad resulteert in een geluidsreductie van 5 dB(A). Ter zitting hebben eisers hieraan toegevoegd dat een eventuele geluidsreductie ter hoogte van de kappen helemaal niet meetbaar is, zodat voorschrift 5.1.7 niet handhaafbaar is. Verder is dit voorschrift volgens eisers overbodig omdat voorschrift 5.1.8 de gehele inrichting qua geluid ‘afdekt’. Eisers hebben hieraan toegevoegd dat zij er niet naar streven dat de rechtbank voorschrift 5.1.7 vernietigt. Het vernietigen van dit voorschrift resulteert immers eveneens in het niet meer dwingend voorschrijven dat de ventilatiekokers worden verlengd en worden voorzien van een kap. Eisers geven de voorkeur aan enige geluidsreductie in plaats van helemaal geen geluidsreductie.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder, zoals neergelegd in zijn verweerschrift, dat door het in het bestreden besluit opgenomen middel- en doelvoorschrift (voorschrift 5.1.7) en de meetverplichting (voorschrift 5.1.8), de geluidsreductie afdoende is geborgd. De rechtbank voegt hieraan toe dat uit het akoestisch onderzoek, zoals uitgevoerd door G&O Consult, blijkt dat voldoende gewaarborgd is dat in de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan aan de geluidsnormen.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat, indien mocht blijken dat niet aan de geluidsnormen wordt voldaan, er sprake is van een handhavingsaangelegenheid. Een geschil omtrent handhaving ligt thans niet voor.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift verder nog betoogd dat in voorschrift 5.1.7 abusievelijk 3 dB(A) in plaats van 5 dB(A) staat vermeld. Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep in zoverre gegrond te verklaren en, zelf in de zaak voorziend, een gewijzigd voorschrift 5.1.7 aan het bestreden besluit te verbinden. Eisers hebben desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij instemmen met de gewijzigde redactie van voorschrift 5.1.7.

De rechtbank constateert dat er sprake is van een typefout in voorschrift 5.1.7. De rechtbank duidt deze typefout als een zorgvuldigheidsgebrek. In zoverre slaagt ook deze beroepsgrond.

3.7.

Eisers stellen dat in een door hen genoemd IRAS-rapport wordt geconcludeerd dat rond pluimveebedrijven verhoogde concentraties endotoxines zijn vastgesteld en dat er daarnaast een verhoogd risico op longontsteking is vastgesteld. Eisers hebben in hun zienswijze hun zorgen geuit over de gevolgen van de thans voorliggende omgevingsvergunning voor de volksgezondheid. Verweerder heeft volstaan met het verwijzen naar de te nemen hygiënemaatregelen, zonder daarbij een zorgvuldige beoordeling te maken met betrekking tot de doelmatigheid van deze maatregelen, aldus eisers.

Verweerder stelt in paragraaf 18 van het bestreden besluit dat voor de volksgezondheid geen landelijk toetsingskader beschikbaar is. Verder zijn er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten voor veehouderijen die moeten leiden tot weigering van een vergunning of het stellen van voorschriften. In het verweerschrift verwijst verweerder naar artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met de vergunde stalsystemen, de maatwerkvoorschriften (met betrekking tot hygiënemaatregelen ter voorkoming van vliegenoverlast) die aan het bestreden besluit zijn verbonden en voorschrift 2.2, welk voorschrift bepaalt dat de in de aanvraag aangegeven hygiënemaatregelen toegepast dienen te worden. Verweerder concludeert dat al deze voorschriften en maatregelen samen voldoende zijn om risico’s voor de volksgezondheid tot een aanvaardbaar niveau te reduceren.

