Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4993

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/08/164811 / HA ZA 14-581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De provincie Overijssel hoeft haar persberichten en interviews over Nijhoff Grindmaatschappij B.V. niet te rectificeren. De rechtbank Overijssel oordeelt dat het niet is komen vast te staan dat de inhoud en strekking van de berichten een onjuist beeld geven. Deze vinden op hoofdlijnen steun in toen beschikbare feitenmateriaal en in de uitspraken in de tussen partijen gevoerde bestuursrechtelijke procedures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/164811 / HA ZA 14-581

Vonnis van 11 november 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIJHOFF GRINDMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Almelo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. NIJHOFF EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. NIJHOFF ONROEREND GOED MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. NIJHOFF BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERSMAATSCHAPPIJ [eiser 1] B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

6. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BEHEERSMAATSCHAPPIJ [eiser 1] . B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

7. [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1] ,

8. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

eiseressen,

advocaat mr. A.H. Gaastra te Schiphol,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE OVERIJSSEL,

zetelend te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.

Eisende partijen gezamenlijk zullen hierna [eiseressen] genoemd worden. Gedaagde partij zal worden aangeduid als de provincie Overijssel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de antwoordakte van [eiseressen]

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inleiding

In de kern verwijten [eiseressen] de provincie Overijssel, dat zij in de media een onjuist beeld over [eiseressen] heeft geschetst door te communiceren dat slib/fijn zand van [eiseressen] is te kwalificeren als “gevaarlijke afvalstof”, dat [eiseressen] het slib/fijn zand hebben gemengd met bouwstoffen en die (gemengde) bouwstoffen hebben verkocht, dat die (gemengde) bouwstoffen terecht zijn gekomen op plaatsen waar het voor mensen en dieren gezondheidsrisico’s vormt dan wel kan vormen en dat [eiseressen] zulks vanuit economisch gewin zouden hebben gedaan. Daarnaast verwijten [eiseressen] de provincie Overijssel dat een medewerker van de provincie Overijssel, [naam 1] , meineed heeft gepleegd dan wel ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld door in een getuigenverhoor bij het Hof Arnhem een feitelijk onjuiste verklaring af te leggen. Voorts zou de provincie Overijssel [eiseressen] ten onrechte hebben gedwongen om slib/fijn zand tegen hoge kosten af te voeren en zou de provincie Overijssel pogingen van [eiseressen] om haar bedrijfsactiviteiten te verkopen hebben gefrustreerd door het verstrekken van negatieve en onjuiste informatie aan potentiële kopers.

De vraag of slib/fijn zand van [eiseressen] als “gevaarlijke afvalstof” kan worden aangemerkt is onderwerp van geschil geweest in meerdere (bestuursrechtelijke) procedures tussen partijen.

De rechtbank zal in paragraaf 3 de tussen partijen vaststaande feiten weergeven. Daarbij worden eerst de relevante besluiten, (bestuursrechtelijke) procedures en uitspraken in dat verband beknopt weergegeven. Vervolgens worden de litigieuze persberichten en interviews weergegeven en daarna de overige relevante feiten. In paragraaf 4 zullen de vorderingen van [eiseressen] en hetgeen Nijhoff daaraan ten grondslag hebben gelegd worden omschreven. In paragraaf 5 komt de rechtbank tot een beoordeling daarvan. Tenslotte komt de rechtbank tot een conclusie in paragraaf 6.

3 De feiten

3.1

Nijhoff Grindmaatschappij B.V. recyclede spoorwegballast.

Eerdere besluiten, (bestuursrechtelijke) procedures en uitspraken

3.2

Nijhoff Grindmaatschappij B.V. heeft op 3 mei 2000 bij de provincie Overijssel een vergunningaanvraag gedaan in het kader van de wet Milieubeheer, welke milieuvergunning is toegekend door de provincie Overijssel. In de vergunningaanvraag is onder andere het volgende vermeld;

“11.8 Gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen binnen de inrichting.

Nr.te.

Aard

opslagwijze

Max. in opslag

Jaarproduc-tie

Afvoer frequentie

Inzamelaar of verwerker

(…)

10

Slib

Depot 4.000 ton

4.000 ton

10.000 ton

10 maal

Afvalverwerkingsterrein

Boelderhoek

storten

3.3

In 2002 heeft de provincie Overijssel aan Nijhoff Grindmaatschappij B.V. een last onder dwangsom opgelegd wegens een 20-tal overtredingen. De provincie Overijssel heeft vervolgens op 11 februari 2004, 9 juli 2004 en 12 december 2005 dwangbevelen uitgevaardigd.

3.4

De voormelde dwangbevelen van 11 februari 2004 en 9 juli 2004 hadden betrekking op de opslag van slibfractie en de vloeistofdichtheid van de vloer. Het dwangbevel van 9 juli 2004 zag op een dwangsombedrag van € 100.000,--. Nijhoff Grindmaatschappij B.V. heeft verzet ingesteld tegen beide dwangbevelen, welk verzet bij arrest van het Hof Arnhem van 15 september 2009 ten aanzien van het dwangbevel van 9 juli 2004 ongegrond is verklaard. Ten aanzien van het dwangbevel van 11 februari 2004 is in dit arrest (overweging 2.14) het volgende overwogen:

“Ook al overtrof het bedrag van de op grond van dat dwangbevel naar het oordeel van de rechtbank niet verschuldigde dwangsommen (€ 200.000,--) het bedrag van de wel verschuldigde (€ 128.000,--), daarmee is niet gezegd dat partijen over en weer op enkele punten niet in het ongelijk zijn gesteld. Het lagere bedrag betreft immers de overtredingen van voorschriften in het kader van zowel de opslag van de kolenresten als de vloer van de tankplaats, het energiebesparingsonderzoek en de vloer voor het ballastgrond, terwijl het hogere bedrag alleen op de opslag voor de slibfractie betrekking heeft.”.

3.5

In het kader van voormelde procedure bij het Hof Arnhem is onder andere [naam 1] , medewerker van de provincie Overijssel, tweemaal als getuige gehoord over het al dan niet aanwezig zijn van slibfractie op een niet-vloeistofdichte vloer bij Nijhoff Grindmaatschappij B.V. op 3 april 2003. [naam 1] heeft toen bij haar eerste getuigenverhoor twee (ongedateerde) foto’s laten zien, waarvan ten tijde van haar tweede getuigenverhoor duidelijk werd dat deze niet op 3 april 2003 gemaakt konden zijn.

3.6

In 2004 heeft de provincie Overijssel twee maal aan één of meerdere eiseressen een last onder dwangsom opgelegd wegens het (te veel) aanwezig hebben van brekersstof respectievelijk het niet indienen van de milieurapportages over de jaren 2001, 2002 en 2003.

3.7

In 2005 heeft de provincie Overijssel aan één of meerdere eiseressen tweemaal een last onder dwangsom opgelegd wegens het binnen de inrichting in Nijverdal zonder vergunning opgeslagen hebben van een te grote hoeveelheid ballastzand en/of brekersstof.

3.8

Op 18 maart 2008 heeft de provincie Overijssel aan [eiseressen] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd naar aanleiding van (1) het afvoeren van slib/fijn zand als bouwstof naar de grondbank GMC en (2) lozing van verontreinigd bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar het naastgelegen perceel van Rijkswaterstaat. Het maximum dwangsombedrag was ongeveer € 1.300.000,--.

3.9

Tegen de op 18 maart 2008 opgelegde lasten onder dwangsom hebben [eiseressen] beroep aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep is bij uitspraak van 25 november 2009 ongegrond verklaard. In deze uitspraak is onder andere het volgende vermeld:

“2.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat vanuit de inrichting van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. op de locatie [adres] een partij van circa 5.000 ton slib/fijn zand is afgegeven aan de Tijdelijke Opslagplaats van de Grondbank GMC in Hattemerbroek. De Grondbank heeft geen vergunning voor de opslag van gevaarlijke stoffen.”

en

“2.4.4. (…) Gelet op dit deskundigenbericht ziet de afdeling in hetgeen Nijhoff en andere hierover hebben gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het slib/fijn zand grond is als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.”

en

“2.4.6 Volgens het deskundigenbericht is de concentratie aan koper in het slib/fijn zand hoger dan de samenstellingseisen van droge stof, als gevolg waarvan het slib/fijn zand niet mag worden toegepast. Tevens is in het deskundigenbericht vermeld dat het standpunt van het college dat aan zes van de tien criteria van het Landelijk afvalbeheersplan niet kan worden voldaan, juist is. (…) Gezien het vorenstaande moet het slib/fijn zand derhalve als afvalstof als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet milieubeheer worden aangemerkt. Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, moet het slib/fijn zand zelfs worden beschouwd als gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer.”

en

2.6.1. Het college heeft bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom (…) gewezen op de kosten betreffende het aanbieden van de partij slib/fijn zand aan een stortplaats, zijnde tussen dek € 50,00 en € 70,00 per ton exclusief laden, transport en BTW. De tarievenlijst van Twence B.V. bevestigen dit. (…) De Afdeling ziet in hetgeen Nijhoff en andere betogen geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich destijds niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.”

en

“2.8.4 (…) Gelet hierop, alsmede de erkenning van [eiser 1] , directeur van Nijhoff Grindmaatschappij B.V., dat in het verleden eerder bedrijfsafvalwater is geloosd op het perceel van Rijkswaterstaat, is voldoende komen vast te staan dat vanuit de inrichting van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. bedrijfsafvalwater is geloosd op het perceel van Rijkswaterstaat.

2.8.5

Ter zitting is voorts door Nijhoff en andere erkend dat het uit de slang gestroomde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het bezinkbassin. In het bezinkbassin bevindt zich spoelwater met zwevende deeltjes slib/fijn zand. Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient het slib/fijn zand beschouwd te worden als gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer. Bovendien volgt uit de stukken dat het Waterschap Regge en Dinkel dit spoelwater heeft bemonsterd en dat het spoelwater sterk is verontreinigd. (…) Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat voldoende is aangetoond dan wel aannemelijk is geworden dat de lozing van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. de verontreiniging op het perceel van Rijkswaterstaat heeft veroorzaakt."

3.10

In de last onder dwangsom van 18 maart 2008 is onder andere het volgende bepaald:

“de begeleidingsbrieven correct in te vullen conform de artikelen 10.38 en 10.39 van de Wet milieubeheer en het Besluit en de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

Dit betekent dat u op de begeleidingsbrieven :

-voor slib/fijn zand als gebruikelijke benaming “grond” en als euralcode 170503* moet invullen (vak 6);

- de juiste afzender (vak 1), de juiste transporteur (vak 5) en een juist afvalstroomnummer (vak 6) moet invullen.”

Ten aanzien van deze last heeft de provincie Overijssel op 19 juni 2012 een dwangbevel d.d. 7 juni 2012 ten bedrage van € 54.000,-- uitgevaardigd. Dit dwangbevel zag op door Nijhoff Grindmaatschappij B.V. in mei 2010 afgevoerd slib/fijn zand met de benaming “grond voor productie bouwstof” (in plaats van grond) en met euralcode 170504 (in plaats van 170503*). Hiertegen heeft [eiseressen] verzet aangetekend. In de verzetsprocedure is op 20 november 2013 vonnis gewezen door de rechtbank Overijssel, waarbij het verzet gegrond is verklaard en het dwangbevel d.d. 7 juni 2012 buiten werking is gesteld.

