Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4854

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
08/952141-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 25-jarige man uit Rijssen voor handel in softdrugs en oplichting en bedreiging. Hij dwong slachtoffers een telefoonabonnement af te sluiten, nam hun telefoon in beslag, verkocht die voor eigen gewin en liet de slachtoffers met de hoge abonnementskosten zitten. De man wordt voor de softdrugshandel veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 60 uur. Voor de oplichting en bedreigingen krijgt hij een celstraf van 15 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Verder moet hij schadevergoedingen betalen van in totaal bijna 18.500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/952141-15

Datum vonnis: 30 oktober 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Overijssel, huis van bewaring Karelskamp te Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 juli 2015 en 16 oktober 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Klaver en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

Hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot

en met 8 april 2015 te Rijssen en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

cocaïne en/of speed en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne en/of speed/amfetamine, zijnde telkens

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012

tot en met 8 april 2015 te Rijssen en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (van

een materiaal bevattende) hennep, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

3.

hij, op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks 1

januari 2014 tot en met 31 december 2014 te Hengelo en/of Almelo en/of Deventer en/of Rijssen en/of andere plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot het afsluiten van telefoonabonnementen, althans het aangaan van

een schuld en/of de afgifte van (een) telefoon(s)

hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

(telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid - genoemde personen gevraagd om op hun eigen naam

telefoonabonnementen af te sluiten en/of (een)(aan voornoemd

telefoonabonnement gekoppelde) telefoon(s) aan hem, verdachte, af te geven

en/of genoemde personen (telkens) verteld dat hij/zij in ruil voor het

afsluiten van het telefoonabonnement en/of het afgeven van die telefoon(s) een

financiële vergoeding zou(den) krijgen en/of daarbij verteld dat hij,

verdachte, de telefoonabonnementen ongedaan kon maken en/of dat hij (een)

perso(o)n(en) kende die de telefoonabonnementen ongedaan konden maken,

waardoor een of meer genoemde personen werd(en) bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

4.

Hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot

en met 31 januari 2015 te Deventer en/of Rijssen en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde

- [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je aangifte gaat doen bij de

politie, en ik kom daarna vrij, dan is het met je gebeurd. En anders laat ik

het wel doen" en/of "Als je mij aan gaat geven bij de politie dan heb je een

probleem, want dan is het met je gebeurd. Als ik vrij kom na vast gezeten te

hebben, dan zoek ik je wel op en dan weet ik je wel te vinden", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of;

- [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "als je aangifte doet bij de

politie, dan maak ik je kapot" en/of "Jij moet dat doen, anders maak ik je af"

en/of "Jij moet die abonnementen afsluiten voor mijn broer en anders maak ik

je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb gezegd dat het wat langer

zou duren. Anders stuur ik [naam 1] wel op je af en dan piep je wel anders. Ik

trek je uit het huis. Kom maar langs dan kan ik je klappen geven" en/of "Dan

spreek ik wel ergens met je af en dan sla ik je kop er af."

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of die [slachtoffer 3] -

terwijl hij, [slachtoffer 3] , een auto bestuurde en nadat hij, [slachtoffer 3] , vroeg naar

het geld wat hij van verdachte zou krijgen - bedreigd met een mes door dat mes

op het bovenbeen van die [slachtoffer 3] te drukken, en/of

- [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Dat zou ik maar niet doen als

ik jou was. Wat je wilt niet dat je kind of je familie wat overkomt. Want je

weet wat ik allemaal bezit aan wapen hè?" althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, en/of

- [slachtoffer 6] bedreigd door een vuurwapen tegen zijn slaap te plaatsen en

daarbij de woorden toegevoegd: "Je kan niet zomaar uit dit wereldje stappen

dat weet je wel", en/of

- [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd: "Maar ik weet wel waar jij woont en

dan doe ik jou wat aan en ik doe jouw familie wat aan, dan kom ik wel bij jouw

huis".

