Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4979

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
08.730570-15, 08.730461-15 en 08.730407-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal beschadigingen van auto’s en een diefstal vanaf een bouwterrein. Verdachte heeft daarnaast een medewerker van het UWV vrees aangejaagd door deze te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Verdachte is in de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten in ieder geval driemaal terzake van een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een ISD-maatregel moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.730570-15, 08.730461-15 en 08.730407-15 (P)

Gevoegd parketnummer: 08.730348-15

Datum vonnis: 10 november 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (Libanon),

thans verblijvende in de P.I. Overijssel – HvB Zwolle (PPC).

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 08.730570-15, 08.730461-15 en 08.730407-15 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

2 De tenlastelegging

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

in de zaak met parketnummer 08.730750-15:

hij op of omstreeks 06 september 2015, in de gemeente Zwolle, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening op/vanaf een bouwterrein aan de Hasselterdijk heeft weggenomen een kabel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Bouwcombinatie Stadshagen, althans een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen kabel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 06 september 2015, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een (bedrijfs)terrein aan de Hasselterdijk aldaar weg te nemen een (verleng)kabel, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen (verleng)kabel onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, opzettelijk zich de toegang heeft verschaft tot dat (bedijfs)terrein door een hekwerk, waarmee dat terrein was omgeven, (verder) open te breken, althans te openen of te forceren, en/of (vervolgens) op dat bedrijfsterrein een (verleng)kabel onder zich heeft genomen en/of (vervolgens) die (verleng)kabel over dat hekwerk heeft gegooid, en/of (vervolgens) op dat (bedrijfs)terrein (verder) heeft gezocht naar goederen van zijn gading,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 08.730461-15:

hij op of omstreeks 16 juli 2015, in de gemeente Zwolle een persoon [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik stuur allemaal mensen op je af, ik gooi bommen en handgranaten, ik maak je dood, ik maak je af" en/of "ik gooi een handgranaat op het UWV", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 08.730407-15:

1.

hij op of omstreeks 25 juni 2015 in de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 juni 2015 in de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(parketnummer 08/730348-15)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs1

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken dan wel op de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten zijn genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 primair, in de zaak met parketnummer 08.730461-15 en het in de zaak met parketnummer 08.730407-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De verdediging heeft zich - conform de inhoud van een op schrift gesteld pleidooi - op het standpunt gesteld dat het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 08.730407-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kunnen worden verklaard. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte terzake van het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 primair en het in de zaak met parketnummer 08.730461-15 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd:

  • -

    Wat betreft het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 onder primair ten laste gelegde kan geen bewezenverklaring volgen omdat er, nu verdachte zich nog op het terrein bevond op het moment dat hij door de politie werd overlopen, geen sprake is van een voltooide diefstal. Daarnaast kunnen de ten laste gelegde ‘braak’, nu er geen schade is aan het hek, en ook ‘inklimming’ niet bewezen worden verklaard.

  • -

    Wat betreft de in de zaak met parketnummer 08.730461-15 ten laste gelegde bedreiging, is op grond van het dossier alleen steunbewijs aanwezig voor de woorden: “Ik gooi een handgranaat op het UWV”. Het moet voor aangever duidelijk zijn geweest dat verdachte niet daadwerkelijk over een handgranaat beschikte. Derhalve is niet vast komen te staan dat de uitlating van verdachte de redelijke vrees kon doen ontstaan dat de gevolgen van het gooien van een handgranaat daadwerkelijk zouden kunnen intreden. De verdediging verwijst op dit punt naar HR 28 maart 2006, NSr 2006, 171.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 08.730570-15:

De rechtbank overweegt dat - gezien het feit dat verdachte de handelingen bekent die aan het feit ten grondslag liggen - er sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- proces-verbaal van bevindingen2;

- aangifte van [aangever] , namens Bouwcombinatie Stadshagen;3

- verklaring van verdachte.4

Verdachte is het terrein van aangever via een hek, waarmee het terrein was omheind en afgesloten, opgegaan. Hij heeft op het terrein een kabel gepakt en heeft deze kabel over het hek gegooid met het oogmerk deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Op het moment dat verdachte door de politie werd overlopen, bevond de kabel zich reeds buiten het omheinde terrein van aangever. Gezien deze omstandigheid had verdachte zich reeds een zodanige feitelijke heerschappij over het goed verschaft en dit zodanig aan de heerschappij van de rechthebbende onttrokken dat de wegneming als voltooid kan gelden.

