Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4999

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
Awb 15/2389
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opschorting last onder dwangsom voor kunnen uitvoeren van een testdag op motorcrossterrein in Staphorst; belangrijk om vast te stellen welke motorcrossactiviteiten thans precies mogelijk zijn; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB /2389

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] e.a., te Staphorst, vezoekers,

gemachtigde: F. Agteres, Advies in ruimtelijke ordening, te Twello,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,

gemachtigde: mw. C. van Olst.

Als derde partij heeft deelgenomen: Auto, Motor en Bromfiets Club (AMBC) te Staphorst.

Procesverloop

1.1.

Op 26 juni 1979 heeft verweerder onder voorwaarden aan AMBC toestemming verleend voor het in gebruik nemen van het terrein “’t Wiede Gat” als oefenmotorcrosssbaan.

1.2.

Op 26 februari 2002 heeft verweerder aan AMBC een oprichtings-omgevingsvergunning ingevolge de Wet Milieubeheer verleend voor een motorcrossterrein.

1.3.

Op 17 april 2012 heeft AMBC een omgevingsvergunning aangevraagd voor:

  • -

    het bouwen van een kantine en een geluidswal;

  • -

    het afwijken van de ter plaatste van het terrein van het afvalverwerkingsbedrijf Sita geldende bestemming;

  • -

    het veranderen en uitbreiden van het motorcrossterrein op het terrein van Sita.

1.4.

Bij brief van 3 augustus 2012 heeft verweerder aan AMBC verzocht met ingang van 10 september 2012 geen wedstrijden meer te organiseren voor de motorklasse MX1/2A en de motorcrossactiviteiten in overige klassen te beperken in tijd en aantallen motoren in verband met overschrijdingen van de geluidvoorschriften van de omgevingsvergunning van 26 februari 2002.

1.5.

Bij brief van 19 juni 2013 heeft verweerder AMBC een preventieve last onder dwangsom opgelegd om tijdens motorcrosswedstrijden in de periode van 1 juli tot en met 31 december 2013 geen motoren op het motorcrossterrein te laten rijden met een cilinderinhoud boven de 85cc ten gevolge waarvan de geluidsvoorschriften van de omgevingsvergunning van 26 februari 2002 worden overtreden. Bij besluit van 24 december 2013 heeft verweerder de geldigheidsduur van deze last voor onbeperkte tijd verlengd.

1.6.

Op 11 maart 2014 heeft verweerder de bereidheid getoond om de op 17 april 2012 aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, mits en zodra aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden betroffen – onder meer – het verwerven van (een gedeelte van) het terrein van Sita.

1.7.

Bij brief van 7 augustus 2014 hebben omwonenden aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen overschrijdingen van de grenswaarden van de geluidsvoorschriften van de omgevingsvergunning van 26 februari 2002.

1.8.

Bij besluit van 14 november 2014 heeft verweerder, onder intrekking van de bij besluit van 24 december 2013 aan AMBC opgelegde dwangsom, aan AMBC een (preventieve) last onder dwangsom opgelegd voor overtreding van de in voorschriften 2.1. en 2.2. van de op 26 februari 2002 aan de AMBC verleende omgevingsvergunning opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidniveau en het maximale geluidniveau tijdens motorcross-activiteiten. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 10.000,00 per geconstateerde over-treding. Het maximum waarboven geen dwangsom meer verbeurt, bedraagt € 50.000,00.

Het namens AMBC tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 21 april 2015 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.9.

Bij brief van 23 februari 2015 heeft verweerder aan AMBC meegedeeld het crossen op “t Wiede Gat” niet te gaan gedogen. In dezelfde brief heeft verweerder AMBC de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van een testdag zonder dat er een dwangsom wordt verbeurd. Als voorwaarde heeft verweerder daarbij gesteld dat AMBC een gedegen plan van aanpak dient aan te bieden. AMBC heeft een plan van aanpak ingediend.

1.10.

Bij besluit van 16 september 2015 heeft verweerder besloten de last onder dwangsom van 14 november 2014, voor het kunnen uitvoeren van een testdag, op te schorten voor (één van) de volgende data:

- 7 november 2015;

- 14 november 2015;

- 12 maart 2016;

- 19 maart 2016.

Zodra de testdag is uitgevoerd, vervallen de overige data.

Op 7 oktober 2015 is namens verzoekers tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

1.11.

Op 4 november 2015 is namens verzoekers aan de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 16 september 2015 te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Verzoekers [naam 1] , [naam 2] [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoor-digen door mw. C. Van Olst en S. Bulthuis. AMBC is verschenen bij haar bestuurslid

R. Geertman en gemachtigde mw. mr. J.G.J. van den Bergh, advocaat te Heerenveen. Voorts was S. Boonstra, geluidsdeskundige, met verweerder aanwezig.

1.12.

Ter zitting is door AMBC toegelicht dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning van 17 april 2012 ondertussen is ingetrokken vanwege een wijziging van de plannen. Voor de gewijzigde plannen is een nieuwe aanvraag thans nog in voorbereiding.

1.13.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2.1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijl-de spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.

De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, gelet op het feit dat de testdag vooralsnog op zaterdag 7 november 2015 zal worden gehouden. Verder is er sprake van een spoedeisend belang nu verzoekers als omwonenden zich al geruime tijd verzetten tegen de door hen gestelde overschrijding door AMBC van de geluidsvoorschriften van de omgevingsvergunning van 26 februari 2002 (hierna: de geldende omgevingsvergunning), die mede ter bescherming van hen dienen.