De maatschap verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling hieromtrent, waaruit volgt dat de bewijslast voor het ontstaan van risico’s voor de volksgezondheid bij eisers ligt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Indien door het in werking zijn van een inrichting nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, gelezen in verbinding met de artikelen 1.1, tweede lid, en 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wabo, als gevolgen voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:40, en 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3728) vloeit voort dat degene die zich op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid beroept, aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk dient te maken dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling volstaan met verwijzing naar een internetadres. Dit adres correspondeert met het rapport ‘Mogelijke effecten van bedrijven met intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar blootstelling en gezondheidsproblemen; Interimrapportage 21 januari 2011’, opgesteld door IRAS Universiteit Utrecht, NIVEL, RIVM. In dit rapport wordt, onder het kopje ‘Korte samenvatting’, onder meer het navolgende verwoord:

“Op de meetlocaties met een relatief groot aantal veehouderijbedrijven of dieren in de nabije omgeving (minimaal 7 bedrijven) zijn de endotoxineconcentraties, een indicator voor blootstelling aan micro‐organismen, verhoogd ten opzichte van het (relatief stedelijk) achtergrondniveau. Voor de PM10‐stofconcentratie is dit veel minder duidelijk het geval. Er zijn aanwijzingen gevonden voor een positief verband tussen endotoxineniveaus en het aantal bedrijven en het aantal varkens en/of pluimvee rond de meetpunten; hoe hoger het aantal bedrijven of dieren, hoe hoger de endotoxineconcentratie. Bij de gemeten niveaus zijn voor zover bekend geen gezondheidseffecten te verwachten, ook niet op de locaties met de hoogst gemeten concentraties. De resultaten moeten vooral als een indicatie worden gezien van potentiële microbiële emissies afkomstig van intensieve veehouderijbedrijven

in de omgeving. Over het risico op gezondheidseffecten kan op basis van deze

resultaten nog geen uitspraak worden gedaan.

(…).

Pneumonie en chronische bronchitis daarentegen werden vaker gevonden in Brabant en Noord‐Limburg. De suggestie dat in gebieden met intensieve veehouderij meer respiratoire klachten en aandoeningen worden gerapporteerd, kon niet worden bevestigd aan de hand van de morbiditeitsgegevens van de huisartsenpraktijken. Eerder wordt het tegendeel waargenomen. Op grond van deze analyses kan echter niet worden geconstateerd dat een dergelijk verband niet bestaat. Daarvoor is de gevolgde benadering nog te weinig informatief over de blootstelling die optreedt als gevolg van het wonen in de nabijheid van intensieve‐veehouderijbedrijven. Wel werd een verhoogd voorkomen van pneumonie geconstateerd, hetgeen mogelijk samenhangt met de Q-koortsuitbraak. Gedetailleerdere analyses moeten inzicht geven of er een samenhang bestaat tussen het voorkomen van bepaalde aandoeningen en meer specifieke blootstellingsmaten.”

De rechtbank oordeelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het in werking zijn van het pluimveebedrijf zodanige risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden extra voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Immers, uit het door eisers genoemde IRAS-rapport vloeit niet de conclusie voort dat het in werking zijn van het pluimveebedrijf kan leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid. De rechtbank voegt hier aan toe dat eisers ook geen GGD-advies hebben ingebracht dat hun standpunt zou kunnen ondersteunen.

Deze beroepsgrond faalt.

3.8.

Eisers stellen dat de verleende verklaring van geen bedenkingen op grond van de Nbw ontoereikend is omdat enkel rekening is gehouden met de stalemissies. Er is daarentegen geen rekening gehouden met de emissies vanwege de niet overdekte uitloop.

Verweerder en de maatschap hebben ter zitting betoogd dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden in de weg staat, gelet op de afstand tussen de woningen van eisers en het Natura 2000-gebied “Uiterwaarden IJssel”.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

De rechtbank overweegt dat de bepalingen van de Nbw met name ten doel hebben om de algemene belangen van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:248, geoordeeld dat een afstand tussen een woning en een Natura 2000-gebied van 200 meter moet worden geduid als de onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied en dat daarom een duidelijke verwevenheid bestaat van de individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met de algemene belangen die de Nbw beoogt te beschermen. In haar uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1308, heeft de Afdeling geoordeeld dat bij een afstand van ongeveer 800 meter tot een Natura-2000 gebied, dit gebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van de bewoners.

In casu bedraagt de afstand tussen de woningen van eisers en het Natura-2000 gebied meer dan 800 meter. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden in de weg.

Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

4. Samenvattend oordeelt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft niet onderkend dat voor het verlengen van de ventilatiekokers op stallen B en C tevens een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is vereist. De vergunde huisvestingssystemen voldoen niet aan de door verweerder toegepaste stalbeschrijvingen uit bijlage 1 van de Rav. Daarom kunnen de bij deze stalbeschrijvingen behorende emissiefactoren hier niet worden toegepast. Tevens zijn er aanwijzingen voor een falend ventilatiesysteem. In dat geval zijn de in het kader van de vergunningverlening uitgevoerde verspreidingsberekeningen met betrekking tot geur, fijn stof en ammoniak onjuist. Verder bevat voorschrift 5.1.7 een zorgvuldigheidsgebrek.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 2.7 en artikel 2.14, derde lid, van de Wabo.

De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het overgenomen advies van de StAB behoort de aangevraagde omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu te worden geweigerd. De aanvraag van de maatschap is immers zonder ingrijpende aanpassingen niet vergunbaar.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 165,- vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten.

6.1.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 24 februari 2015 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 27 oktober 2015, met een waarde per punt van

€ 490,- en een wegingsfactor 1).

6.2.

Eisers hebben de rechtbank verder verzocht verweerder te veroordelen in de door hen gemaakte kosten van deskundigen die aan hen verslag hebben uitgebracht. In dat kader hebben eisers een factuur van Agel adviseurs ten bedrage van € 1.742,40 (inclusief BTW) en een factuur van Geluidsadvies Nederland ten bedrage van € 217,80 (inclusief BTW) ingebracht.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De kosten voor het inroepen van een deskundige kunnen worden geacht redelijkerwijs te zijn gemaakt als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb als degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het bezwaar mogelijk relevante vraag.

Ten aanzien van het door Agel adviseurs uitgebrachte advies overweegt de rechtbank dat aan de hiervoor genoemde criteria is voldaan. Immers, dit advies betreft de nadere en technische onderbouwing van de beroepsgronden van eisers met betrekking tot stalsysteemeisen / leefoppervlak leghennen en de ventilatiehuishouding. Door dit advies is bij de rechtbank dermate veel twijfel opgeroepen dat zij de StAB heeft verzocht een deskundigenadvies hieromtrent uit te brengen. Beide beroepsgronden heeft de rechtbank vervolgens gehonoreerd. Gelet op de complexiteit van de materie acht de rechtbank het aantal uren (16) en het uurtarief (€ 90,-) redelijk. De rechtbank laat hierbij meewegen dat verweerder zich ter zitting desgevraagd heeft gerefereerd aan het oordeel over de gevraagde proceskostenvergoeding.

Vorenstaande geldt niet voor het advies van Geluidsadvies Nederland. De rechtbank overweegt in dit kader dat dit advies grotendeels bestaat uit het stellen van vragen c.q. het opsommen van vermeende onduidelijkheden. Dit advies heeft bij de rechtbank geen twijfel opgeroepen met betrekking tot verweerders standpunt inzake het geluid.

De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen in het vergoeden van de factuur van Agel adviseurs ten bedrage van € 1.742,40. De factuur van Geluidsadvies Nederland komt niet voor vergoeding in aanmerking.

6.3.

Eisers hebben de rechtbank verder verzocht verweerder te veroordelen in de reis- en verblijfkosten, zijnde 2 x € 10,86. Het is de rechtbank niet duidelijk welke kosten eisers hiermee bedoelen. De reis- en verblijfkosten van gemachtigde van eisers zijn reeds inbegrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand en deze kosten komen dan ook niet separaat voor vergoeding in aanmerking. Wel komen de reiskosten van eisers, gemaakt voor het bijwonen van beide zittingen voor vergoeding in aanmerking. Dat betreft de reiskosten van [eiser 1] (€ 20,40), [eiser 2] (€ 20,40), [eiser 4] (€ 10,20), [eiser 3]

(€ 20,40) en [eiser 5] (€ 10,20).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de aangevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eisers te vergoeden, waarbij betaling aan één eiser bevrijdend werkt tegenover de overige vijf eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.294,-, waarbij betaling aan één eiser bevrijdend werkt tegenover de overige vijf eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. W.M.B. Elferink en mr. R.J. van Lochem, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.