Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4588

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
08.955049-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een tractorbestuurder uit Staphorst tot de maximale taakstraf van 240 uur omdat hij schuldig is aan het veroorzaken van een ernstig ongeval in Staphorst waarbij een 3-jarig jongetje om het leven kwam en waarbij zijn moeder en tante ernstig gewond raakte. Ook krijgt hij een rijontzegging voor één jaar.

De man zal verder moeten leven met het besef dat een zeer jonge jongen door zijn toedoen om het leven is gekomen en dat hij andere personen lichamelijk letsel heeft toegebracht met mogelijk nog langdurige gevolgen. Hij heeft ter terechtzitting op een volgens de rechtbank oprechte manier getoond dat dit gegeven hem raakt.

Hoewel een aan verdachte op te leggen strafrechtelijke sanctie het leed van de familie niet kan wegnemen, is de rechtbank van oordeel dat de nalatigheid van de tractorbestsuurder in zijn handelen een strafrechtelijke reactie rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.955049-15 (P)

Datum vonnis: 12 oktober 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 september 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.H. Agelink en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

zich op 23 juli 2014 te Staphorst als bestuurder van een landbouwtrekker zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, althans dat door verdachtes gedragingen gevaar op de weg is veroorzaakt waardoor er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Voluit luidt – na wijziging van de tenlastelegging op 28 september 2015 - de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Staphorst, in de gemeente Staphorst, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede rijdende over de weg, de Schapenstreek, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de Gemeenteweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

in strijd met artikel 22 aanhef, onder C van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een snelheid van ongeveer 45 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum voor hem, verdachte geldende snelheid van 25 kilometer per uur heeft gereden en/of

terwijl op een afstand van ongeveer 200 meter voor voormelde kruising een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", met het onderbord "200m" in de, gezien zijn verdachtes rijrichting, rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en/of

direct voor die kruising nogmaals een bord B6, als vermeld in de rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en/of

direct voor die kruising op het wegdek van die Schapenstreek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

gelet op zijn, verdachtes rijrichting, zijn, verdachtes uitzicht naar rechts vanuit de cabine van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) beperkt werd door de A-stijl, de uitlaat en/of de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) en/of

gelet op zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar rechts voor hem, verdachte, bij nadering van die Gemeenteweg, door één of meer bomen werd beperkt en/of

in strijd met artikel 5.1.1 lid 2 van de Regeling voertuigen juncto artikel 5.8.48 van de Regeling voertuigen, inhoudende dat: "een bestuurder van een landbouwtrekker moet zorgen dat uitstekende delen van die landbouwtrekker, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd,

niet heeft gezorgd dat de uitstekende delen, te weten de beide armen met snelkoppelhaken van de fronthefinrichting, van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (landbouwtrekker), die ongeveer 60 a 70 centimeter voor dat motorrijtuig (landbouwtrekker) uitstaken, waren afgeschermd en/of opgeklapt;

zonder te stoppen en/of met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur die kruising is op en/of overgereden en/of

in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder een over die kruisende weg, de Gemeenteweg rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto), ten gevolge waarvan of waarbij een inzittende van dat andere motorrijtuig (personenauto), te weten (het slachtoffer) [slachtoffer 1] uit dat andere motorrijtuig (personenauto) is geslingerd en/of in een aan de Gemeenteweg grenzend weiland is terechtgekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of een ander/en ( [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat verdachte geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van dat andere motorrijtuig (personenauto);

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, ter zake dat

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Staphorst in de gemeente Staphorst, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede over de weg, de Schapenstreek, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de Gemeenteweg, in strijd met artikel 22 aanhef, onder C van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een snelheid van ongeveer 45 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum voor hem, verdachte geldende snelheid van 25 kilometer per uur heeft gereden en/of

terwijl op een afstand van ongeveer 200 meter voor voormelde kruising een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", met het onderbord "200m" in de, gezien zijn verdachtes rijrichting, rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en/of

direct voor die kruising nogmaals een bord B6, als vermeld in de rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en/of

direct voor die kruising op het wegdek van die Schapenstreek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

gelet op zijn, verdachtes rijrichting, zijn, verdachtes uitzicht naar rechts vanuit de cabine van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) beperkt werd door de A-stijl, de uitlaat en/of de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) en/of

gelet op zijn, verdachtes rijrichting, het zicht naar rechts voor hem, verdachte, bij nadering van die Gemeenteweg, door één of meer bomen werd beperkt en/of belemmerd en/of

in strijd met het gestelde in artikel 5.1.1 lid 2 van de Regeling voertuigen juncto artikel 5.8.48 van de Regeling voertuigen, inhoudende dat: "een bestuurder van een landbouwtrekker moet zorgen dat uitstekende delen van die landbouwtrekker, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd",

niet heeft gezorgd dat de uitstekende delen, te weten de beide armen met snelkoppelhaken van de fronthefinrichting, van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig landbouwtrekker), die ongeveer 60 a 70 centimeter voor

dat motorrijtuig (landbouwtrekker) uitstaken, waren afgeschermd;

zonder te stoppen en/of met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur die kruising is op en/of overgereden en/of

in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder een over die kruisende weg, de Gemeenteweg rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het primair ten laste gelegde tot een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.