Gezien het feit dat aan het hek waardoor verdachte het terrein is opgegaan geen schade is ontstaan, is van ‘braak’ geen sprake. Wat betreft de ten laste gelegde ‘inklimming’ geldt dat gelet op het bepaalde in artikel 89 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan dit juridische begrip een ruime uitleg moet worden gegeven. Van ‘inklimming’ is sprake indien de toegang tot een besloten plaats via ‘niet-normale ingangen’ wordt verschaft. Gezien het feit dat verdachte handmatig een kleine opening in het hekwerk verder heeft geopend en hij door deze opening, die niet de normale toegang tot het terrein was, het terrein is opgegaan, is van inklimming sprake.

In de zaak met parketnummer 08.730461-15:

De rechtbank overweegt dat - gezien het feit dat verdachte de handelingen bekent die aan het feit ten grondslag liggen - sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- aangifte [slachtoffer 1] ;5

- verklaring [getuige] ;6

- verklaring verdachte.7

Bewezen is dat verdachte in het pand van het UWV tegen [slachtoffer 1] , medewerker van het UWV, heeft geroepen: “"ik gooi een handgranaat op het UWV". Hieraan voorafgaand had verdachte meermalen geweigerd op vordering van [slachtoffer 1] het pand te verlaten en heeft hij in de richting van die [slachtoffer 1] geschreeuwd. Verdachte verkeerde op dat moment in zeer verwarde toestand. Naar het oordeel van de rechtbank is de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

In de zaak met parketnummer 08.730407-15:

De rechtbank overweegt dat er sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 2] , met bijlagen;8

- aangifte van [slachtoffer 4] ;9

- verklaring van verdachte.10

4.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 primair, in de zaak met parketnummer 08.730461-15 en het in de zaak met parketnummer 730407-15 onder 1 en 2

tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 08.730750-15:

hij op 6 september 2015, in de gemeente Zwolle, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening op/vanaf een bouwterrein aan de Hasselterdijk heeft weggenomen een kabel toebehorende aan de Bouwcombinatie Stadshagen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

in de zaak met parketnummer 08.730461-15:

hij op 16 juli 2015, in de gemeente Zwolle een persoon [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd "ik gooi een handgranaat op het UWV".

in de zaak met parketnummer 08.730407-15:

1.

hij op 25 juni 2015 in de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd;

2.

hij op 1 juni 2015 in de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft beschadigd.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285, 310, 311 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 08.730750-15:

primair

diefstal, waarbij de schuldig zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.

in de zaak met parketnummer 08.730461-15:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

in de zaak met parketnummer 08.730407-15:

1.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen een tussentijdse beoordeling zoals bedoeld in artikel 38s Sr.

De verdediging heeft primair verzocht verdachte geen ISD-maatregel maar een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, indien de rechtbank tot oplegging van een ISD-maatregel beslist, de maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Bij oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, heeft de verdediging verzocht het reeds ondergane voorarrest af te trekken en een tussentijdse beoordeling mogelijk te maken.

De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd:

Allereerst is het opleggen van de ISD-maatregel niet aan de orde omdat blijkens de justitiële documentatie van verdachte niet is voldaan aan het vereiste van artikel 38m lid 1 sub 2 Sr.

