Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:418

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
08/710017-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:3474, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel veroordeelt een 29-jarige man uit Hengelo tot een gevangenisstraf van acht jaar plus TBS met dwangverpleging. De rechtbank acht bewezen dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn vriendin. Hij heeft zeer heftig geweld op haar uitgeoefend terwijl zij onder invloed was van cocaïne, THC en alcohol. Kort daarna overleed de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/710017-14

Datum vonnis: 28 januari 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Almelo locatie Karelskamp in Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 december 2014, 15 december 2014 en 14 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Zwartjes en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen ter terechtzitting van

1 december 2014 door de deskundigen, dr. B. Kubat, als patholoog verbonden aan het NFI, dr. K.J. Lusthof, als toxicoloog verbonden aan het NFI, dr. F.R.M. van de Goot, als patholoog verbonden aan het TMFI en dr. E.J.M. Pennings, als toxicoloog verbonden aan het TMFI, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

(A) zijn levensgezel heeft gedood dan wel (B) heeft geprobeerd zijn levensgezel te doden dan wel (C) zijn levensgezel zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht waardoor zij is overleden dan wel (D) heeft geprobeerd zijn levensgezel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen waardoor zij is overleden dan wel zijn levensgezel heeft mishandeld;

feit 2:

zijn levensgezel heeft gedood door niet tijdig medische hulp in te schakelen dan wel dat het de schuld van verdachte is dat zijn levensgezel is overleden nu hij niet tijdig medische hulp heeft ingeschakeld;

feit 3:

seksuele handelingen heeft verricht met zijn levensgezel terwijl zij bewusteloos of verminderd bij bewustzijn was;

feit 4:

een hoeveelheid cocaïne heeft verstrekt;

feit 5:

gedurende een periode meermalen heeft geprobeerd om zijn levensgezel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel gedurende een periode meermalen zijn levensgezel heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

Feit 1:

(A)

hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O),

opzettelijk zijn levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door (terwijl hij

wist dat zij onder invloed was van (een grote hoeveelheid) cocaïne en/of alcohol en/of

THC):

- (één of meermalen) samendrukkend(e) geweld/krachten uit te oefenen en/of te

blijven uitoefenen op de hals van die [slachtoffer] en/of

- (één of meermalen) (langdurig en/of met kracht) op die [slachtoffer] te gaan zitten

en/of te blijven zitten en/of (langdurig) bovenop haar te blijven liggen, waardoor de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] werd(en) belemmerd, althans anderszins de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] te belemmeren en/of

- (één of meermalen)met kracht die [slachtoffer] te bijten en/of te slaan en/of te stompen

en/of te schoppen en/of te duwen in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en/of haar met kracht aan haar haren te trekken, althans anderszins (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

(B)

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn levensgezel

[slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet (terwij1 hij wist dat zij onder

invloed was van (een grote hoeveelheid) cocaïne en/of alcohol en/of THC):

- (één of meermalen) samendrukkend(e) geweld/krachten heeft uitgeoefend en/of is blijven uitoefenen op de hals van die [slachtoffer] en/of

- (één of meermalen) (langdurig en/of met kracht) op die [slachtoffer] is gaan zitten en/of is blijven zitten en/of (langdurig) bovenop haar is blijven liggen, waardoor de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] werd(en) belemmerd, althans anderszins de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] heeft belemmerd en/of

- die [slachtoffer] (één of meermalen) met kracht heeft gebeten en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en/of haar met kracht aan haar haren heeft getrokken, althans anderszins (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

(C)

hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O), aan

zijn levensgezel [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een

combinatie van):

- een gebroken rib en/of

- longoedeem en/of

- afplatting van de hersenwindingen en/of

- zuurstof tekort in de hersenen en/of

- één of meer bloeduitstortingen in/op

o het gelaat en/of

o de hoofdhuid en/of

o de hals en/of

o de borst en/of

o de arm(en) en/of

o de be(e)n(en) en/of

o de spieren van de voorste rompwand en/of

o de spieren van de bovenrug en/of

o de onderhuidse wekedelen van de bovenrug en/of

o de spieren naast de wervelkolom en/of

o de spieren in de omgeving van het strottenhoofd en/of

o de weke delen tussen de slokdarm en de halswervelkolom en/of

o de spieren in de mondbodem en/of

o de tongspier en/of

o de bindvliezen van de ogen en/of

o het hartoppervlak

heeft toegebracht, immers heeft/is hij opzettelijk (terwijl hij wist dat zij onder invloed

was van (een grote hoeveelheid) cocaïne en/of alcohol en/of THC):

- (één of meermalen) samendrukkend(e) geweld/krachten uitgeoefend en/of blijven uitoefenen op de hals van die [slachtoffer] en/of

- (één of meermalen) (langdurig en/of met kracht) op die [slachtoffer] gaan zitten en/of blijven zitten en/of (langdurig) bovenop haar te blijven liggen, waardoor de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] werd(en) belemmerd, althans anderszins de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] belemmerd en/of

- die [slachtoffer] (één of meermalen) met kracht gebeten en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en/of haar met kracht aan haar haren getrokken, althans anderszins (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] uitgeoefend,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

(D)

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwij1 hij wist dat zij onder invloed was van (een grote hoeveelheid) cocaïne en/of alcohol en/of

THC):

- (één of meermalen) samendrukkend(e) geweld/krachten heeft uitgeoefend en/of is blijven uitoefenen op de hals van die [slachtoffer] en/of

- (één of meermalen) (langdurig en/of met kracht) op die [slachtoffer] is gaan zitten en/of is blijven zitten en/of (langdurig) bovenop haar is blijven liggen, waardoor de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] werd(en) belemmerd, althans anderszins de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] heeft belemmerd en/of

- die [slachtoffer] (één of meermalen) met kracht heeft gebeten en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en/of haar met kracht aan haar haren heeft getrokken, althans anderszins (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk

mishandelend :

- (één of meermalen) samendrukkend(e) geweld/krachten heeft uitgeoefend en/of is blijven uitoefenen op de hals van [slachtoffer] (zijn levensgezel) en/of

- (één of meermalen) (langdurig en/of met kracht) op die [slachtoffer] is gaan zitten en/of is blijven zitten en/of (langdurig) bovenop haar is blijven liggen, waardoor de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] werd(en) belemmerd, althans anderszins de beweging(en) van de borstkas/romp van die [slachtoffer] heeft belemmerd en/of

- die [slachtoffer] (één of meermalen) met kracht heeft gebeten en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en/of haar met kracht aan haar haren heeft getrokken, althans anderszins (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

(terwijl hij wist dat zij onder invloed was van (een grote hoeveelheid) cocaïne en/of alcohol en/of THC),

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad, althans welk feit pijn en/of letsel bij die

[slachtoffer] tot gevolg heeft gehad;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk zijn

levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door in of omstreeks de periode

van 6.00 uur tot 16.24 uur op die dag, althans meerdere (aaneensluitende) uren op die dag

na te laten noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor [slachtoffer] in te schakelen,

terwijl hij, verdachte, wist en/of had waargenomen dat:

- (kort) voordien [slachtoffer] meermalen cocaïne tot zich had genomen (een grotere hoeveelheid dan voor haar gebruikelijk was) en/of

- (kort) voordien op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] meermalen (met kracht) (fysiek) geweld was toegepast en/of

- [slachtoffer] slap aanvoelde en/of

- [slachtoffer] blauwe lippen had en/of

- haar hand(en) hard/stijf aanvoelde(n) en/of

- [slachtoffer] niet meer leek te ademen, althans nauwelijks ademde en/of

- [slachtoffer] niet/nauwelijks reageerde op schudden en/of oppakken en/of op seksueel

contact.

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O) roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of

nalatig in of omstreeks de periode van 6.00 uur tot 16.24 uur op die dag, althans meerdere

(aaneensluitende) uren op die dag geen noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor

[slachtoffer] heeft ingeschakeld, terwij1 hij, verdachte, (kort voordien) (meermalen)

cocaïne voor die [slachtoffer] had bereid/klaar gelegd (een grotere hoeveelheid dan voor haar

gebruikelijk was) en/of hij wist dat zij deze cocaïne had ingenomen en/of hij, verdachte,

wist en/of had waargenomen dat:

- (kort) voordien op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] meermalen (met kracht) (fysiek) geweld was toegepast en/of

- [slachtoffer] slap aanvoelde en/of

- [slachtoffer] blauwe lippen had en/of

- haar hand(en) hard/stijf aanvoelde(n) en/of

- [slachtoffer] niet meer leek te ademen, althans nauwelijks ademde en/of

- [slachtoffer] niet/nauwelijks reageerde op schudden en/of oppakken en/of op seksueel

contact.

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat verdachte is komen te overlijden.

Feit 3

Hij op of omstreeks 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O) met [slachtoffer], van

wie hij, verdachte, wist dat zij in staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn

verkeerde een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende

verdachte:

- met zijn hand haar vagina aangeraakt en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht.

Feit 4

Hij in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 23 januari 2014, althans

in of omstreeks de periode van 22 januari 2014 tot en met 23 januari 2014, in de

gemeente Hengelo heeft verstrekt en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als opgenomen in lijst I van de Opiumwet.

Feit 5

Hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 22 januari 2014 in de gemeente

Hengelo (O) één of meermalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, (telkens) met dat opzet:

- samendrukkend(e) geweld/krachten heeft uitgeoefend en/of is blijven uitoefenen op de hals van die [slachtoffer] en/of

- met een (hard) kussen op het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- (meermalen) met kracht die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar hoofd en/of tegen haar lichaam en/of

- haar met kracht aan haar haren heeft getrokken,

althans (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover het vorenstaande niet bewezen kan worden,

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 22 januari 2014 in de gemeente

Hengelo (O) één of meermalen opzettelijk mishandelend:

- samendrukkend(e) geweld/krachten heeft uitgeoefend en/of is blijven uitoefenen op de hals van zijn levensgezel [slachtoffer] en/of

- met een (hard) kussen op het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- (meermalen) met kracht die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd in haar gezicht en/of tegen haar hoofd en/of tegen haar lichaam en/of

- haar met kracht aan haar haren heeft getrokken,

althans (fysiek) geweld op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

welk feit pijn en/of letsel bij die [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake feit 1 A, feit 4 en feit 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest, en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen aan verdachte worden geretourneerd en dat de forensische sporen bewaard blijven.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan:

  • -

    verdachte en [slachtoffer] hebben op 24 december 2013 en op 23 januari 2014 ruzie gehad in de woning aan de [adres] in Hengelo (O);

  • -

    verdachte en [slachtoffer] waren op 23 januari 2014 onder invloed van cocaïne, weed en alcohol;

  • -

    verdachte heeft [slachtoffer] tijdens de ruzie op 23 januari 2014 gebeten, tegen de bank aan geduwd, met zijn knieën op haar armen gezeten en aan haar haren getrokken;

  • -

    [slachtoffer] heeft op 23 januari 2014 diverse letsels opgelopen (zie nader te bespreken deskundigenrapport van dr. Kubat);

  • -

    verdachte heeft op 23 januari 2014 tussen 08.27 uur en 10.02 uur op een mobiele telefoon via internet diverse google-zoekslagen uitgevoerd waaronder de termen ‘ademt niet’ en ‘blauwe lippen’;

  • -

    verdachte heeft op 23 januari 2014 zijn werkgever een tekstbericht gestuurd om 08.53 uur inhoudende: ‘Ben op ziekenhuis met vriendin, gaat niet goed, [verdachte]’;

  • -

    verdachte heeft op 23 januari 2014 [slachtoffer] na de zoekslagen op internet naar de slaapkamer gebracht;

  • -

    verdachte heeft op 23 januari 2014 in de slaapkamer seks met [slachtoffer] gehad en verdachte is daarna in slaap gevallen;

  • -

    verdachte heeft [slachtoffer] onder de douche gezet, nadat hij op 23 januari 2014 weer wakker was geworden;

  • -

    verdachte heeft op 23 januari 2014 om 16.25 uur met het alarmnummer 112 gebeld;

  • -

    [slachtoffer] is op 23 januari 2014 overleden.