3.11

Op 3 november 2009 heeft de provincie Overijssel aan [eiseressen] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van (1) het verplaatsen c.q. mengen van slib/fijn zand met ballastzand en (2) het afvoeren van ballastzand als bouwstof (naar de rondweg/viaduct Ommen). Het maximum dwangsombedrag was € 4.400.000,--. Het door [eiseressen] hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 20 april 2010 ongegrond verklaard.

3.12

[eiseressen] hebben tegen het besluit van 20 april 2010 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 25 mei 2011 het beroep van [eiseressen] ongegrond verklaard. In deze uitspraak is onder andere het volgende vermeld:

“2.9.2. (…) liggen onderzoeksrapporten betreffende bevindingen op 11 en 12 augustus 2009 ten grondslag (…) Nijhoff heeft dit als zodanig niet betwist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat slib/zand is gemengd met ballastzand.(…) Gelet op het voorgaande, alsmede het overwogene in 2.7.3., heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat slib/fijn zand niet met ballastzand mocht worden gemengd, voorschrift 4.1.10 niet is nageleefd en daarnaast dat het slib/fijn zand in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en voorschrift 1.1.1. van de vergunning niet overeenkomstig de vergunning is opgeslagen.”

en

“2.12.4 Blijkens een op 17 september 2009 door een toezichthouder van de provincie Overijssel opgesteld toezichtrapport, heeft de politie IJsseland (…) op

16 september 2009 een vrachtwagen gecontroleerd met materiaal van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. De chauffeur heeft verklaard dat het materiaal was bedoeld om te worden gebruikt ten behoeve van de aanleg van de rondweg N36 in Ommen. (…)

Nijhoff heeft zijn stelling dat het afgevoerde materiaal, brekerzeefzand betreft en daadwerkelijk een bouwstof is, niet met onderzoeksgegevens onderbouwd, zodat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de constatering door het college dat het afgevoerde materiaal grond betrof.

Door ballastzand, zijnde grond, af te voeren als bouwstof heeft Nijhoff Grindmaatschappij B.V. gehandeld in strijd met de verleende vergunning en daarmee voorschrift 1.1.1. overtreden.”

en

“2.12.5 (…), doet (…) niet af aan de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden omdat niet werd voldaan aan de in artikel 10.39, eerste lid, onder b, neergelegde verplichting een begeleidingsbrief te verstrekken.”

en

“2.16.2. De aan het primaire besluit ten grondslag gelegde gedragingen, het met de vergunning strijdige mengen van materiaal en het niet op juiste wijze afvoeren daarvan, kunnen niet als overtredingen van geringe ernst worden beschouwd. Door deze gedragingen kan immers worden verhuld dat ernstig verontreinigd materiaal ten onrechte als bouwstof wordt gebruikt, hetgeen nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Dat achteraf uit onderzoek is gebleken dat het op juiste wijze naar Ommen afgevoerde materiaal als industriegrond toegepast kon worden, betekent niet dat het college niet in redelijkheid tot het treffen van een handhavingsmaatregel ter zake heeft kunnen besluiten.”

en

“2.19.1 Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de hoogte van de dwangsommen passend zijn. Nijhoff Grindmaatschappij B.V. kan doordat het 60.000 ton ballastzand heeft afgezet als bouwstof in plaats van als grond, een voordeel hebben genoten van € 4.400.000,-, aldus het college.

(…)

2.19.2. (…)

Gelet hierop is het niet onaannemelijk dat het voordeel voor Nijhoff Grindmaatschappij B.V. bij benadering is wat het college heeft berekend. In hetgeen Nijhoff heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.”

3.13

De provincie Overijssel heeft een toezichtrapport opgesteld van haar controlebezoeken aan Nijhoff Grindmaatschappij B.V. van 28 april 2010 en 4 mei 2010. Hierin is onder ander het volgende vermeld:

“Bezoek op woensdag 28 april 2010

(…) [eiser 1] gaf aan dat hij geen inzicht heeft in de administratie. (…)

Hierop hebben wij [eiser 1] aangegeven dat wij op donderdag 29 april 2010 zouden terug komen teneinde onderzoek in de administratie te kunnen doen. (…) Op woensdag 28 april 2010 (..) werd ik gebeld door mw. [eiser 2] (…). [eiser 2] gaf aan dat ons bezoek (…) niet door kon gaan omdat zij dan niet aanwezig was en zij expliciet aanwezig wil zijn tijdens ons bezoek. Ik heb toen met haar afgesproken dat ik dinsdagochtend 4 mei 2010 (…) langs zou komen voor onderzoek in de administratie.

Bezoek op dinsdag 4 mei 2010

(…)

Teneinde in beeld te krijgen of de gegevens op de desbetreffende massabalansen juist zijn en tevens in beeld te krijgen waarheen deze partijen slib zijn afgevoerd hebben wij [naam 2] inzage gevraagd in de administratie behorende bij de afvoer van slib gedurende de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2007.

[naam 2] gaf, op advies van [naam 3] , aan dat zij zich beriep op haar zwijgrecht.

[naam 4] heeft hierop aan [naam 2] kenbaar gemaakt dat hij medewerking zal vorderen en als zij hier niet aan zou voldoen zij zich zou schuldig maken aan een misdrijf.

[naam 5] gaf aan dat het bedrijf wel medewerking wilde verlenen en dat de gevraagde stukken moesten worden opgezocht en dat wij deze stukken om 15.00 uur konden ophalen.

Nadat wij hadden aangegeven dat wij inzage willen hebben in de administratie en hoe deze is opgebouwd zodat wij zelf kunnen vaststellen of de noodzakelijke stukken juist en compleet zijn gaf [naam 6] aan dat hij het hier niet mee eens was en dat de gevraagde stukken om 13.00 uur klaar zouden liggen en door ons konden worden opgehaald.

Hierop heeft [naam 4] aan [naam 2] gevorderd medewerking te verlenen en inzage te geven van de zakelijke gegevens die behoren bij de afvoer van slib gedurende de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2007.

[naam 2] gaf, wederom op advies van [naam 5] , aan dat zij zich beriep op haar zwijgrecht.

Hierop hebben wij ons voor overleg even terug getrokken in de auto.

Enkele ogenblikken later zag ik dat [naam 2] via de zijuitgang haar kantoor verliet.

Hierop hebben wij de auto verlaten. Even later is [naam 2] door [naam 4] aangehouden op de openbare weg (…).

Even later is op verzoek de politie ter plaatse gekomen. Nadat [naam 5] en [eiser 2] en [naam 2] overleg hadden gepleegd met elkaar gaf [naam 5] aan dat [naam 2] mee zou gaan naar het politiebureau.

Hierop heb ik, in aanwezigheid van de aanwezige politie-ambtenaren, aan [naam 2] gevorderd om medewerking te verlenen en inzage te geven van de zakelijke gegevens (…)

[naam 2] gaf, wederom op advies van [naam 5] , aan zich te beroepen op haar zwijgrecht. Hierop is [naam 2] door de politie-ambtenaren aangehouden en voor verhoor overgebracht naar het politiebureau te Rijssen.

(…)

In het kantoor gaf [eiser 2] aan dat zij niet over de sleutel van de kasten beschikte. Tevens gaf zij aan dat zij het wachtwoord niet wist van de aanwezige (nieuwe) computer. [eiser 2] gaf aan dat alleen [naam 2] beschikte over de noodzakelijke sleutels en wachtwoord van de computer.

(…)

Hierop hebben wij een onderzoek ingesteld naar de afvalstoffenadministratie betreffende de afvoer van het slib (…) op het kantoor van Nijhoff in Almelo”

en

Volgens de gegevens van de massabalans van 2006 en 2007 is er in de periode

1-1-2006 t/m 31-12-2007 dus 2.919.000 kg meer afgevoerd dan volgens de gegevens van de weegbrug van het bedrijf te Almelo.”

(…)

Bezoekrapport opgemaakt door

(…)

[naam 7]

Toezichthouder”

en

Bevindingen van collega [naam 4] :

Toezicht bij Nijhoff op 4 mei 2010 om te bekijken waar het slib vanuit het proces in de jaren 2006 en 2007 naar toe gegaan is.

(…)

Naar aanleiding van onze vraag gaf de heer [naam 5] aan dat wij de gegevens om 15.00 uur en later in het gesprek om 13.00 uur op zouden kunnen komen halen.

Daar voor ons de betrouwbaarheid en volledigheid van de gegevens even belangrijk zijn als de gegevens zelf, hebben we vervolgens aangegeven dat we graag wilden meekijken hoe de cijfers tot stand zouden komen.

Aangegeven werd vanuit het bedrijf dat ons verzoek op dat punt niet werd gehonoreerd. Men wilde ons niet naar de cijfers in het systeem laten kijken.

(…) nogmaals uitgelegd dat wij graag mee wilden kijken (…)Omdat het bedrijf weigerde in te gaan op ons verzoek ben ik vervolgens over gegaan tot het vorderen van medewerking aan mij als toezichthouder.

Nadat aangegeven werd dat men ons niet kon helpen in ons verzoek heb ik mij gewend tot de boekhoudster in persoon (…). Ik heb haar vervolgens als persoon gevorderd om medewerking te verlenen (…). De boekhoudster maakte kenbaar niet mee te willen werken.

(…)

In de auto voor de deur gezeten hebben wij vervolgens besloten de politie te bellen i.v.m. het niet medewerking verlenen aan een toezichthouder.

(…) Hij vermoedde direct dat de boekhoudster probeerde weg te lopen. (…) Even later zag ik voorzichtig het hoofd van de boekhoudster om het muurtje kijken. In eerste instantie trok ze haar hoofd snel terug. Vermoedelijk nadat ze mij zag naderen. Daarna (…) kwam ze tevoorschijn.(…)

Nadat zowel advocaat Kolkman van Nijhoff als de politie arriveerden heeft mijn collega nogmaals formeel medewerking gevorderd aan ons onderzoek bij de boekhoudster (…). Nadat ze dit wederom weigerde is zij aangehouden door de politie en meegenomen naar het politiebureau.

(…)

Terug op kantoor heb ik [eiser 2] verzocht om de kast op het kantoor te openen opdat wij konden kijken of in deze kast de administratie over 2006 en 2007 stond. (…) hierop werd verzocht door hun drieën even onderling af te mogen stemmen. Deze afstemming bleek na enige tijd ertoe geleid te hebben dat men ons aangaf enkele gegevens inmiddels boven water te hebben. Men had met name een deel van de stoffen administratie gevonden. Deze bleek echter op de locatie in Almelo aanwezig te zijn. (…)

In Almelo aangekomen (…) nadat wij hem gevorderd hadden inzage te geven in de weeggegevens van 2006 en 2007 aangaande de afvalstroom slib kregen wij een overzicht van 8 kantjes. (…)

(…)

Om vier uur kregen we via de politie te horen dat de boekhoudster was heengezondenen en dat zij van plan was richting Nijhoff te komen. (…)Hierop werd aangegeven dat men zonder de boekhoudster niet bij de gegevens kon Wij hebben vervolgens aangegeven het verschijnen van de boekhoudster dan even af te wachten. (…)

Bij kantoor aangekomen bleek [eiser 2] niet meer aanwezig. Volgens de heer [naam 5] omdat ze nachtdienst had gedraaid. Ook de nieuwe advocaat van de firma was niet meer aanwezig. Na enige tijd gewacht te hebben leek het ons dat de boekhoudster toch niet naar kantoor kwam maar kennelijk naar huis was gegaan. De heer [naam 5] had geen behoefte dit middels een belletje naar haar 06 nummer te verifiëren nog ons dat nummer te geven.