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan verdachte dient een reclasseringstoezicht te worden opgelegd met bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 19 juni 2015. De officier van justitie concludeert voorts tot toewijzing van de civiele vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] en de oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel. De civiele vordering van [slachtoffer 4] dient wat de officier van justitie betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit de dossiers van de regiopolitie Twente, onderzoek Bastion. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Feit 2

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde feit sub 2 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• Het op pagina 509 en verder van dossier Bastion 2 opgenomen proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 20 februari 2015;

• Het op pagina 195 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 10 oktober 2014; 

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 oktober 2015. 

De rechtbank overweegt ten aanzien van de periode dat op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte met een ander in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 april 2015 hennep heeft verkocht en afgeleverd.

Verdachte heeft in voornoemde periode telkens opzettelijk meermalen kleine hoeveelheden verkocht en afgeleverd. Het verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden hennep van minder dan 30 gram is strafbaar op grond van artikel 3, onder B van de Opiumwet. Echter door het bepaalde in artikel 11, zesde lid, van de Opiumwet is het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B, indien het feit betrekking heeft op hoeveelheden van minder dan 30 gram, niet van toepassing en zijn de feiten slechts aan te merken als (telkens) een overtreding. Dit neemt de strafwaardigheid hiervan uiteraard niet weg. De verkoop aan met name minderjarigen is een kwalijke zaak. Op grond van de bewijsmiddelen heeft verdachte zich met een ander meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 3, onder B van de Opiumwet.

Feit 3

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde feit sub 3 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• Het op pagina 124 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 12 september 2014;

• Het op pagina 166 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 19 september 2014;

• Het op pagina 200 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van H. [slachtoffer 3] d.d. 14 oktober 2014;

• Het op pagina 215 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 14 oktober 2014;

• Het op pagina 220 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 15 oktober 2014;

• Het op pagina 262 en verder van dossier Bastion 1 opgenomen proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] d.d. 9 december 2014;

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 oktober 2015. 

Feit 4

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Uit de verschillende aangiftes komt hetzelfde beeld over verdachte naar voren, namelijk dat hij de slachtoffers heeft bedreigd op het moment dat zij aangifte tegen hem willen doen of niet langer telefoonabonnementen af willen sluiten. Dat verdachte om zijn bedreigingen kracht bij te zetten gebruik heeft gemaakt van een mes (bij [slachtoffer 3] ) en een vuurwapen (bij [slachtoffer 6] ) is volgens de officier van justitie niet bewezen wegens gebrek aan steunbewijs.

De raadsman verzoekt om verdachte integraal vrij te spreken. De aangiftes worden onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte ontkent met klem dat hij mensen heeft bedreigd.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de in de tenlastelegging genoemde personen.

De rechtbank overweegt dat bij alle aan verdachte ten laste gelegde bedreigingen dezelfde werkwijze oftewel modus operandi is gebruikt. Verdachte heeft de slachtoffers onder druk gezet om telefoonabonnementen af te sluiten en heeft vervolgens gedreigd hen wat aan te zullen doen wanneer zij aangifte wilden doen of niet langer de abonnementen voor hem af wilden sluiten. [slachtoffer 3] ’s aangifte wordt ondersteund door de verklaring die [slachtoffer 4] bij de politie heeft afgelegd. Ook is er een telefoongesprek tussen [slachtoffer 3] en verdachte opgenomen en door de politie uitgewerkt. In dit gesprek blijkt ook van een intimiderende en agressieve houding van verdachte jegens [slachtoffer 3] . Hoewel de overige aangiftes niet door andere bewijsmiddelen worden ondersteund acht de rechtbank ook de overige bedreigingen, gezien het schakelbewijs van de door verdachte gevolgde modus operandi, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de verklaringen die door de slachtoffers ieder afzonderlijk zijn afgelegd.

Voor bedreiging met één van de in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven is vereist dat de bedreiging heeft plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op het teweegbrengen van deze vrees was gericht. De rechtbank is van oordeel dat door de werkwijze van verdachte bij de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hen daadwerkelijk wat aan wilde doen. Ook van het vereiste opzet is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Door als voornoemd te handelen heeft verdachte immers ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de slachtoffers daadwerkelijk de vrees zou ontstaan dat zij van het leven beroofd zouden worden.