5.2

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder 1 A tenlastegelegde doodslag kan worden bewezen.

Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaring van de deskundige

dr. Van de Goot is af te leiden dat sprake is geweest van herhaaldelijk zeer heftig geweld op het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] met een dermate magnitude dat hiervan redelijkerwijs verwacht mocht worden dat dit voor ernstig letsel en zelfs het intreden van de dood verantwoordelijk kon worden gehouden, welk standpunt door dr. Kubat is onderschreven. Op basis van de deskundigenverklaringen en de verklaring van verdachte dat hij uit ervaringen in het verleden wist dat hij agressief wordt van alcohol en cocaïne, als ook dat hij op kerstavond meermalen heeft aangegeven dat hij [slachtoffer] dood wilde maken - hetgeen zijn extreme woede weergeeft op een dergelijk moment – en nu hij wist dat [slachtoffer] onder invloed van sterke cocaïne verkeerde wat haar lichaam kon verzwakken, is volgens de officier van justitie bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer].

Voorts heeft de officier van justitie op basis van de jurisprudentie van de redelijke toerekening volgend uit het HIV-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:20122:BT6362) gesteld dat de gedragingen van verdachte een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg, te weten de dood van [slachtoffer], hebben geleid. Ook heeft de officier van justitie gesteld dat aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt, nu het op [slachtoffer] toegepaste geweld naar haar aard geschikt is om de dood te weeg te brengen, dit geweld naar ervaringsregels van dien aard is dat dit het vermoeden wettigt dat dit heeft geleid tot het intreden van de dood en dat het alternatieve scenario (intoxicatie) hoogst waarschijnlijk niet op zichzelf tot de dood heeft geleid.

Concluderend heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] en dat de dood in voldoende causaal verband staat met het door verdachte toegepaste geweld en dat daarmee de onder 1 A tenlastegelegde doodslag kan worden bewezen. De officier van justitie acht alle gedachtestreepjes bewezen, nu al het door verdachte toegepaste geweld van invloed is geweest op de mate waarin het hart van [slachtoffer] moest werken en de zuurstofbehoefte van [slachtoffer].

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 A tenlastegelegde betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad om [slachtoffer] te doden. De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake was van voorwaardelijk opzet, nu beiden onder invloed waren van vrijwillig ingenomen middelen en er bij de vervolgens ontstane ruzie over en weer is gevochten waarbij beiden een actieve rol vervulden. Naar de mening van de raadsman kan slechts van voorwaardelijk opzet worden gesproken als er sprake zou zijn van eenzijdig door verdachte uitgeoefend geweld. Verdachte heeft tijdens de ruzie ook verwondingen opgelopen. Over de in de tenlastelegging genoemde elementen ‘samendrukkend geweld op de hals’ en ‘het zitten of liggen op het lichaam, mechanische asfyxie’ en de overige benoemde verwondingen is door de deskundigen geen eenduidigheid gegeven over de vraag of deze verwondingen tot de dood hebben geleid. De raadsman heeft gesteld dat pas tot een bewezenverklaring van doodslag kan worden gekomen als geconcludeerd wordt dat de geweldshandelingen de doodsoorzaak zijn en niet dat deze de doodsoorzaak kunnen zijn. Met betrekking tot de mogelijkheid van een combinatie van cocaïne en het uitgeoefende geweld heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte, hoewel hij wist dat [slachtoffer] onder invloed was, [slachtoffer] niet opzettelijk is gaan mishandelen zodat hij niet opzettelijk haar dood heeft veroorzaakt. De opzet daartoe, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt.

Met betrekking tot het onder 1 B tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de deskundigen over de inwerking van het geweld geen eenduidige conclusie hebben gegeven, zodat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van een poging doodslag. Indien de rechtbank de conclusies van deskundige Van de Goot volgt, kan het onder 1 B tenlastegelegde wel worden bewezen.

De raadsman heeft gesteld dat het onder 1 C tenlastegelegde niet kan worden bewezen nu het lichamelijk letsel op zichzelf door de deskundigen onvoldoende is geacht om de dood te veroorzaken.

Over het onder 1 D tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat indien de rechtbank deskundige Van de Goot in zijn conclusies volgt, de subsidiaire variant van mishandeling kan worden bewezen, met uitzondering van het bestanddeel de dood ten gevolge hebbende nu daarover onvoldoende duidelijkheid bestaat.

De bevindingen van de deskundigen

Verklaring deskundige dr. B. Kubat, patholoog:

Op het lichaam van het slachtoffer is door dr. B. Kubat, als patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sectie verricht. In het naar aanleiding van de sectie opgestelde rapport van 17 maart 2014 worden, voor zover hier relevant, de volgende conclusies verwoord.

Dr. Kubat heeft, voor zover hier relevant, het navolgende bij het slachtoffer geconstateerd:

  1. in het gelaat beiderzijds uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging, verschillend grote, streepvormige, tot in het onderhuidse weefsel reikende huidbeschadigingen achter beide oren (huidscheuren) met omgevende bloeduitstortingen en uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen in grote delen van de hoofdhuid (rechts meer dan links);

  2. kleine oppervlakkige huidbeschadiging met aansluitende kleine blauwe onderhuidse bloeduitstorting links in de hals;

  3. uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen aan de voor-/bovenzijde van de borst;

  4. deels zeer uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging aan beide armen;

  5. aan de binnenzijde van de linkeronderarm oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging en omgevende onderhuidse bloeduitstorting gelegen in een circulair patroon (diameter circa 4 cm);

  6. talrijke paarse tot blauwe bloeduitstortingen aan de voor-/binnen-/ en buitenzijde van de benen;

  7. kleine bloeduitstortingen in de spieren van de voorste rompwand beiderzijds;

  8. zeer talrijke bloeduitstortingen in de spieren en onderhuidse weke delen van het bovenste gedeelte van de rug beiderzijds en een bloeduitstorting in de spieren naast de wervelkolom links laag in de rug;

  9. kleine bloeduitstortingen in de oppervlakkige spieren rechts op het niveau van het strottenhoofd en diepe spieren gelegen op het linkerschild van het strottenhoofd, kleine bloeduitstorting in de weke delen tussen de slokdarm en de halswervelkolom;

  10. bloeduitstortingen in de spieren van de mondbodem beiderzijds en in de tongspier rechtszijwaarts;

  11. abnormale bewegelijkheid van het tongbeen berustend op een gewricht, geen letsels van het elastische strottenhoofd;

  12. enkele stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de ogen en op het hartoppervlak;

  13. breuk van de 2e rib links met omgevende bloeduitstorting;

  14. abnormale bewegelijkheid van de onderkaak na uitname van de halsorganen (oropharynx);

  15. te zware longen (gewicht samen 1120 gram, normaal circa 750-850 gram) met tekenen van vochtophoping (longoedeem);

  16. afgeplatte hersenwindingen en discrete tekenen van zuurstoftekort in de hersenen.

In het rapport worden samenvattend en voor zover hier relevant de volgende conclusies verwoord.

Bij de sectie werden zeer veel en deels uitgebreide, recente uitwendige (1 t/m 4, 6) en inwendige (7, 8 en 13) letsels gezien, welke het gevolg zijn van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld (zich) stoten, slaan, schoppen of stevig vastpakken. De letsels waren talrijk maar niet dusdanig ernstig dat zij op zich het overlijden kunnen verklaren of daaraan direct kunnen hebben bijgedragen.

De abnormale bewegelijkheid van de onderkaak (14) kan passen bij ontwrichting van de kaak ten gevolge van inwerking van botsend geweld of bij zeer losse banden van het kaakgewricht.

Het letsel aan de binnenzijde van de linkeronderarm (5) was het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch tamelijk scherprandig geweld en kan zijn veroorzaakt door bijten.

De bloeduitstortingen in de halsspieren (9) en de mondbodem (10) kunnen zijn veroorzaakt door inwerking van botsend geweld of door samendrukkend geweld op de hals. De abnormale bewegelijkheid van het tongbeen (11) berust op de aanleg van een extra gewricht.

Indien er sprake was van samendrukkend geweld op de hals dan kan dit geweld aan het overlijden hebben bijgedragen, of het overlijden verklaren, door verstikking en daardoor opgetreden weefselschade. Ook het belemmeren van de bewegingen van de borstkas door bijvoorbeeld op de borstkas zitten, kan leiden tot verstikking en kan bijdragen aan het overlijden of leiden tot het overlijden (mechanische asfyxie). De stipvormige bloeduitstortingen (12) passen bij verstikking, die echter ook in het kader van het falen van de ademhaling bij bijvoorbeeld intoxicaties kan optreden.

Het longoedeem (15) was ontstaan ten gevolge van de intoxicatie al dan niet in combinatie met verstikking. De afgeplatte hersenwindingen (16) wijzen op hersenzwelling en herseninklemming, opgetreden in het kader van het proces van overlijden.

Kubat heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard door een intoxicatie met cocaïne, verstikking of een combinatie van deze twee factoren. Verstikking kan zijn opgetreden door samendrukkend geweld op de hals (wurghandeling), op de romp (mechanische asfyxie) of een combinatie van deze twee.

Ter zitting van 1 december 2014 heeft Kubat in aanvulling op voormeld rapport geconcludeerd dat er een redelijk verse beschadiging van de hartspier is geconstateerd. Zij heeft de conclusie van dr. Van de Goot, inhoudende dat in de vaten bij de hartspier een toename van granulocyten is aangetroffen, dat dit ontstekingsinfiltraat pas zichtbaar wordt wanneer de beschadiging al een uur of enkele uren aanwezig is en dat het slachtoffer aan hartspierweefselversterf is overleden, onderschreven. Kubat heeft verklaard dat er herhaaldelijk, multiple en excessief geweld heeft ingewerkt op het lichaam en het hoofd van het slachtoffer. Het botsende geweld is op zich niet dodelijk. In hoeverre samendrukkend geweld op de hals dodelijk is, hangt af van de duur van het samendrukken van de hals, maar dit kan op zich dodelijk zijn. De hoeveelheid ingenomen cocaïne kan ook dodelijk zijn. Door de inname van cocaïne is het risico op overlijden ten gevolge van verwurging dan wel asfyxie verhoogd. Er waren veel factoren, geweld, stress, de inname van drugs en het geweld op de hals, die allemaal een rol hebben gespeeld. Volgens Kubat gaat het om een combinatie van factoren.

Verklaring deskundige dr. F.R.W. van de Goot, patholoog:

Door dr. F.R.W. van de Goot, als patholoog verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (TMFI), is een contra-expertise uitgevoerd. In het rapport worden samenvattend en voor zover hier relevant de volgende conclusies verwoord.

Er is sprake van zeer uitgebreid kneuzingletsel aan het gelaat met een veronderstelde luxatie van een der kaakgewrichten, uitgebreide bloeduitstorting onder de schedelhuid, mogelijke bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen aan de linkerzijde en rekverscheuring van de huid achter het rechteroor, hetgeen het gevolg is van herhaaldelijk en zeer heftig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals kan passen bij herhaaldelijk slaan, stompen, vallen of combinaties daarvan. Het optreden hiervan uitsluitend door een enkelvoudige val al dan niet na een enkelvoudige slag is gezien de verdeling uitgesloten. De mate van geweldinwerking moet substantieel zijn geweest. Het is vrijwel niet anders uit te leggen dan dat het slachtoffer na oplopen hiervan evidente beïnvloeding van het bewustzijn moet hebben doorgemaakt. De mate van geweld is van dien aard dat dit op zich ernstig letsel, in casu levensbedreigend letsel kan veroorzaken. Positionele verstikking door mechanische belemmering van de ademhaling (mechanische asfyxatie) is geen redelijke overweging.

