Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
C/08/153137 HA ZA 14-133
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2014:6256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBOVE:2014:6256.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeente er niet in geslaagd te bewijzen dat er een aanvullende overeenkomst is gesloten. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de gemeente niet aan haar bewijsopdracht heeft kunnen voldoen, moet aangenomen worden dat er geen aanvullende afspraken zijn gemaakt over de incassoprovisie. Eiseres mocht op 14 november 2013 de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden omdat de gemeente haar deel van de overeenkomst niet kon nakomen. De gemeente heeft ten onrechte op 19 februari 2014 het resterende deel van de overeenkomst ontbonden, nu de gemeente niet van eiseres mocht verlangen dat zij aanvullende werkafspraken met haar zou maken die mede inhielden een incassoprovisie van 7,5%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/153137 HA ZA 14-133

datum vonnis: 23 september 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

verder te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. J.M. Pol te Assen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ALMELO,

gevestigd te Almelo,

gedaagde,

verder te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede.

Het procesverloop

In deze zaak is op 9 juli 2014 en 5 november 2014 een tussenvonnis gewezen. Voor wat betreft het procesverloop tot aan het laatste tussenvonnis, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover in voormeld tussenvonnis is opgenomen. Daarna zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:

  • -

    het proces-verbaal van de enquête d.d. 23 januari 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête d.d. 27 maart 2015;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van de gemeente d.d. 20 mei 2015 met de producties R tot en met W;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van [eiseres] d.d. 24 juni 2015.

Daarna hebben partijen vonnis gevraagd.

De overwegingen.

1. In het tussenvonnis van 5 november 2014 heeft de rechtbank de gemeente opgedragen te bewijzen dat tussen partijen een nadere, van de overeenkomst van 8/12 augustus 2013 afwijkende afspraak is gemaakt die inhoudt dat [eiseres] de incasso zal verzorgen van de aangeleverde 285 debiteuren tegen het in de Offerte d.d. 2 juli 2013 genoemde tarief.

2. De gemeente heeft ter uitvoering aan de bewijsopdracht drie getuigen doen horen.

2.1. De heer [P] (destijds manager van het shared service centrum van de gemeente Almelo), verklaarde onder meer het volgende (waarbij de rechtbank de typefouten in het proces-verbaal heeft verbeterd).

De insteek van het gesprek van 4 september was de vraag of [eiseres] met ons door wilde gaan omdat wij een fout hadden gemaakt bij de aanbesteding. (...) [K] liet weten hoe dan ook door te willen gaan. Dat had wel consequenties voor het gesloten contract. Wij hebben gezegd dat ze dan maar met aanvullende wensen of een tegenvoorstel moesten komen. (...) Daarnaast wilde de gemeente werkafspraken maken. Wij kregen van [eiseres] geen aanvullende wensen of voorstellen, alleen ontvingen wij begin oktober het getekende oude contract. (...)

De reden voor het gesprek van 8 oktober 2013 was de brief die [eiseres] aan de cliënten had gestuurd, het contract dat zij hadden ondertekend, de aantallen debiteuren en de SROI. (...) We zijn uit elkaar gegaan met de afspraak dat we met elkaar doorgingen, op basis van de aantallen die toen voorlagen. (...). Ik weet niet meer of er in het gesprek van 8 oktober is gesproken over incassotarieven die [eiseres] aan de gemeente in rekening zou brengen. Voorafgaand aan dit gesprek is in elk geval niet over deze incassotarieven gesproken. (...) Vlak na het gesprek is er wel een mail van [eiseres] binnen gekomen waarin zij verwijst naar haar gebruikelijke incassotarief. Dat leek het tegenvoorstel van [eiseres] te zijn. U vraagt mij of er afspraken zijn gemaakt tussen de gemeente en [eiseres] over het incassotarief dat [eiseres] bij de gemeente in rekening zou brengen. Later in het minnelijk traject is daar wel over gesproken. Dat was inderdaad na de mail van [eiseres] waarin zij haar gebruikelijke incassotarief voorstelde. Uiteindelijk zijn daar geen afspraken over gemaakt. Wij zijn niet tot elkaar gekomen.

