Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4970

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
C/08/177886 / KG ZA 15-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming: vader eist dat meerderjarige zoon de ouderlijke woning verlaat. Tevens een straatverbod geëist. Vorderingen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/319

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/177886 / KG ZA 15-342

Vonnis in kort geding van 10 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Engels te Vroomshoop,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna vader en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn vader en zoon.

2.2.

Vader woont aan de [adres] te [plaats] samen met [gedaagde] (meerderjarig), de huidige partner van vader mevrouw [X] , en de drie overige kinderen van vader, te weten [A] (geboren [2003] ), [B] (geboren [2002] ) en [C] (geboren [1998] ).

2.3.

De twee minderjarige zonen van [X] verblijven afwisselend op voornoemd adres en op het adres van hun vader de heer [D] .

2.4.

De moeder van [gedaagde] , [A] , [B] en [C] is in december 2011 overleden.

2.5.

Binnen het gezin hebben de afgelopen jaren ingrijpende levensgebeurtenissen plaatsgevonden, waarbij sprake is geweest van een onvoldoende rouw- en verliesverwerking van de kinderen na het overlijden van hun moeder. Alle gezinsleden kampen met persoonlijke problemen. In verband met deze problematiek zijn [C] , [A] en [B] onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Overijssel.

3 Het geschil

3.1.

Vader vordert -kort gezegd- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om de woning aan de [adres] te [plaats] te verlaten binnen 24 uur na betekening van dit vonnis. Voorts vordert vader [gedaagde] te verbieden de woning gedurende één jaar na betekening van dit vonnis te bewonen danwel te betreden, alsmede zich te bevinden in een straal van 500 meter rondom de woning. Daarnaast vordert vader hem te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen en tevens te bepalen dat [gedaagde] dan een dwangsom verbeurt. Ten slotte vordert vader de kosten van deze procedure te compenseren.

3.2.

Vader stelt daartoe dat er sinds 2014 binnen het gezin in toenemende mate een sterk gevoel van onveiligheid in de thuissituatie heerst, waarbij [gedaagde] en [C] agressief gedrag laten zien. [gedaagde] wenst zich niet (meer) aan de regels binnen de woning te houden en gaat volledig zijn eigen weg. [gedaagde] gaat niet naar school en stage, althans er is sprake van een aanzienlijk schoolverzuim, waarbij hij niet aangestuurd wenst te worden en geen tegenspraak wenst te dulden. Begin 2015 heeft [gedaagde] vader geslagen en zijn kamer verbouwd op grond waarvan vader zich genoodzaakt zag om de politie in te schakelen. Nadien is de rust niet terug gekeerd. Er blijven escalaties plaatsvinden tussen met name [gedaagde] en [C] , waarbij wordt geslagen en spullen worden vernield. [A] en [B] zijn hiervan getuige (geweest) en ondervinden last en onveiligheid hiervan. De kinderen zien zich genoodzaakt om hun slaapkamer continu op slot te hebben om te voorkomen dat [gedaagde] schoenen, broeken en geld meeneemt. Met name het agressieve gedrag van [gedaagde] maakt het voor de overige gezinsleden onhoudbaar om nog langer met hem samen te leven. [gedaagde] weigert thans de woning vrijwillig te verlaten en luistert naar niemand meer. De gezinsvoogd heeft bericht dat indien [gedaagde] niet wordt gedwongen om de woning te verlaten, zij gedwongen zal zijn om [C] , [A] en [B] uit huis te (laten) plaatsen.

3.3.

Ter zitting heeft [gedaagde] de stellingen van vader erkend. [gedaagde] heeft verklaard dat hij niet wil dat de andere kinderen last hebben van zijn gedrag. [gedaagde] denkt dat het beter is dat hij een tijdje weggaat uit de woning; dat is geen probleem voor hem.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een ouder rechtens niet gehouden is om aan zijn meerderjarig geworden kinderen onderdak te verschaffen. Niet in geschil is dat de verhoudingen tussen [gedaagde] en de overige gezinsleden ernstig zijn verstoord. [gedaagde] heeft ter zitting de stellingen van vader erkend en heeft te kennen gegeven dat het beter is dat hij een tijdje weggaat uit de woning. Nu onweersproken is dat [gedaagde] weigert de woning vrijwillig te verlaten, zal de gevorderde ontruiming dan ook worden toegewezen.

4.2.

Ten aanzien van de ontruimingstermijn overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting is gebleken dat Jarabee een woning voor [gedaagde] had. [gedaagde] zou die ochtend een gesprek met Jarabee daarover hebben. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij daar niet naar toe is gegaan, omdat hij daarin geen zin had. Desgevraagd heeft [gedaagde] verklaard alsnog telefonisch contact met Jarabee hierover op te zullen nemen. Om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich elders van woonruimte te voorzien, komt de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van één week na betekening van dit vonnis redelijk voor.

4.3.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie en politie zal worden afgewezen, omdat artikel 556 lid 1 Rv. imperatief voorschrijft dat ontruiming door de deurwaarder dient te geschieden en deze ingevolge artikel 2 Politiewet de hulp van de sterke arm kan inroepen.

4.4.

Ten aanzien van het gevorderde straatverbod stelt de voorzieningenrechter voorop dat het opleggen van een straatverbod een vergaande maatregel en een inbreuk op een aan ieder toekomend in verdragen en wetten vastgelegd grondrecht vormt om zich vrijelijk te bewegen. De vraag is of het gedrag van [gedaagde] op dit moment zodanig is dat dit een vergaande maatregel als een straatverbod rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat thans tussen partijen een gespannen verhouding bestaat, die ten koste gaat van [C] , [A] en [B] . Teneinde verdere escalaties te voorkomen en zoveel mogelijk een rustige leefomgeving voor [C] , [A] en [B] te creëren, acht de voorzieningenrechter een straatverbod geïndiceerd. Het gevorderde straatverbod zal daarom worden toegewezen. De door vader ter versterking van het verbod gevorderde machtiging om de naleving van het straatverbod zo nodig met de sterke arm te doen uitvoeren zal eveneens worden toegewezen.

4.5.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen.

4.6.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om de woning, staande en gelegen aan de [adres] , [plaats] te verlaten onder medeneming van zijn persoonlijke bezittingen binnen één week na betekening van dit vonnis,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om na het verlaten van de woning gedurende één jaar na betekening van dit vonnis de woning te bewonen dan wel te betreden, alsmede zich te bevinden in een straal van 500 meter rondom de woning c.q. het perceel van vader,

5.3.

machtigt vader om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 5.2 in dit vonnis bepaalde te voldoen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of een gedeelte daarvan, dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. en/of 5.2. bepaalde, met een maximum van € 10.000,00,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.