De aanwezigheid van opkomend ontstekingsinfiltraat in de hartspier, met name de immunokleuring (MPO), is indrukwekkend. Er bestaat geen twijfel dat er sprake is van hartspierbeschadiging met een ouderdom van mogelijk reeds één of enkele uren.

Van de Goot heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van zeer heftige en herhaaldelijke inwerking van uitwendig botsend en samendrukkend geweld. Er heeft zeer heftig geweld op het hoofd en lichaam plaatsgevonden met een dermate magnitude dat hiervan redelijkerwijs verwacht mag worden (ook door een leek) dat dit voor ernstig letsel en zelfs het intreden van de dood verantwoordelijk kan worden. Het intreden van de dood is vrijwel zeker het gevolg geweest van hartspierweefselversterf waarbij het begin van dit versterf reeds een uur of enkele uren voor het intreden van de dood kan zijn begonnen.

Ter zitting heeft Van de Goot aanvullend opgemerkt dat er aanwijzingen zijn voor samendrukkend geweld op de hals, maar dat het voor verwurging typische stuwingsbeeld in de hersenen niet aanwezig is.

De aanwezigheid van cocaïne zal volgens Van de Goot absoluut een rol van betekenis hebben gespeeld. Doordat cocaïne de zuurstofbehoefte van de hartspier verhoogt en tot vaatvernauwing leidt, is er door het gebruik van cocaïne een situatie van verhoogde gevoeligheid. Er is een proces bezig en daarbij komt een cascade aan geweldsinwerkingen die lichamelijke stress opleveren, waardoor er zonder meer al beschadiging van weefsel optreedt. Bij forse letsels gaat de hartspier ook harder werken. Verder heeft Van de Goot opgemerkt dat bij de hartspier granulocyten zijn aangetroffen en dat deze pas zichtbaar worden als de beschadiging al een uur of enkele uren aanwezig is.

Verklaring deskundige dr. K.J. Lusthof, toxicoloog ERT:

Naar het lichaamsmateriaal van het slachtoffer is toxicologisch en biochemisch onderzoek gedaan door dr. K.J. Lusthof, als toxicoloog ERT verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut. In het door hem opgestelde rapport van 20 februari 2014 worden, voor zover hier relevant, de volgende conclusies verwoord.

In het femoraalbloed van het slachtoffer is een concentratie van 0,8 mg/L ethanol aangetroffen, alsmede een concentratie van 0,015 mg/L THC. Tevens is een concentratie van 0,98 mg/L cocaïne aangetroffen in het femoraalbloed en is de aanwezigheid van de cocaïnemetabolieten (omzettingsproducten van cocaïne) benzoylecgonine, methylecgonine, ethylcocaïne en hydroxycocaïne aangetoond.

Lichamelijke effecten van cocaïne zijn onder andere stijging van de bloeddruk en toename van de hartslag. Bij een acute cocaïne intoxicatie kunnen negatieve effecten op het hart optreden, zoals een verminderde doorbloeding van het hart, vernauwing van de bloedvaten van het hart, hartritmestoornissen en een hartinfarct. Daarnaast kunnen ook centrale effecten optreden zoals agitatie, agressie, een delier, een psychose, epileptische aanvallen en/of hyperthermie (verhoogde lichaamstemperatuur).

Het effect van cocaïne hangt niet alleen af van de concentratie, maar ook van het tijdstip van toediening of inname. Op grond van alleen de gemeten concentraties in bloed kan geen absoluut onderscheid worden gemaakt tussen fatale concentraties en werkzame concentraties die bij recreatief gebruik van cocaïne worden gemeten. Dat komt onder andere door mogelijke postmortale herverdeling en doordat de effecten van cocaïne sterk afhankelijk zijn van de mate van gewenning.

Lusthof heeft geconcludeerd dat het bewustzijn/gedrag van het slachtoffer ten tijde van het overlijden zal zijn beïnvloed door cocaïne en alcohol. De mate waarin effecten zullen zijn opgetreden is afhankelijk van de gewenning aan deze stoffen. Uit een onderzoek is gebleken dat bij autobestuurders die in de periode van 1995 tot 1998 werden aangehouden wegens verdenking van rijden onder invloed en waarbij cocaïne is aangetoond, de gemiddelde concentratie van cocaïne 0,09 mg/L en de hoogste gemeten concentratie 0,87 mg/L betrof. Uit onderzoek is voorts gebleken dat in de periode oktober 2002 tot oktober 2003 dertien fatale overdoseringen van cocaïne zijn onderzocht, waarbij de concentraties van cocaïne in femoraalbloed varieerden van 0,23 tot 17 mg/L. De scheidslijn tussen overdosering en recreatief gebruik is zeer moeilijk te trekken. De hoge concentratie van cocaïne in het bloed past beter bij personen die zijn overleden ten gevolge van een overdosis van cocaïne dan bij personen die hier niet aan zijn overleden. Bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak kan het overlijden van het slachtoffer worden verklaard door een overdosering van cocaïne. Echter, op grond van alleen de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek kan het overlijden niet zonder meer worden verklaard.

Ter zitting heeft Lusthof aanvullend opgemerkt dat op basis van de metingen niets kan worden gezegd over het moment van inname van cocaïne. Op basis van de verklaring van verdachte dat de laatste dosis van 0,7 gram is verdeeld in twee lijnen waarbij het slachtoffer meer zou hebben gekregen dan verdachte, schat Lusthof dat het overlijden binnen twee á drie uur na het gebruik van de laatste dosis is ingetreden. Bij regelmatig gebruik en lichamelijke en geestelijke gewenning is de door verdachte gestelde gebruikte hoeveelheid niet ongebruikelijk. Lusthof heeft verder verklaard dat de gemeten concentratie cocaïne na overlijden vrijwel nooit gelijk is aan wat er op het tijdstip van overlijden aanwezig was. De concentratie cocaïne kan na overlijden hoger worden door herverdeling, maar kan ook lager worden door afbraak. Meestal worden concentraties hoger na overlijden.

Lusthof onderschrijft de conclusie van dr. Pennings dat het gebruik van cocaïne en cannabis de zuurstofbehoefte doet toenemen. Als er sprake is van enige vorm van ademhalingsbelemmering, dan versterken die belemmering en de stoffen elkaar. Het zou nadelig kunnen zijn wanneer iemand in staat van opwinding is, wat in casu ook is geconstateerd, plus de effecten van de stoffen zelf waardoor het hart een grotere zuurstofbehoefte heeft. Doordat het hart sneller gaat slaan, is iemand gevoeliger voor ademnood.

Verklaring deskundige dr. E.J.M. Pennings, toxicoloog:

Door dr. E.J.M. Pennings, als toxicoloog verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (TMFI), is een contra-expertise uitgevoerd. In het rapport worden samenvattend en voor zover hier relevant de volgende conclusies verwoord.

Alcohol, cocaïne en THC zijn psychoactieve stoffen die diverse hersenfuncties beïnvloeden, hetgeen kan leiden tot nadelige effecten op gedrag, bewustzijn en geheugen van de gebruiker. De mate waarin dat gebeurt is afhankelijk van de ingenomen hoeveelheid en van individuele kenmerken, zoals de gevoeligheid voor de effecten van een stof en de mate van gewenning aan die stof. In zijn algemeenheid veroorzaken alcohol en THC een verlaging van het bewustzijn en een vertraagde reactiesnelheid. Cocaïne verhoogt alertheid/waakzaamheid en impulsiviteit. Alcohol en cocaïne zijn geassocieerd met agressie en geweld. Cocaïne vergroot het zelfvertrouwen en kan (evenals alcohol) emotionele ontremming geven en daarnaast agitatie, hyperactiviteit, psychose en delier veroorzaken.

Cocaïne vernauwt de bloedvaten en kan zo de doorbloeding van het hart verminderen. Daarnaast veroorzaakt cocaïne een toename van de hartslag en de bloeddruk. Hierdoor neemt de zuurstofbehoefte van het hart toe onder gelijktijdige vermindering van de doorbloeding van de hartspier. Deze gezamenlijke effecten kunnen leiden tot overbelasting van het hart, hartritmestoornissen en een hartinfarct. Bij ernstige intoxicaties kan cocaïne hartspierweefselversterf veroorzaken, vermoedelijk door verstoring van de prikkelgeleiding in de zenuwen naar het hart en/of onvoldoende doorbloeding van de hartspier. Het is aannemelijk dat hoge doses de zuurstofbehoefte aanzienlijk vergroten en kunnen leiden tot zuurstoftekort en daarmee samenhangende cyanose. Het risico op zuurstoftekort neemt verder toe indien de ademhaling wordt belemmerd. Het risico op overlijden ten gevolge van verwurging/asfyxie is verhoogd bij iemand onder invloed van cocaïne en THC.

De aangetoonde concentratie van 0,98 mg/L is relatief hoog, maar niet ongebruikelijk, wanneer vergeleken met concentraties bij gebruikers in leven. Vergeleken met postmortale waarden bij fatale intoxicaties, is de gevonden waarde relatief laag. Postmortaal gemeten concentraties zijn lang niet altijd een goede afspiegeling van de feitelijke concentraties in het bloed ten tijde van het overlijden door postmortale processen, zoals herverdeling, waardoor concentraties na het overlijden kunnen af- of toenemen. Bovendien geven concentraties niet nauwkeurig de omvang van de effecten weer ten tijde van het overlijden, omdat er aanzienlijke verschillen bestaan in de gevoeligheid van personen voor de effecten van een stof. Deze verschillen kunnen van nature aanwezig zijn (individuele aanleg) of zijn ontstaan door regelmatig gebruik van een stof (gewenning).

Uit de gemeten concentratie van 0,98 mg/L mag niet worden geconcludeerd dat het slachtoffer aan cocaïne is overleden, maar wel dat het niet uitgesloten is dat zij hieraan is overleden. Bij uitsluiting van een andere doodsoorzaak is de diagnose overlijden door acuut zuurstoftekort bij toegenomen zuurstofbehoefte door cocaïne- en cannabisgebruik aannemelijk. Het gebruik van cocaïne en cannabis (THC) kan hebben bijgedragen aan het hartspierweefselversterf doordat deze stoffen het hart extra belasten en de zuurstofbehoefte van hart doen toenemen. In geval van onvoldoende zuurstoftoevoer, zoals zou kunnen gebeuren bij belemmering van de ademhaling en/of samendrukkend geweld op de hals, kan de door cocaïne en THC toegenomen zuurstofbehoefte leiden tot acuut zuurstofgebrek in de hartspier en hartspierweefselversterf.

Uit concentraties van lichaamsvreemde stoffen in postmortaal bloed kunnen geen conclusies worden getrokken over het tijdstip van overlijden.

Ter zitting heeft Pennings aanvullend opgemerkt dat op basis van de gemeten concentraties niet achteraf kan worden vastgesteld of een cocaïne-intoxicatie de doodsoorzaak is. Zowel verstikking als verwurging kan tot overlijden leiden. Cocaïnegebruik kan ook tot overlijden leiden. Beiden gebeuren via het mechanisme van tekort aan zuurstof. Het versterkt elkaar. Achteraf is niet te zeggen welke de belangrijkste bijdrage heeft geleverd. Pennings heeft verder verklaard dat tot anderhalve mg/liter bij chronische gebruikers niet uitzonderlijk is. De aangetroffen hoeveelheden zijn niet ongebruikelijk. Voorts heeft Pennings uiteengezet dat de halfwaardetijd van cocaïne ongeveer een uur is. Het is een vuistregel dat na vijf uur leven de stof niet meer zal worden aangetroffen in het bloed.

