Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:5022

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
C/08/176879 / KG ZA 15-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/176879 / KG ZA 15-316

Vonnis in kort geding van 12 november 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.A. Kerkdijk te Zwolle,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK CENTRAAL TWENTE U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo,

gedaagde,

advocaat mr. M.L.J.A. de Vocht te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 15 producties

  • -

    het faxbericht van [eiser] van 27 oktober 2015 met productie 16

  • -

    de brief van de Rabobank van 27 oktober 2015 met productie 1 t/m 8 en 10 t/m 16

  • -

    het faxbericht van de Rabobank van 28 oktober 2015 met productie 9

  • -

    de mondelinge behandeling op 29 oktober 2015

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de Rabobank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] exploiteert een varkenshouderij. Deze exploitatie vond in [plaats 1] plaats. Na een daartoe strekkend verzoek van de gemeente [plaats 1] en de provincie Overijssel heeft [eiser] op enig moment zijn bedrijf verplaatst naar [plaats 2] .

2.2.

In verband met de aankoop van de bouwkavel en nieuwbouw varkensstal heeft de Rabobank op 11 mei 2012 een nieuwe financiering van € 1.625.000,00 aan [eiser] verstrekt, bestaande uit twee geldleningen van € 930.000,00 en € 535.000,00 en een kredietfaciliteit van € 160.000,00. Tegenover deze financiering heeft [eiser] diverse zekerheden aan de Rabobank verstrekt, waaronder een hypotheekrecht op zijn woning te [woonplaats] en op de stallen in Duitsland.

2.3.

Op 8 september 2014 heeft ten kantore van Ten Kate Huizinga Accountants + Belastingadviseurs N.V. te Enschede een bespreking plaatsgevonden over de door de nieuwbouw in Duitsland ontstane (financiële) situatie tussen enerzijds [eiser] , zijn echtgenote, [V] (accountant van [eiser] ) en [L] (adviseur van [eiser] ) en anderzijds [B] en [K] namens de Rabobank.

2.4.

Bij brief van 9 oktober 2014 heeft de Rabobank gemelde kredietfaciliteit geblokkeerd en [eiser] verzocht een rentabiliteits- en liquiditeitsprognose, getoetst door een accountant, en de jaarcijfers 2012 en 2013 aan te leveren. Daarbij heeft de Rabobank [eiser] voorts meegedeeld dat hij tot 15 januari 2015 de tijd heeft om met een voor alle partijen acceptabel voorstel te komen en dat, indien geen sprake is van een reëel werkbaar scenario, de Rabobank zal overgaan tot opzegging en opeising van de financiering en tevens tot uitwinning van de zekerheden, waaronder de verkoop van de woning te [plaats 1] en het bedrijfspand te [plaats 2] .

2.5.

Op 26 november 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [eiser] en zijn echtgenote en anderzijds [B] , [K] , [O] en [R] namens de Rabobank. Bij brief van 2 december 2014 heeft de Rabobank de uitkomsten daarvan aan [eiser] bevestigd en [eiser] verzocht om gevolg te geven aan de brief van 9 oktober 2014. Daarbij heeft de Rabobank zich opnieuw het recht voorbehouden om tot uitwinning van de zekerheden over te gaan.

2.6.

Bij brief van 4 december 2014, herhaald bij brief van 23 oktober 2015, heeft [L] namens [eiser] gesteld dat partijen op 8 september 2014 onder meer zijn overeengekomen dat [eiser] een half jaar de tijd krijgt om de stal draaiende te maken, dat [eiser] na ingebruikname van de stal een jaar de tijd krijgt om een alternatieve financiering te zoeken en dat hiervoor geen aanvullende voorwaarden (waaronder prognoses e.d.) zijn gesteld.

2.7.

Bij brief van 24 december 2014 heeft de Rabobank de inhoud van gemelde brief van [L] betwist en verwezen naar de brief van 9 oktober 2014. Daarbij heeft de Rabobank erop heeft gewezen dat als een (toereikend) voorstel mocht uitblijven, zij na 15 januari 2015 zal overgaan tot opzegging van de financiering, onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en weren. Een afschrift van deze brief is door de Rabobank aan [eiser] verzonden.

2.8.

Bij brief van 19 januari 2015 heeft de Rabobank de financiering opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden en [eiser] gesommeerd om uiterlijk op 19 april 2015 aan haar te voldoen al hetgeen zij op dat moment van [eiser] te vorderen zal hebben (per datum brief bedraagt de vordering € 1.090.264,14 p.m.). Daarbij heeft de Rabobank zich het recht voorbehouden om alsnog tot uitwinning van de zekerheden over te gaan.

2.9.

Bij e-mail van 21 januari 2015, met daarbij gevoegd een brief van 15 januari 2015, heeft [L] namens [eiser] de Rabobank verzocht om de opzegging van de financiering in heroverweging te nemen.

2.10.

Bij brief van 11 februari 2015 heeft de Rabobank de inhoud van gemelde brief van [L] betwist. Een afschrift van deze brief is door de Rabobank aan [eiser] verzonden.

