Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:4263

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
08/730319-15 en 08/730302-15 (gev. ttz.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een relatief kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn moeder en verduistering van haar Iphone.

Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest passend en geboden, waarbij de rechtbank ervan uit gaat dat het voorwaardelijk strafdeel voldoende is om verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/730319-15 en 08/730302-15 (gev. ttz.)

Datum vonnis: 1 september 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Overijssel,

Huis van Bewaring Karelskamp in Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Nu de afzonderlijk tegen verdachte aangebrachte strafzaken onder de parketnummers 08/730319-15 en 08/730302-15 op de terechtzitting van heden zijn gevoegd, zal de rechtbank de feiten doornummeren als ware zij tenlastegelegd op één dagvaarding.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod heeft overtreden;

feit 2: tegenover een medewerker van Reclassering Nederland, zijn familie heeft bedreigd;

feit 3: zijn moeder heeft mishandeld;

feit 4: een telefoon heeft verduisterd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op of omstreeks 16 mei 2015 en/of 17 mei 2015 te Almelo en/of te Hengelo (O), in elk geval in Nederland, in strijd met dat meermalen, althans eenmaal (telefonisch) contact heeft opgenomen met één of meer van de in dat huisverbod genoemde personen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2015 tot en met 20 mei 2015 te Borne en/of te Hengelo (O), in elk geval in Nederland, [slachtoffer] en/of één of meer van haar familieleden, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een persoon genaamd [medewerker Reclassering] (mederwerker Reclassering Nederland) dreigend de woorden toegevoegd: "Wat zijn dat voor mensen? Ik kan ze dood als ik ze tegenkom, ik zweer het" en/of "als ik nu een pistool had gingen ze eraan, mijn vader ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke dreigende woorden voormelde [slachtoffer] in voormelde periode hebben bereikt;

3.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), zijn moeder, althans een persoon genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen haar arm(en) te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] bij haar keel/hals vast te pakken en/of (vervolgens) krachtig vast te houden en/of (aldus) haar keel/hals heeft dichtgeknepen en/of het ademen heeft bemoeilijkt;

4.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), opzettelijk een Iphone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke telefoon verdachte voor tijdelijk gebruik en/of (aldus) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met verdachtes moeder, broer, zus en hun partners en onmiddellijke uitvoerbaarheid daarvan. Ook dient aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uur te worden opgelegd, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

5.1.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging of dat artikel 9a Wetboek van Strafrecht moet worden toegepast. Op het moment dat verdachte in bewaring werd gesteld, had het tijdelijk huisverbod immers moeten worden ingetrokken.

5.1.2.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de wetgever met de Wet Tijdelijk Huisverbod heeft beoogd fysiek geweld in huiselijke kring tegen partners, kinderen of ouders terug te dringen.

Aan verdachte is een tijdelijk huisverbod opgelegd inhoudende dat hij gedurende 10 dagen zijn ouderlijke woning niet mag betreden en ook inhoudende dat hij niet zelfstandig contact mag opnemen met zijn moeder, broer en zus. De rechtbank stelt vast dat deze allen meerderjarige personen niet gevraagd is of zij een verbod op het opnemen van contact anders door aan huis te komen, op prijs zouden stellen. Zijn moeder lijkt althans gelet op haar antwoord de vraag wat zij ervan vindt niet te hebben begrepen en de broer en zus is helemaal niets gevraagd. Ook blijkt nergens uit dat verdachte tot dat moment zijn familieleden per telefoon bedreigt of lastig valt. Gelet op de familierechtelijke band tussen de verdachte en de genoemde personen en gelet op het onder artikel 8 EVRM beschermde recht op ongestoord gezinsleven tenzij de inperking daarvan noodzakelijk is, moet geoordeeld worden dat deze noodzaak de rechtbank niet voldoende is gebleken en de procedure ook onzorgvuldig is geweest. Daarom moet worden geoordeeld dat het huisverbod voor zover het ook ziet op het per telefoon contact opnemen met zijn familieleden in strijd is met artikel 8 EVRM en onverbindend is.

Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

5.2

Feit 2

5.2.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde nu uit het dossier is gebleken dat verdachte de bedreiging heeft geuit tegen een medewerkster van de reclassering en niet tegen aangeefster zelf. Hierdoor kan niet worden gezegd dat er sprake was van een redelijke vrees bij aangeefster, om welke reden vrijspraak zou moeten volgen. Bovendien valt op dat de reclasseringsmedewerkster later is gehoord dan aangeefster zelf.

5.2.2.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met de overweging dat een bedreiging rechtstreeks tot de bedreigde gericht kan zijn, maar dat dit ook op een indirecte manier kan gebeuren. Volgens vaste jurisprudentie is in een dergelijk geval voorwaardelijk opzet voldoende. De verklaring van aangeefster over wat er is gebeurd wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Hij verklaart dat hij tegen de reclasseringsmedewerkster heeft gezegd “wat zijn dat voor mensen? Ik knal ze dood als ik ze tegen kom, ik zweer het. Als ik nu een pistool had gingen ze eraan”. Verdachte heeft , gelet op de inhoud van de gebezigde bedreiging, de wijze waarop deze is geuit en de persoon tegenover wie deze is geuit, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreiging bij aangeefster terecht zou komen. De bedreiging kon, gelet op de aard en de context waarin deze is geuit, te weten de mishandeling van aangeefster door verdachte twee dagen daarvoor, bij aangeefster de redelijke vrees doen ontstaan dat verdachte zijn bedreiging ook daadwerkelijk zou uitvoeren. Dat aangeefster eerder zou zijn gehoord dan de reclasseringsmedewerkster maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