De overwegingen van de rechtbank

Inleiding

Aan verdachte is onder 1A doodslag ten laste gelegd. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is dient de rechtbank vast te stellen of er sprake is van oorzakelijk verband tussen de handelingen van verdachte en de dood van [slachtoffer]. Daarbij is naar juridische maatstaven niet zozeer doorslaggevend of wetenschappelijk (medisch) komt vast te staan wat de exacte doodsoorzaak is geweest, maar veeleer of het gevolg, de dood van [slachtoffer], in redelijkheid aan verdachte is toe te rekenen.

Daarnaast speelt de vraag of verdachte opzettelijk dodelijk geweld heeft toegepast. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of verdachte boos opzet heeft gehad, in die zin dat hij de dood van [slachtoffer] heeft gewild, maar ook om de vraag of verdachte zogenaamd voorwaardelijk opzet heeft gehad. Dat wil zeggen: of verdachte moet hebben geweten dat de aanmerkelijke kans bestond dat de dood zou intreden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Bij de beantwoording van die vragen zijn de hiernavolgende, door de rechtbank vastgestelde, omstandigheden van belang.

Gebruik cocaïne
Vaststaat dat [slachtoffer] in de avond van 22 januari 2014 en de daaropvolgende nacht en vroege ochtend van 23 januari 2014 middelen heeft gebruikt, waaronder cocaïne. De laatste hoeveelheid cocaïne is door verdachte aan [slachtoffer] verstrekt op 23 januari 2014 om ongeveer 4:39 uur, of kort daarna.

Verdachte heeft verklaard dat hij in die betreffende avond/nacht vier keer cocaïne heeft gekocht, te weten: driemaal 0,6 gram en eenmaal 0,7 gram. Uit de verklaring van verdachte ter zitting leidt de rechtbank af dat van de eerste drie hoeveelheden aangeschafte cocaïne verdachte en [slachtoffer] per bestelling elk drie keer een lijn cocaïne van 0,1 gram hebben gesnoven. De laatst aangekochte hoeveelheid van 0,7 gram is volgens verdachte door hem verdeeld in twee lijnen, waarvan hij de grootste aan [slachtoffer] heeft gegeven.

In het femoraalbloed van [slachtoffer] is een concentratie van 0,98 mg/L cocaïne aangetroffen. Tevens zijn cocaïnemetabolieten aangetoond in het femoraalbloed en hartbloed.

Zowel dr. Lusthof als dr. Pennings heeft geconcludeerd dat postmortaal gemeten concentraties van cocaïne niet altijd een goede afspiegeling zijn van de feitelijke concentraties in het bloed ten tijde van het overlijden, omdat concentraties door postmortale processen na het overlijden kunnen af-, maar meestal toenemen. Bovendien hebben beide deskundigen geconcludeerd dat aan de hand van gemeten concentraties, ook al waren deze betrouwbaar, niet nauwkeurig de omvang van de effecten ten tijde van het overlijden kunnen worden afgeleid, omdat de gevoeligheid voor de effecten van cocaïne per persoon verschilt ten gevolge van individuele aanleg of gewenning. Ook waarderen de deskundigen de aangetoonde concentratie in het bloed wanneer vergeleken met concentraties bij gebruikers in leven (Pennings) of de door verdachte gestelde gebruikte hoeveelheid bij regelmatig gebruik en lichamelijke en geestelijke gewenning (Lusthof) als “niet ongebruikelijk”.

De rechtbank kan op basis van de verklaring van verdachte over het cocaïnegebruik van [slachtoffer] en de aangetroffen concentratie in het postmortale bloed geen eenduidige conclusies trekken, anders dan dat aannemelijk is dat [slachtoffer] in de avond van 22 januari 2014 en de daaropvolgende nacht en vroege ochtend van 23 januari 2014 een hoeveelheid cocaïne heeft gebruikt en dat ten tijde van het overlijden cocaïne in het bloed van [slachtoffer] heeft gezeten.

Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat overlijden ten gevolge van intoxicatie, pas kan worden aangenomen wanneer een niet-toxische doodsoorzaak is uitgesloten.

Geweld

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 23 januari 2014 om 05:00 uur wakker werd van het geschreeuw van verdachte en [slachtoffer], dat hij tot 06:00 uur wakker heeft gelegen van het geschreeuw en dat daarna zijn wekker afging en hij verder niets meer heeft gehoord. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 05:35 uur wakker werd van geschreeuw, gestamp en gedreun alsof verdachte en [slachtoffer] achter elkaar aan renden. [getuige 2] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] hoorde gillen en huilen, terwijl hij verdachte hoorde schreeuwen. Na 05:35 uur duurde de ruzie nog een klein half uur volgens [getuige 2].

Verdachte heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij [slachtoffer] heeft gebeten, aan haar haren heeft getrokken en dat hij met zijn knieën op haar armen heeft gezeten. Ook heeft hij aan haar getrokken, haar geduwd waardoor ze tegen de bank viel en haar een klap op haar hoofd gegeven.

Gelet op de hiervoor vermelde verklaringen van de getuigen en verdachte stelt de rechtbank vast dat in de vroege ochtend van 23 januari 2014, omstreeks 05:00 uur tot 06:00 uur, een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij geweld is gebruikt.

Uit het sectierapport blijkt dat aan het gelaat en het hoofd van [slachtoffer] talrijk en heftig letsel is toegebracht. Bij [slachtoffer] zijn uitgebreide en talrijke onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen geconstateerd in het gelaat, alsmede tot in het onderhuidse weefsel reikende huidscheuren achter beide oren met omgevende bloeduitstortingen en uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen in grote delen van de hoofdhuid. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van dr. Van de Goot dat de letsels aan het gelaat en het hoofd niet passen bij en derhalve niet kunnen zijn veroorzaakt door een enkelvoudige val, al dan niet na een enkelvoudige duw of slag. Gelet op het geconstateerde letsel acht de rechtbank niet aannemelijk dat het door verdachte op [slachtoffer] toegepaste geweld beperkt is gebleven tot het slechts eenmaal (met de vlakke hand) slaan en duwen van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] al dan niet daardoor tegen de bank is gevallen. Gelet op de ernst van het letsel en de verdeling van de verwondingen over het hoofd en het gelaat acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen met kracht geweld heeft uitgeoefend op het gelaat en hoofd van [slachtoffer].

Bij [slachtoffer] is bovendien letsel aan de halsstreek aangetroffen, te weten een huidbeschadiging en bloeduitstorting links in de hals, alsmede kleine bloeduitstortingen in de oppervlakkige spieren rechts op het niveau van het strottenhoofd en diepe spieren gelegen op het linkerschild van het strottenhoofd en een kleine bloeduitstorting in de weke delen tussen de slokdarm en de halswervelkolom. Verder zijn bloeduitstortingen in de spieren van de mondbodem beiderzijds aangetroffen. Dit letsel past zowel bij botsend geweld als samendrukkend geweld.

[slachtoffer] heeft voorts een bijtwond aan de linkeronderarm en uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen aan de voor-/ bovenzijde van de borst en beide armen, alsmede talrijke bloeduitstortingen aan de voor-/binnen-/ en buitenzijde van de benen en in de spieren en onderhuidse weke delen van het bovenste gedeelte van de rug beiderzijds. Daarnaast heeft [slachtoffer] bloeduitstortingen in de spieren van de voorste rompwand beiderzijds en in de spieren naast de wervelkolom links laag in de rug.

Op grond van hetgeen in het kader van het sectierapport en de rapporten van dr. Kubat en

dr. Van de Goot aan letsel is waargenomen en de hiervoor genoemde conclusies van de beide deskundigen, stelt de rechtbank vast dat verdachte herhaaldelijk zeer heftig geweld op het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgeoefend.

Deskundigen Kubat en Van de Goot hebben beiden geconcludeerd dat het gebruikte botsende geweld op zichzelf beschouwd niet dodelijk was. Samendrukkend geweld kan dodelijk zijn, maar volgens de deskundigen kan niet worden vastgesteld in welke mate sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals.

Causaal verband

Uit de deskundigenrapporten blijkt dat [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk is overleden ten gevolge van hartspierweefselversterf, maar dat niet zonder meer kan worden vastgesteld waardoor dat hartspierweefselversterf (en daarmee de dood van [slachtoffer]) is ingetreden: door intoxicatie, door het geweld of door een combinatie daarvan.

De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het intreden van de dood van [slachtoffer]. De beantwoording van de vraag of een dergelijk causaal verband bestaat, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening, met andere woorden of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank stelt voorop dat voor de vaststelling van het causaal verband tussen het feit en de dood niet nodig is dat het gebezigde bewijsmateriaal de mogelijkheid uitsluit dat het gevolg zich ook zou hebben voorgedaan als de verdachte geen geweld zou hebben gepleegd jegens [slachtoffer]. Dat niet onomstotelijk vaststaat of [slachtoffer] ook zou zijn overleden ten gevolge van de inname cocaïne, wanneer verdachte geen geweld op [slachtoffer] zou hebben uitgeoefend, betekent niet dat er geen causaal verband kan worden aangenomen tussen de gedragingen van verdachte en de dood van [slachtoffer]. Voor het aannemen van causaal verband is immers enkel vereist dat ten minste wordt vastgesteld dat de gedragingen een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt.

“Onmisbare schakel”

In dat verband overweegt de rechtbank dat vaststaat dat [slachtoffer] in de avond van 22 januari 2014 en de daaropvolgende nacht en vroege ochtend van 23 januari 2014 cocaïne heeft gebruikt. Cocaïne vernauwt de bloedvaten en kan zo de doorbloeding van het hart verminderen. Cocaïne veroorzaakt tevens een toename van de hartslag en de bloeddruk. De zuurstofbehoefte van het hart neemt daardoor toe onder gelijktijdige vermindering van de doorbloeding van de hartspier. De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer] ten gevolge van het innemen van cocaïne dergelijke lichamelijke effecten heeft ondervonden, waardoor haar zuurstofbehoefte is toegenomen. Op grond van de verklaring van verdachte, het tijdstip van verstrekken van de laatste hoeveelheid cocaïne en het tijdstip waarop de buren horen dat er ruzie is, in samenhang bezien met de bevindingen van dr. Kubat en dr. Van de Goot, stelt de rechtbank voorts vast dat verdachte kort na de laatste inname van cocaïne veelvuldig heftig geweld op [slachtoffer] heeft toegepast en wel “met een dermate magnitude dat (ook door een leek) redelijkerwijs verwacht mag worden dat ernstig letsel zal ontstaan en zelfs de dood zal intreden” (Van de Goot). Daarbij komt, aldus Van de Goot, dat een dergelijke “cascade van geweldsinwerkingen” stress oplevert voor het slachtoffer en dat de hartspier harder moet gaan werken. Terwijl aannemelijk is dat [slachtoffer] reeds een grotere zuurstofbehoefte had ten gevolge van de inname van cocaïne, heeft verdachte [slachtoffer] in stresserende omstandigheden gebracht, waardoor haar zuurstofbehoefte nog groter is geworden. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de geweldstoepassingen van verdachte een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid.

“Aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid”

Vervolgens overweegt de rechtbank dat voor de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt, de concrete omstandigheden van het geval van belang zijn. Er zijn geen algemene maatstaven aan de hand waarvan kan worden aangenomen dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte ingewerkte geweld is veroorzaakt.

Bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt, kan volgens de Hoge Raad als hulpmiddel dienen, de beantwoording van de vraag of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en die gedraging bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. 1

Gelet op de ernst van de geweldsuitoefening en de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het uitgeoefende geweld naar haar aard geschikt is om de dood te weeg te brengen. De rechtbank leidt daarnaast uit de deskundigenrapportage van dr. Van de Goot af dat het geweld naar ervaringsregels van dien aard is dat dit het vermoeden wettigt dat dit heeft geleid tot het intreden van de dood. Uit het vorenoverwogene volgt dat het uitgeoefende geweld onder de gegeven omstandigheden op relevante wijze kan hebben bijgedragen aan het intreden van de dood van [slachtoffer].