Verdachte was op 23 juli 2014 bestuurder van een tractor en heeft met een hogere snelheid dan was toegestaan gereden over de Schapenstreek en is vervolgens ondanks meerdere voorrangsborden en haaientanden met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur zonder voorrang te verlenen aan een groene personenauto de kruising opgereden en met de groene personenauto in botsing gekomen. Daarbij heeft verdachte niet gezorgd voor afscherming, dan wel opklapping, van de aan de voorkant van de tractor uitstekende delen. Ten gevolge van dit ongeval is de 3-jarige [slachtoffer 1] komen te overlijden en hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 juli 2014 op de Schapenstreek reed en op de kruising de Gemeenteweg wilde oversteken om de Draftkistweg in te rijden. Verdachte heeft op de Schapenstreek 45 kilometer per uur gereden en heeft snelheid verminderd toen hij de kruising naderde. Verdachte heeft verklaard dat hij naar links en naar rechts heeft gekeken, maar de groene personenauto niet heeft gezien. Verdachte is met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur de kruising opgereden en daar in botsing met de groene personenauto gekomen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de zogenaamde accordbok die dag niet aan de fronthefinrichting had gehangen en dat hij de fronthefinrichting ook niet op een andere manier had afgeschermd. Verdachte heeft verklaard dat hij zich schuldig voelt aan het ongeluk omdat hij geen voorrang heeft verleend maar dat hij het ongeluk niet met opzet heeft veroorzaakt.

4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het navolgende.

Feiten en omstandigheden

Op 23 juli 2014 omstreeks 13.13 uur heeft in Staphorst een verkeersongeval plaatsgevonden. Op de kruising van de Schapenstreek met de Gemeenteweg en de Drafkistweg is een landbouwtrekker met een personenauto in botsing gekomen. Verdachte reed in de landbouwtrekker en reed op de Schapenstreek richting de Gemeenteweg en Drafkistweg.

[slachtoffer 2] , en haar 3-jarige zoontje [slachtoffer 1] , en [slachtoffer 3] zaten in een groene personenauto van het merk Daewoo en reden op de Gemeenteweg.

Op het kruisingsvlak van de Schapenstreek met de Gemeenteweg is de voorzijde van de landbouwtrekker gebotst met de linkerzijkant van de personenauto. Aan de voorzijde van de landbouwtrekker was een fronthefinrichting gemonteerd, waarbij de beide armen van deze fronthefinrichting met snelkoppelhaken naar voren staken. De beide armen met snelkoppelhaken waren de carrosserie van de personenauto, één voor en één na de linker B-stijl binnengedrongen en hadden de linker B-stijl, linkerachterportier, linker C-stijl en linkerachterdeel van het dak losgetrokken.2

De beide voertuigen draaiden op het kruisingsvlak en het wegdek van de Drafkistweg ongeveer 90 graden linksom, waarna de personenauto los kwam en ongeveer 180 graden (gezien zijn oorspronkelijke rijrichting) gedraaid voorbij het kruisingsvlak in de rechterberm van de Gemeenteweg tot stilstand kwam. De landbouwtrekker kwam gedeeltelijk op het kruisingsvlak en het wegdek van de Drafkistweg tot stilstand.3

De linker B-stijl, linkerachterportier, linker C-stijl en linkerachterdeel van het dak van de personenauto wikkelden zich om beide armen met snelkoppelhaken van de fronthefinrichting en werden van de carrosserie getrokken.

De driejarige [slachtoffer 1] , die links op de achterbank van de personenauto, in een kinderbeveiligingsmiddel, had gezeten, werd uitgeworpen en kwam in een rechts van de Gemeenteweg gelegen weiland terecht. [slachtoffer 1] overleed later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen.4 De bestuurster van de personenauto, [slachtoffer 2]5, en de passagier [slachtoffer 3]6, hebben letsel opgelopen.