Dit deel van het bezoekrapport is opgemaakt door

(…)

[naam 4]

Toezichthouder”

3.14

Op 11 mei 2010 heeft de provincie Overijssel een voornemen tot intrekking van de milieuvergunning aan Nijhoff Grindmaatschappij B.V. gestuurd, waarbij vijf overtredingen zijn genoemd die ongedaan gemaakt moeten worden. Op 15 juni 2010 heeft de provincie Overijssel de verleende milieuvergunningen ingetrokken. In dit besluit is tevens een (preventieve) last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat Nijhoff Grindmaatschappij BV wordt gelast:

“alle nodige maatregelen te treffen, zodat de milieuvergunningplichtige activiteiten in de inrichting aan [adres] in Almelo op

4 oktober 2010 daadwerkelijk zijn beëindigd. De inrichting moet op die datum ontruimd zijn en worden gesloten. Indien wij constateren dat de inrichting niet is ontruimd en gesloten , zullen wij op kosten van u en de overige overtreders, de inrichting op 5 oktober 2010 ontruimen met toepassing van bestuursdwang en de inrichting met toepassing van bestuursdwang op kosten van u en de overige overtreders op 5 oktober 2010 sluiten.”

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft de provincie Overijssel het hiertegen gerichte bezwaarschrift van [eiseressen] ongegrond verklaard en heeft zij de datum van intrekking van de vergunning gewijzigd in 6 weken na bekendmaking van dat besluit en de datum betreffende de last onder bestuursdwang gewijzigd in de dag na de intrekkingen van de vergunningen.

3.15

[eiseressen] hebben tegen het besluit van 5 oktober 2010 beroep aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in deze zaak op 25 mei 2011 uitspraak gedaan en heeft het beroep van [eiseressen] ongegrond verklaard. In de uitspraak is onder andere het volgende vermeld:

“2.12.2. De Afdeling stelt vast dat het college niet alleen vanwege de aard en de ernst van de vijf kwesties het besluit heeft genomen de vergunningen in te trekken, maar dat het van groot belang heeft geacht dat in het verleden vele handhavingsbesluiten zijn genomen, die niet hebben geleid tot het naleven van de voor de inrichting geldende milieuregels en dat nieuwe overtredingen zijn begaan. Vast staat dat het college bij besluit van 10 september 2002, 16 juli 2004,

23 december 2004, 22 augustus 2005, 18 maart 2008 en 3 november 2009 Nijhoff Grindmaatschappij B.V. lasten onder dwangsom heeft opgelegd ten aanzien van het niet naleven van onder meer de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Deze besluiten betroffen onder meer het met de vergunning strijdige opslag van ballastzand en/of brekersstof, het ontbreken van vloeistofdichte voorzieningen, de opslag van te grote hoeveelheid brekersstof, de afvoer van materiaal als bouwstof, het mengen van ballastzand met slib/fijn zand alsmede het niet nakomen van registratieverplichtingen. Het beroep tegen het bij besluit van 20 april 2010 gehandhaafde besluit van 3 november 2009 is bij uitspraak van heden in zaak met nr. 201005294/1 (www.raadvanstate.nl) ongegrond verklaard. De overige in bezwaar gehandhaafde besluiten zijn inmiddels in rechte onaantastbaar. Meer dan een half miljoen euro was destijds reeds aan dwangsommen verbeurd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de reeds opgelegde handhavingsbesluiten niet het beoogde effect hebben gesorteerd. Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gedragingen van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben en dat het belang van bescherming van het milieu is gediend bij intrekking van de vergunningen. De omstandigheid dat een deel van de overtredingen, hangende bezwaar, ongedaan is gemaakt, wat daar verder overigens ook van zij en nog daargelaten dat onbetwist is dat niet alle overtredingen ongedaan waren gemaakt, brengt niet met zich dat het college het intrekkingsbesluit had moeten herroepen.”

3.16

Ter voorbereiding van de onderhavige procedure hebben in de periode van januari 2014 tot en met maart 2014 voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden.

Persberichten en interviews

3.17

Op 25 november 2009 heeft de provincie Overijssel een persbericht uitgebracht met als titel “Raad van State stelt provincie Overijssel in het gelijk”, welk persbericht als bijlage 1 van dit vonnis is opgenomen en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3.18

Op 12 mei 2010 heeft de provincie Overijssel een persbericht uitgebracht met als titel “Provincie Overijssel wil milieuvergunning van Nijhoff Grindmaatschappij intrekken”, welk persbericht als bijlage 2 van dit vonnis is opgenomen en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3.19

Op 16 juni 2010 heeft de provincie Overijssel een persbericht uitgebracht met als titel “Provincie Overijssel voorkomt verdere verspreiding vervuilde grond door Nijhoff Grindmaatschappij, Gedeputeerde Staten trekken milieuvergunning in”, welk persbericht als bijlage 3 van dit vonnis is opgenomen en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3.20

Op 16 juni 2010 is de heer Ranter, (oud-)gedeputeerde van de provincie Overijssel, geïnterviewd door RTV Oost. Tijdens dit interview heeft de heer Ranter onder andere gezegd:

“Nijhof Grindmaatschappij, waar wij al ruim acht jaar mee in een continu handhavingstraject zitten, spreidt stelselmatig verontreinigde grond uit naar locaties waar dat niet is toegestaan, zeg maar die grond eigenlijk te storten omdat ze zwaar verontreinigd is. Maar ook vanwege economisch belang voert zij die af naar allerlei plaatsen wat gevaar voor mensen en dieren kan opleveren.”

3.21

Tubantia heeft op 18 juni 2010 in een artikel met de titel “Bestuurders oneens over gevaar grond van Nijhoff” het volgende vermeld;

“De provincie heeft een heel andere mening. De grond die Nijhoff als bouwstof verkocht, is zodanig vervuild met koper en pak’s dat je er ziek van kunt worden, beweert gedeputeerde Gert Ranter. “Heb je het op je weiland liggen en je laat daar een schaap grazen, dan gaat zo’n dier daar op termijn aan dood”.

3.22

Op 21 juni 2010 is de heer Ranter geïnterviewd door RTV Oost. Tijdens dit interview heeft de heer Ranter onder andere gezegd:

“Nou, u moet zich voorstellen dat grind verwerkt wordt, wordt gezeefd en volgens de wet, maar ook volgens de uitspraken van de Raad van State is dat gevaarlijk afval en dat moet je storten in Nederland. Wat Nijhoff eigenlijk gedaan heeft is het niet storten, dat kost geld, maar weer verkocht aan anderen, al dan niet gemengd met wat schonere grond en verwerkt in allerlei publieke werken.”

Vraag interviewer: “Ik kan het me wel voorstellen misschien dat hij dat gedaan heeft, hoewel het niet mag, want hij schijnt er 1,3 miljoen euro mee verdiend te hebben, hé?

“Ja het storten van gevaarlijk afval kost veel geld (…)en als je het in plaats daarvan kunt verkopen voor geld kun je uitrekenen dat je daar veel geld aan verdient.”

“(…) er is een klein handje vol zeg maar, soms rotte appels die tot het uiterste gaan vanwege het financiële gewin.”

“We hebben geen keuze meer. Ook gezien, nogmaals, de gezondheidsrisico’s. U moet zich voorstellen dat als deze gronden op woonterreinen komen waar huizen staan en je langdurig wordt blootgesteld aan koper, dat je allerlei gezondheidsklachten kunt krijgen.”

3.23

Op 6 oktober 2010 heeft de provincie Overijssel een persbericht uitgebracht met als titel “Provincie Overijssel houdt vast aan intrekken milieuvergunningen van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. ”, welk persbericht als bijlage 4 van dit vonnis is opgenomen en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3.24

In december 2010 hebben de heren [naam 7] en [naam 4] , medewerkers van de provincie Overijssel, een interview gegeven aan het blad “handhaving”, zijnde een blad dat wordt verspreid onder toezichthouders en opsporingsambtenaren. Hierin is onder andere het volgende vermeld:

“De sfeer was toen meteen bedreigend, vertelt [naam 7] . “Toen ik mijn auto wegzette en mijn laarzen aandeed, kwam hij al naar mij toe lopen en zei: “je komt het bedrijf niet op” en “ik sta niet in voor de gevolgen.” Dan moet je je eerst even tactisch terugtrekken.” ” [naam 4] is huiverig er nadruk op te leggen. “Ik zou het heel vervelend vinden als het artikel uitstraalt dat wij op basis van het gedrag van het bedrijf GS geadviseerd hebben. Dat ze medewerking weigeren is natuurlijk vervelend, maar wij kijken daar professioneel naar.”

“Bovendien, vult [naam 4] aan, veranderde in die tijd de wet en werd het storten van vervuilde, niet-reinigbare grond duurder. Nijhoff ging het als bouwstof afvoeren naar klanten die het ook als bouwstof toepasten.”

“Ballastzand is in Ommen beland onder de N36, slib in Kampen bij de Zuiderzeehaven en in Hattemerbroek in een waterplas. Dat slib is volgens [naam 4] gevaarlijk afval. “Zolang je namelijk niet weet wat het is – Nijhoff heeft het niet bemonsterd – is het gevaarlijk afval”. In de Zuiderzee is een deel gebruikt voor een industrieterrein, de rest ligt op de grondopslag.” ”Het meest logische is dat dit bemonsterd wordt en dan moet het alsnog naar de stort. Maar daar gaat de gemeente Kampen over.” ”In Hattemerbroek is vijf á zesduizend ton (ongeveer 20 vrachtwagens) voor ophoging in een waterplas gekiept waar villa’s moeten verrijzen. Bevoegd gezag is het Waterschap Veluwe. Om de milieurisico’s van het ballastzand onder de N36 te achterhalen, nam de gemeente Ommen monsters. Ze concludeerde dat de grond onder de weg industriekwaliteit heeft en dus geen milieu hygiënisch gevaar. “Die conclusie delen wij, maar dat zegt niks over de vraag wat Nijhof heeft aangevoerd. De grond onder de weg is namelijk een mengsel van Nijhoff-grond en schoon zand. Wij gaan er vanuit dat de verhouding hier tussen 2:1 is, maar dat is niet meer vast te stellen.”

3.25

Op 14 maart 2011 heeft RTV Oost op haar website een bericht geplaatst, waarin onder andere het volgende is vermeld:

De provincie Overijssel blijft van mening dat de milieuvergunning van grondbedrijf Nijhoff in Almelo terecht is ingetrokken en dat het bedrijf moet worden gesloten. Dit bleek dinsdag bij de Raad van State.

Nijhoff heeft meer dan 10 jaar stelselmatig milieuregels geschonden, onder meer door vervuilde bouwgrond aan aannemers te leveren. Volgens de provincie is er ook geen vertrouwen in de nieuwe directie, die nu schoon schip maakt. De Raad van State vraagt zich desondanks af of de geconstateerde overtredingen wel voldoende zijn om het bedrijf te sluiten. Bovendien komt Nijhoff binnenkort met een nieuwe aanvraag voor een milieuvergunning, die niet makkelijk geweigerd kan worden. De provincie zegt dat die nieuwe vergunning mogelijk wordt tegengehouden op grond van de Wet Bibob, omdat Nijhof strafbare feiten heeft gepleegd.”