Bij de beoordeling van de vraag of hoogstwaarschijnlijk is dat de handelingen van verdachte in relevante mate hebben bijgedragen aan het ingetreden gevolg, dient tevens te worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk niet aan de gevolgen van alleen de cocaïne-intoxicatie is overleden.

Dr. Van de Goot heeft vermeld dat het slachtoffer weliswaar middelen heeft gebruikt, zodanig dat dit zonder meer een rol kan spelen bij het optreden of verergeren van hartspierweefselversterf, maar dit daarvoor niet bewijzend is. Ook dr. Lusthof heeft geconcludeerd dat het overlijden niet zonder meer kan worden verklaard door een overdosering cocaïne.

In het bloed van [slachtoffer] is een concentratie van 0,98 mg/L cocaïne aangetroffen. Uit de verklaringen van beide toxicologen komt naar voren dat uit deze meting moeilijk conclusies getrokken kunnen worden omdat de concentratie door postmortale herverdeling ook hoger kan worden dan bij leven het geval was. Indien van deze concentratie uit zou moeten worden gegaan is dit naar oordeel van de deskundigen een concentratie die ook bij recreatief gebruik niet ongebruikelijk is. Vergeleken met postmortale waarden bij fatale intoxicaties is deze concentratie bovendien relatief laag.

De rechtbank constateert dat er, gelet op het vorenstaande, slechts een hypothetische mogelijkheid bestaat dat [slachtoffer] enkel door overdosis is overleden. Aldus moet worden geconcludeerd dat aannemelijk is dat [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk niet ten gevolge van een enkele overdosis is overleden.

Nu de handelingen van verdachte naar haar aard geschikt zijn en naar ervaringsregels van dien aard zijn dat dit het vermoeden wettigt dat dit heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer], alsmede dat aannemelijk is dat [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk niet aan de gevolgen van een overdosis is overleden, is de rechtbank van oordeel dat het hoogst waarschijnlijk is dat de handelingen van verdachte in relevante mate hebben bijgedragen aan het ingetreden gevolg.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de dood van [slachtoffer] in redelijkheid, als gevolg van het door verdachte uitgeoefende geweld, aan verdachte moet worden toegerekend.

Opzet

Resteert de vraag of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte boos opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Derhalve dient te worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], met andere woorden of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou sterven. Dat zijn wil daarbij zou zijn beïnvloed door drugs- en drankgebruik doet daaraan niet af, aangezien verdachte zichzelf in die toestand heeft gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat het toepassen van het hiervoor omschreven heftige geweld tegen een persoon die kort daarvoor cocaïne heeft gebruikt, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat deze persoon daardoor zal komen te overlijden.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).2 Uit het dossier kan niet worden opgemaakt wat ten tijde van het geweld in verdachte is omgegaan. Om te kunnen bepalen of sprake was van voorwaardelijk opzet, zijn daarom de feitelijke omstandigheden van het geval bepalend. Daarbij zijn de aard en de omstandigheden waaronder het feit is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Daarbij is van belang dat [slachtoffer] ten tijde van de geweldsinwerking onder invloed van cocaïne, THC en alcohol was. Verdachte heeft deze middelen in die nacht aan [slachtoffer] verstrekt en samen met [slachtoffer] genuttigd. Vlak voor de geweldsinwerking heeft verdachte een substantieel grotere hoeveelheid aan [slachtoffer] gegeven dan hij normaliter deed. Verdachte was dan ook op de hoogte van het gegeven dat en in welke mate het slachtoffer recent alcohol en drugs had gebruikt. Algemeen bekend is dat het gebruik van dergelijke middelen slecht is voor de gezondheid.

Desondanks heeft verdachte, terwijl [slachtoffer] onder invloed was, veelvuldig en heftig geweld uitgeoefend op het gelaat, het hoofd, de halsstreek en de rest van het lichaam van [slachtoffer]. Volgens dr. Van de Goot is hier sprake van zeer heftig geweld op het hoofd en lichaam met een dermate magnitude dat hiervan ook door een leek verwacht mag worden dat dit tot ernstig letsel of zelfs tot het intreden van de dood kan leiden.

Die geweldsinwerking is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de overige omstandigheden van het geval, zodanig dat dit naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

5.3

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder

2 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte gedurende een periode van acht uren heeft nagelaten om op enige wijze hulp in te schakelen nadat hij om 08.27 uur besefte dat er iets goed mis was met [slachtoffer]. De officier van justitie heeft gesteld dat het echter mogelijk is dat [slachtoffer] al was overleden op het moment dat verdachte de eerste signalen kreeg op basis waarvan hij hulp had moeten inschakelen, hetgeen in de weg staat aan een bewezenverklaring van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman is van mening dat nu onder feit 1 reeds doodslag is tenlastegelegd, dit - indien tot een bewezenverklaring voor feit 1 wordt gekomen - op deze wijze niet nog een keer kan worden bewezen verklaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet met opzet geen medische hulp heeft ingeroepen om [slachtoffer] daardoor te laten sterven. De raadsman acht voorwaardelijk opzet ook niet aan de orde nu dit gericht zou moeten zijn op het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou overlijden door niet ingrijpen van medische hulp. De raadsman heeft gesteld dat verdachte niet direct of indirect de dood van [slachtoffer] heeft gewenst en dat derhalve feit 2 primair niet kan worden bewezen.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman gesteld dat verdachte nadat hij vanaf 08.30 uur ongerust makende dingen constateerde bij [slachtoffer], de hulpdienst had moeten bellen en dat dit niet doen te kwalificeren is als onvoorzichtig of nalatig gedrag. De raadsman heeft, ook op basis van de conclusie van de deskundige Pennings - dat achteraf niet kan worden gesteld of het inroepen van de medische hulp op tijd zou zijn geweest - aangevoerd dat niet zeker is dat [slachtoffer] nog leefde en door medisch handelen nog had kunnen worden gered en dat deze onzekerheid aan een bewezenverklaring van de subsidiaire variant in de weg staat.

De overwegingen van de rechtbank

Nu bewezen wordt verklaard dat verdachte zich door zijn (actieve) handelingen schuldig heeft gemaakt aan de doodslag van [slachtoffer], kan de rechtbank niet toekomen aan bewezenverklaring van dood door nalaten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het afzonderlijk onder 2 tenlastegelegde.

5.4

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, nu niet valt vast te stellen dat [slachtoffer] nog in leven was toen verdachte seks met haar had. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het goed mogelijk is dat [slachtoffer] op dat moment al was overleden, alsmede dat het hebben van seks met iemand die is overleden niet strafbaar is gesteld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. In dit kader heeft de raadsman aangevoerd dat men alleen bij leven kan spreken van de tenlastegelegde bewusteloosheid of verminderd bewustzijn en dat voor bewezenverklaring van feit 3 er bewijs moet zijn dat [slachtoffer] tijdens het seksueel contact nog in leven was. Het tijdstip van overlijden is niet geheel duidelijk, maar wordt door de deskundigen geschat tussen 08.00 uur en 09.00 uur. De raadsman heeft gesteld dat nu verdachte heeft verklaard dat het seksueel contact pas na 10.00 uur heeft plaatsgevonden, na afloop van de zoekslag op internet, het onder 3 tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen.

De overwegingen van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van artikel 243 Wetboek van Strafrecht (Sr) moet sprake zijn het plegen van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam met iemand van wie de dader weet dat deze persoon in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

Uit de verklaringen van verdachte, de telefoongegevens en de pintransactie blijkt dat met het telefoontoestel van het slachtoffer om 4:24 uur is gebeld met één van de dealers. Dit gesprek duurde 43 seconden. Om 4:32 uur is tevens een gesprek van 4 seconden gevoerd. Tussen 4:38:46 en 4:39:27 uur heeft verdachte geld gepind bij de ABN AMRO aan de Sloetsweg 87 te Hengelo (O). Vervolgens heeft verdachte cocaïne van de dealer ontvangen en is hij naar huis gebracht. Verdachte heeft de cocaïne gewogen, verdeeld in twee lijnen en de grotere lijn aan het slachtoffer gegeven.

Uit de verklaring van verdachte en de zoektermen die verdachte in de periode tussen 08:27 uur en 10:02 uur op internet heeft gebruikt, leidt de rechtbank af dat verdachte voor 10:02 uur meent te hebben gezien dat [slachtoffer] niet meer ademde en blauwe lippen, stijve/harde handen en een dikker gezicht kreeg. Na 10:02 uur heeft verdachte [slachtoffer] naar bed gedragen. Terwijl [slachtoffer] op bed lag, heeft verdachte seksuele handelingen met haar gepleegd. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] nog geluid gemaakt terwijl hij die seksuele handelingen met haar pleegde.

De rechtbank leidt uit deze gegevens af dat het slachtoffer de laatste hoeveelheid cocaïne vlak voor of rond 05:00 uur heeft gebruikt, alsmede dat verdachte na 10:02 uur seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd.

Ter zitting heeft dr. Kubat verklaard dat bekend is dat bijvoorbeeld door gasophoping in de maag postmortaal geluiden kunnen worden geproduceerd. Aan de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] geluiden maakte terwijl hij die seksuele handelingen met haar pleegde, kunnen volgens dr. Kubat geen conclusies worden verbonden ter zake de vraag of [slachtoffer] op dat moment nog leefde.

Dr. Pennings heeft ter zitting uiteengezet dat de halfwaardetijd van cocaïne ongeveer een uur is en dat de vuistregel is dat na vijf uur leven de cocaïne niet meer kan worden teruggevonden in het bloed. De rechtbank begrijpt dit aldus dat indien [slachtoffer] na inname van de laatste hoeveelheid cocaïne nog gedurende vijf uren had geleefd, er geen, of enkel een restconcentratie, cocaïne in het bloed van het slachtoffer zou zijn aangetroffen. In het bloed van het slachtoffer is echter een concentratie van 0,98 mg/L cocaïne aangetroffen. Daaruit concludeert de rechtbank dat aannemelijk is dat [slachtoffer] na de inname van de laatste hoeveelheid cocaïne minder dan vijf uren heeft geleefd. Aannemelijk is dat [slachtoffer] na de laatste inname (vlak voor of rond 05:00 uur), en voor de seksuele handelingen (na 10:02 uur) is overleden.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zulks ook wordt ondersteund door de verklaring van

dr. Lusthof, die schat dat het overlijden binnen 2 à 3 uur na het gebruik van de laatste dosis cocaïne is ingetreden.

De rechtbank acht het gelet op al het vorenstaande onaannemelijk dat [slachtoffer] nog leefde op het moment dat verdachte haar naar bed heeft gedragen en aldaar seksuele handelingen met haar heeft gepleegd.

Het plegen van seksuele handelingen met iemand die is overleden valt niet binnen de reikwijdte van artikel 243 Sr, omdat voor een bewezenverklaring van artikel 243 Sr vereist is dat de persoon die de handelingen ondergaat een wil heeft. Een overleden persoon wordt volgens de wet geacht geen wil in de zin van deze strafbepaling meer te hebben. Voor het plegen van seksuele handelingen met een overledene is, hoe verwerpelijk een dergelijke daad ook is, geen specifieke strafbaarstelling in de Nederlandse wet opgenomen. Nu het bewijs dat [slachtoffer] op het moment van de handelingen nog leefde ontbreekt, moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

5.5

Feit 4 3

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, het onder 4 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

  • -

    het toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] opgemaakt door deskundige dr. K.J. Lusthof, toxicoloog bij het NFI, van 20 februari 2014, pagina’s 6 en 11.