2.3.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de recht-bank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het betreft een voorlopig oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit van 16 september 2015, met inachtneming van de wederzijdse belangen.

2.4.

Het uitgangspunt is daarbij het dwangsombesluit van 14 november 2014 en meer in het bijzonder het besluit van 16 september 2015 betreffende de opschorting van het dwangsombesluit voor één dag (hierna: het bestreden besluit). Overige in het verleden door verweerder genomen of in de toekomst nog te nemen besluiten worden in het kader van de behandeling van het onderhavige verzoek buiten beschouwing gelaten.

3.1.

Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

3.2.

Het bestreden besluit is op dit artikel gebaseerd. Het besluit tot opschorting laat onverlet dat AMBC zich aan de geluidsvoorschriften van de geldende omgevingsvergunning zal moeten houden. Tijdens de testdag zullen overschrijdingen van deze voorschriften waarschijnlijk gaan plaatsvinden, doch hiervoor zullen als gevolg van het bestreden besluit dan geen dwangsommen worden verbeurd.

4.1.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het doel van de testdag (het vaststellen van welke motorcrossactiviteiten precies wel en niet kunnen plaatsvinden binnen de ‘ruimte’ die de geluidsvoorschriften van de geldende omgevingsvergunning bieden) geen aanleiding om op voorhand te oordelen dat verweerder het bepaalde in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb op een onrechtmatige wijze heeft toegepast.

4.2.

Of er wel of geen (duidelijk) verzoek van de overtreder aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en of de bezwaarclausule wel juist is geformuleerd, zoals door verzoekers is aangevoerd, acht de voorzieningenrechter in het kader van de voorlopige (materiële) rechtmatigheidsbeoordeling, aanmerkelijk minder van belang. Het betreft hier gebreken die geheeld kunnen worden en waardoor geen belangen van verzoekers zijn geschaad. Dit kan reeds daarom niet tot toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening leiden. Alles overziende valt derhalve niet te verwachten dat het besluit van 16 september 2015 op grond van de rechtmatigheidstoetsing niet in stand zal kunnen blijven.

4.3.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de discussie over de overschrijding van de geluids-voorschriften van de geldende omgevingsvergunning al lang speelt en dat verzoekers daar veel moeite mee hebben. De voorzieningenrechter heeft hier begrip voor maar anderzijds ook begrip voor het belang van AMBC om duidelijkheid te verkrijgen over welke motorcrossactiviteiten precies wel en niet kunnen plaatsvinden binnen de ‘ruimte’ die de geluidsvoorschriften van de geldende omgevingsvergunning bieden.

5.1.

De voorzieningenrechter hecht doorslaggevende waarde aan het belang om de testdag door te kunnen laten gaan. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden doorslaggevend geacht:

  • -

    het is belangrijk om vast te stellen welke motorcrossactiviteiten thans precies mogelijk zijn, in het bijzonder omdat er in verband met onduidelijkheden hierover thans vrijwel geen motorcrossactiviteiten plaats (kunnen) vinden;

  • -

    het gaat om ‘slechts- één testdag;

  • -

    er is sprake van een voldoende concreet plan van aanpak, waarbij op de uitvoering hiervan door verweerder wordt toegezien en de geluidsdeskundige S. Boonstra;

  • -

    verweerder legt voorafgaand aan het plaatsvinden van de testdag de feitelijke terreinsituatie precies vast;

  • -

    de geluidsdeskundige S. Boonstra rapporteert op verzoek van en aan verweerder;

  • -

    de geluidsdeskundige heeft nadrukkelijk verklaard met het plan van aanpak uit de voeten te kunnen en na de testdag concreet te kunnen rapporteren over welke motorcrossactiviteiten thans precies mogelijk zijn.

Gelet op deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de testdag daadwerkelijk inzicht zal geven in welke motorcrossactiviteiten thans precies mogelijk zijn binnen de ‘ruimte’ die de geluidsvoorschriften van de geldende omgevingsvergunning bieden, zodat enerzijds hieromtrent duidelijk wordt geboden aan AMBC en verweerder concreter kan gaan handhaven, terwijl anderzijds geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de omwonenden bij handhaving van de geluidsvoorschriften, behalve dan op de testdag. Het belang om de testdag door te laten gaan prevaleert daarom.

5.2.

De wens van verzoekers om de motorcrossactiviteiten ter plaatse geheel te staken en de namens verzoekers gestelde vrees dat de testdag een opmaat naar (toekomstige) legalisering van thans niet toegestane motorcrossactiviteiten zou zijn, heeft de voorzieningenrechter in dit kader buiten beschouwing gelaten. Deze argumenten doen er immers niet aan af dat op grond van de geldende omgevingsvergunning motorcrossactiviteiten ter plaatse zijn toegestaan en dat van (toekomstige) legalisering van thans niet toegestane motorcrossactiviteiten op dit moment geen sprake is. De testdag ziet immers op de invulling van de geluidsvoorschriften van de geldende omgevingsvergunning.

5.3.

Dat de communicatie tussen verzoekers en verweerder over de te houden testdag te wensen zou hebben overgelaten, wat hiervan ook zij, laat de hiervoor genoemde (juridisch relevante) argumenten onverlet. Dit geldt ook voor de namens verzoekers geuite wens eerst de bezwarenprocedure af te wachten, waarbij komt dat verzoekers reeds vanaf 16 september 2015 rekening hebben kunnen houden met 7 november 2015 als (mogelijke) eerste testdatum en op grond hiervan reeds eerder een verzoek om een voorlopige voorziening hadden kunnen indienen.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek op grond van alle genoemde feiten en omstandigheden dan ook af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.