Ten tweede is er een contra-indicatie voor het opleggen van een ISD-maatregel omdat het niet onwaarschijnlijk is dat er zich een situatie in de zin van artikel 39 Sr heeft voorgedaan. Ten derde is, gezien de beknopte rapportages die over verdachte zijn uitgebracht, onvoldoende duidelijk of er nog andere behandelmogelijkheden zijn. Volgens de wetsgeschiedenis moeten deze andere mogelijkheden eerst daadwerkelijk zijn uitgeput voordat een ISD-maatregel aan de orde kan zijn. Het is onder meer de vraag waarom de ISD-maatregel wel en de Rechterlijke Machtiging (hierna: RM) niet toereikend wordt bevonden. Tenslotte is niet voldaan aan het vereiste dat de ISD-maatregel er mede toe dient te strekken een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problematiek van verdachte.

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal beschadigingen van auto’s en een diefstal vanaf een bouwterrein. Hierdoor heeft hij schade en overlast veroorzaakt ten opzichte van de rechthebbenden van wie hij de goederen heeft beschadigd c.q. gestolen. Verdachte heeft daarnaast een medewerker van het UWV vrees aangejaagd door deze te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Verdachte is blijkens zijn justitiële documentatie eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Verdachte is in de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten in ieder geval driemaal terzake van een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. Verdachte is onder meer door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 21 oktober 2014 terzake van het plegen van diefstal veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf. Daarnaast is verdachte bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 17 oktober 2014 terzake van het plegen van meerdere vermogensdelicten veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Verder is verdachte door de politierechter van de rechtbank Arnhem bij vonnis van 11 januari 2013 terzake van het plegen van een bedreiging en diefstal veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf. Deze straffen zijn volgens de meest recente uitdraai van de justitiële documentatie van 27 oktober 2015 alle tenuitvoergelegd.

Door het Leger des Heils is een reclasseringsadvies opgemaakt met als datum 25 september 2015. Voor het opstellen van het rapport is het niet gelukt verdachte te spreken. Het advies is opgesteld op basis van de op dat moment bekende, summiere, informatie over verdachte. In het advies is aangegeven dat in alle rapportages die eerder over verdachte zijn opgesteld en ook in de verklaringen die verdachte in de onderhavige zaken heeft afgelegd, een beeld van een man met ernstige psychische problematiek naar voren komt. Verdachte heeft eerder een behandeling in het kader van een RM gehad, maar omdat hij niet te handhaven was in de kliniek van Dimence, is het traject afgebroken. Sindsdien zwerft verdachte op straat. Door de dakloosheid, verslavingsproblematiek en het ontberen van enige steunbron, ontwikkelt zich het psychotische toestandsbeeld nog sneller. Van daaruit komen allerlei conflicten met mensen naar voren. Verdachte heeft al enkele jaren aangegeven dat hij elke vorm van hulp op psychische gebied afwijst. Zowel in vrijwillig als gedwongen kader heeft hij zich niet laten begeleiden en wijst hij alles van de hand wat enigszins op behandeling lijkt.

Het NIFP heeft eveneens een rapport over verdachte opgemaakt met als datum 5 augustus 2015. Verdachte heeft niet met de psychiater willen spreken. Blijkens het rapport is het niet mogelijk geweest om contact met verdachte te maken, onderzoek te doen en een diagnose te stellen. De psychiater is op grond van de GGZ voorgeschiedenis, de verwarde indruk die verdachte maakt en het feit dat verdachte geïndiceerd is voor plaatsing op de crisisafdeling van het PPC te Scheveningen, tot de conclusie gekomen dat er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een psychische stoornis.