5.6

Feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder 5 primair tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het op kerstavond 2013 voorgevallen geweld een poging zware mishandeling oplevert. De officier van justitie heeft gesteld dat nu verdachte wist dat hij bovengemiddeld sterk is en bij het gebruik van alcohol en drugs makkelijk boos wordt - hetgeen eerder tot geweld heeft geleid - verdachte hiermee ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] op kerstavond zwaar letsel zou oplopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het onder 5 primair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen nu een medische verklaring over het letsel bij [slachtoffer], alsmede een aangifte in het dossier ontbreken. De raadsman heeft gesteld dat het onder 5 subsidiair tenlastegelegde feit kan worden bewezen, nu verdachte heeft erkend dat er ruzie is geweest op kerstavond 2013 en dat verdachte daarbij [slachtoffer] heeft geslagen.

De overwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling zoals neergelegd in artikel 302 Sr jo 45 Sr moet sprake zijn van een poging tot het aan een ander opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] vast, dat verdachte in de avond/nacht van 24 op 25 december 2013 met een hard kussen op het hoofd van zijn levensgezel [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen heeft geslagen in haar gezicht en tegen haar hoofd en met kracht aan haar haren heeft getrokken, waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Door getuige [getuige 3] is gezien dat [slachtoffer] een heel blauwe en dikke keel had, een blauw oog en een bloedneus. Getuige [getuige 4] heeft gezien dat [slachtoffer] een bloedneus had en dat haar gezicht onder het bloed zat.

Het dossier bevat geen medische verklaring over mogelijk op 24-25 december 2013 bij [slachtoffer] aanwezig letsel.

De in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, te weten de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] - het ontbreken van een medische verklaring daarbij in aanmerking nemend – geven naar het oordeel van de rechtbank voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ onvoldoende duidelijke indicaties over de aard en ernst van het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het ontbreken van uitzicht op volledig herstel. Nu niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel zal de rechtbank verdachte van het onder 5 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden volgend uit de verklaringen van verdachte en de getuigen zoals hiervoor uiteengezet, staat voor de rechtbank vast dat verdachte zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld. Aldus is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onder 5 subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

5.7

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair, 3 en 5 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1A, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 A:

hij op 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk zijn levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door, terwijl hij wist dat zij onder invloed was van een hoeveelheid cocaïne en alcohol en THC:

- samendrukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] en

- meermalen met kracht die [slachtoffer] te bijten en/of te slaan en/of te stompen

en/of te duwen in haar gezicht en/of tegen haar lichaam en haar met kracht aan haar haren te trekken,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Feit 4:

hij in de periode van 24 december 2013 tot en met 23 januari 2014 in de gemeente Hengelo heeft verstrekt een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als opgenomen in lijst I van de Opiumwet;

Feit 5 subsidiair:

hij in de periode van 24 december 2013 tot en met 25 december 2013 in de gemeente

Hengelo (O) opzettelijk mishandelend:

- met een hard kussen op het hoofd van zijn levensgezel [slachtoffer] heeft geslagen en

- meermalen met kracht die [slachtoffer] heeft geslagen in haar gezicht en tegen haar hoofd en

- haar met kracht aan haar haren heeft getrokken,

welk feit pijn en letsel bij die [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1A, 4 en 5 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287, 300, 304 Sr en artikel 10 Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1A
het misdrijf: doodslag;

feit 4
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5 subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen zijn levensgezel.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest en daarbij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een straf met een duur van minimaal het voorarrest met een fors voorwaardelijke straf en een behandelverplichting conform het multidisciplinair advies afdoende is. De raadsman heeft als alternatief aangevoerd dat eventueel een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd.

De strafmaatoverwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Verdachte heeft opzettelijk door middel van excessief geweld een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer]. Het doden van een andere persoon is de meest ernstige, onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Verdachte heeft [slachtoffer] dat recht en daarmee haar meest wezenlijke bezit ontnomen. Met zijn handelen heeft verdachte bovendien onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer], zoals ook door de moeder en de broer van [slachtoffer] in de door hen opgestelde en ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen is verwoord. Een dergelijk feit heeft niet alleen grote gevolgen voor de nabestaanden, maar schokt ook de rechtsorde en veroorzaakt of versterkt de in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid.

Dat [slachtoffer] de levensgezel van verdachte was en degene was met wie verdachte een gezin wilde stichten, maakt verdachtes daad des te schokkender. Verdachte en [slachtoffer] hadden een relatie die getekend werd door drank, drugs, ruzies en geweld. Verdachte wist dat de combinatie alcohol en drugs hevige agressie bij hem los kon maken. Een maand voor haar dood, op kerstavond, heeft hij, eveneens onder invloed van alcohol en drugs, dusdanig heftig geweld op [slachtoffer] toegepast, dat een goede vriend hem daarmee heeft geconfronteerd en erop heeft aangedrongen dat hij hulp zou zoeken. Verdachte heeft de situatie echter op zijn beloop gelaten. Zijn volgende geweldsuitbarsting is [slachtoffer] fataal geworden.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het verstrekken van cocaïne aan [slachtoffer] en aan vorenbedoeld eerder jegens haar gepleegd geweld. Ook deze feiten weegt de rechtbank mee bij haar strafmaatoverwegingen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn voor doodslag geen oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij haar overwegingen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2014 (ECLI:GHARL:2014:6185) betrokken. Hierin is door het Gerechtshof overwogen dat gedurende de laatste jaren voor doodslag gemiddeld een gevangenisstraf van acht jaren pleegt te worden opgelegd. De rechtbank neemt dit, in navolging van het Gerechtshof, bij het bepalen van de op te leggen straf als uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden waaronder [slachtoffer] is gedood strafverzwarend zijn. De rechtbank doelt daarbij niet alleen op het extreme karakter van het geweld dat is toegepast, maar ook op de inadequate en soms weerzinwekkende wijze waarop verdachte de uren daarna met (het lichaam van) [slachtoffer] is omgegaan en op het feit dat hij pas na het verstrijken van bijna een etmaal professionele hulp heeft ingeroepen. De rechtbank vindt tevens dat het feit dat verdachte, ondanks dat het hem heel duidelijk was dat zijn alcohol- en drugsgebruik tot zeer heftige geweldsuitbarstingen konden leiden, heeft nagelaten om iets aan zijn problematiek te doen, in negatieve zin voor verdachte moet meewegen.

Ook voor het (niet in dealerhoeveelheden) verstrekken van cocaïne ontbreken oriëntatiepunten. De rechtbank zoekt daarvoor aansluiting bij de straffen die in soortgelijke zaken voor dergelijke feiten worden opgelegd.

Voor mishandeling zijn wel oriëntatiepunten straftoemeting opgesteld. Deze oriëntatiepunten noemen voor het delict “mishandeling, enig letsel ten gevolge hebbend”, een geldboete van

€ 750,--. De oriëntatiepunten zien daarbij op geweld dat zich beperkt tot bijvoorbeeld een enkele “droge klap”. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gepleegde mishandeling ernstiger is en merkt ook dat als strafverzwarend aan.

Uit de documentatie van verdachte volgt dat verdachte, hoewel langere tijd geleden, eerder in verband met geweldsdelicten en overtreding van de Opiumwet met justitie in aanraking is geweest. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte deskundigenrapporten. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op het rapport dat de gedragsdeskundigen, drs. H.A. de Haan, psychiater, drs. B. Koudstaal, klinisch psycholoog, en drs. R. Nijboer, milieurapporteur, op 30 april 2014 gezamenlijk hebben uitgebracht. Daarin constateren zij dat verdachte een van alcohol, cocaïne en cannabis afhankelijke man is, welke afhankelijkheid kortdurend in remissie is vanwege de detentiesituatie. Daarnaast lijdt verdachte aan een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met vooral antisociale en vermijdende trekken en is er bij hem een intellectueel functioneren op zwakbegaafd niveau. Deze stoornissen waren zo goed als zeker op het moment van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig.

Tussen het tenlastegelegde en de diagnoses verslaving, zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsstoornis is sprake van een gelijktijdigheidsverband. Aangezien verdachte rondom de periode van het tenlastegelegde deze middelen niet dagelijks gebruikte, bleef er wel enige keuzevrijheid in het gebruik hiervan aanwezig. De kans op gewelddadige delicten is in het algemeen vergroot bij personen met verslaving en/of een stoornis van de persoonlijkheid met antisociale kenmerken. Het is waarschijnlijk dat de zwakbegaafdheid hier ook een rol in kan spelen in die zin dat daardoor minder weerstand tegen de verslaving en antisociaal c.q. gewelddadig gedrag geboden kan worden. Bij verdachte is uit meerdere situaties in het verleden gebleken dat hij onder invloed van deze middelen tot gewelddadig gedrag in staat is.

Ten aanzien van de relatie tussen het gebruik van met name alcohol en cocaïne en de gewelddadige escalatie tussen beiden en dus inclusief van verdachte naar het slachtoffer, is in de ogen van de rapporteurs voldoende bekend om er een uitspraak over te kunnen doen. Op grond van de combinatie van bovenbeschreven stoornissen geven de rapporteurs de rechtbank in overweging om verdachte dat deel van het tenlastegelegde indien bewezen in licht verminderde tot verminderde mate toe te rekenen.

Bij het voortbestaan van de combinatie verslaving, zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsstoornis zal in het algemeen de kans op recidivering van (gewelddadige) delicten groter zijn. Met name de klinische en de toekomstige factoren zijn te beïnvloeden. Dit betekent dat indien de verdachte optimaal meewerkt aan een behandeling op de genoemde factoren, de risicoprognose er gunstiger uit komt te zien.

De deskundigen hebben in hun rapportage vermeld dat verdachte een sterke neiging heeft tot het externaliseren en bagatelliseren van zijn problemen gecombineerd met een ernstig gebrek aan zelfkritiek en introspectie. Impulsief gedrag wordt door hem zelf niet gezien en ontkend. Hij heeft een sterke neiging tot vermijdingsgedrag, inclusief het vermijden van het nemen van verantwoording voor zijn problematische gedragingen. Verdachte zegt thans wel gemotiveerd te zijn voor opname en behandeling, maar inzicht in zijn verslaving, zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsstoornis heeft hij nauwelijks tot niet. Hij ziet niet in dat verslaving, op zich al een multifactorieel bepaalde aandoening, bijna altijd gepaard gaat met co-morbide psychische, sociale en soms somatische problemen die de verslaving kunnen verergeren en/of in stand houden. Een geslaagde behandeling vereist dat deze factoren in de behandeling worden meegenomen en dat verdachte daarvoor openstaat.

Gezien de combinatie van verslavingsproblematiek, huidige zwakbegaafdheid, persoonlijkheidsproblematiek en de wat wisselende motivatie voor behandeling is, nog los van de ernst van de forensische problematiek, langdurige zorg, te starten met een klinisch traject, aangewezen. Op basis van de verslaving, persoonlijkheidsproblemen en het justitiële verleden van verdachte, zal een forensisch georiënteerde verslavingskliniek c.q. instelling of een combinatie van instellingen aangewezen zijn waar de beschreven stoornissen van verdachte in samenhang behandeld kunnen worden. Er zal gedacht moeten worden aan een gecombineerd klinisch en ambulant traject van minimaal drie tot vier jaar. De stoornissen van verdachte vertonen een sterke neiging tot chroniciteit. Na de klinische periode zal er een uitgebreid resocialisatietraject noodzakelijk zijn met veel interventies op systeem- en contextniveau en een uitgebreide langdurige behandeling/begeleiding op de gebieden woon- werk en dagbesteding om de kans op terugval in verslaving en justitiële problematiek te minimaliseren.