Na het verkeersongeval op 23 juli 2014 heeft de politie ter plaatse onderzoek verricht en uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) is naar voren gekomen dat op het moment van het ongeval het zicht goed was, het wegdek droog was en de vervoermiddelen van verdachte en de bestuurster van de groene personenauto in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerden.7

Uit het proces-verbaal VOA is voorts gebleken dat de Gemeenteweg middels een verkeersbord B1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) was aangeduid als voorrangsweg.

Voorts werd voor weggebruikers die over de Schapenstreek de Gemeenteweg naderen middels verkeersbord B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 aangegeven dat zij voorrang dienen te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Het eerste bord B6 stond in de rechterberm van de Schapenstreek op circa 200 meter voor de Gemeenteweg en het tweede bord B6 stond in de rechterberm voor de Gemeenteweg.

Voorts werd voor bestuurders die over de Schapenstreek de Gemeenteweg naderen middels haaientanden als bedoeld in artikel 80 van de RVV 1990 aangegeven dat zij voorrang dienen te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.8

Uit het proces-verbaal VOA is ook gebleken dat het zicht van de bestuurder van de landbouwtrekker naar rechts mogelijk kon worden belemmerd door de rechter A-stijl van de cabine van de landbouwtrekker en/of de rechterbuitenspiegel van de landbouwtrekker en/of de verticaal staande uitlaat rechts naast het motorcompartiment.9

Tevens werd het uitzicht van de bestuurder van de landbouwtrekker mogelijk door bomen - staande in een bomenrij in de rechterberm van de Schapenstreek - belemmerd.10

Vast staat dat aan de voorzijde van de landbouwtrekker een fronthefinrichting was gemonteerd, waarvan de beide armen met snelkoppelhaken naar voren uitstaken en niet waren afgeschermd. De uiteinden van de beide armen met snelkoppelhaken staken circa 60 centimeter meter naar voren uit, op een hoogte van circa 90 centimeter boven het wegdek.11

Het primair ten laste gelegde

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij op 23 juli 2014 in een landbouwtrekker op de Schapenstreek reed en voornemens was om de hem bekende voorrangsweg de Gemeenteweg over te steken om de Drafkistweg in te rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij reed met een snelheid van 45 kilometer per uur op de Schapenstreek richting de kruising met de Gemeenteweg, terwijl hij wist dat de maximale snelheid voor hem – rijdende in de landbouwtrekker – 25 kilometer per uur bedraagt. Verdachte is vervolgens langzamer gaan rijden en reed met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur de kruising op. Verdachte heeft verklaard dat hij rijdend op de Schapenstreek naar links én naar rechts heeft gekeken en daarbij de groene personenauto die op de Gemeenteweg reed in het geheel niet heeft gezien. Toen verdachte de kruising op wilde rijden, heeft hij nog eenmaal naar links gekeken en op het moment dat verdachte doorreed in de richting van de Drafkistweg keek verdachte naar rechts en zag toen de groene personenauto en kon hij een aanrijding niet meer voorkomen.12

Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij op 23 juli 2014 de fronthefinrichting aan de voorzijde van de landbouwtrekker in het geheel niet had afgeschermd en ook niet wist dat dit wettelijk verplicht was. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij die dag tevens niet de accordbok in de fronthefinrichting had gehangen, waarbij verdachte heeft uitgelegd dat een accordbok een driehoek is waarmee machines kunnen worden opgepakt, maar die tevens tot gevolg heeft dat de fronthefinrichting stomper wordt. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij op 23 juli 2014 de fronthefinrichting ook niet had ingeklapt en dat als hij dat wel had gedaan de snelkoppelhaken toch nog deels schuin naar boven zouden uitsteken.13

Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij op 23 juli 2014 ongeveer 50 meter achter zijn zoon op de Schapenstreek reed en een groene personenauto zag aankomen. [getuige] zag dat zijn zoon die in de landbouwtrekker reed, niet remde.14

Vast is komen te staan dat verdachte op 23 juli 2014 ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan de op de voorrangsweg rijdende groene personenauto van [slachtoffer 2] , met de aanrijding tot gevolg, waardoor [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gewond zijn geraakt.