2.2. De heer [B] (destijds coördinator van de afdeling invordering van het shared service centrum van de gemeente Almelo), verklaarde onder meer het volgende.

Ik ben bij de gesprekken van 4 september 2013 en 8 oktober 2013 aanwezig geweest. (...) We hebben openheid van zaken gegeven en het gesprek van 4 september 2013 ging er over dat we niet alle aantallen konden leveren. (...) [eiseres] zei dat ze de dossiers wel wilde hebben en ermee aan de slag zou gaan. (…) Wij hebben gezegd dat er geen wijziging in de aanbesteding zou komen, dus ook niet in de tarieven. Dat zou ook niet kunnen naar de andere inschrijvers toe. Dat was op dat moment geen probleem voor [eiseres] . (...)

Er stonden een aantal werkafspraken nog niet op papier. Wij wilden de debiteuren eerst laten weten dat hun vordering werd overgenomen door een incassobureau. In de brief van [eiseres] aan de debiteuren stonden ook kosten vermeld die daar niet in zouden moeten staan. Het gesprek van 8 oktober 2013 op het kantoor van [eiseres] ging daarover. (...) Over de provisie die [eiseres] in rekening zou brengen bij de gemeente is gezegd dat we de aanbesteding volgen, dat was ook niet bespreekbaar voor ons. (...) [eiseres] ging akkoord met 285 debiteuren tegen een provisie van maximaal 7,5%. In het gesprek van 8 oktober 2013 is door [eiseres] niet gezegd dat de incassoprovisie te laag was. Ze zouden ermee aan de slag gaan en daarmee is het volgens mij geaccepteerd.

2.3. De heer [R] (inkoper bij de gemeente Almelo) verklaarde onder meer het volgende.

Ik was aanwezig bij de gesprekken van 4 september 2013 en 8 oktober 2013. (...) Ik was daarbij aanwezig omdat ik de aanbestedingen heb gedaan. De aanleiding van het gesprek was dat de opdrachtwaarde drastisch minder bleek. Bepaalde opdrachten waren niet inbaar. We hebben [K] opgeroepen zodat we dat konden toelichten. We stonden voor de keuze om wel of niet door te gaan en hebben [K] gevraagd of zij door wilden met de opdracht. [K] zei dat zij dat zeker wilden. Ik heb gezegd dat als de tarieven aangepast zouden worden, we opnieuw zouden aanbesteden. [K] zei daarop dat hij door wou. Er is gesproken over de aantallen, in plaats van ongeveer 1000 werden het er 285. Over het incassotarief is gezegd dat het zeker niet zou worden aangepast. (...)

Ik ben wel bij het tweede gesprek in Hoogeveen geweest. De insteek van dat gesprek was om werkafspraken te maken met [eiseres] . (...) Er is ook gesproken over de aantallen en er is gezegd dat de tarieven intact bleven. Dat is gezegd door [D] en [K] . Het gaat dan om de door [eiseres] geoffreerde tarieven.

3 In contra-enquête heeft [eiseres] twee getuigen doen horen.

3.1.

De heer [D] (bestuurder/aandeelhouder van [eiseres] ) verklaarde onder meer het volgende.

Het gesprek van 8 oktober 2013 was een vervolg op het gesprek van 4 september 2013. Er was geconstateerd dat de toegezegde aantallen niet behaald konden worden en we gingen kijken hoe we dat op konden lossen. (...)

De vraag die aan de orde was was of we op deze manier verder konden en onder welke condities.