De reclassering heeft gezien het patroon en de frequentie waarmee verdachte het afgelopen jaar is gerecidiveerd geconcludeerd dat de kans op herhaling groot is. Volgens het rapport is er een zeer strikt kader nodig wil er enige kans van slagen zijn ten aanzien van onderzoek en behandeling. Daarbij is opgemerkt dat een RM in het verleden al niet een toereikend kader is gebleken. Een ambulant kader wordt evenmin passend geacht omdat dan de kans te groot is dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden en het niet tot behandeling komt. De enige methode om over de langere termijn ingang te krijgen en verdachtes houding positief te beïnvloeden, is volgens de reclassering het kader van een ISD-maatregel. De deskundige G.A. de Vries, psychiatrisch verpleegkundige bij Dimence, heeft ter zitting verklaard dit advies te delen. Ze heeft daarbij verklaard dat een RM minder geschikt is omdat het kader veel minder strikt is dan het kader van de ISD-maatregel. Daarnaast wordt de anti-sociale component waarvan bij verdachte sprake is, anders dan bij een ISD-maatregel, niet in het kader van een RM behandeld omdat dit geen psychiatrisch toestandsbeeld is. Bij een ISD-maatregel kan verdachte volgens de deskundige, door middel van het goed instellen op medicatie, abstinentie van drugs en het bieden van structuur over een langere termijn rustiger worden en worden behandeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op zich wel behandeld wil worden maar niet binnen de strikte kaders van de ISD-maatregel.

De psychiater heeft in het rapport aangegeven dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een ISD-maatregel. Daarbij is het volgens de psychiater niet nodig om nadere pro justitia rapportage aan te vragen over het eventueel opleggen van de ISD-maatregel. Dit standpunt is recentelijk nog bevestigd door het Advies indicatieoverleg NIFP Noordoost-Nederland, van 13 oktober 2015.

De rechtbank is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat verdachte een ISD-maatregel moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren, nu aan alle eisen voor oplegging zoals genoemd in artikel 38m Sr is voldaan. Dat van een toestandsbeeld zoals bedoeld in artikel 39 Sr sprake zou kunnen zijn, is gezien de inhoud van de rapportages niet vast komen te staan. Verdachte behoeft behandeling van zijn psychische- en verslavingsproblematiek met het oog op het beveiligen van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Andere behandelinterventies in het verleden hebben geen resultaat gehad en thans lijkt de ISD-maatregel de enige mogelijkheid om verandering te kunnen brengen. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de behandelaars binnen het ISD-traject er in slagen om verdachte te motiveren om daadwerkelijk met zijn behandeling aan de slag te gaan. Het reeds door verdachte ondergane voorarrest zal niet van de duur van de ISD-maatregel worden afgetrokken. Zoals hiervoor is overwogen wordt juist de omstandigheid dat de ISD-maatregel van langere duur is als gunstig voor het verloop van de behandeling geacht. Een verkorting van deze duur ligt daarom niet in de rede. De rechtbank zal thans, zoals door de raadsman is verzocht, bepalen dat er een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de termijn, zoals bedoeld in artikel 38s Sr, na ommekomst van een jaar zal plaatsvinden.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.730570-15 primair, in de zaak met parketnummer 08.730461-15 en het in de zaak met parketnummer 08.730407-15 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak met parketnummer 08.730750-15:

primair

diefstal, waarbij de schuldig zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.

in de zaak met parketnummer 08.730461-15:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

in de zaak met parketnummer 08.730407-15:

1.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

maatregel

  • -

    legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

  • -

    beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

1 In de zaak met parketnummer 08.730570-15:Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van District IJsselland, onder dossiernummer PL0600-2015436743, opgemaakt op (d.d.) 7 september 2015.In de zaak met parketnummer 08.730461-15:Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van District IJsselland, onder dossiernummer PL0600-2015347031, opgemaakt op (d.d.) 17 juli 2015.In de zaak met parketnummer 08.730407-15 (feit 1):Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van District IJsselland, onder dossiernummer PL0600-2015307619, opgemaakt op (d.d.) 26 juni 2015.In de zaak met parketnummer 08.730407-15 (feit 2):Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van District IJsselland, onder dossiernummer PL0600-2015263488, opgemaakt op (d.d.) 2 juni 2015.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 14 en 15.

3 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Bouwcombinatie Stadshagen, pagina 21 en 22.

4 De door verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2015 afgelegde bekennende verklaring.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 6 en 7.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 17.

7 De door verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2015 afgelegde bekennende verklaring.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 2] , met bijlagen, pagina 4 t/m 8.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , pagina 5 en 6

10 De door verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2015 afgelegde bekennende verklaring.