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) te kunnen komen, moet vastgesteld kunnen worden dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor schuld in het kader van artikel 6 WVW 1994 is vereist dat verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank overweegt dat verdachte kennelijk onvoldoende heeft gelet op het naderend verkeer op de Gemeenteweg, in aanmerking nemende dat verdachte bekend was met de zichtbelemmeringen die worden veroorzaakt door de bomenrij op de Schapenstreek. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van de vader van verdachte die op de Schapenstreek – rijdend achter verdachte – een groene personenauto wèl zag aankomen op de Gemeenteweg, terwijl verdachte verklaart toen geen verkeer te hebben waargenomen. Ook het gegeven dat verdachte op de Schapenstreek reed met een voor de trekker aanmerkelijk hogere snelheid (van ongeveer 45 km per uur) dan voor hem was toegestaan, schept het beeld dat verdachte zich van de verkeersrisico’s onvoldoende bewust is geweest. Vervolgens is verdachte naar het oordeel van de rechtbank te lichtvaardig en onachtzaam geweest bij het oprijden van de kruising, te meer nu verdachte bekend was met de zichtbelemmeringen vanuit de landbouwtrekker van de A-stijl, de buitenspiegel en de uitlaat. Van verdachte had gevergd mogen worden dat hij zich nadrukkelijk en zorgvuldig had vergewist van de aan- of afwezigheid van overig verkeer op de Gemeenteweg. Verdachte is daarin ernstig te kort geschoten. De rechtbank weegt daarbij mee dat verdachte een zeer zwaar (bijna 8000 kilogram wegend) en groot voertuig bestuurde waardoor eventueel aangerichte schade aan andere verkeersdeelnemers al snel zeer ernstige vormen kan aannemen. Verdachte is echter – ondanks de mogelijke belemmeringen van het zicht vanuit de cabine naar rechts – niet gestopt voor de voorrangsweg, waarbij de snelheid van verdachte bij het oprijden van de kruising, ook al was die mogelijkerwijs slechts 15 km/u, te hoog is gebleken voor veilig verkeer ter plaatse. Daardoor is verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens de andere verkeersdeelnemers.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de zorgplicht van verdachte nog eens extra werd vergroot door het feit dat op de landbouwtrekker aan de voorzijde een fronthefinrichting was gemonteerd waarvan de snelkoppelhaken op een hoogte van 90 centimeter boven het wegdek nog 60 centimeter voor het voertuig uitstaken. Ingevolge artikel 5.8.48 van de Regeling voertuigen moeten uitstekende delen van landbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. Verdachte had de aan de voorzijde uitstekende snelkoppelhaken van de fronthefinrichting in strijd met dat wettelijk voorschrift op geen enkele wijze afgeschermd dan wel ingeklapt. Ook op dit punt is verdachte fors te kort geschoten in de op hem rustende verplichting om zich zorgvuldig en veilig te gedragen in het verkeer.

Het rijgedrag van verdachte heeft uiteindelijk erin geresulteerd dat verdachte zonder te remmen met een zware landbouwtrekker – met aan de voorzijde scherp uitstekende snelkoppelhaken van de fronthefinrichting – tegen de zijkant van de groene personenauto is gebotst, waarbij de uitstekende snelkoppelhaken zich in de personenauto hebben geboord. Verdachte had zich bewust moeten zijn van de gevaarlijkheid van zijn grote, zware voertuig én van de gevaarlijkheid van de aanwezigheid van de ver uitstekende snelkoppelhaken en hij had daarnaar moeten handelen door bij het naderen van deze kruising een zeer grote mate van voorzichtigheid in acht te nemen, hetgeen hij heeft nagelaten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door als bestuurder van een grote, zware landbouwtrekker, gegeven de zichtbeperking door de raamstijl, uitlaat en zijspiegel rechts, zonder te stoppen en met een snelheid van ongeveer 15 km per uur de kruising op te rijden - zonder bovendien zorg gedragen te hebben voor afscherming dan wel opklapping van de uitstekende snelkoppelhaken van de fronthefinrichting - op de op de voorrangsweg rijdende personenauto is gebotst en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest en dat het aldus ontstane verkeersongeval aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 te wijten is geweest.

Als gevolg van het ongeval is het slachtoffer [slachtoffer 1] overleden en zijn de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gewond geraakt.

Ten aanzien van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat zij ten gevolge van het verkeersongeval nek- en rugklachten had en dat zij in januari 2015 weer volledig aan het werk is gegaan. Het slachtoffer [slachtoffer 2] had ten gevolge van het verkeersongeval een whiplash in haar nek en werkt tot op de dag van de terechtzitting nog steeds niet volledig.15

De rechtbank is - mede in aanmerking genomen hetgeen in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald en de daarover bestaande jurisprudentie - van oordeel dat dit letsel van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, zoals de officier van justitie heeft geconcludeerd maar dat het letsel wel is te kwalificeren als als zodanig letsel dat daaruit een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden van beide slachtoffers is ontstaan.