5.4 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2

hij, op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2014

tot en met 8 april 2015 te Rijssen, tezamen en in vereniging met een ander, telkens

opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid (van

een materiaal bevattende) hennep, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II.

3

hij, op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] telkens heeft bewogen tot het afsluiten van telefoonabonnementen, en de afgifte van telefoons hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - genoemde personen gevraagd om op hun eigen naam telefoonabonnementen af te sluiten en een aan voornoemd telefoonabonnement gekoppelde telefoon aan hem, verdachte, af te geven en genoemde personen telkens verteld dat hij/zij in ruil voor het afsluiten van het telefoonabonnement en het afgeven van die telefoon een financiële vergoeding zou krijgen en daarbij verteld dat hij, verdachte, de telefoonabonnementen ongedaan kon maken en dat hij een persoon kende die de telefoonabonnementen ongedaan kon maken,waardoor genoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

4

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot

en met 31 januari 2015 in Nederland,

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

- [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je aangifte gaat doen bij de

politie, en ik kom daarna vrij, dan is het met je gebeurd. En anders laat ik

het wel doen" en "Als je mij aan gaat geven bij de politie dan heb je een

probleem, want dan is het met je gebeurd. Als ik vrij kom na vast gezeten te

hebben, dan zoek ik je wel op en dan weet ik je wel te vinden", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en;

- [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "als je aangifte doet bij de

politie, dan maak ik je kapot" en "Jij moet dat doen, anders maak ik je af"

en "Jij moet die abonnementen afsluiten voor mijn broer en anders maak ik

je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en

- [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb gezegd dat het wat langer

zou duren. Anders stuur ik [naam 1] wel op je af en dan piep je wel anders. Ik

trek je uit het huis. Kom maar langs dan kan ik je klappen geven" en "Dan

spreek ik wel ergens met je af en dan sla ik je kop er af."

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Dat zou ik maar niet doen als

ik jou was. Want je wilt niet dat je kind of je familie wat overkomt. Want je

weet wat ik allemaal bezit aan wapens hè?" althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, en

- [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd: "Maar ik weet wel waar jij woont en

dan doe ik jou wat aan en ik doe jouw familie wat aan, dan kom ik wel bij jouw

huis".

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan in zoverre zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285 en 326 Sr en artikel 11 lid 1 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

de overtreding: medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan het vervoeren en afleveren van kleine hoeveelheden hennep aan minderjarige jongeren. Hij heeft in deze drugshandel een belangrijke rol gehad. Uit onderzoek is gebleken dat het gebruik van cannabis schadelijk is voor de ontwikkeling van jongeren. Jongeren onder de achttien die regelmatig cannabis roken, lopen meer risico op permanente schade aan hun intelligentie, hun aandachtspanne en hun geheugen dan volwassen gebruikers. Een lange-termijnonderzoek, dat bijna vier decennia omvat, bewijst dat wiet een meer schadelijk effect heeft op jonge hersenen dan op die van volwassenen. Jongeren die jaren cannabis roken, riskeren een beduidende en onomkeerbare daling van hun intelligentiequotiënt. De rechtbank overweegt dat de drugshandel en het gebruik van drugs bovendien vaak gepaard gaan met gewelds- en vermogenscriminaliteit.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diverse oplichtingen. Verdachte heeft diverse personen met behulp van oplichtingsmiddelen zover gekregen dat zij telefoonabonnementen afsloten en vervolgens de daarbij behorende telefoon aan verdachte afgaven. Verdachte verkocht de telefoons en stopte de opbrengst in eigen zak. De gedupeerden bleven achter met de maandelijkse verplichting om de vaak forse abonnementskosten gedurende 2 jaar te betalen. Het betrof veelal kwetsbare personen die het financieel moeilijk hadden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op deze wijze de slachtoffers nog verder het “financiële moeras” heeft ingetrokken. Verdachte heeft de slachtoffers daarenboven ernstig bedreigd op het moment dat zij aangifte wilden doen of niet langer telefoonabonnementen voor hem af wilden sluiten. Uit de aangiftes blijkt hoe zeer zijn slachtoffers vreesden dat verdachte hen daadwerkelijk iets aan zou doen.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Uit het reclasseringsrapport dat op 19 juni 2015 over verdachte is opgemaakt komt naar voren dat verdachte in zijn jeugd veelal op straat tussen overlast gevende groepen heeft doorgebracht. Hij heeft van de straat dan ook enige karaktertrekken en vaardigheden overgehouden. Zo is hij een ongeduldig man die gewend lijkt te zijn om snel zijn zin te krijgen. Positief te noemen is dat verdachte zich verantwoordelijk voelt voor zijn kinderen en een goed contact heeft met de moeder van zijn kinderen. Hij wil gaan werken en een goed voorbeeld voor zijn kinderen zijn. Het ontbreekt hem echter aan vaardigheden of innerlijke structuur om dit alleen te bewerkstellingen. De reclassering schat de kans op recidive als hoog/gemiddeld. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waaraan een meldplicht en een locatiegebod zijn gekoppeld. Tevens dient elektronisch toezicht te worden opgelegd, ter controle van het locatiegebod.