De gedragsdeskundigen adviseren de rechtbank om, indien het ten laste gelegde bewezen kan worden en dit bij de strafmaat past, gezien de aanwezigheid van te beïnvloeden risicofactoren en verdachtes wisselende motivatie, verdachte een zo lang mogelijke voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde de bovenomschreven klinische en ambulante begeleiding. Mocht de strafmaat niet passen bij het bewezenverklaarde, dan geven de rapporteurs de rechtbank in overweging om een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat genoemd rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en stelt op basis daarvan vast dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Vorenbedoelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten en zijn achterliggende problematiek, hebben meegewogen bij de overwegingen van de rechtbank tot het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf of maatregel.


Samenvattend stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict onder omstandigheden die de verbijstering die een dergelijk feit in z’n algemeenheid al veroorzaakt, nog hebben vergroot, en waarbij tevens sprake is geweest van het verstrekken van drugs en eerdere geweldplegingen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er bij verdachte sprake is van een combinatie van verslaving, zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis, de feiten hem slechts in licht verminderde tot verminderde mate kunnen worden toegerekend en dat er kans op recidive is op (gewelddadige) delicten als behandeling uitblijft.

De hierboven genoemde overwegingen overziend meent de rechtbank dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaar rechtvaardigen. Daarnaast acht de rechtbank het geheel onverantwoord als verdachte, bij wie, blijkens vorenbedoelde deskundigenrapportage een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis der geestvermogens ten tijde van de feiten bestond en ook thans nog bestaat, onbehandeld in de maatschappij zou terugkeren.

Alle bewezenverklaarde door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijvingen een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, zijnde misdrijven als bedoeld in artikel 37a lid 1 onder 1 Sr.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen in het geding is en eisen dat een maatregel tot terbeschikkingstelling wordt opgelegd in het kader waarvan behandeling van verdachte wordt geborgd. Voor zover de deskundigen een terbeschikkingstelling met voorwaarden hebben geadviseerd, stelt de rechtbank vast dat nu de duur van de op te leggen gevangenisstraf de maximale termijn van vijf jaar overschrijdt, de wet daartoe geen ruimte biedt. De rechtbank stelt vast dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet op een andere wijze kan worden gewaarborgd en is van oordeel dat de verpleging van overheidswege is vereist. De rechtbank zal verdachte derhalve de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Het spreekt tenslotte vanzelf dat de bewezenverklaarde doodslag een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 38e lid 1 Sr. De duur van de maatregel is daarmee onbepaald.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen aan verdachte worden geretourneerd en dat de forensische sporen bewaard blijven.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen.

De overwegingen van de rechtbank

Onder verdachte is een groot aantal voorwerpen inbeslaggenomen. Deze voorwerpen, zoals uiteengezet op pagina 100 t/m 107 en pagina 115 t/m 137 van het dossier, zijn eigendom van verdachte. Er bestaat geen verband tussen deze voorwerpen en de bewezenverklaarde feiten, anders dan dat verdachte deze voorwerpen ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten (bij zich) droeg dan wel dat deze voorwerpen in de woning van verdachte aanwezig waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze voorwerpen alsnog aan verdachte dienen te worden geretourneerd.

De voorwerpen op pagina 108 – 114 (volgnummer 1 t/m 13) van het dossier betreffen forensische sporen van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze voorwerpen derhalve bewaard te blijven.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 37a, 37b, 57, 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 3 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1A, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1A, 4 en 5 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1A het misdrijf: doodslag;
    feit 4 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5 subsidiair het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen zijn levensgezel;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1A, 4 en 5 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

  • -

    gelast dat de verdachte terbeschikkingstelling wordt gesteld;

  • -

    gelast dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

de inbeslaggenomen voorwerpen

  • -

    gelast de teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte;

  • -

    gelast de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen inhoudende forensische sporen van het slachtoffer.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen, waarbij ieder bewijsmiddel ook in zijn onderdelen slechts is gebruikt, voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland genaamd Onderzoek Ravel 05TGO14001, met nummer 2014008803 van 10 april 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

(Feit 1A)

- het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door de deskundige dr. B. Kubat, arts en patholoog, werkzaam voor het NFI van 17 maart 2014, pagina’s 4, 5, 6, 7, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren [geboortedag] 1986, is het navolgende gebleken:

  1. in het gelaat beiderzijds uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging, verschillend grote, streepvormige, tot in het onderhuidse weefsel reikende huidbeschadigingen achter beide oren (huidscheuren) met omgevende bloeduitstortingen en uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen in grote delen van de hoofdhuid (rechts meer dan links)

  2. kleine oppervlakkige huidbeschadiging met aansluitende kleine blauwe onderhuidse bloeduitstorting links in de hals

  3. uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen aan de voor-/bovenzijde van de borst

  4. deels zeer uitgebreide en talrijke paarse tot blauwe onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging aan beide armen;

  5. aan de binnenzijde van de linkeronderarm oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging en omgevende onderhuidse bloeduitstorting gelegen in een circulair patroon (diameter circa 4 cm)

  6. talrijke paarse tot blauwe bloeduitstortingen aan de voor-/binnen-/ en buitenzijde van de benen

  7. kleine bloeduitstortingen in de spieren van de voorste rompwand beiderzijds

  8. zeer talrijke bloeduitstortingen in de spieren en onderhuidse weke delen van de bovenste gedeelte van de rug beiderzijds en een bloeduitstorting in de spieren naast de wervelkolom links laag in de rug

  9. kleine bloeduitstortingen in de oppervlakkige spieren rechts op het niveau van het strottenhoofd en diepe spieren gelegen op het linkerschild van het strottenhoofd, kleine bloeduitstorting in de weke delen tussen de slokdarm en de halswervelkolom;

  10. bloeduitstortingen in de spieren van de mondbodem beiderzijds en in de tongspier rechtszijwaarts

  11. abnormale bewegelijkheid van het tongbeen berustend op een gewricht, geen letsels van het elastische strottenhoofd

  12. enkele stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de ogen en op het hartoppervlak;

  13. breuk van de 2e rib links met omgevende bloeduitstorting;

  14. abnormale bewegelijkheid van de onderkaak na uitname van de halsorganen (oropharynx);

  15. te zware longen (gewicht samen 1120 gram, normaal circa 750-850 gram) met tekenen van vochtophoping (longoedeem);

  16. afgeplatte hersenwindingen en discrete tekenen van zuurstoftekort in de hersenen.

Bij de sectie werden zeer veel en deels uitgebreide, recente uitwendige (1 t/m 4, 6) en inwendige (7, 8 en 13) letsels gezien. Deze waren het gevolg van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan optreden ten gevolge van (zich) stoten, slaan, schoppen of stevig vastpakken. De letsels waren talrijk maar niet dusdanig ernstig dat zij op zich het overlijden kunnen verklaren of daaraan direct kunnen hebben bijgedragen.

De abnormale bewegelijkheid van de kaak (14) kan passen bij ontwrichting van de kaak ten gevolge van inwerking van botsend geweld of bij zeer losse banden van het kaakgewricht.

Het letsel aan de binnenzijde van de linkeronderarm (5) was het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch tamelijk scherprandig geweld en kan zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld bijten.

De bloeduitstortingen in de halsspieren (9) en de mondbodem (10) kunnen zijn veroorzaakt door inwerking van botsend geweld of door samendrukkend geweld op de hals. De abnormale bewegelijkheid van het tongbeen (11) berust op de aanleg van een extra gewricht.

Indien er sprake was van samendrukkend geweld op de hals dan kan dit geweld aan het overlijden hebben bijgedragen, of het overlijden verklaren, door verstikking en daardoor opgetreden weefselschade. Ook het belemmeren van de bewegingen van de borstkas door bijvoorbeeld op de borstkas zitten, kan leiden tot verstikking en kan bijdragen aan het overlijden of leiden tot het overlijden (mechanische asfyxie). De stipvormige bloeduitstortingen (12) passen bij verstikking, die echter ook in het kader van het falen van de ademhaling bij bijvoorbeeld intoxicaties kan optreden.

Het longoedeem (15) was ontstaan ten gevolge van de intoxicatie al dan niet in combinatie met verstikking. De afgeplatte hersenwindingen (16) wijzen op hersenzwelling en herseninklemming, opgetreden in het kader van het proces van overlijden.

Het overlijden van [slachtoffer], geboren [geboortedag] 1986, kan worden verklaard door een intoxicatie met cocaïne, verstikking of een combinatie van deze twee factoren. Verstikking kan zijn opgetreden door samendrukkend geweld op de hals (wurghandeling), op de romp (mechanische asfyxie) of een combinatie van deze twee.

- een pathologisch onderzoek revisie inzake overlijden [slachtoffer], opgemaakt door de deskundige dr. F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, werkzaam bij het TMFI, van 25 november 2014, pagina’s 5, 10, 13, 14, 15, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Positionele verstikking door mechanische belemmering van de ademhaling is geen redelijke overweging.

Er is sprake van zeer uitgebreid kneuzingletsel aan het gelaat met een veronderstelde luxatie van een der kaakgewrichten, uitgebreide bloeduitstorting onder de (van nature zeer strakke) schedelhuid, mogelijke bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen aan de linkerzijde en rekverscheuring van de huid achter het rechteroor. Dit alleen al is het gevolg van herhaaldelijk en zeer heftig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan passen bij herhaaldelijk slaan, stompen, vallen of combinaties daarvan. Het optreden hiervan uitsluitend door een enkelvoudige val al dan niet na een enkelvoudige slag is gezien de verdeling uitgesloten. Met name de letsels links aan het hoofd met daarbij bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen zijn van dien aard dat de mate van geweldinwerking substantieel moet zijn geweest. Het is vrijwel niet anders uit te leggen dan dat het slachtoffer na oplopen hiervan evidente beïnvloeding van het bewustzijn moet hebben doorgemaakt. De mate van geweld is van dien aard dat dit op zich reeds ernstig letsel, in casu levensbedreigend letsel kan veroorzaken.

De aanwezigheid van opkomend ontstekingsinfiltraat in de hartspier, met name de immunokleuring (MPO), is indrukwekkend. Er bestaat geen twijfel dat er sprake is van hartspierbeschadiging met een ouderdom van mogelijk reeds één of enkele uren.

Alles nu tezamen kan worden gesteld dat bij slachtoffer [slachtoffer] sprake is geweest van zeer heftige en herhaaldelijke inwerking van uitwendig botsend en samendrukkend geweld. Er heeft zeer heftig geweld op het hoofd en lichaam plaatsgevonden met een dermate magnitude dat hiervan redelijkerwijs verwacht mag worden (ook door een leek) dat dit voor ernstig letsel en zelfs het intreden van de dood verantwoordelijk kan worden. Het intreden van de dood is vrijwel zeker het gevolg geweest van hartspierweefselversterf waarbij het begin van dit versterf reeds een uur of enkele uren voor het intreden van de dood kan zijn begonnen.

- het toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] opgemaakt door deskundige dr. K.J. Lusthof, toxicoloog bij het NFI, van 20 februari 2014, pagina’s 6, 8, 9 en 11, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

In het femoraalbloed van het slachtoffer is een concentratie van 0,8 mg/L ethanol aangetroffen, alsmede een concentratie van 0,015 mg/L THC. Tevens is een concentratie van 0,98 mg/L cocaïne aangetroffen in het femoraalbloed en is de aanwezigheid van de cocaïnemetabolieten (omzettingsproducten van cocaïne) benzoylecgonine, methylecgonine, ethylcocaïne en Hydroxycocaïne aangetoond.