3.26

Op 25 mei 2011 heeft de provincie Overijssel een persbericht uitgebracht met als titel “Verspreiding vervuilde grond door bedrijf beëindigd, Raad van State: intrekking milieuvergunning Nijhoff Grindmaatschappij terecht ”, welk persbericht als bijlage 5 van dit vonnis is opgenomen en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Overige feiten

3.27

De heer [naam 8] , medewerker van de provincie Overijssel, heeft op 15 september 2011 aan [bedrijf 1] Milieu Consultants B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en haar milieukundig adviseur een mail gestuurd, waarin het volgende is vermeld:

“Laat ik mij voorzichtig uitdrukken: ik heb de indruk dat jullie voor het opstellen van met name AV-beleid en procesbeschrijving erg afhankelijk zijn van Nijhoff. En ik heb de indruk dat Nijhoff selectief is in welke informatie beschikbaar wordt gesteld voor het AV-beleid. Daardoor ontstaat er mogelijk een te positief beeld van het proces en de economische mogelijkheden.”

3.28

Op 18 juni 2011 hebben [eiseressen] met [bedrijf 1] Milieu Consultants B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) overeenstemming bereikt over de verkoop van het bedrijf van [eiseressen] aan [adres] te Almelo, onder de ontbindende voorwaarde van verkrijging van een omgevingsvergunning voor de inrichting door [bedrijf 1] .

3.29

[bedrijf 1] heeft op 19 december 2011, na vooroverleg met de ambtenaren van de provincie Overijssel, een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu bij gedeputeerde staten van de provincie Overijssel ingediend ten behoeve van de voortzetting van het bedrijf van [eiseressen]

3.30

Op 18 januari 2012 heeft [bedrijf 1] een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets verkregen voor de opslag van buiten de inrichting afkomstige grond van de klasse wonen en de klasse industrie op het terrein van het bedrijf van [eiseressen] aan het [adres] te Almelo.

3.31

Bij brief van 23 maart 2012 heeft mevrouw [naam 9] , medewerker van de provincie Overijssel, het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) verzocht een advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag voor een omgevingsvergunning van [bedrijf 1] . Hierin is onder andere vermeld:

“De aangevraagde activiteiten zijn (…) een feitelijke voortzetting van de activiteiten van Nijhoff Grondmaatschappij. (…) Er werd o.a. gevaarlijk afval afgevoerd onder de noemer bouwstof welke is toegepast in een woonwijk. De uitvoerder van dat afval was de [bedrijf 1] Groep waarvan de aanvrager onderdeel uitmaakt.”

3.32

De uitkomst van het voormelde onderzoek van het LBB was dat er ten aanzien van [bedrijf 1] sprake zou zijn van “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 van de wet Bibob.

3.33

[bedrijf 1] heeft op 17 juli 2012 zijn aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning milieu ingetrokken en op 3 september 2012 heeft hij de provincie Overijssel verzocht de reeds verleende OBM in te trekken. De hiervoor onder 3.28 vermelde verkoop van het bedrijf van [eiseressen] aan het [adres] te Almelo heeft vervolgens geen doorgang gevonden.

3.34

Nijhoff Grindmaatschappij B.V. was ten tijde van de in de onderhavige zaak gehouden pleidooien niet verkocht.

4 Het geschil

4.1

[eiseressen] vorderen - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

I. voor recht verklaart dat de provincie Overijssel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen] ;

II. de provincie Overijssel veroordeelt om aan [eiseressen] de schade te vergoeden die [eiseressen] lijden en hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2003, althans vanaf de datum der dagvaarding;

III. A. de provincie Overijssel veroordeelt om binnen 5 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, een rectificatie te publiceren met als inhoud:

Gedeputeerde Staten van Overijssel delen mee tegenover Nijhoff Grindmaatschappij B.V. ernstig onzorgvuldig te hebben gehandeld. Tusssen 2009 en 2011 is meerdere keren door de provincie onjuiste informatie over het bedrijf en zijn directie verspreid. Dat gebeurde in persberichten uitgebracht door het provinciebestuur, in interviews met de pers door inmiddels oud-gedeputeerde en toezichthouders van de provincie en in gesprekken van ambtenaren met potentiële kopers van het bedrijf.

Via herhaalde mededelingen, beweringen en suggesties is ten onrechte het beeld ontstaan dat Nijhoff uit winstbejag en in strijd met de wet handelde in ernstig verontreiningde grond en gevaarlijk afval – met risico’s voor zowel de gezondheid van mens en dier als het milieu. Zo is Nijhoff ten onrechte in een kwaad daglicht gesteld.

De provincie heeft hierdoor onrechtmatig jegens Nijhoff gehandeld. Het provinciebestuur betreurt deze gang van zaken. Het zal maatregelen nemen om verdere onjuiste berichtgeving over het bedrijf te voorkomen.”

B. de provincie Overijssel veroordeelt tot het herkenbaar (min. lettergrootte 11 pt.) en op een in het oog springende plaats in de media te plaatsen;

C. een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 met een maximum van

€ 1.000.000,--

IV. de provincie Overijssel veroordeelt in de proceskosten, waaronder de kosten en taxe van het voorlopig getuigenverhoor.

4.2

De provincie Overijssel voert verweer.

4.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

In geschil is of de provincie Overijssel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen] Hiertoe stellen [eiseressen] - kort samengevat - dat sprake is van de volgende onrechtmatige gedragingen, die in het hiernavolgende achtereenvolgens zullen worden besproken:

  1. Er is sprake van meineed dan wel ernstig onzorgvuldig handelen van [naam 1] , omdat zij in het getuigenverhoor bij het Hof Arnhem in het kader van het arrest van 15 september 2009 een feitelijk onjuiste verklaring heeft afgelegd.

  2. De provincie Overijssel heeft [eiseressen] door middel van handhavend optreden onterecht gedwongen om slib/fijn zand tegen hoge kosten af te voeren naar de stortplaats, waardoor onnodig stortkosten en afvoer- en opslagkosten zijn gemaakt, die niet gemaakt hadden hoeven worden als het slib/fijn zand als niet-gevaarlijke afvalstof was afgevoerd.

  3. De provincie Overijssel heeft in verschillende persberichten en interviews onjuiste informatie vermeld, welke onjuiste informatie de eer en goede naam van [eiseressen] heeft aangetast.

  4. e provincie Overijssel heeft de pogingen van [eiseressen] om haar bedrijfsactiviteiten te verkopen gefrustreerd door het verstrekken van negatieve en onjuiste informatie aan potentiële kopers.

A. Getuigenverklaring [naam 1]

5.2

Vast staat dat [naam 1] bij haar eerste getuigenverhoor bij het hof Arnhem twee (ongedateerde) foto’s heeft laten zien, waarvan ten tijde van haar tweede getuigenverhoor duidelijk werd dat deze niet op de in die procedure relevante datum van

3 april 2003 gemaakt konden zijn. Noch daargelaten dat niet is komen vast te staan dat [naam 1] bij haar eerste verhoor opzettelijk foto’s van een andere datum heeft laten zien dan wel door middel van deze foto’s opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken heeft willen geven, is de rechtbank van oordeel dat, voor zover al sprake zou zijn van een onrechtmatige handeling en dientengevolge geleden schade, deze schade niet toegerekend kan worden aan de provincie Overijssel. Immers een getuigenverklaring ex artikel 165 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betreft een wettelijke persoonlijke verplichting tot het afleggen van een verklaring en is geen in opdracht van de provincie Overijssel verrichte taak in de zin van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal derhalve de vorderingen van [eiseressen] afwijzen voor zover deze zien op de getuigenverklaringen van [naam 1] .

B. Afvoeren slib/fijn zand wegens handhavend optreden

5.3

Niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, is dat [eiseressen] op 15 juli 2015 twee deelpartijen slib/fijn zand heeft afgevoerd naar de stortplaats van Delta onder vermelding van euralcode 170503*. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseressen] aldus dat zij door de provincie Overijssel onterecht gedwongen zijn om deze twee deelpartijen te storten onder de euralcode 170503*. De ongeoorloofde dwang zou hebben bestaan uit de dreiging van verbeuring van dwangsommen en het voornemen tot intrekking van de milieuvergunningen.

5.4

In de lasten onder dwangsom van 18 maart 2008 is onder andere bepaald dat bij de afvoer van slib/fijn zand de begeleidingsbrieven correct ingevuld dienen te worden conform de artikelen 10.38 en 10.39 van de Wet milieubeheer en het Besluit en de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Hierbij is tevens vermeld:

“Dit betekent dat u op de begeleidingsbrieven :

-voor slib/fijn zand als gebruikelijke benaming “grond” en als euralcode 170503* moet invullen (vak 6);

- de juiste afzender (vak 1), de juiste transporteur (vak 5) en een juist afvalstroomnummer (vak 6) moet invullen.”

Het tegen deze lasten onder dwangsom door [eiseressen] ingestelde beroep is bij uitspraak van 25 november 2009 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard, zodat deze lasten onder dwangsom formele rechtskracht hebben gekregen. De rechtbank moet dus uitgaan van de juistheid van deze besluiten.

5.5

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat zij van standpunt verschilden over de te vermelden euralcode en stortwijze bij de onderhavige twee deelpartijen. Dat de provincie Overijssel zich in dit kader op het standpunt stelde dat de afvoer van deze twee deelpartijen slib/fijn zand conform de voormelde lasten onder dwangsom gestort moesten worden, merkt de rechtbank, gelet op de formele rechtskracht van deze lasten, niet aan als het uitoefenen van onrechtmatige dwang.

5.6

Daarnaast overweegt de rechtbank nog het volgende. Indien [eiseressen] geen gehoor hadden gegeven aan het standpunt van de provincie Overijssel en het slib/fijn zand met een andere euralcode hadden afgevoerd, dan was het vervolgens aan de provincie Overijssel geweest om hiertegen al dan niet handhavend op te treden en/of deze gedraging aan een intrekkingsbesluit ten grondslag te leggen. Tegen een eventueel in dit kader uit te vaardigen dwangbevel hadden [eiseressen] vervolgens verzet kunnen aantekenen bij de civiele rechter. Indien de afvoer van deze deelpartijen als overtreding aan een intrekkingsbesluit ten grondslag zouden zijn gelegd, dan hadden de hiertegen bestaande bezwaren aan de orde gesteld kunnen worden in de beroepsprocedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat de provincie Overijssel daadwerkelijk zou zijn over gegaan tot dergelijke handhaving staat overigens niet vast en indien zij hiertoe wel zou zijn overgegaan, hadden [eiseressen] dus met voldoende waarborgen omklede gerechtelijke procedures hiertegen kunnen voeren, waarin zij hun standpunt hadden kunnen verdedigen. Dat [eiseressen] om hun moverende redenen er uiteindelijk voor hebben gekozen om dergelijke procedures niet te volgen en alsnog conform de last onder dwangsom de twee deelpartijen te storten onder vermelding van euralcode 170503*, dient aldus voor hun rekening te blijven. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de omgevingsvergunning uiteindelijk alsnog is ingetrokken en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit intrekkingsbesluit en de daarbij behorende last onder bestuursdwang in stand heeft gelaten. Kennelijk hebben hier andere overtredingen en/of de afvoer van de overige deelpartijen onder euralcode 170504 aan ten grondslag gelegen.