De rechtbank overweegt dat verdachte op verschillende tijdstippen kleine hoeveelheden hennep heeft verstrekt die ieder afzonderlijk als overtreding beschouwd kunnen worden en die elk de oplegging van een afzonderlijke straf rechtvaardigen (artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht). Uit pragmatische overweging zal de rechtbank echter voor het totaal aan overtredingen volstaan met de oplegging van één straf in die zin dat voor de eerste overtreding een straf wordt opgelegd die de maximum straf niet zal overtreffen en dat voor de andere overtredingen geen afzonderlijke strafoplegging plaatsvindt (artikel 9a wetboek van Strafrecht). De rechtbank acht voor deze overtreding de oplegging van een taakstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis en de oplegging van 1 maand voorwaardelijke hechtenis passend en geboden.

Daarnaast acht de rechtbank voor de feiten 3 en 4 oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank brengt hiermee ook tot uitdrukking dat zij veel belang hecht aan het voorkomen van herhaling door verdachte de kans te geven op korte termijn en onder strikte begeleiding te starten met behandeling en resocialisatie. Hierdoor zal verdachte ook eerder in staat zijn de benadeelde partijen schadeloos te stellen. Gezien de ernst van de problematiek van verdachte zullen aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. De proeftijd wordt vastgesteld op 3 jaar.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van €350,-- verbeurd verklaren, nu dit geld door het strafbare feit 2 is verkregen.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] , wonende op een geheim adres, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 5.021,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • materiële schade: € 4.621,02;

  • immateriële schade: € 400,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht­zitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten 3 en 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.021,02, --. De rechtbank verstaat dat de wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de datum van de indiening van de vordering, zijnde de datum dat de vordering in zijn geheel in ieder geval opeisbaar is.. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 3 en 4 is toegebracht.

9.3 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] , wonende aan de [adres 1] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 6.296,05 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • materiële schade: € 5.896,05;

  • immateriële schade: € 400,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht­zitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten 3 en 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 6.296,05.De rechtbank verstaat dat de wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de datum van de indiening van de vordering, zijnde de datum dat de vordering in zijn geheel in ieder geval opeisbaar is.. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.4 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 3 en 4 is toegebracht.

9.5 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

[slachtoffer 7] , wonende aan de [adres 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 7.142,17 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit materiële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht­zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 7.142,17, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering is ingediend, omdat de schade in ieder geval op dat moment voor het geheel geleden en opeisbaar was. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.6 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht.