De door ons in rekening gebrachte provisie is ook aan de orde geweest. (...) Wij hebben gezegd dat wij niet voor dezelfde provisie een gewijzigde omvang van zaken konden behandelen. De omvang was substantieel gewijzigd. Ik heb dat op deze manier uitgelegd. Op dit punt stelde de gemeente dat als de aanbesteding wijzigt, er op nieuw aanbesteed moest worden. (...)

U vraagt mij of er in het gesprek van 8 oktober 2013 een mondelinge afspraak is gemaakt dat het lagere aantal dossiers tegen hetzelfde tarief zou worden gedaan. Het antwoord daarop is nee.

3.2.

De heer [K] , commercieel manager bij [eiseres] , verklaarde onder meer het volgende.

Ik was aanwezig bij de gesprekken van 4 september 2013 en 8 oktober 2013.

De aanleiding voor het eerste gesprek was dat ik werd gebeld door een van de drie heren [P] , [B] of [R] . Zij wilden graag praten over de aanbesteding. (...)

In het gesprek werd vrij snel duidelijk dat er minder zaken aangeleverd zouden worden. Ik heb er toen niet zoveel over gezegd. Ik zou het meenemen naar kantoor en overleggen over deze situatie. (...) Er is afgesproken dat er op korte termijn weer contact zou zijn, en dat is de volgende dag ook al op gang gekomen. De provisie die [eiseres] in rekening brengt bij de gemeente is in dat gesprek niet aan de orde geweest. (...)

Er is door mij geen concreet voorstel gedaan. (...)

Voor het gesprek van 8 oktober 2013 belde de gemeente of ze nog een keer met ons konden praten. (...) De gemeente wilde dat wij op basis van de bestaande afspraken verder zouden gaan. Wij hebben gezegd dat dat niet kon, en dat hadden we ook in eerdere correspondentie al gezegd. (...)

Ik kan mij niet herinneren dat er in dit gesprek iets is gezegd over provisie die [eiseres] in rekening brengt, volgens mij niet.

4. Bij conclusies na enquête hebben de gemeente en [eiseres] gesteld en gemotiveerd dat de gemeente wel, respectievelijk niet in de bewijsopdracht is geslaagd.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeente er niet in geslaagd te bewijzen dat er een aanvullende overeenkomst is gesloten inhoudende dat [eiseres] 285 debiteuren zou behandelen voor het in de aanbesteding geoffreerde tarief. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.

5.1.

Over het gesprek van 4 september 2013 verklaarden [B] en [R] (gemeente) dat door [K] ( [eiseres] ) is gezegd dat [eiseres] de overgebleven dossiers voor de in de aanbesteding genoemde provisie zou behandelen.

[P] (gemeente) en [K] ( [eiseres] ) verklaren dat niet. [P] verklaarde dat [eiseres] met voorstellen zou komen nadat duidelijk zou zijn om hoeveel dossiers het zou gaan, en ook [K] verklaarde dat [eiseres] er op terug zou komen.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze laatstgenoemde verklaringen niet alleen waarschijnlijker (r.o. 5.3), maar komen deze ook overeen met de overgelegde e-mails (r.o. 5.4).

5.3.

Dat [eiseres] terug zou komen met een voorstel is de meest aannemelijke uitkomst van het gesprek, omdat [eiseres] eerst zal moeten weten om hoeveel zaken het gaat voordat zij zich kan uitlaten over het tarief. Het incassobureau verdient (in dit geval) immers alleen aan de provisie die zij in rekening kan brengen. [K] was voorafgaand aan het gesprek er niet van op de hoogte dat er minder dossiers aangeleverd zouden worden. Dat hij in dat gesprek met deze nieuwe informatie maar zonder de exacte aantallen te kennen zou hebben gezegd dat [eiseres] de dossiers voor hetzelfde tarief zou willen behandelen, ligt om die reden niet voor de hand.

Overigens volgt uit het feit dat tijdens dit gesprek nog niet duidelijk was om hoeveel dossiers het precies ging, dat de verklaring van [R] , dat er is gesproken over de aantallen en dat dat van ongeveer 1000 naar 285 ging, niet juist kan zijn.