5.7

Voor zover [eiseressen] bedoeld hebben te stellen dat de ongeoorloofde dwang voort kwam uit de last onder bestuursdwang van 15 juni 2010, kunnen zij daarin evenmin gevolgd worden, omdat in deze last geen melding gemaakt wordt van de te hanteren euralcodes en/of stortwijzen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de onderhavige deelpartijen geen sprake is geweest van het uitoefenen ongeoorloofde dwang en/of ander onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel. De dienaangaande voorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

C. Persberichten en interviews

5.8

In het debat van partijen omtrent het al dan niet onrechtmatige karakter van de litigieuze persberichten en interviews speelt een grote rol het verschil van inzicht tussen partijen over de vraag of slib/fijn zand van [eiseressen] juridisch gezien als gevaarlijke afvalstof kon worden aangemerkt en de in dat verband gevoerde procedures. De rechtbank stelt echter voorop, dat het al dan niet ten onrechte juridisch kwalificeren van slib/fijn zand als een gevaarlijke afvalstof nog niet zonder meer met zich brengt dat sprake is geweest van onrechtmatige uitlatingen in dat verband. Het gaat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de litigieuze persberichten en interviews om het volgende.

5.9

Daarbij staan twee fundamentele rechten tegenover elkaar. Aan de zijde van de provincie Overijssel het recht om aan burgers informatie te verstrekken en zich te verantwoorden over haar (handhavend) optreden en aan de zijde van [eiseressen] het recht op eer en goede naam. Om te kunnen bepalen welk van beide tegenover elkaar staande maatschappelijke belangen in deze zaak zwaarder moet wegen, dienen alle van belang zijnde omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waarbij tegen elkaar moeten worden afgewogen: enerzijds de aard van de gepubliceerde “mededelingen” en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor [eiseressen] en anderzijds de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de gepubliceerde berichten aan de kaak beogen te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de “mededelingen” steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de “mededelingen” gezien in verhouding tot de voorgaande factoren.

5.10

Binnen dit kader houdt de rechtbank voorts rekening met het volgende. De milieu handhavende taken van de provincie Overijssel strekken ter bescherming van het milieu en de gezondheid van mens en dier, hetgeen gelet op de aard en impact hiervan, een groot maatschappelijk belang behelst. Tevens is van belang dat eventuele door bedrijven begane “milieuovertredingen of mistanden” niet of nauwelijks zelfstandig door individuele burgers gesignaleerd kunnen worden. Het is de provincie Overijssel die vooraf vergunningen verstrekt ten aanzien van (mogelijke) milieubelastende bedrijfsactiviteiten en nadien controles uitvoert ten aanzien van de naleving hiervan en indien nodig handhavend optreedt. Daarnaast is ten aanzien van het verstrekken van dergelijke vergunningen, de uit te voeren controles en het handhavend optreden regelmatig sprake van een spanningsveld tussen enerzijds de (bedrijfs)economische belangen en anderzijds de belangen van het milieu en de gezondheid van mens en dier. In dit verband is van belang, zeker in de huidige tijd waarin van overheidsorganen steeds meer wordt verwacht dat zij in de openbaarheid verantwoording afleggen over hun publieke taken, dat de provincie Overijssel in de media communiceert over haar handhavend optreden, zodat voor de maatschappij duidelijk is wat de toedracht en de motivatie van haar optreden is. Daarbij betrekt de rechtbank dat ten aanzien van [eiseressen] sprake is geweest van een omvangrijke handhavingsgeschiedenis en het door de provincie Overijssel treffen van ingrijpende handhavingsmiddelen. Nu niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is weersproken dat [eiseressen] zelf de media actief hebben benaderd over het handhavend optreden van de provincie Overijssel, nam het belang van mediacommunicatie vanuit de provincie Overijssel toe. In dit licht bezien en in aanmerking nemende dat de hieronder vermelde persberichten en interviews, met uitzondering van het interview in het blad handhaving, gepubliceerd zijn dan wel gegeven zijn naar aanleiding van ontwikkelingen in de bestuursrechtelijke procedures dan wel het ontstaan van meningsverschillen over de rondweg Ommen, verwerpt de rechtbank de stelling van [eiseressen] dat de provincie Overijssel onrechtmatig heeft gehandeld vanwege de hoeveelheid van publicaties.

5.11

Uitgaande van het in rechtsoverweging 5.8 en 5.9 vermelde toetsingskader en rekening houdende met de in 5.10 vermelde omstandigheden zal de rechtbank in het hiernavolgende per persbericht respectievelijk interview beoordelen of sprake is geweest van onrechtmatig handelen van de zijde van de provincie Overijssel.

Persbericht 25 november 2009

5.12

Gelet op de inhoud, de strekking en de datering van het persbericht van

25 november 2009, heeft de provincie Overijssel dit persbericht kennelijk uitgebracht naar aanleiding van de hiervoor onder 3.9 vermelde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 2009. Nu in deze uitspraak onder andere - kort samengevat - is overwogen dat:

- niet in geschil is dat Nijhoff Grindmaatschappij B.V. slib/fijn zand heeft afgegeven aan de tijdelijke Opslagplaats van de Grondbank GMC in Hattemerbroek, terwijl de Grondbank geen vergunning had voor de opslag van gevaarlijke stoffen (overweging 2.4.1),

- er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het slib/fijn zand grond is als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit (overweging 2.4.4)

- de concentratie aan koper in het slib/fijn zand hoger is dan de samenstellingseisen van droge stof, als gevolg waarvan het slib/fijn zand niet mag worden toegepast (overweging 2.4.6),

- gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, het slib/fijn zand zelfs moet worden beschouwd als gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer (overweging 2.4.6),

ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat dit persbericht, in zijn totaliteit bekeken, qua inhoud of strekking een onjuist beeld geeft ten aanzien van het tussen partijen bestaande geschil over de afvoer van slib/fijn zand. Dat wellicht pas vanaf 2005 (een deel van de) partijen slib/fijn zand zijn verkocht als bouwstof, is in dit kader van ondergeschikt belang, zodat hetgeen daarover is opgemerkt evenmin tot onrechtmatigheid leidt. De rechtbank zal derhalve de vorderingen van [eiseressen] voor zover die zien op dit persbericht afwijzen.

Persbericht 12 mei 2010

5.13

Het persbericht van 12 mei 2010 is uitgegeven naar aanleiding van het voornemen tot intrekking van de milieuvergunning van Nijhoff Grondmaatschappij B.V. Gelet op het hiervoor onder 3.13 vermelde toezichtrapport en de omstandigheid dat [eiseressen] erkennen dat zij tijdens deze controlebezoeken de gevraagde gegevens niet per omgaande hebben verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat [eiseressen] weldegelijk bereidwillig waren om de betreffende handhavers inzage te geven in de administratie en duidelijkheid te verschaffen over de bestemming van verontreinigd slib/fijn zand. Daar komt nog bij dat in het toezichtrapport staat vermeld dat “Volgens de gegevens van de massabalans van 2006 en 2007 er in de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2007 dus 2.919.000 kg meer is afgevoerd dan volgens de gegevens van de weegbrug van het bedrijf te Almelo.”, zodat er alle aanleiding was om medewerking te verlenen aan uitvoerig onderzoek naar de oorzaak hiervan. Dit in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel, dat de zinsnede “Bovendien weigert het bedrijf helderheid te verschaffen over het gebruik en de bestemming van verontreinigd slib/fijn zand”, mede gelet op de inkleding van deze zinsnede en de strekking van het totale persbericht, niet onrechtmatig is.

5.14

Zoals hiervoor is vermeld, was in de uitspraak van 25 november 2009 reeds overwogen dat het slib/fijn zand niet mag worden toegepast, omdat de concentratie aan koper hoger is dan de samenstellingseisen van droge stof en dat het slib/fijn zand zelfs moet worden beschouwd als gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer. De dienaangaande vermeldingen in het persbericht van 12 mei 2010 vonden derhalve voldoende mate van steun in het voorhanden materiaal. Dat wellicht in het onderzoeksverslag van Royal Haskoning van 6 augustus 2010 is vermeld dat ten aanzien van de partij slib/fijn zand waarop dit rapport betrekking had geen sprake is van een gevaarlijke stof, maakt dit niet anders. Immers dit rapport is enerzijds pas na het verschijnen van het persbericht uitgebracht en anderzijds heeft dit rapport slechts betrekking op de ten aanzien van de in dat rapport vermelde partijen slib/fijn zand, zodat dit geen uitsluitsel geeft over de samenstelling en kwalificatie van het slib/fijn zand in zijn algemeenheid. Dit geldt te meer nu in de uitspraak van 25 november 2009 eveneens op basis van een onderzoek was geconcludeerd dat er weldegelijk sprake was van een gevaarlijke afvalstof.

5.15

Op 3 november 2009 heeft de provincie aan [eiseressen] lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van (1) het verplaatsen c.q. mengen van slib/fijn zand met ballastzand en (2) het afvoeren van ballastzand als bouwstof (naar de rondweg/viaduct Ommen). Deze besluiten zijn in bezwaar en in beroep in stand gelaten, waarbij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van

25 mei 2011 onder andere heeft overwogen dat:

  • -

    ervan moet worden uitgegaan dat slib/zand is gemengd met ballastzand (2.9.2),

  • -

    het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt heeft gesteld dat slib/fijn zand niet met ballastzand mocht worden gemengd (2.9.2),

  • -

    Nijhoff Grindmaatschappij B.V. door ballastzand, zijnde grond, af te voeren als bouwstof heeft gehandeld in strijd met de verleende vergunning en daarmee voorschrift 1.1.1. heeft overtreden (2.12.4),

Gelet hierop in combinatie met de hiervoor onder 5.12 vermelde overwegingen uit de uitspraak van 25 november 2009 en de in het voormelde toezichtrapport vermelde constatering dat “Volgens de gegevens van de massabalans van 2006 en 2007 er in de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2007 dus 2.919.000 kg meer is afgevoerd dan volgens de gegevens van de weegbrug van het bedrijf te Almelo.”, is de rechtbank van oordeel dat de zinsnede “Nu blijkt dat Nijhoff dit gevaarlijk afval niet naar de stortplaats afvoert, hetgeen wel is vereist, maar vermoedelijk opgemengd met ander materiaal heeft verkocht als bouwstof” eveneens voldoende mate van steun in het toen voorhanden materiaal vindt. Nu de rechtbank, gelet op de inhoud en de strekking van de tekst, overigens geen aanleiding heeft om te oordelen dat dit persbericht een vertekend beeld zou geven van de toenmalige situatie, is ten aanzien van het persbericht van 12 mei 2010 geen sprake van onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel.

Persbericht 16 juni 2010

5.16

Het persbericht van 16 juni 2010 is uitgegeven naar aanleiding van de intrekking van de milieuvergunning van Nijhoff Grondmaatschappij B.V.

5.17

Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de kwalificatie “gevaarlijke stof”, de verkoop van slib/fijn zand (al dan niet gemengd met ballastzand) als bouwstof, het bemoeilijken c.q. niet meewerken aan onderzoek en de relevantie van het rapport van Royal Haskoning geldt eveneens ten aanzien van het persbericht van 16 juni 2010, zodat de rechtbank dienaangaande uitlatingen evenmin aanmerkt als onrechtmatig.