9.7 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4] , wonende aan de [adres 3] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 3.302,91. Deze schade bestaat uit materiële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk omdat de vordering niet is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 18, 22c, 22d, 27, 47, 57, 62 en 91Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • verklaart bewezen, dat verdachte het 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan in zoverre vrij;

strafbaarheid

  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 2

de overtreding: medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

  • verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • veroordeelt verdachte voor feit 2 tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren;

  • beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

  • veroordeelt verdachte voor feit 2 tot één (1) maand hechtenis geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

  • bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt verdachte voor de feiten 3 en 4 tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, waarvan acht (8) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe wordt hij uitgenodigd bij Reclassering Nederland, locatie Almelo. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde periode blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze periode nodig acht;

  • stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde wordt geboden om zich volgens programma op/bij [adres 4] te Rijssen te bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en het programma dat hem aangeboden wordt te volgen. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door elektronisch toezicht/ RFID (radio-frequency identification);

  • draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.021,02 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

8 oktober 2015;

  • veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feiten 3 en 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.021,02 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 60 dagen zal worden toegepast;

  • bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

schadevergoeding

  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.296,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

9 juli 2015;

  • veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feiten 3 en 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.296,05 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 66 dagen zal worden toegepast;

  • bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

schadevergoeding

  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van een bedrag van € 7.142,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

8 oktober 2015;

  • veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.142,17 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 71 dagen zal worden toegepast;

  • bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

schadevergoeding

  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk in haar vordering.

beslag

  • verklaart verbeurd een geldbedrag van € 350,--.

opheffing bevel voorlopige hechtenis

  • heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 4 november 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann-Herber, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2015.

Buiten staat

Mr. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit de dossiers van de regiopolitie Twente, onderzoek Bastion. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 12 september 2014, pagina 124 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Begin 2014 … benaderde [verdachte] mij, of ik niet een telefoonabonnement wilde afsluiten voor hem. De volgende dag benaderde [verdachte] mij opnieuw. Hij stelde mij voor, dat ik het nog een keer zou doen. Hij drong er echt op aan. Ik durfde eigenlijk niet zo goed terug te krabbelen, omdat ik de eerste ook al gedaan had. [verdachte] nam me daarna mee naar Hengelo, dat was op een avond. Ik vroeg toen hoe dat dan ging, of het abonnement dan ook wel weer binnen een week van mijn naam af zou zijn. [verdachte] vertelde mij, dat dat wel goed kwam. Hij zei me, dat mijn naam nu eenmaal in dat systeem stond en dat ze er wel voor zouden zorgen, dat elke keer als mijn naam voorkwam, dat dan dat abonnement ook van mijn naam gehaald werd. Ik geloofde dat. Ik hoorde van [verdachte] , dat hij er op aandrong, dat het allemaal zo snel mogelijk moest. Onderweg in de auto bedreigde hij me opnieuw. Hij zei toen: ’als je aangifte gaat doen bij de politie, en ik kom daarna vrij, dan is het met je gebeurd. En anders laat ik het wel doen. ‘ Ik voelde me heel erg geïntimideerd daardoor. Ik durfde niet anders, dan ook deze keer maar mee te werken. Dus ook bij The Phone House in Hengelo heb ik een abonnement afgesloten. Toen [verdachte] me zo bedreigde werd ik wel bang. Wat als hij me echt wat aandoet. Helemaal nu ik echt aangifte heb gedaan. Ik ben wel bang voor [verdachte] . Ik denk, dat ik voortaan altijd achterom moet kijken om te zien of [verdachte] niet achter me rijdt, of iemand van zijn mannetjes.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] van 10 oktober 2014, pagina 160 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Iedere keer als wij richting een winkel gingen voor de aanschaf van deze telefoons voelde ik mij er niet lekker bij. Ik begon enigszins te twijfelen en liet dit ook aan [verdachte] blijken. Maar doordat [verdachte] begon te dreigen durfde ik uiteindelijk niet nee te zeggen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Als je mij aan gaat geven bij de politie dan heb je een probleem, want dan is het met je gebeurd. Als ik vrij kom na vast gezeten te hebben dan zoek ik je wel op en weet ik je te vinden.”