5.3

Feit 3

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij feit 3 bekend. De raadsman heeft zich ter zake dit feit gerefereerd. Verdachte is daarom een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zodat volstaan wordt met een opgave van de bewijsmiddelen. Gelet op het aanvullende bewijsmateriaal in de vorm van een proces-verbaal van aangifte, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

5.4

Feit 4

5.4.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte weliswaar het bezit heeft gehad van de Iphone van zijn moeder, maar het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft ontbroken waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

5.4.2.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Volgens vaste rechtspraak is van wederrechtelijk toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte heeft verklaart dat hij de Iphone van zijn moeder in bezit heeft gehad en hij geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek de telefoon terug te geven maar in plaats daarvan het huis ermee heeft verlaten, volgt dat verdachte door dit niet te doen, als heer en meester over die Iphone is gaan beschikken en zich deze heeft toe geëigend. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. Gelet hierop kan het ten laste gelegde onder 4 wettig en overtuigend bewezen worden.

5.5

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte 1 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 13 mei 2015 tot en met 20 mei 2015 te Borne en te Hengelo (O),

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een persoon genaamd [medewerker Reclassering] (medewerker Reclassering Nederland) dreigend de woorden toegevoegd: "Wat zijn dat voor mensen? Ik knal ze dood als ik ze tegenkom, ik zweer het" en "als ik nu een pistool had gingen ze eraan, welke dreigende woorden voormelde [slachtoffer] in voormelde periode hebben bereikt;

3.

hij op 11 mei 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), zijn moeder, genaamd

[slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, telkens met kracht tegen haar arm te slaan en/of te stompen en die [slachtoffer] bij haar keel/hals vast te pakken en vervolgens krachtig vast te houden en aldus haar keel/hals heeft dichtgeknepen en het ademen heeft bemoeilijkt;

4.

hij op 11 mei 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),opzettelijk een Iphone, toebehorende aan [slachtoffer] en welke telefoon verdachte voor tijdelijk gebruik en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toe geëigend.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285, 300, 304 en 321 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3

het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

feit 4

het misdrijf: verduistering.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich in een relatief kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn moeder en verduistering van haar Iphone. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen emotionele schade bij zijn naaste familieleden veroorzaakt, ook heeft hij door het plegen van dergelijke feiten blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van zijn moeder. De rechtbank rekent hem dit aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 26 mei 2015.

Ook heeft de rechtbank bij de straftoemeting gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 juli 2015 waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan bedreiging of geweld in huiselijke kring.

Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest passend en geboden, waarbij de rechtbank ervan uit gaat dat het voorwaardelijk strafdeel voldoende is om verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

91 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3

het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

feit 4

het misdrijf: verduistering;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. H. Stam en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op

1 september 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Parketnummer 08/730319-15

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Midden met nummer PL0600-2014239766. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 2

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte:

Vraag rechter: klopt het dat u gezegd heeft “ik knal ze dood als ik ze tegenkom, ik zweer het. Als ik nu een pistool had gingen ze eraan”?

Ja, dat klopt, ik heb dat gezegd.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige (p. 6-7), voor zover inhoudende, als verklaring van getuige [medewerker Reclassering] :

Op woensdag 13 mei 2015 was ik als medewerker van de Reclassering aanwezig op het Politie Arrestanten Team in Borne. Ik was hier om in gesprek te gaan met [verdachte] . (…) Ik vertelde hem op een gegeven moment dat hij niet meer bij zijn moeder thuis mocht komen. [verdachte] begreep dit en ik hoorde hem zeggen dat hij dan naar de woning van zijn oma zou gaan om daar te verblijven. (…) Ik vertelde hem dat hij ook het huis van zijn oma niet in mocht op het moment dat zij niet thuis was. (…) Ik hoorde hem zeggen: “Wat zijn dat voor mensen? Ik knal ze dood als ik ze tegenkom, ik zweer het. Als ik nu een pistool had gingen ze eraan”. Daarop ga ik aan dat ik het hem nog zag doen ook waarop hij antwoordde: “Daar ga ook maar wel van uit ja, ik zweer het”.

Parketnummer 08/730302-15

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2015228680, pagina 1 t/m 51. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 3

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

4. Het proces-verbaal van aangifte van 12 mei 2015 (p. 4-6), voor zover inhoudende, de aangifte van aangeefster [slachtoffer] .

Feit 4

5. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 augustus 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ja, ik ben weggegaan met de Iphone S5 van mijn moeder. Het klopt dat zij haar telefoon terug wilde en ik deze niet aan haar heb teruggegeven.

6. Het proces-verbaal aangifte (p. 4-6), voor zover inhoudende, als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Op maandag 11 mei 2015 was ik thuis aan de [adres] in [woonplaats] . Ik was in de woning samen met mijn zoon [verdachte] , mijn dochter [naam] en de vriend van [naam] . (…) Ik zei toen tegen [verdachte] dat ik mijn telefoon terug wilde, hier reageerde hij niet op en hij liep via de voordeur naar buiten met mijn telefoon. Dit betreft een witte iphone 4.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige (p. 15-16), voor zover inhoudende, als verklaring van getuige [getuige] :

Gisteren, 11 mei 2015, was ik in de woning van mijn vriendin. Ze woont samen met haar moeder en twee broers aan de [adres] in [woonplaats] . Ik hoorde dat mijn schoonmoeder riep:”je brengt mijn telefoon terug of anders doe ik aangifte”. Ik zag dat [verdachte] nog voor het huis stond op ongeveer 2 à 3 meter van de voordeur. Ik zag dat [verdachte] als reactie op de woorden van mijn schoonmoeder zijn middelvinger opstak en weg liep.