2.11.

Op 7 april 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden over de (wijze van) afwikkeling van de financiering tussen enerzijds [eiser] , [L] en [V] en anderzijds [B] , [K] , [O] en [R] namens de Rabobank. Bij brief van 9 april 2015 heeft de Rabobank aan [eiser] meegedeeld dat zij onder een aantal – in de brief genoemde – voorwaarden bereid is de opzegtermijn te verlengen tot uiterlijk 19 oktober 2015. Daarbij heeft de Rabobank voorts meegedeeld dat, wanneer niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zij het recht voorbehoudt om gebruik te maken van de notariële volmacht dan wel over te gaan tot uitwinning van de ten behoeve van haar gestelde zekerheden.

2.12.

Bij brief van 10 juni 2015 heeft (de advocaat van) de Rabobank aan (de advocaat van) [eiser] meegedeeld dat zij onder een aantal – in de brief genoemde – voorwaarden bereid is de opzegtermijn te verlengen tot 31 december 2016. Daarbij heeft de Rabobank voorts meegedeeld dat, wanneer niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zij het recht voorbehoudt om gebruik te maken van de notariële volmacht dan wel over te gaan tot uitwinning van de ten behoeve van haar gestelde zekerheden.

2.13.

Bij brief van 16 juli 2015 heeft de Rabobank meegedeeld dat [eiser] niet aan de in de brief van 10 juni 2015 gestelde voorwaarden heeft voldaan en dat zij daarom geen andere mogelijkheid ziet dan tot uitwinning van de ten behoeve van haar gestelde zekerheden over te gaan. Daarbij is [eiser] in de gelegenheid gesteld om de stal en woonhuis onderhands vóór 1 september 2015 te verkopen tegen een de Rabobank als zekerheidshouder conveniërende verkoopprijs.

2.14.

Op 25 augustus 2015 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Bij brief van 3 september 2015 heeft de Rabobank aan [eiser] meegedeeld dat zij overgaat tot opeising van de opgezegde financiering, dat zij het executietraject in Duitsland reeds heeft opgestart en dat zij [eiser] onder een aantal – in de brief genoemde – voorwaarden de mogelijkheid geeft de woning in Nederland onderhands te verkopen gedurende een termijn van drie maanden, tot uiterlijk 30 november 2015.

2.15.

Bij brief van 1 oktober 2015 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de directie van de Rabobank.

2.16.

Op 26 oktober 2015 heeft [eiser] een gesprek gehad met de directievoorzitter en manager kredietrisicomanagement van de Rabobank.

2.17.

Eind oktober 2015 heeft de Rabobank een bodemprocedure tegen [eiser] ingesteld waarin zij onder meer heeft gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Rabobank van een bedrag van € 1.090.264,15 (exclusief rente).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(I) de Rabobank zal gebieden de executie van haar zekerheidsrechten te staken en gestaakt te houden totdat in een bodemprocedure is beslist over de rechtsgeldigheid van haar opzegging (van de financiering), subsidiair de executie te staken en gestaakt te houden tot 31 december 2016, al dan niet onder nader te stellen voorwaarden;

(II) de Rabobank zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Rabobank voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is, gelet op de aard van het gevorderde, in voldoende mate gebleken.

4.2.

Het geschil tussen partijen is een executiegeschil. Niet in geschil is dat er op de verstrekte geldleningen waarvoor onder meer een eerste en tweede recht van hypotheek op de woning van [eiser] zijn gevestigd een betalingsachterstand is ontstaan. De Rabobank heeft als hypotheekhouder dan ook in beginsel het recht van parate executie. Aan de orde is de vraag of de Rabobank onder de geschetste omstandigheden door uitoefening van dat recht misbruik maakt van haar bevoegdheid. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.3.

Uitgangspunt is dat, indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).

4.4.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, ten grondslag dat de Rabobank jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen op 8 september 2014 gemaakte afspraken ter zake van de voortzetting van de financiering gedurende een periode van een jaar nadat de exploitatie in Duitsland was gestart. Volgens [eiser] heeft de Rabobank daardoor in strijd gehandeld met artikel 2 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden dat bepaalt dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht neemt en daarbij naar beste vermogen rekening houdt met de belangen van de cliënt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de opzegging van de financiering door de Rabobank onrechtmatig is. Verder stelt [eiser] dat de Rabobank geen rechtens te respecteren belang heeft bij executie van het onroerend goed in Duitsland (varkensstal) en Nederland (woning). Volgens [eiser] is de handelwijze van de Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dienen zijn belangen in de gegeven omstandigheden te prevaleren boven die van de Rabobank.

4.5.

[eiser] stelt dat partijen op 8 september 2014 hebben afgesproken dat hij nog een half jaar de tijd krijgt om de exploitatie van de stal in Duitsland op te starten (het was onder meer nog wachten op de definitieve vergunningen), dat hij na ingebruikname van deze stal een jaar de tijd krijgt om een andere financier te zoeken en dat de Rabobank aan deze afspraken geen nadere voorwaarden heeft gesteld en/of voorbehouden heeft gemaakt. In dit verband verwijst [eiser] naar de verklaring van [V] van 30 september 2015 (productie 2) en de brieven van [L] van 4 december 2014 en 23 oktober 2015 (productie 3 en 16).