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 19 september 2014, pagina 166 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik moest namelijk nog een telefoon ophalen. Dat had hij me van te voren al wel gezegd. Dat had hij onderweg verteld. Hij zei toen ook zo iets als:’ je doet het wel, anders doe ik je wat’ en ‘als je aangifte doet bij de politie, dan maak ik je kapot’ en zulke dingen zei hij allemaal. Ik voelde me best wel onder druk gezet. Diep van binnen wilde ik dit niet, maar ik durfde dat eigenlijk niet tegen [verdachte] te zeggen.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer 2] van 10 oktober 2014, pagina 195 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Bij het afsluiten van de andere abonnementen werd ik door [verdachte] bedreigd en onder druk gezet. Ik wilde deze abonnementen niet afsluiten maar uit angst voor hem heb ik het toch gedaan. Ik moest dit van [verdachte] doen want anders dan zou hij mij afmaken. Hij bedreigde mij ook met zijn broers. Ik ben bang voor de broers voor [verdachte] . Ik ken deze familie al heel lang. Ik heb namelijk bij [verdachte] op school gezeten. Ik hoorde regelmatig dat een van zijn broers vast zat bij de politie. Ik weet dus dat het geen lieverdjes zijn. Ik weet dat zij geweld gebruiken.

5.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 14 oktober 2014, pagina 200 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik weet niet meer precies wanneer ik voor het eerst een telefoonabonnement heb afgesloten. Het moet gebeurd zijn in de maanden september en oktober 2014.

Ongeveer twee dagen daarna heb ik [verdachte] gebeld. Ik hoorde dat ik [verdachte] aan de telefoon had. Ik heb toen tegen hem gezegd dat ik nog geld van hem zou krijgen voor de twee telefoonabonnement die ik had afgesloten. Ik zei tegen hem dat [naam 2] ook nog geld kreeg voor de abonnementen die zij had

afgesloten. Ik hoorde:” Ik heb gezegd dat het wat langer zou duren. Anders stuur ik [naam 1] wel op je af en dan piep je wel anders. Ik trek je uit het huis. Kom maar langs dan kan ik je klappen geven” of woorden van gelijke strekking. Ik heb dit telefoongesprek opgenomen. Ik geef u een usb stick met daarom de opgenomen gesprekken tussen [verdachte] en mij. Ik ben bang voor [verdachte] en [verdachte] en deze [naam 1] . Ik weet dat de achternaam van deze [naam 1] is. Ik weet niet precies hoe je zijn naam schrijft. Ik heb van [slachtoffer 5] gehoord dat [naam 1] een pistool had. Ik heb van haar gehoord dat [naam 1] dit pistool bij haar ex-vriend op het hoofd heeft gezet om hem te bedreigen. Ik vind het ernstig dat die [naam 1] met een pistool rond loopt. En dat nog wel Rijssen, dit had ik nooit gedacht. Dit

maakt mij bang. Mijn vriendin [naam 2] zit niet meer graag thuis. Wij zijn bang dat [verdachte] , [naam 1] of iemand anders van die groep bij ons langs komt. Ik ben bang dat er iets ergs met ons gaat gebeuren.

Vervolgens hoorde ik dat [verdachte] tegen mij zei: Dan spreek ik wel ergens met je af en dan sla ik je kop er af” of woorden van gelijke strekking.

6.

Het proces verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 16 oktober 204, inhoudende als volgt.

Ik, verbalisant [verbalisant] , kreeg van aangever [slachtoffer 3] een usb stick. Ik hoorde dat aangever tegen mij zei dat hier twee geluidsopnames op stonden. Ik hoorde dat aangever tegen mij zei dat de politie dit mocht gebruiken voor het onderzoek. Toen ik naar de lange geluidsopname luisterde herkende ik in een (1) van de stemmen de stem van aangever [slachtoffer 3] . De woorden die ik aangever hoorde zeggen beschrijf ik achter het volgende teken: -

De woorden die ik de andere persoon hoorde zeggen beschrijf ik achter het volgende

teken: +

-: He [verdachte] als jij ff die Cheque even wil doen.

+: Kan ik nou niet.

-: Dat kan niet maar ik moet dat vanavond of morgen alles weer hebben. Anders ga ik

andere stappen ondernemen.

+ jij vieze vuile hoerenjong. Jij hebt geluk gehad ja.

- : Wat is er nou jongen, wat is er nou.

+: “. ...“ jij vies vuil kankerkind. Ik wil met jou ergens afspreken.