5.18

De rechtbank verwerpt voorts de stelling van [eiseressen] dat de zinsnede: “Op locaties in Ommen, Hattemerbroek en de Zuiderzeehaven in Kampen is al vervuilde grond van Nijhoff aangetroffen”, onrechtmatig is jegens [eiseressen] en overweegt hiertoe het volgende.

5.19

Niet in geschil is, dat vanuit Nijhoff Grindmaatschappij B.V. meerdere vrachtwagens met materiaal naar de locatie van de rondweg bij Ommen zijn afgevoerd en dat de politie op 16 september 2009 één van deze vrachtwagens heeft gecontroleerd. De uitkomsten van deze controle zijn vervolgens mede aanleiding geweest om [eiseressen] op

3 november 2009 meerdere lasten onder dwangsom op te leggen. Ten aanzien van de controle en het daarbij aangetroffen materiaal heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 25 mei 2011 onder ander het volgende overwogen:

  • -

    dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de constatering door het college dat het afgevoerde materiaal grond betrof (2.12.4);

  • -

    dat door ballastzand, zijnde grond, af te voeren als bouwstof Nijhoff Grindmaatschappij B.V. heeft gehandeld in strijd met de verleende vergunning en daarmee voorschrift 1.1.1. heeft overtreden (2.12.4);

  • -

    dat het college de bevoegdheid had om handhavend op te treden, omdat niet werd voldaan aan de in artikel 10.39, eerste lid, onder b, neergelegde verplichting een begeleidingsbrief te verstrekken.(2.12.5).

Bovendien is in deze uitspraak overwogen dat:

- ervan moet worden uitgegaan dat slib/fijn zand is gemengd met ballastzand (2.9.2);

  • -

    het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt heeft gesteld dat slib/fijn zand niet met ballastzand mocht worden gemengd, voorschrift 4.1.10 niet is nageleefd en daarnaast dat het slib/fijn zand in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en voorschrift 1.1.1. van de vergunning niet overeenkomstig de vergunning is opgeslagen (2.9.2);

  • -

    dat het met de vergunning strijdige mengen van materiaal en het niet op juiste wijze afvoeren daarvan, niet kunnen worden beschouwd als overtredingen van geringe ernst (2.16.2).

Deze uitspraak heeft dus (achteraf) het standpunt van de provincie Overijssel bevestigd dat enerzijds het naar de rondweg Ommen afgevoerde ballastzand geen bouwstof maar grond betrof en anderzijds dat ervan uitgegaan moet worden dat (in augustus 2009) slib/fijn zand is gemengd met ballastzand. In de voormelde uitspraak van 25 november 2009 was bovendien al overwogen dat het slib/fijn zand niet mag worden toegepast, omdat de concentratie aan koper hoger is dan de samenstellingseisen van droge stof en dat het slib/fijn zand moet worden beschouwd als gevaarlijke afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer, zodat de provincie dit als uitgangspunt mocht nemen. Gelet op deze omstandigheden had de provincie Overijssel voldoende gronden om te veronderstellen dat in de grond die afgevoerd is naar de rondweg bij Ommen vervuilde grond was verwerkt. Dat de ter plekke bemonsterde grond wellicht in zijn totaliteit (na vermenging) qua samenstelling voldeed aan de kwaliteitsnorm industrie doet hier niet aan af. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voormelde uitspraak, ervan kan worden uitgegaan dat de zinsnede ”Op locaties in Ommen (…)is al vervuilde grond van Nijhoff aangetroffen” destijds voldoende mate van steun vond in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.20

Ten aanzien van Hattemerbroek had de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 25 november 2009 reeds overwogen dat vanuit de inrichting van Nijhoff Grindmaatschappij B.V. een partij van circa 5.000 ton slib/fijn zand is afgegeven aan de Tijdelijke Opslagplaats van de Grondbank GMC in Hattemerbroek, terwijl de Grondbank geen vergunning voor de opslag van gevaarlijke stoffen had (2.4.1), dat slib/fijn zand niet mag worden toegepast vanwege de concentratie aan koper en dat slib/fijn zand als gevaarlijke afvalstof beschouwd moet worden (2.4.6). Gelet hierop vindt de zinsnede ”Op locaties in (…) Hattemerbroek is al vervuilde grond van Nijhoff aangetroffen” voldoende mate van steun in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.21

Nu [eiseressen] erkennen dat zij in 2005 en 2006 slib/fijn zand hebben afgevoerd naar de Zuiderzeehaven te Kampen, terwijl in de voormelde uitspraak van 25 november 2009 reeds was overwogen dat slib/fijn zand niet mag worden toegepast vanwege de concentratie aan koper en dat slib/fijn zand als gevaarlijke afvalstof beschouwd moet worden, vindt de zinsnede ”Op locaties in (…) de Zuiderzeehaven in Kampen is al vervuilde grond van Nijhoff aangetroffen” eveneens voldoende mate van steun in het toen voorhanden zijnde materiaal. Dat [eiseressen] wellicht in 2005 en 2006 veronderstelde dat het afvoeren van het slib/fijn zand toegestaan was, maakt dit niet anders.

5.22

Hetgeen in het persbericht staat vermeld over het financiële voordeel dat [eiseressen] zouden hebben behaald door de verkoop van materiaal als bouwstof in plaats van het storten hiervan, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als onrechtmatig. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat voor het storten van vervuilde grond kosten gemaakt moeten worden, terwijl het verkopen van grond als bouwstof inkomsten genereert. Tevens heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de op 18 maart 2008 en 3 november 2009 opgelegde lasten onder dwangsom (ten bedrage van maximaal € 1.000.000,-- respectievelijk € 4.400.000 ) in haar uitspraken van 25 november 2009 respectievelijk 25 mei 2011 - kort samengevat - overwogen dat:

  • -

    het college bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom de kosten van het aanbieden van slib/fijn zand aan een stortplaats heeft betrokken en er geen aanleiding is om te oordelen dat het college zich destijds niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging;

  • -

    het niet onaannemelijk is dat [eiseressen] doordat zij 60.000 ton ballastzand hebben afgezet als bouwstof in de plaats van grond een voordeel van € 4.400.000 hebben genoten.

Hierin is dus bevestigd dat er dergelijke grote bedragen gemoeid zijn met de afvoer dan wel verkoop van ballastzand en slib/fijn zand. De hierover in het persbericht vermelde informatie vindt derhalve voldoende mate van steun in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.23

Vast staat dat de provincie Overijssel op 19 juni 2012 een dwangbevel heeft uitgevaardigd ten bedrage van € 54.000,- onder verwijzing naar de last onder dwangsom van 18 maart 2008 en dat dit dwangbevel zag op door Nijhoff Grindmaatschappij B.V. in mei 2010 afgevoerd slib/fijn zand met de benaming “grond voor productie bouwstof” (in plaats van grond) en vermelding van de euralcode 170504 (in plaats van 170503*). Nu de last onder dwangsom van 18 maart 2008 bij uitspraak van 25 november 2009 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in stand is gelaten en in deze uitspraak voorts is overwogen dat het slib/fijn zand niet mag worden toegepast, vindt de mededeling dat “opnieuw € 54.000,-- aan dwangsommen is verbeurd” voldoende mate van steun in het op 16 juni 2010 voorhanden zijnde materiaal. Dat nadien in de verzetsprocedure het verzet gegrond is verklaard en het dwangbevel d.d. 7 juni 2012 buiten werking is gesteld, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de zinsnede “In weerwil van de eerdere uitspraak van de Raad van State blijft Nijhoff volharden in de stelling dat het geen gevaarlijk afval is”. Immers ondanks de hiervoor vermelde uitspraak van 25 november 2009 hebben [eiseressen] slib/fijn zand als “grond voor productie bouwstof” afgevoerd. Reeds hieruit volgt dat het tussen partijen bestaande geschil over de wijze van afvoer van slib/fijn zand voortduurde en [eiseressen] haar dienaangaande standpunt handhaafden.

5.24

Nu de rechtbank, mede gelet op de inhoud en de strekking van de tekst, overigens geen aanleiding heeft om te oordelen dat het persbericht van 16 juni 2010 (inclusief bijlage) een vertekend beeld zou geven van de toenmalige situatie, is ten aanzien van dit persbericht geen sprake van onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel.

Interview de heer Ranter van 16 juni 2010

5.25

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door [eiseressen] naar Ommen, Hattemerbroek en de Zuiderzeehaven in Kampen afgevoerde grond en de in het voormelde toezichtrapport vermelde constatering dat “Volgens de gegevens van de massabalans van 2006 en 2007 er in de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2007 dus 2.919.000 kg meer is afgevoerd dan volgens de gegevens van de weegbrug van het bedrijf te Almelo.”, is de rechtbank van oordeel dat de mededeling “spreidt stelselmatig verontreinigde grond uit naar locaties waar dat niet is toegestaan”, voldoende mate van steun vindt in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.26

De opmerking “wat gevaar voor mensen en dieren kan opleveren” acht de rechtbank evenmin onrechtmatig, nu slechts is gezegd dat het gevaar kan opleveren en deze mogelijkheid, gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van 25 november 2009, eveneens voldoende mate van steun vindt in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.27

Gelet op de inhoud en de strekking van het interview, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te oordelen dat door het geven van dit interview sprake is van onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel.

Interview de heer Ranter 21 juni 2010 bij RTV Oost

5.28

Hetgeen bij de hiervoor besproken persberichten is overwogen ten aanzien van de kwalificatie “gevaarlijke stof”, de verkoop van slib/fijn zand (al dan niet gemengd met ballastzand) als bouwstof, de relevantie van het rapport van Royal Haskoning, het bemoeilijken c.q. niet meewerken aan onderzoek, de mogelijk behaalde besparingen en/of het behaalde voordeel, het verspreiden van het slib/fijn zand naar verschillende locaties en het in het toezichtrapport vermelde verschil tussen de massabalans en de gegevens van de weegbrug over de periode 2006 t/m 2007, geldt eveneens ten aanzien van het interview van de heer Ranter van 21 juni 2010, zodat de dienaangaande uitlatingen evenmin worden aanmerkt als onrechtmatig.

5.29

Ten aanzien van de mededeling “(…) er is een klein handje vol zeg maar, soms rotte appels die tot het uiterste gaan vanwege het financiële gewin”, merkt de rechtbank allereerst op dat niet (letterlijk) gezegd is dat deze opmerking op [eiseressen] ziet. Nu [eiseressen] voorts hebben nagelaten te vermelden in welke context deze mededeling is gedaan dan wel hebben nagelaten welke vragen en of andere mededelingen hieraan vooraf zijn gegaan, kan niet geconcludeerd worden dat deze opmerking (expliciet) betrekking heeft op [eiseressen] Bovendien was ten tijde van het interview sprake van een zodanige handhavingsgeschiedenis ten aanzien van [eiseressen] dat een eventuele suggestie dat [eiseressen] ver gaan vanwege financieel gewin, voldoende mate van steun vindt in het toen voorhanden zijnde materiaal.