5.4.

De verklaringen die [P] en [K] hebben afgelegd, namelijk dat de gemeente duidelijkheid zou geven over het aantal dossiers dat overbleef en dat [eiseres] dan met een voorstel zou komen, worden ondersteund door de, deels bij dagvaarding en conclusie van antwoord en deels bij conclusie na enquête, overgelegde e-mail correspondentie.

In deze mailcorrespondentie wordt bevestigd dat in het gesprek van 4 september is gemeld dat er minder dossiers geleverd kunnen worden, maar was nog niet duidelijk hoeveel precies. De gemeente zou laten weten hoeveel dossiers er geleverd zouden worden en [eiseres] zou met een aangepast voorstel komen met betrekking tot het tarief dat zal gelden voor dit lagere aantal. Er is op 4 september 2013 dus geen aanvullende afspraak gemaakt.

5.5.

Over de bijeenkomst van 8 oktober 2013 verklaren [B] en [R] dat zijdens de gemeente is gezegd dat aan de uitgangspunten van de aanbesteding niets veranderd kon worden en dat dus ook het provisietarief vast stond. Anders zou er een nieuwe aanbesteding moeten plaatsvinden. Zijdens [eiseres] is daar volgens hen mee ingestemd.

[D] en [K] hebben verklaard dat zij zeker niet hebben ingestemd met een aantal van 285 dossiers tegen een provisie van 7,5%.

[P] heeft verklaard dat er uiteindelijk geen afspraak is gemaakt over de incassoprovisie.

5.6.

Ook wat deze verklaringen betreft is de rechtbank van oordeel dat aan die van [D] , [K] en [P] meer gewicht moet worden toegekend dan aan die van [B] en [R] . De eerstgenoemde verklaringen komen overeen met de overgelegde correspondentie tussen partijen en de stand van zaken op dat moment.

5.7.

De stand van zaken op dat moment was dat er nog geen afspraak was over de incassoprovisie, maar dat [eiseres] al wel een brief had gestuurd aan de debiteuren. Daar stonden zaken in die de gemeente daar niet wilde hebben, met name over de kosten die [eiseres] bij de cliënten in rekening bracht. De insteek van het gesprek van 8 oktober was om daar afspraken over te maken (“werkafspraken”).

Ondertussen echter was de discussie/het meningsverschil over de incassoprovisie al wel explicieter op tafel gekomen. In de mail van 3 oktober 20131 schrijft [eiseres] dat als de gemeente zich aan de aanbesteding wil houden, [eiseres] dat dan ook wil doen. Voor een lager aantal debiteuren dan in de aanbesteding stond, geldt ook een ander tarief. Een concreet voorstel heeft [eiseres] echter niet gedaan.

5.8.

Tijdens de bijeenkomst van 8 oktober 2013 is aan de orde geweest dat als er afwijkingen van de aanbesteding zijn, een nieuwe aanbesteding uitgeschreven zou moeten worden. De gemeente zou intern bekijken of dat inderdaad nodig was. Daarvan is bij mail van 9 oktober 2013 van [P] (gemeente) aan [K] ( [eiseres] ) gezegd dat het intern overleg positief is uitgevallen. Er zijn geen belemmeringen meer om het contract verder uit te werken in heldere werkafspraken, aldus deze mail.2 Bij het opstellen van de werkafspraken komt echter de discussie over de provisie weer boven. [eiseres] verwijst naar de eigen algemene voorwaarden waarin een provisie van 15% staat, en de gemeente verwijst naar de aanbesteding waarin een provisie van 7,5% is overeengekomen.

5.9.