-: Wat.‘... .“ op een hele andere manier. Ja titje. Dan zeg je dat op een hele andere

manier. Als jij weg. “....“ We gaan het op een andere manier oplossen. Kom spreken we

nu ergens af. Kom zonder [naam 2] . Als [naam 2] er bij is kan ik je geen klappen

geven.

-: Oh.

+: Spreken we nu ergens af.

-: Oh.

+: Je lult nu zo aan de telefoon. Kom voor mij staan dan.

—: Het zou mij benieuwen dan, vind het niet leuk als hij zo gaat doen. Want ik wil

centen hebben. Dat is toch niet zo moeilijk.

+: Jij wilt het zo spelen. Dan beloof ik jou binnen nu en een paar dagen, ja. Dan

zie ik jou wel hij de tweede heide. Of je nu niet of wel wilt.

7.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 14 oktober 2014, pagina 215 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

U moet weten dat mijn vriend en ik schulden hebben. Mijn vriend heet [slachtoffer 3] . Mijn vriend had hem heel vaak gebeld en had gevraagd waar dat geld bleef. Mijn vriend zat naast mij en ik hoorde [verdachte] door de telefoon schreeuwen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Kom maar hier dan! Ik maak je af!” en meer woorden van gelijke strekking. Na het horen van al die bedreigingen hebben we er toch maar mee ingestemd om nog een abonnement af te sluiten.

8.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 15 oktober 2014, pagina 220 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik heb van 14 mei 2014 tot en met 6 oktober 2014 met mijn ex-vriend [slachtoffer 6] gewoond op camping [camping] . Deze camping ligt tussen Rijssen en Holten. Op een gegeven moment had ik [verdachte] gebeld omdat ik nog steeds geen geld had gekregen. Ik heb toen weer gebeld. Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat ik het geld wilde en dat ik anders naar de politie zou gaan. Ik hoorde dat [verdachte] toen tegen mij zei:” Dat zou ik maar niet doen als ik jou was. Want je wilt niet dat je kind of je familie wat overkomt. Want je weet wat ik allemaal bezit aan wapen he” of woorden van gelijke strekking. Hierna hing hij de telefoon op. Ik was heel erg bang. Ik wist dat [verdachte] een pistool had. Ik wist dit omdat hij dit pistool een paar dagen bij ons in huis wilde laten. Ik bedoel hiermee het vakantiehuisje op de camping [camping] . Mijn ex-vriend ging in die tijd veel met [verdachte] om. [verdachte] heeft toen gevraagd of het pistool even bij ons kon liggen. [verdachte] heeft toen het pistool onder een tegel gelegd, achter het

vakantiehuisje. Omdat ik wist dat [verdachte] een Pistool had was ik bang voor hem. Ik was bang dat hij

mijn kind of mijn familie wat aan zou doen.

Het dealen van [slachtoffer 6] was niet vrijwillig. [slachtoffer 6] heeft mij verteld dat hij een keer samen met [verdachte] en [naam 1] ergens naar toe moest. Ik hoorde van [slachtoffer 6] dat ze toen in de auto van [verdachte] naar een het restaurant Het Witte Hoes zijn gereden. Dit zit vlak voor de Al wanneer je van Rijssen naar Markelo rijd. [slachtoffer 6] had mij verteld dat [verdachte] daar ergens met iemand had afgesproken. Ik weet niet met wie.

[slachtoffer 6] heeft mij verteld dat [verdachte] uit de auto is gestapt. Ik hoorde van [slachtoffer 6] dat hij [naam 1] op een gegeven moment een pistool pakte. Ik hoorde van [slachtoffer 6] dat [naam 1] toen liet pistool tegen hoofd van [slachtoffer 6] heeft gezet. Ik hoorde van [slachtoffer 6] dat [naam 1] tegen hem had gezegd:” Ik hoorde dat je wilde stoppen met dealen. Ja kan niet zo maar stoppen.“ [slachtoffer 6] heeft mij verteld wat er daarna nog gebeurd was. Ik was heel erg geschrokken. Ik voelde mij heel erg bedreigd omdat mijn toenmalige vriend een pistool tegen zijn hoofd had gehad. Ik dacht dan menen ze het ook wel anders doe je zoiets niet. [slachtoffer 6] heeft mij ongeveer een maand of twee maand geleden verteld dat dit gebeurd was. Dit is denk ik in een van dagen gebeurd dat ik door [verdachte] bedreigd was tijdens een telefoongesprek wat ik met hem had. Ik heb ik zojuist al over verklaard.