5.30

De mededeling: “Wij hebben geen keuze meer. Ook gezien, nogmaals, de gezondheidsrisico’s. U moet zich voorstellen dat als deze gronden op woonterreinen komen waar huizen staan en je langdurig wordt blootgesteld aan koper, dat je allerlei gezondheidsklachten kunt krijgen.”, acht de rechtbank evenmin onrechtmatig. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De milieu handhavende taken van de provincie Overijssel hebben tot doel om het milieu en de gezondheid van mens en dier te beschermen. In de voormelde uitspraak van 25 november 2009 was reeds overwogen dat het slib/fijn zand niet mag worden toegepast vanwege de concentratie aan koper en dat het slib/fijn zand als gevaarlijke afvalstof beschouwd moet worden. Bovendien was het slib/fijn zand inmiddels (al dan niet vermengd met ballastzand) op verschillende locaties terecht gekomen, was onduidelijkheid ontstaan ten aanzien van de bestemming van (een deel van) het slib/fijn zand van [eiseressen] en werkte [eiseressen] niet voortvarend mee aan het onderzoek hiernaar.

5.31

Gelet op de inhoud en de strekking van het interview, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te oordelen dat door het geven van dit interview sprake is van onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel.

Artikel Tubantia van 18 juni 2010

5.32

In geschil is of de in dit artikel opgetekende aan de heer Ranter toegeschreven uitspraken, zijnde “De grond die Nijhoff als bouwstof verkocht, is zodanig vervuild met koper en pak’s dat je er ziek van kunt worden” en “Heb je het op je weiland liggen en je laat daar een schaap grazen, dan gaat zo’n dier daar op termijn aan dood”, onrechtmatig zijn.

5.33

Allereerst is van belang dat het onderhavige artikel niet is opgesteld door de provincie Overijssel, maar door Tubantia, die de hiervoor vermelde aan de heer Ranter toegeschreven uitspraken hierin heeft verwerkt. Onduidelijk is of en in welke context, op welk moment en naar aanleiding van welke vragen de heer Ranter deze uitspraken heeft gedaan.

5.34

Voor zover de onderhavige uitspraken zien op de geleverde grond ten behoeve van de rondweg Ommen, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor reeds is overwogen hebben de milieu handhavende taken van de provincie Overijssel tot doel om het milieu en de gezondheid van mens en dier te beschermen. Hieronder valt tevens de bescherming tegen te hoge concentraties koper. Hiervoor is voorts reeds geconcludeerd dat de voormelde uitspraak van 25 mei 2011 (achteraf) het standpunt van de provincie Overijssel heeft bevestigd dat enerzijds het in september 2009 naar de rondweg Ommen afgevoerde ballastzand geen bouwstof maar grond betrof en anderzijds dat ervan uitgegaan moet worden dat (in augustus 2009) slib/fijn zand is gemengd met ballastzand. Er kan van worden uitgegaan dat de provincie Overijssel gegronde redenen had om te veronderstellen dat het naar de rondweg Ommen afgevoerde ballastzand gemengd was met slib/fijn zand. Ten aanzien van het slib/fijn zand was in de uitspraak van 25 november 2009 reeds overwogen dat het slib/fijn zand niet mag worden toegepast vanwege de concentratie aan koper en dat slib/fijn zand als gevaarlijke afvalstof moet worden beschouwd. Gelet hierop was er dus aanleiding om te veronderstellen dat het naar de rondweg Ommen afgevoerde ballastzand was vermengd met slib/fijn zand met te hoge concentraties koper. In zoverre vinden de aan de heer Ranter toegeschreven uitlatingen voldoende mate van steun in het voorhanden zijnde materiaal. In dit verband is bovendien nog van belang dat, gelet op de bewoordingen van de uitspraken, onduidelijk is op welke grond (slib/fijn zand en/of ballastzand en/of met slib/fijn zand gemengd ballastzand) deze uitspraken betrekking hebben. Gelet op deze omstandigheden zullen de vorderingen van [eiseressen] die zien op de in dit artikel van Tubantia genoemde uitspraken van de heer Ranter hierna worden afgewezen.

Persbericht 6 oktober 2010

5.35

Het persbericht van 6 oktober 2010 is uitgegeven naar aanleiding van het ongegrond verklaren van de bezwaren tegen de intrekking van de milieuvergunning van Nijhoff Grondmaatschappij B.V.

5.36

De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat dit persbericht (met bijlage) qua inhoud of strekking een onjuist beeld geeft van de ontstane situatie en de historie daarvan. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de eerdere persberichten over de kwalificatie “gevaarlijke stof”, de verkoop van slib/fijn zand (al dan niet gemengd met ballastzand) als bouwstof, het bemoeilijken c.q. niet meewerken aan onderzoek, de besparingen c.q. het door [eiseressen] genoten voordeel, het verspreiden van het slib/fijn zand naar verschillende locaties en het in het voormelde toezichtrapport vermelde verschil tussen de massabalans en de gegevens van de weegbrug over de periode 2006 t/m 2007.

5.37

Voor zover sprake zou zijn van een onterechte betiteling van overtredingen als zijnde nieuwe overtredingen, is deze eventuele onjuistheid van zodanig ondergeschikt belang, dat dit evenmin tot onrechtmatigheid leidt. Mede gelet op de inhoud en de strekking van het persbericht, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van onrechtmatig handelen van de provincie Overijssel.

Interview in “Handhaving” van december 2010 door [naam 7] en [naam 4]

5.38

De rechtbank ziet in het artikel over het handhavingstraject bij [eiseressen] in het blad “Handhaving” van december 2010 geen aanleiding om te concluderen dat het door de heren [naam 7] en [naam 4] ten behoeve hiervan gegeven interview, in zijn totaliteit bezien, qua inhoud of strekking een onjuist beeld geeft van het handhavingstraject en/of de door [eiseressen] begane overtredingen. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hetgeen als vaststaand is aangenomen onder rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.15 met betrekking tot besluiten, (bestuursrechtelijke) procedures en uitspraken en naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de eerdere persberichten en interviews over de kwalificatie “gevaarlijke stof”, de verkoop van slib/fijn zand (al dan niet gemengd met ballastzand) als bouwstof, de besparingen c.q. het door [eiseressen] genoten voordeel, het verspreiden van het slib/fijn zand naar verschillende locaties en het in het voormelde toezichtrapport vermelde verschil tussen de massabalans en de gegevens van de weegbrug over de periode 2006 t/m 2007.

5.39

Ten aanzien van de mededelingen: “De sfeer was toen meteen bedreigend“ en “Dan moet je je eerst even tactisch terugtrekken.”, is de rechtbank allereerst van oordeel dat uit het artikel duidelijk blijkt dat dit een weergave is van de beleving van de geïnterviewde. Voor zover deze mededelingen en de mededelingen “Toen ik mijn auto wegzette en mijn laarzen aandeed, kwam hij al naar mij toe lopen en zei: “je komt het bedrijf niet op” en “ik sta niet in voor de gevolgen.”, niet (geheel) correct de feitelijke gang van zaken zouden weergeven, zijn deze eventuele onjuistheden, gelet op de aard en strekking van het gehele artikel, van zodanig ondergeschikt belang dat dit evenmin tot onrechtmatigheid leidt. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat [eiseressen] voorafgaand aan de publicatie van het tijdschrift kennis heeft genomen van het artikel en in het artikel een reactie is opgenomen van [eiseressen] Bovendien is het tijdschrift “Handhaving” een vakblad voor handhavers en/of opsporingsambtenaren, zodat het bereik van dit tijdschrift beperkt is.

Website RTV Oost 14 maart 2011

5.40

Het op de website van RTV Oost vermelde artikel d.d. 14 maart 2011 is niet opgesteld door de provincie Overijssel, maar door RTV Oost en betreft een weergave van de door de provincie Overijsel tijdens een zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingenomen standpunten in één van de tussen partijen gevoerde bestuursrechtelijke procedures. De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat de provincie Overijssel de in het artikel vermelde mededelingen niet rechtmatig zou mogen doen in een gerechtelijke procedure. In een gerechtelijke procedure staat het partijen immers vrij hun standpunten kenbaar te maken, deze te onderbouwen en antwoord te geven op de in de procedure gestelde vragen. De eventuele beoordeling van de inhoud of relevantie van de door partijen gegeven informatie is vervolgens voorbehouden aan de rechter(s) die de betreffende zaak behandelen en zal tot uitdrukking komen in de betreffende uitspraak. Een beperking van deze vrijheid tot het innemen of onderbouwen van stellingen in een gerechtelijke procedure zou in strijd zijn met de goede procesorde en volgt evenmin uit de wet of enig andere rechtsregel. De vorderingen die betrekking hebben op het op de website van RTV Oost vermelde artikel d.d. 14 maart 2011 zullen dan ook afgewezen worden.

Persbericht 25 mei 2011

5.41

Het persbericht van 25 mei 2011 is uitgegeven naar aanleiding van de voormelde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2011, waarin het beroep van [eiseressen] tegen het intrekken van de milieuvergunning ongegrond is verklaard.

5.42

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de eerdere persberichten en interviews over de kwalificatie “gevaarlijke stof”, de verkoop van slib/fijn zand (al dan niet gemengd met ballastzand) als bouwstof, het verspreiden van het slib/fijn zand naar verschillende locaties en het in het voormelde toezichtrapport vermelde verschil tussen de massabalans en de gegevens van de weegbrug over de periode 2006 t/m 2007, is de rechtbank, mede gelet op de strekking van dit persbericht en de strekking van de voormelde uitspraak van 25 mei 2011, van oordeel dat de hierin vermelde informatie voldoende mate van steun vindt in het toen voorhanden zijnde materiaal. De vorderingen die betrekking hebben op het persbericht van 25 mei 2011 zullen derhalve worden afgewezen.

Rectificatie

5.43

Gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van de hiervoor vermelde persberichten en uitlatingen in interviews, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze persberichten en/of gedane uitlatingen door onjuistheid of onvolledigheid misleidend zijn geweest. De gevorderde rectificatie en de daarbij behorende dwangsom zullen derhalve worden afgewezen.

D. Frustreren verkoop bedrijfsactiviteiten?

[bedrijf 1]

5.44

Vast staat dat aan de tussen [eiseressen] met [bedrijf 1] bereikte overeenstemming over de verkoop van het bedrijf van [eiseressen] aan [adres] te Almelo, de ontbindende voorwaarde van verkrijging van een omgevingsvergunning voor de inrichting van [bedrijf 1] was verbonden. Voorts staat vast dat [bedrijf 1] deze vergunning heeft aangevraagd bij de provincie Overijssel, maar dat deze omgevingsvergunning uiteindelijk niet is verkregen, omdat [bedrijf 1] de vergunningaanvraag heeft ingetrokken. [eiseressen] stellen dat de provincie Overijssel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, omdat de intrekking van de vergunningsaanvraag is veroorzaakt door mededelingen die de provincie Overijssel aan [bedrijf 1] zou hebben gedaan, waardoor de voormelde verkoop van het bedrijf geen doorgang heeft gevonden. De rechtbank verwerpt deze stelling en overweegt hiertoe het volgende.

5.45

Vast staat dat de provincie Overijssel ten behoeve van de onderhavige vergunningsaanvraag advies aan het LBB heeft gevraagd en dat de uitkomst van dit onderzoek was dat er ten aanzien van [bedrijf 1] sprake zou zijn van “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 van de wet Bibob. Tevens is niet in geschil dat de provincie Overijssel naar aanleiding van dit advies aan [bedrijf 1] kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens was de aangevraagde omgevingsvergunning milieu op basis van dit advies te weigeren. Deze mededeling is niet onrechtmatig en de provincie Overijssel was op basis van artikel 3 van de wet Bibob ook gerechtigd om de vergunningsaanvraag te weigeren.