Met deze gang van zaken komt niet overeen dat er op 8 oktober 2013 een aanvullende afspraak zou zijn gemaakt dat [eiseres] de 285 dossiers zou behandelen voor een provisie van 7,5%. Als deze afspraak gemaakt zou zijn, zou een later discussie over de algemene voorwaarden en het tarief van de offerte, niet nodig zijn geweest. De gemeente had dan eenvoudigweg kunnen verwijzen naar reeds (op 8 oktober) gemaakte afspraken. Dat is in de (vele) e-mails die volgen echter geen enkele keer aangehaald.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het, zoals [eiseres] meermaals heeft betoogd, ook niet aannemelijk is dat zij 285 dossiers zou willen behandelen voor hetzelfde (lage) tarief als 1275 dossiers. De enige winst die [eiseres] maakt komt uit de provisie, en dus zal dat aangepast moeten zijn op het aantal dossiers en de waarde van de vorderingen.

6.Hetgeen namens de gemeente in de conclusie na enquête is aangevoerd, kan daar niet aan af doen. Weliswaar heeft [K] onjuist verklaard over de vraag of gezegd is dat [eiseres] door wilde gaan met de gemeente (uit later e-mails blijkt dat [eiseres] dat inderdaad heeft laten weten), en met betrekking tot zijn betrokkenheid tussen 4 september en 8 oktober, en daarna (uit e-mails blijkt dat hij wel betrokken is geweest bij de gang van zaken), maar dat maakt niet dat aan de rest van zijn verklaring geen enkel gewicht kan worden toegekend. Bovendien wordt door de rechtbank groot gewicht toegekend aan de verklaring van de heer [P] (gemeente), wiens verklaring in alle opzichten het meest overeenkomt met de (uit het dossier bekende) feiten.

7. De gemeente heeft nog aangevoerd dat uit de feiten en omstandigheden, zoals het versturen van incassobrieven, kan worden afgeleid dat [eiseres] instemde met het behandelen van de 285 dossiers tegen een incassoprovisie van 7,5% en dat daarmee heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt hierover dat dat niet de bewijsopdracht was. Als het uit de feiten en omstandigheden al af te leiden was, zou de bewijsopdracht, dat tijdens de gesprekken van 4 september en/of 8 oktober 2013 een nadere afspraak is gemaakt over de incassoprovisie, niet nodig zijn geweest.

8. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de gemeente niet aan haar bewijsopdracht heeft kunnen voldoen, moet aangenomen worden dat er geen aanvullende afspraken zijn gemaakt over de incassoprovisie. [eiseres] mocht op 14 november 2013 de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden omdat de gemeente haar deel van de overeenkomst niet kon nakomen. De gemeente heeft ten onrechte op 19 februari 2014 het resterende deel van de overeenkomst ontbonden, nu de gemeente niet van [eiseres] mocht verlangen dat zij aanvullende werkafspraken met haar zou maken die mede inhielden een incassoprovisie van 7,5% (r.o. 12.4 van het vonnis van 5 november 2014).

9 De gemeente is op grond van het voorgaande schadeplichtig jegens [eiseres] .

[eiseres] heeft gesteld dat zij schade heeft geleden in de vorm van kosten voor het aanbestedingstraject, en het beschikbaar maken van kantoor- en menscapaciteit. Deze investering is nu voor niets geweest. Daarnaast heeft ze omzetschade geleden. [eiseres] vordert verwijzing naar de schadestaatprocedure, maar ze heeft tevens een voorschot van € 250.000,00 gevorderd.

10. Voor de situatie dat ze schadeplichtig zou zijn, heeft de gemeente aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] , omdat [eiseres] , toen zij de overeenkomst op 2 oktober 2013 tekende, wist dat er slechts 285 dossiers waren. [eiseres] had het risico van schade kunnen afwenden door de overeenkomst niet te tekenen.

11. In het tussenvonnis van 5 november 2014 heeft de rechtbank hierover overwogen dat de overeenkomst al op 8/12 augustus 2013 tot stand was gekomen door aanbod en aanvaarding. Het eerst op of rond 2 oktober 2013 terugsturen van die reeds gesloten overeenkomst levert geen eigen schuld op.