4.6.

Naar voorshands oordeel heeft [eiser] het bestaan van de beweerdelijke afspraken niet aannemelijk gemaakt en heeft de Rabobank gemotiveerd betwist dat deze afspraken zijn gemaakt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de Rabobank heeft aangevoerd dat onder meer op 24 juni 2014 tussen partijen een gesprek heeft plaatsgevonden over de door de nieuwbouw van de varkensstal in Duitsland ontstane problemen, erin bestaande dat de oplevering aanzienlijke vertraging opliep doordat [eiser] niet over de benodigde gebruiksvergunningen of toestemming voor gebruik beschikte waardoor sprake was van leegstand met onvoorziene kosten tot gevolg alsmede dat de bouwkosten uitliepen met een bedrag van circa € 300.000,00 en [eiser] verwikkeld raakte in een gerechtelijke procedure tegen aannemer [A] , dat over deze problematiek op 8 september 2014 een vervolggesprek is geweest en dat deze gesprekken uiteindelijk hebben geresulteerd in haar brief van 9 oktober 2014. [eiser] heeft dit niet weersproken. Met de Rabobank stelt de voorzieningenrechter vast dat uit de brief van 9 oktober 2014 noch uit de nadien tussen partijen gevoerde correspondentie, zoals hiervoor onder 2. is weergegeven, kan worden afgeleid dat partijen de beweerdelijke afspraken zijn overeengekomen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat [eiser] de stelling van de Rabobank evenmin heeft betwist dat de termijn van één jaar, zoals door [L] en [V] genoemd, slechts als voorbeeld was genoemd nadat door [eiser] aan de door de Rabobank gestelde voorwaarden zou zijn voldaan.

4.7.

Voorts heeft [eiser] evenmin aannemelijk gemaakt – en is door de Rabobank gemotiveerd betwist – dat de opzegging van de financieringsrelatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.8.

De Rabobank heeft in haar pleitnota uitgebreid verweer gevoerd dat [eiser] jegens haar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de financieringsovereenkomst van 11 mei 2012, op grond waarvan zij gerechtigd is tot opzegging van de financieringsrelatie (artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden) en onmiddellijke opeising van de financiering c.q. het obligo (artikel 21 lid 2 van de Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen Rabobank 2010).

4.9.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de Rabobank voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] niet heeft voldaan aan de voorwaarden van het jaarlijks aanleveren van jaarcijfers, het maandelijks aanleveren van een (sluitende) liquiditeitsbegroting en de verkoop van het onroerend goed in Nederland en/of Duitsland bij een onvoldoende rentabiliteitsperspectief en evenmin aan de nader gestelde voorwaarden, zoals deze laatstelijk in de brief van de Rabobank van 10 juni 2015 zijn geformuleerd. Zo heeft [eiser] onder meer niet voldaan aan de voorwaarde dat de door de Rabobank gevraagde informatie en het akkoord van [eiser] op de gestelde voorwaarden uiterlijk 17 juni 2015 worden aangeleverd. Ook heeft de Rabobank voldoende onderbouwd dat [eiser] een aanzienlijke achterstand in rente- en aflossingsverplichtingen heeft laten ontstaan en dat hij de kredietfaciliteit (werkkapitaal) ongeoorloofd heeft gebruikt, althans voor andere doeleinden dan voor de opleg van varkens. [eiser] heeft dit gemotiveerde verweer van de Rabobank onvoldoende weerlegd. De door [eiser] als productie 11 en 12 overgelegde liquiditeitsprognose en meerjarenoverzicht zijn in ieder geval onvoldoende om te kunnen concluderen dat [eiser] daarmee tijdig en volledig aan de hiervoor bedoelde voorwaarden heeft voldaan.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de Rabobank gebruik heeft kunnen en mogen maken van haar bevoegdheid tot opzegging van de financieringsrelatie. Niet is gebleken dat deze opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorts heeft de Rabobank, onder verwijzing naar de daarvoor in het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 18 februari 2003 (ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233) geformuleerde criteria, voldoende onderbouwd dat de opzegging naar maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit gerechtvaardigd was. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Rabobank onder de gegeven omstandigheden door de uitoefening van het recht van parate executie geen misbruik maakt van haar bevoegdheid. De enkele stelling van [eiser] dat voortzetting van de executie ertoe zal leiden dat hij met zijn gezin de woning zal moeten verlaten, zonder dat bekend is waar zij naar toe moeten, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een noodtoestand.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, alles overziende, door [eiser] onvoldoende is gesteld om het oordeel te rechtvaardigen dat voortzetting van de executie onrechtmatig is.

4.11.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking komen, nog daargelaten dat het primair gevorderde gebod tot het staken en gestaakt houden van de executie wat betreft de termijn te onbepaald is.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 613,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.429,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.