Gelet op al het hiervoor overwogene kan het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair

hij op 23 juli 2014 te Staphorst als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede rijdende over de weg, de Schapenstreek, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de Gemeenteweg, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

in strijd met artikel 22 aanhef, onder C van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een snelheid van ongeveer 45 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum voor hem, verdachte geldende snelheid van 25 kilometer per uur heeft gereden en

terwijl op een afstand van ongeveer 200 meter voor voormelde kruising een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", met het onderbord "200m" in de, gezien zijn verdachtes rijrichting, rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en

direct voor die kruising nogmaals een bord B6, als vermeld in de rechter berm van die Schapenstreek was geplaatst en

direct voor die kruising op het wegdek van die Schapenstreek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en

gelet op zijn, verdachtes rijrichting, zijn, verdachtes uitzicht naar rechts vanuit de cabine van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) beperkt werd door de A-stijl, de uitlaat en de rechter buitenspiegel van dat motorrijtuig (landbouwtrekker) en

gelet op zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar rechts voor hem, verdachte, bij nadering van die Gemeenteweg, door één of meer bomen werd beperkt en

in strijd met artikel 5.1.1 van de Regeling voertuigen juncto artikel 5.8.48 van de Regeling voertuigen, inhoudende dat: "een bestuurder van een landbouwtrekker moet zorgen dat uitstekende delen van die landbouwtrekker, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd,

niet heeft gezorgd dat de uitstekende delen, te weten de beide armen met snelkoppelhaken van de fronthefinrichting, van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (landbouwtrekker), die ongeveer 60 a 70 centimeter voor dat motorrijtuig (landbouwtrekker) uitstaken, waren afgeschermd en/of opgeklapt;

zonder te stoppen en/of met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur die kruising is op gereden en

in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende weg, de Gemeenteweg rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en

in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto), ten gevolge waarvan of waarbij een inzittende van dat andere motorrijtuig (personenauto), te weten (het slachtoffer) [slachtoffer 1] uit dat andere motorrijtuig (personenauto) is geslingerd en in een aan de Gemeenteweg grenzend weiland is terechtgekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer 1] ) werd gedood en anderen ( [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 6 juncto artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend;

en

het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft op 23 juli 2014 een ernstig ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] (3 jaar) om het leven is gekomen en waarbij zijn moeder en tante gewond zijn geraakt. Het leed dat aan de nabestaanden van Vince is toegebracht, is afschuwelijk en onherstelbaar. Daarbij ervaart [slachtoffer 2] nog dagelijks de fysieke en emotionele gevolgen van het ongeval.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van artikel 6 WVW 1994, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, zonder dat sprake was van alcoholgebruik en waarbij het slachtoffer is overleden, een werkstraf voor de duur van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 september 2015 blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Verdachte zal verder moeten leven met het besef dat een zeer jonge jongen door zijn toedoen om het leven is gekomen en dat hij andere personen lichamelijk letsel heeft toegebracht met mogelijk nog langdurige gevolgen. Verdachte heeft ter terechtzitting op een volgens de rechtbank oprechte manier getoond dat dit gegeven hem raakt. Hoewel een aan verdachte op te leggen strafrechtelijke sanctie het leed van de familie niet kan wegnemen, is de rechtbank van oordeel dat de nalatigheid van verdachte in zijn handelen een strafrechtelijke reactie rechtvaardigt. De rechtbank acht dit ook in het belang van de verkeersveiligheid in het algemeen.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de maximale duur van 240 uur passend en geboden. Daarnaast dient aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar te worden opgelegd om verdachte ook voor de toekomst te doordringen van het belang van voorzichtig en oplettend verkeersgedrag, alsook het treffen van noodzakelijke veiligheidsmaatregelen bij het gebruik op de openbare weg van landbouwvoertuigen met uitstekende delen die volgens de wet dienen te worden afgeschermd.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22b, 22c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend;

en

het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. L.J. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, met registratienummer PL0400-2014061913. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 24 oktober 2014, pag. 57.

3 Idem voetnoot 2, pag. 62.

4 Een schriftelijk stuk bevattende het verslag van overlijden van [slachtoffer 1] d.d. 23 juli 2014, losbladig.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2014, pag. 14 en 15.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] d.d. 16 augustus 2014, pag. 17 en 18.

7 Idem voetnoot 2, pag. 53, 59A (17 van 37) en 65.

8 Idem voetnoot 2, pag. 52.

9 Idem voetnoot 2, pag. 58.

10 Idem voetnoot 2, pag. 71.

11 Idem voetnoot 2, pag. 60 en 61.

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 juli 2014 pag. 31 t/m 34 en d.d. 30 juli 2014, pag. 37 t/m 40.

13 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2015.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 23 juli 2014, pag. 4.

15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2015, losbladig.