12. De rechtbank blijft bij dat laatste oordeel, maar komt terug op haar (impliciete) oordeel dat er ook overigens geen sprake is van eigen schuld.

12.1.

Thans is vast komen te staan dat er op 4 september 2013 geen afspraken zijn gemaakt over incassoprovisie, maar dat [eiseres] daarvoor een voorstel zou doen. Vóórdat [eiseres] een voorstel heeft gedaan, heeft ze echter de debiteuren op 27 september 2013 al aangeschreven. Dat noodzaakte de gemeente om direct in te grijpen. De debiteuren waren immers nog niet geïnformeerd over de uitbesteding aan een incassobureau, en bovendien werden in de brief ten onrechte verschillende (incasso)kosten van de debiteuren gevorderd.

12.2.

Op dat moment gingen er twee trajecten door elkaar lopen: enerzijds stond nog niet vast dat partijen verder zouden gaan met elkaar (immers: [eiseres] moest nog een voorstel over haar tarief doen zodat al dan niet nadere afspraken gemaakt konden worden, danwel opnieuw aanbesteed moest worden), terwijl anderzijds de incasso al was gestart.

12.3.

De gemeente is op deze wijze in zekere zin voor het blok gezet. Ze moest haast wel door met [eiseres] , terwijl er nog geen afspraken waren gemaakt over de tarieven. Direct daarna komt [eiseres] met haar standaardtarief van 15%. Dat de gemeente daar nooit mee zou kunnen instemmen, was [eiseres] bekend: dat zou de hele aanbesteding overbodig hebben gemaakt, het zou in strijd komen met de belangen van de andere inschrijvers en daarmee in strijd met de regels voor aanbestedingen.

12.4.

[eiseres] had direct moeten zeggen voor welk tarief zij 285 dossiers wilde behandelen toen dat aantal bekend was. Door dat niet te doen, maar integendeel al vast te starten met de werkzaamheden, bovendien op een wijze die in strijd was met de aanbesteding (namelijk door kosten in rekening te brengen bij de cliënten) heeft ze er ook zelf voor gezorgd dat de discussie ontstond en voortging terwijl partijen geen overeenstemming meer konden bereiken. Dat alles met de mogelijkheid van schade tot gevolg.

12.5.

Anderzijds heeft ook de gemeente de kwestie te lang laten doorwoekeren. Toen bekend was dat er slechts 285 dossiers waren, had ze op dat moment de opdracht al opnieuw kunnen aanbesteden. In elk geval had ze dat moeten doen toen duidelijk werd dat [eiseres] haar standaardtarief van 15% wilden hanteren.

12.6.

De “eigen schuld” van [eiseres] betekent dus niet dat de vergoedingsplicht geheel vervalt. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat beide partijen voor 50% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

13. Voor wat betreft de hoogte van de schade overweegt de rechtbank het volgende. [eiseres] heeft verwijzing naar de schadestaatprocedure gevraagd, dus beoordeeld dient te worden of de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

13.1.

Als schadecomponent heeft [eiseres] allereerst de kosten voor het aanbestedingstraject genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking omdat [eiseres] deze ook zou hebben gemaakt als de opdracht niet aan haar was gegund, en ook dan zouden ze niet zijn vergoed (paragraaf 2.6.1 van het Bestek). Er bestaat geen causaal verband tussen het handelen van de gemeente en deze kosten.

13.2.

Daarnaast stelt [eiseres] kantoor- en menscapaciteit beschikbaar te hebben gemaakt en aangetrokken.

De rechtbank overweegt dat [eiseres] , zoals de gemeente terecht heeft aangevoerd, in het geheel niet heeft onderbouwd waar deze kosten c.q. deze schade uit bestaat, hoewel daar na de conclusie van antwoord wel gelegenheid voor was. Voor de beoordeling of de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt, kan de rechtbank daar geen rekening mee houden.

