Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4928

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
AWB 15/23 15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Reconstructie straat. Sloopplannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/23 15

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de

zaak tussen

1. [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] ,

2. [verzoeker sub 3] ,

3. [verzoekers sub 4, 5 en 6] ,

4. [verzoeker sub 7] ,

allen wonende te Deventer,

verzoekers,

gemachtigde: M.M. Geuzendarn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder

gemachtigde: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier.

Als derde-partij heeft in de zaak geding deelgenomen: de gemeente Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 1015 heeft verweerder besloten de reeds op 13 oktober 2015

aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de reconstructie van de openbare weg

Pothoofd te Deventer, terstond in werking te laten treden.

Verzoekers hebben zowel tegen het besluit van 13 en 27 oktober 2015 bezwaar gemaakt.

Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te

treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. [verzoeker sub 2]

is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde, voornoemd en [O] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mw. [W]

[W] . De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en

[B] .

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan,

indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die

bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien

onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de

voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel)

bodemgeding niet.

2. Verweerder acht de reconstructie van het Pothoofd noodzakelijk om verkeerstechnische en veiligheidsredenen. De riolering en de verhardingen zijn op en moeten vernieuwd

worden. Na het vervangen van de riolering wordt de weg ook ingericht. In de rijbaan wordt

in de huidige fase ruimte gereserveerd voor de aanleg van een afslagstrook. Deze strook

wordt definitief ingericht wanneer in het Sluiskwartier een tijdelijk parkeerterrein wordt

aangelegd en de aanliggende panden zijn gesloopt (binnen circa twee jaar). Het aanleggen

van een trottoir wordt vanuit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk geacht, omdat er anders

geen goede en veilige ontsluiting is vanuit de nog aanwezige woningen en andere panden.

Indien het trottoir ter plaatste van de huidige voortuinen niet wordt doorgetrokken heeft dat

tot effect dat de bewoners vanuit hun tuin direct op het fietspad staan en ook andere

voetgangers zullen dan voor een deel over de weg c.q. het fietspad moeten lopen, hetgeen

volgens verweerder zeer onwenselijk is en tot verkeersonveilige situaties leidt.

De werkzaamheden vinden plaats in een gebied waarvoor de volgende bestemmingsplannen

gelden:-

  • -

    Bestemmingsplan “Sluiskwartier”

  • -

    Bestemmingsplan “Buitengracht —Oost”.

Verweerder heeft vastgesteld dat het aanleggen van een trottoir in strijd moet worden geacht

met de artikelen 3.1. en artikel 12.1 van het bestemmingsplan “Sluiskwartier”.

3. Op grond van artikel 21, lid 1 onder b van dit bestemmingsplan kan worden afgeweken

van de bestemmingsregels en worden toegestaan dat het beloop of profiel van wegen in

geringe mate worden aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of-intensiteit daartoe

aanleiding geven.

Met toepassing van dit artikel heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning

verleend.

4. Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft verweerder besloten deze omgevingsvergunning

terstond in werking te doen treden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat bij de besluit-

vorming tot vergunningverlening is nagelaten om met toepassing van artikel 6:2 van de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de omgevingsvergunning terstond na

bekendmaking in werking te laten treden. Verweerder heeft alsnog besloten gebruik te

maken van deze bevoegdheid, gelet op de zwaarwegende belangen die zijn aangedragen bij

een zo spoedig mogelijke uitvoering van het project.

5. Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat de gemeente Deventer binnen een

maand zal komen met een realistische visie over het gehele gebied “Het Sluiskwartier”,

waaronder het Pothoofd. Daarbij zal de gemeente Deventer tot een besluit komen over nut en

noodzaak omtrent de huidige (sloop-)plannen van het Pothoofd. Verzoekers hebben verder

aangevoerd dat verweerder artikel 21 van de planregels heeft gebruikt voor een ander doel

dan in dit artikellid beschreven.

6. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan:

degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De voorzieningenrechter is gebleken dat zowel [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] als [verzoekers sub 4, 5 en 6] gebruikers zijn

van de woning [adres 1] en het recht om deze woning te gebruiken ontlenen aan een

bruikleenovereenkomst, zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn en zonder recht

te hebben op de gebruikelijke huurbescherming. [verzoeker sub 3] is huurder is van het

appartement op de eerste etage van het [adres 2] en ontleent het recht dit pand te

gebruiken aan een gesloten huurovereenkomst voor woonruimte. Tenslotte is [verzoeker sub 7]

huurder van (kantoor)ruimte op het [adres 3] en ontleent dit recht aan een gesloten

huurovereenkomst voor kantoorruimte, die hem het recht geeft het pand als bedrijfsruimte te

gebruiken voor uitsluitend opslag- en werkruimte.

7. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van

oordeel dat in het kader van de onderhavige procedure niet op voorhand kan worden gesteld

dat (alle) verzoekers slechts een afgeleid belang hebben bij de door verweerder verleende

omgevingsvergunning. Verzoekers kunnen derhalve in het door hun gezamenlijk ingediende

verzoek om voorlopig voorziening worden ontvangen.

8. De vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen zal verder, gelet

op het korte tijdsverloop, uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de uitkomst van

een belangenafweging. In dat verband heeft de voorzieningenrechter het volgende

overwogen.

9. Zoals gezegd ontlenen [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 4, 5 en 6] hun recht op bewoning aan een bruikleenover-

eenkomst, waarin zij contractueel zijn gewezen op de plannen tot herontwikkeling van de

locatie en het tijdelijk karakter van hun hieraan gekoppelde gebruik om niet. Verder is

[verzoeker sub 7] in paragraaf 8.1. van de gesloten “huurovereenkomst kantoorruimte” er

uitdrukkelijk op gewezen dat hij er mee bekend is en het feit accepteert dat de te sluiten

huurovereenkomst een tijdelijk karakter heeft door het feit dat het gehuurde deel uitmaakt

van een gebiedsontwikkelingsplan en het object in dit kader in de toekomst gesloopt zal

worden.

Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat ter hoogte van het pand, waar [verzoeker sub 3]

een appartement huurt, al een trottoir aanwezig is.

De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan te nemen dat verzoekers door de

geplande reconstructie in betekenende mate geen gebruik meer kunnen maken van hun

woon- dan wel werkplek.

10. In het kader van genoemde belangenafweging acht de voorzieningenrechter verder van

belang dat verweerder uitvoerig heeft toegelicht dat de reconstructie noodzakelijk is om

verkeerstechnische- en veiligheidsredenen. Na de uitvoering van de werkzaamheden is de

veiligheid van de weginrichting verbeterd en zijn de riolering en verhardingsmaterialen

vernieuwd. Dat er ruimte is gereserveerd voor de aanleg van een afslagstrook doet niets af

aan de noodzakelijkheid van de reconstructie. Ter zitting hebben de gemachtigden van

vergunninghouder toegelicht dat een schorsing van de verleende vergunning desastreus zou

zijn, omdat eind 2015 het financieringsprogramma van de provincie Overijssel vervalt,

waaruit een belangrijk deel van de reconstructie wordt gefinancierd. Verder dienen de

werkzaamheden voortvarend te worden opgepakt in verband met de nu al aanwezige

verkeersoverlast en de kans op hoog water en vorst in de winter van 2015 en het voorjaar van

2016.

Daarbij is aangegeven dat het Pothoofd in Deventer een belangrijke verkeersader vormt,

die voor een zo kort mogelijke periode afgesloten dient te zijn voor het verkeer.

Daarbij tekent de voorzieningenrechter verder aan, dat zij de omstandigheid dat is voorzien in een

reservering voor een afslagstrook, in het licht van het uitvoeringskader “Ondertussen in het

Sluiskwartier”, zoals dat op 28 januari 2015 door de raad van Deventer is vastgesteld, niet

voorbarig acht.

Dat de herinrichting van het Pothoofd opnieuw op de politieke agenda is gezet, brengt de

voorzieningenrechter evenmin tot een ander oordeel nu, zoals gezegd, verweerder voldoende

heeft onderbouwd dat reconstructie van het Pothoofd (mede) noodzakelijk is om

verkeerstechnische en veiligheidsredenen, ook los van de mogelijke sloop van genoemde

Pothoofdpanden.

12. De voorzieningenrechter wijst op grond van al het voorgaande het verzoek om

voorlopige voorziening af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid

van C. Kuiper, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2015.