9.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 9 december 2014, pagina 262 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Begin 2014 woonden ik vanwege allerlei problemen in de dagopvang. Ergens in die periode kwam ik via [slachtoffer 5] in contact met ene [verdachte] . Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat ik makkelijk geld kon verdienen door telefoonabonnementen voor hem af te sluiten. Ik ging in eerste instantie niet in op zijn voorstel. Toch werd ik in de dagen daarna voortdurend door [verdachte] benaderd met de vraag of ik de abonnementen niet alsnog af wilde sluiten. Ik voelde mij behoorlijk onder druk gezet door de manier waarop [verdachte] mij over probeerde te halen. Enkele weken later kwam [verdachte] bij mij langs op de camping. Ik zag dat hij toen samen was met een andere man, [naam 1] . Ik hoorde dat [verdachte] en [naam 1] tegen mij zeiden dat ik snel moest besluiten wat ik wilde anders zouden anderen snel geld gaan verdienen met de telefoonabonnementen. Ik voelde mij opnieuw behoorlijk onder druk gezet door [verdachte] en [naam 1] . Ik werd bang van de manier waarop zij mij probeerden te overtuigen. Kort daarop heb ik besloten om alsnog de telefoonabonnementen voor [verdachte] af te sluiten. Ik heb in totaal vijf abonnementen afgesloten.

10.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 27 januari 2015, pagina 269 en verder, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op vrijdag 21 maart 2014, ik denk dat het in het begin van de middag was, kwam ik

[verdachte] in het centrum van Rijssen tegen. [verdachte] kwam toen naar mij toe en zei tegen

mij dat ik een telefoonabonnement voor hem moest afsluiten. Ik zei tegen hem dat ik dat natuurlijk niet deed en ik hoorde toen dat [verdachte] tegen mij zei: “Maar ik weet wel waar jij woont en dan doe ik jou wat aan en ik doe jouw familie wat aan, dan kom ik wel bij jouw huis.” Ik schrok daar van en ik werd bang dat [verdachte] mij of mijn familie iets aan zou doen, ik had links en rechts in Rijssen al wel gehoord dat [verdachte] met vreemde zaken en met drugs bezig was, zo zou hij een weetplantage hebben in een boerderij bij Markelo en dat soort dingen.

11.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d.

12 december 2014, zakelijk weergegeven, inhoudende als volgt.

Op vrijdag 12 december 2014 omstreeks 11.50 uur verscheen voor mij, verbalisant

Reterink, op het politiebureau te Rijssen, Nolenstalweg 17a, mevrouw [naam 4]

[naam 4] (roepnaam [naam 4] ) , geboren [geboortedatum 2] , wonende [adres 5]

[adres 5] . Mevrouw [naam 4] vertelde mij, verbalisant, dat ze had vernomen, dat de politie

bezig is met een onderzoek naar [verdachte] . Ze had vernomen, dat dit onderzoek

verband hield met het laten afsluiten van mobiele abonnementen. Ze vertelde, dat

ze had gehoord, dat [verdachte] dan mooie beloftes doet (geld belooft), waardoor men een

mobiel abonnement afsluit bij een telefoonwinkel, waar je een mobiele telefoon bij

krijgt. Ze legt uit, dat hij dan de mobiele telefoon laat inleveren en dat hij

vervolgens zijn beloftes niet nakomt. De slachtoffers blijven dan vervolgens met de

abonnementskosten zitten. Ze vertelt mij, dat twee van haar vriendinnen hetzelfde is overkomen.

Ze vertelt, dat het gaat om haar vriendinnen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] . Ze vertelt, dat haar beide vriendinnen eigenlijk doodsbang zijn om aangifte te gaan doen, omdat ze bang zijn, dat [verdachte]

daarna wraak zal nemen, of zal laten nemen.