13.3.

Tot slot voert [eiseres] aan dat zij omzetschade heeft geleden. Van het oorspronkelijke openstaande bedrag van circa € 7.000.000,00 zou zij 70% hebben geïncasseerd, derhalve 4.900.000,00. 7,5% provisie daarover zou € 367.000,00 hebben opgeleverd. Bij nadere berekening komt [eiseres] op € 308.274,00.3

Daarnaast zou [eiseres] ook alle ambtelijke opdrachten mogen verrichten die samenhingen met de portefeuille. Voor deze aanvullende omzet had [eiseres] een bedrag van € 200.000,00 gecalculeerd. De totale omzetschade berekent [eiseres] in haar dagvaarding aldus op € 567.500,00.

13.3.1.

De gemeente heeft aangevoerd dat [eiseres] zeker geen 70% van € 6.932.063,00 zou hebben geïncasseerd. Er was sprake van zeer moeilijk inbare schulden (deelbestanden oranje en rood). Het “incalculeren” van € 200.000,00 voor aanvullende omzet, mist elke onderbouwing. Bovendien betwist de gemeente uitdrukkelijk dat [eiseres] op grond van de overeenkomst ook alle ambtelijke opdrachten zou mogen verrichten die samenhangen met de portefeuille. Slechts in voorkomende gevallen zou er overdracht aan een (gelieerde) gerechtsdeurwaarder plaatsvinden, zo blijkt uit paragraaf 1.2.1 van het Bestek.

13.3.2.

De rechtbank overweegt dat vooralsnog niet aangetoond is dat [eiseres] 70% van het uitstaande bedrag zou hebben geïncasseerd. Aan de door [eiseres] overgelegde voorbeelden kleven daarvoor teveel haken en ogen, zoals de gemeente in de conclusie van antwoord uiteen heeft gezet. Duidelijk mag echter zijn dat [eiseres] wel enige winst zou maken, anders zou ze niet hebben ingeschreven op de opdracht. Ook de gemeente zelf heeft aan de opdracht een opdrachtwaarde verbonden.4

13.3.3.

Zijdens de gemeente is ter comparitie verklaard dat zij in voorkomende gevallen een dossier aan een deurwaarder zou overdragen, maar zeker niet in alle. Terecht heeft de gemeente aangevoerd dat de gestelde € 200.000,00 in het geheel niet is onderbouwd. De rechtbank kan daar geen rekening mee houden voor de vraag of de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Op grond van hetgeen in de vorige alinea (r.o. 13.3.2) is overwogen, is een verwijzing naar de schadestaatprocedure echter wel mogelijk, zodat die vordering zal worden toegewezen.

14. Naast een verwijzing naar de schadestaatprocedure, heeft [eiseres] een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van € 250.000,00.

Gelet op al hetgeen hiervoor (r.o. 13) is overwogen, kan de rechtbank bij wijze van voorschot slechts een klein deel van het gevorderde toekennen. De rechtbank komt alles afwegende tot toekenning van een voorschot van € 50.000,00, te verminderen met 50% vanwege “eigen schuld” (r.o. 12) zodat resteert € 25.000,00.

15. Nu beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te verdelen, in die zin dat elke partij zijn of haar eigen proceskosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden in verband met de ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 12 augustus 2013.

II. Veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiseres] van een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 25.000,00 (zegge: vijfentwintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot en met de dag der algehele voldoening.

III. Veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiseres] van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

IV. Compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elke partij zijn of haar eigen proceskosten draagt.

V. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Bottenberg – van Ommeren, Hangelbroek en Louter en is op 23 september 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Productie D bij conclusie van antwoord

2 Productie 7 bij dagvaarding

3 Productie 16 van [eiseres] .

4 Productie 16 van [eiseres] , laatste pagina