5.46

Vervolgens heeft [bedrijf 1] , kennelijk vooruitlopend op de aangekondigde weigering van de vergunningsaanvraag, zelf de aanvraag ingetrokken. Gesteld noch gebleken is dat, indien deze intrekking van de aanvraag niet had plaatsgevonden, de provincie Overijssel alsnog de omgevingsvergunning milieu aan [bedrijf 1] had toegekend. Kortom, op basis van het advies van LBB zou de onderhavige omgevingsvergunning milieu nimmer zijn toegekend aan [bedrijf 1] . Als gevolg hiervan zou, ook zonder de door [bedrijf 1] gedane intrekkingshandeling, de tussen [eiseressen] en [bedrijf 1] overeengekomen ontbindende voorwaarde in vervulling zijn gegaan, zodat daarmee de tussen [eiseressen] en [bedrijf 1] ontstane situatie ten aanzien van de verkoop van het bedrijf niet anders zou zijn geweest dan thans het geval is. Reeds op basis hiervan kan niet gezegd worden dat sprake is van (voldoende) causaal verband tussen het niet doorgaan van deze verkoop en de door de provincie Overijssel aan [bedrijf 1] gedane mededelingen over het LBB advies en het voornemen tot het weigeren van de onderhavige vergunningsaanvraag. Voor zover reeds zou komen vast te staan dat de provincie Overijssel tevens aan [bedrijf 1] zou hebben medegedeeld dat zij wellicht overweegt om tevens andere aan [bedrijf 1] verstrekte vergunningen in te trekken, doet dit aan het voorgaande niet af.

5.47

Voor zover [eiseressen] stellen dat de provincie Overijssel onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij het hiervoor onder 1.31 vermelde mailbericht aan het LBB heeft gestuurd, verwerpt de rechtbank deze stelling eveneens. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het LBB advies uit brengt nadat zij zelfstandig en onafhankelijk onderzoek heeft gedaan. Hiervoor raadpleegt het LBB diverse bronnen, waarbij zij verbanden legt tussen de uit deze bronnen verkregen informatie en de van de gemeente verkregen informatie om vervolgens verbanden te leggen tussen deze informatie en de betrokken persoon en/of organisatie. Voor zover de in het mailbericht vermelde informatie voor [eiseressen] derhalve een te zware kwalificatie c.q. weergave zou zijn van hetgeen gebeurd is ten aanzien van Hattemerbroek, dan is het negatieve advies van het LBB niet enkel hierop gebaseerd.

5.48

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het geciteerde deel van dit mailbericht gelet op haar strekking en inhoud voldoende mate van steun in het toen voorhanden zijnde materiaal vindt. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor bij de eerder besproken persberichten en interviews is overwogen over de kwalificatie “gevaarlijk afval”. Bovendien is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat het naar de Grondbank GMC in Hattemerbroek afgevoerde slib/fijn zand terecht is gekomen in een waterplas op het landgoed Noorderhoek en dat het de bedoeling was (en wellicht nog steeds is) dat aan de rand van deze waterplas woningen gebouwd worden.

[bedrijf 2] en [naam 10]

5.49

Vast staat dat in het kader van de verkoop van het bedrijf aan [adres] te Almelo, [bedrijf 2] B.V. als daadwerkelijke potentiële koper, en mevrouw [naam 10] , als gepretendeerde koper, een gesprek hebben gehad met de provincie Overijssel. Dergelijke gesprekken worden gevoerd in het kader van het indienen van toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning milieu dan wel ter inschatting van de mogelijke kansen tot verkrijging van een dergelijke omgevingsvergunning. Ten einde de haalbaarheid van een dergelijke vergunningsaanvraag te kunnen inschatten en te bespreken, is het noodzakelijk dat potentiële kopers en de provincie voldoende informatie hebben over de milieutechnische aspecten van het bedrijf (inclusief afvalstromen) en de locatie (inclusief de bodem en het aanwezige materiaal) waarop het bedrijf staat. Nu bovendien - gelet op de activiteiten en de aard van het bedrijf - de afvalstromen, de kwalificaties hiervan, de bodemkwaliteit en de aanwezigheid van (afval)materialen op het bedrijfsterrein van groot belang zijn voor het verkrijgen van enerzijds een omgevingsvergunning en anderzijds inzicht in de bedrijfseconomische mogelijkheden van het bedrijf, kunnen deze aspecten - individueel en in onderlinge samenhang bekeken - niet los gezien worden van een dergelijke vergunningsaanvraag. Dat de provincie Overijssel hierover informatie heeft verstrekt aan [bedrijf 2] en/of [naam 10] acht de rechtbank derhalve niet onrechtmatig. Dat de provincie Overijssel zich hierbij kritisch heeft getoond ten aanzien van de (inhoud en volledigheid) van de van [eiseressen] afkomstige informatie, wordt, gelet op de handhavingsgeschiedenis en de hierdoor bij de provincie bekend zijnde informatie, evenmin onrechtmatig geacht. Immers ter beoordeling van de slagingskansen van een vergunningsaanvraag is het van belang dat de (potentiële) aanvrager en de provincie beschikt over alle relevante feiten en omstandigheden. Dat tussen [eiseressen] en de provincie Overijssel verschillen van mening dan wel onduidelijkheid of twijfels bestaan over de (relevante) feiten en omstandigheden ten aanzien van onder andere de bodemkwaliteit, de afvoer van slib/fijn zand, de afvoer van het zich op het terrein bevinden materiaal en de bedrijfseconomische haalbaarheid van het verwerkingsproces bij een correcte hantering van de milieuwetgeving, betekent bovendien niet dat de provincie Overijssel haar dienaangaande standpunten en/of twijfels niet zou mogen uiten aan potentiële kopers. Immers deze standpunten en twijfels maken onderdeel uit van de beoordeling van een eventuele vergunningsaanvraag dan wel zijn van belang voor de inschatting van de slagingskansen voor het indienen van een dergelijke aanvraag. Het is vervolgens aan de potentiële kopers om hierover nadere informatie in te winnen bij [eiseressen] en zo nodig hierop terug te komen in een volgend gesprek met de provincie en/of hiermee rekening te houden bij de indiening van een vergunningaanvraag.

Voorts staat het de provincie Overijssel vrij om in een dergelijk gesprek mede te delen dat bij een eventuele vergunningsaanvraag een advies aan het LBB wordt gevraagd en dat in dit kader een zeer uitgebreid onderzoek kan plaatsvinden, waarbij diverse bronnen (waarin o.a. zware verkeersovertredingen en gegevens van de belastingdienst staan vermeld) worden geraadpleegd. Het voorgaande in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat [eiseressen] onvoldoende hebben onderbouwd dat de door de provincie Overijssel gedane uitlatingen aan [bedrijf 2] en [naam 10] , gelet op het doel en de context van de gevoerde gesprekken, onrechtmatig zijn.

5.50

Ten aanzien van [naam 10] geldt bovendien dat [eiseressen] stellen dat zij geen potentiële koper was en dat de door haar met de provincie Overijssel gevoerde gesprekken enkel tot doel hadden om te achterhalen welke informatie de provincie Overijssel verstrekte aan potentiële kopers. Nu [naam 10] kennelijk geen potentiële koper was, kan de aan haar door de provincie verstrekte informatie dus reeds daarom niet geleid hebben tot het daadwerkelijk frustreren en/of belemmeren van de verkoop van het bedrijf van [eiseressen] , zodat hierdoor geen schade kan zijn ontstaan en dus geen sprake kan zijn van een onrechtmatige daad.

Verschillende rechtspersonen [eiseressen]

5.51

Nu de rechtbank de door [eiseressen] gestelde handelingen van de provincie Overijssel niet als onrechtmatig aanmerkt, kan het verweer van de provincie Overijssel dat [eiseressen] hun vorderingen onvoldoende hebben onderbouwd omdat de gestelde onrechtmatige handelingen niet zijn toegesneden op de afzonderlijke eiseressen, onbesproken blijven.

6 Conclusie

6.1

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat op basis van de door [eiseressen] gestelde feiten en omstandigheden niet geconcludeerd kan worden dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de provincie Overijssel. Ten aanzien van de litigieuze persberichten en interviews, afzonderlijk en in zijn totaliteit bekeken, is (in paragraaf 5C) niet komen vast te staan dat zij qua inhoud en strekking een onjuist beeld geven van het tussen partijen bestaande geschil over de afvoer van slib/fijn zand en daarmee samenhangende onderwerpen. De in de persberichten en interviews weergegeven mededelingen vonden op hoofdlijnen steun in het voor partijen toen beschikbare feitenmateriaal en in de uitspraken in de tussen partijen gevoerde bestuursrechtelijke procedures. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het belang van de provincie Overijssel om verantwoording af te leggen over haar handhavend optreden, juist ook gelet op de maatschappelijke context van haar milieu handhavende taken en nu er ten aanzien van [eiseressen] sprake is geweest van een omvangrijke handhavingsgeschiedenis en ingrijpende handhavingsmiddelen.

Voorts is niet komen vast te staan (in paragraaf 5A) dat een medewerker van de provincie Overijssel bij haar verhoor bij het Hof te Arnhem opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken heeft willen geven. Voor zover er als sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige handeling en dientengevolge geleden schade, is die schade niet toe te rekenen aan de provincie Overijssel, omdat een getuigenverklaring ex artikel 165 Rv een wettelijke persoonlijke verplichting betreft en geen in opdracht van de provincie Overijssel verrichte taak in de zin van artikel 6:170 BW.
De rechtbank volgt (in paragraaf 5B) [eiseressen] evenmin in hun stellingen dat zij door de provincie Overijssel ten onrechte zijn gedwongen om slib/fijn zand tegen hoge kosten te storten. Gelet op de formele rechtskracht van de uitspraak van 25 november 2009 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is van onrechtmatige dwang in dit verband geen sprake.
Tenslotte is de rechtbank van oordeel (in paragraaf 5D) dat er geen sprake was van (voldoende) causaal verband tussen het niet doorgaan van de verkoop van het bedrijf van [eiseressen] aan [bedrijf 1] en de door de provincie Overijssel aan [bedrijf 1] gedane mededelingen en hebben [eiseressen] onvoldoende onderbouwd dat de door de provincie Overijssel gedane uitlatingen aan potentiele kopers gelet op het doel en de context van de gevoerde gesprekken onrechtmatig zijn.

Het voorgaande betekent, dat de door [eiseressen] gevorderde verklaring voor recht terzake het onrechtmatig handelen door de provincie Overijssel zal worden afgewezen. Ook de gevorderde veroordelingen tot schadevergoeding en de gevorderde rectificatie zullen afgewezen worden.

Proceskosten

6.2

[eiseressen] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van provincie Overijssel worden begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 2.938,00 (6,5 punt × tarief € 452,00) (incl. voorlopig getuigenverhoor)

Totaal € 3.546,00

6.3

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1

wijst de vorderingen af,

7.2

veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten, aan de zijde van provincie Overijssel tot op heden begroot op € 3.546,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.3

veroordeelt [eiseressen] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseressen] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

7.4

verklaart de onderdelen 7.2 en 7.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

BIJLAGE 1

BIJLAGE 2

BIJLAGE 3

BIJLAGE 4

BIJLAGE 5