Lichamelijke effecten van cocaïne zijn onder andere stijging van de bloeddruk en toename van de hartslag. Bij een acute cocaïne intoxicatie kunnen negatieve effecten op het hart optreden, zoals een verminderde doorbloeding van het hart, vernauwing van de bloedvaten van het hart, hartritmestoornissen en een hartinfarct. Daarnaast kunnen ook centrale effecten optreden zoals agitatie, agressie, een delier, een psychose, epileptische aanvallen en/of hyperthermie (verhoogde lichaamstemperatuur).

Het effect van cocaïne hangt niet alleen af van de concentratie, maar ook van het tijdstip na toediening of inname. Op grond van alleen de gemeten concentraties in bloed kan geen absoluut onderscheid worden gemaakt tussen fatale concentraties en werkzame concentraties die bij recreatief gebruik van cocaïne worden gemeten. Dat komt onder andere door mogelijke postmortale herverdeling en doordat de effecten van cocaïne sterk afhankelijk zijn van de mate van gewenning.

Bij autobestuurders die van 1995 tot 1998 werden aangehouden wegens verdenking van rijden onder invloed en waarbij cocaïne is aangetoond, was de gemiddelde concentratie van cocaïne 0,09 mg/L. De hoogste concentratie van cocaïne die bij deze personen werd gemeten was 0,87 mg/L. In de periode oktober 2002 tot oktober 2003 zijn er dertien fatale overdoseringen van cocaïne door het NFI gerapporteerd. Bij deze fatale overdoseringen varieerden de concentraties van cocaïne in femoraalbloed van 0,23 tot 17 mg/L. De scheidslijn tussen overdosering en recreatief gebruik is met postmortaal onderzoek bijzonder moeilijk te trekken.

Het bewustzijn/gedrag van het slachtoffer zal ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed door cocaïne en alcohol.

De hoge concentratie van cocaïne in het bloed past beter bij personen die zijn overleden ten gevolge van een overdosis van cocaïne dan bij personen die hier niet aan zijn overleden. Bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak kan het overlijden van het slachtoffer worden verklaard door een overdosering van cocaïne. Echter, op grond van alleen de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek kan het overlijden niet zonder meer worden verklaard.

- het toxicologisch onderzoek in bloed van [verdachte] opgemaakt door deskundige K.J. Lusthof, toxicoloog bij het NFI, van 20 februari 2014, pagina 8, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

In het bloed van [verdachte] zijn aangetoond: cocaïne met omzettingsproducten (benzoylecgonine en methylecgonine) en cannabinoïden (THC en THC-COOH).

- het toxicologisch onderzoek, opgemaakt door de deskundige dr. E.J.M. Pennings, toxicoloog, werkzaam voor het TMFI van 27 november 2014, pagina’s 9, 12, 13, 14, 16, 17, 19, 22, 23, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Alcohol, cocaïne en THC zijn psychoactieve stoffen. Deze stoffen beïnvloeden diverse hersenfuncties, hetgeen kan leiden tot nadelige effecten op gedrag, bewustzijn en geheugen van de gebruiker. De mate waarin dat gebeurt is afhankelijk van de ingenomen hoeveelheid en van individuele kenmerken, zoals de gevoeligheid voor de effecten van een stof en de mate van gewenning aan die stof.

In zijn algemeenheid veroorzaken alcohol en THC een verlaging van het bewustzijn en een vertraagde reactiesnelheid. Cocaïne verhoogt alertheid/waakzaamheid en impulsiviteit. Alcohol en cocaïne zijn geassocieerd met agressie en geweld. Cocaïne vergroot het zelfvertrouwen en kan (evenals alcohol) emotionele ontremming geven en daarnaast agitatie, hyperactiviteit, psychose en delier veroorzaken.

Cocaïne vernauwt de bloedvaten en kan zo de doorbloeding van het hart verminderen. Daarnaast veroorzaakt cocaïne een toename van de hartslag en de bloeddruk. Hierdoor neemt de zuurstofbehoefte van het hart toe onder gelijktijdige vermindering van de doorbloeding van de hartspier. Deze gezamenlijke effecten kunnen leiden tot overbelasting van het hart, hartritmestoornissen en een hartinfarct.

Het is aannemelijk dat hoge doses de zuurstofbehoefte aanzienlijk vergroten en kunnen leiden tot zuurstoftekort. Het risico op zuurstoftekort neemt verder toe indien de ademhaling wordt belemmerd. Het risico op overlijden ten gevolge van verwurging/asfyxie is verhoogd bij iemand onder invloed van cocaïne en THC.

Bij ernstige intoxicaties kan cocaïne hartspierweefselversterf veroorzaken, vermoedelijk door verstoring van de prikkelgeleiding in de zenuwen naar het hart en/of onvoldoende doorbloeding van de hartspier.

De aangetoonde concentratie van 0,98 mg/L is relatief hoog, maar niet ongebruikelijk, wanneer vergeleken met concentraties bij gebruikers in leven. Vergeleken met postmortale waarden bij fatale intoxicaties, is de gevonden waarde relatief laag.

Postmortaal gemeten concentraties zijn lang niet altijd een goede afspiegeling van de feitelijke concentraties in het bloed ten tijde van het overlijden door postmortale processen, zoals herverdeling van stoffen, stofwisseling, rotting, waardoor concentraties na het overlijden kunnen af- of toenemen. Concentraties geven niet nauwkeurig de omvang van de effecten weer ten tijde van het overlijden. Dat komt omdat er aanzienlijke verschillen bestaan in de gevoeligheid van personen voor de effecten van een stof. Deze verschillen kunnen van nature aanwezig zijn (individuele aanleg) of zijn ontstaan door regelmatig gebruik van een stof (gewenning).

Uit concentraties van lichaamsvreemde stoffen in postmortaal bloed kunnen geen conclusies worden getrokken over het tijdstip van overlijden.

Uit de gemeten concentratie van 0,98 mg/L mag niet worden geconcludeerd dat het slachtoffer aan cocaïne is overleden, maar wel dat het mogelijk is dat zij hieraan is overleden. Bij uitsluiting van een andere doodsoorzaak is de diagnose overlijden door acuut zuurstoftekort bij toegenomen zuurstofbehoefte door cocaïne- en cannabisgebruik aannemelijk. Het gebruik van cocaïne en cannabis (THC) kan hebben bijgedragen aan het hartspierweefselversterf doordat deze stoffen het hart extra belasten en de zuurstofbehoefte van het hart doen toenemen. In geval van onvoldoende zuurstoftoevoer, zoals zou kunnen gebeuren bij belemmering van de ademhaling en/of samendrukkend geweld op de hals, kan de door cocaïne en THC toegenomen zuurstofbehoefte leiden tot acuut zuurstofgebrek in de hartspier en hartspierweefselversterf.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige dr. Kubat, patholoog bij het NFI, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik blijf bij het door mij in het rapport ingenomen standpunt. Ter toelichting merk ik op dat we weten dat er hoge dosis cocaïne is en dat we weten dat die dodelijk kan zijn of niet. Ook weten we dat er letsels in de hals zijn die eventueel veroorzaakt kunnen zijn door samendrukkend geweld op de hals. Daar lijken ze ook goed bij te passen. Ook is er een verklaring dat verdachte gelegen dan wel gezeten heeft op de romp van het slachtoffer. Dit zijn allemaal factoren die op zich tot fataal einde leiden. Dat is bekend uit de literatuur. Die factoren moeten meegenomen worden. Waarbij de combinatie van alle factoren, als ze zich hebben voorgedaan, ook tot de dood kan leiden.

Er was beschadiging van de hartspier dat redelijk vers was.

Ik onderschrijf de conclusie van dr. Van de Goot, inhoudende dat in de vaten bij de hartspier een toename van granulocyten is aangetroffen, dat dit ontstekingsinfiltraat pas zichtbaar wordt wanneer de beschadiging al een uur of enkele uren aanwezig is en dat het slachtoffer aan hartspierweefselversterf is overleden. Ik kan onderschrijven dat er herhaaldelijk, multiple en excessief geweld heeft ingewerkt op het lichaam en het hoofd van het slachtoffer. Het botsende geweld is op zich niet dodelijk. In hoeverre samendrukkend geweld op de hals dodelijk is, hangt af van de duur van het samendrukken van de hals, maar dit kan op zich dodelijk zijn. De hoeveelheid ingenomen cocaïne kan ook dodelijk zijn. Door de inname van cocaïne is het risico op overlijden ten gevolge van verwurging dan wel asfyxie verhoogd. Er waren veel factoren, geweld, stress, de inname van drugs en het geweld op de hals, die allemaal een rol hebben gespeeld. Het is een combinatie van factoren.

Er waren veel factoren, geweld, stress, de inname van drugs en het geweld op de hals, die mijns inziens allemaal een rol hebben gespeeld en als dan daarbij gedurende een langere periode ook samendrukkend geweld op de borstkas is geweest bijvoorbeeld bij iemand die al niet meer goed bij bewustzijn was, dan draagt het bij. Alle functies worden minder door verlies van bewustzijn. Als dan ook nog de ademhaling bemoeilijkt wordt, dan telt dat op. Als iemand onder invloed is van een behoorlijke dosis drugs en als de zuurstoftoevoer wordt belemmerd dan is de kans overlijden groter.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige dr. Van de Goot, patholoog bij het TMFI, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Op het moment dat weefsel beschadigd raakt, zal het lichaam daar een ontstekingsreactie op genereren. In het rapport van collega dr. Kubat wordt al beschreven dat er in de vaten een toename is van een bepaald celtype; granulociet. Granulociet is de eerste ontstekingscel die opkomt. Dat soort ontstekingsinfiltraten zie je pas als de beschadiging al een uur of enkele uren aanwezig. Het is niet iets dat heel recent of vlak voor de dood optreedt. Bij toevoeging van contrastkleur is te zien hoeveel het er zijn. Ik heb de hoeveelheid als reëel ingeschat en niet als toevalstreffer.

Op de vraag of de hoeveelheid iets zegt over de duur tussen hartfalen en het tijdstip van overlijden zeg ik dat dit soort ontstekingsinfiltraten de tijd nodig hebben om op te komen. Het materiaal dat je onder de microscoop ziet is een steekproef van het hele hart. Wat ik daar zie is één of enkele uren bezig. Qua intensiteit of duur, dat kan je niet noemen want voor hetzelfde geld zit er pal naast iets anders. De diagnose hartspierweefselversterf is een reële diagnose. Met deze kleuringen heb ik de diagnose ook bewezen.

In dit geval zijn er aanwijzingen voor geweld op de hals maar niet is aanwezig het typische stuwingsbeeld wat te zien is bij wurging, bij bloedafvoerbelemmering. Het optreden van hartspierweefselversterf in deze setting met name bij gebruik van cocaïne, dan zal de aanwezigheid van cocaïne of het effect van cocaïne absoluut rol van betekenis gaan spelen. Cocaïne verhoogt de zuurstofbehoefte van de hartspier en het geeft vaatvernauwing. Er is een situatie van verhoogde gevoeligheid. Er is een proces bezig en daarbij komt een cascade aan handelingen die er voor zorgen dat het geheel op dit moment fataal verloopt.

Je hebt te maken met een hart dat het al zwaar te verduren heeft onder het cocaïnegebruik. Zo’n hart is verhoogd vatbaar. Dan komt er ook nog een serie geweldsinwerkingen. Die geven lichamelijke stress. Dan is er zonder meer al beschadiging van weefsel. Bij forse letsels zie je ook dat de hartspier harder gaat werken.

De hoeveelheid geweld die is gebruikt en wat er in casu van is opgelopen en de hoeveelheid geweld die is gebruikt en wat men er van had kunnen oplopen. In casu zijn scheuren, blauwe plekken en allerlei andere letsels aanwezig. Maar het slachtoffer is niet dood aan alleen de geweldinwerking. Deze geweldsinwerking is niet dodelijk zonder gebruik van de middelen. Dan de vraag of de dood was ingetreden als de geweldinwerking er niet was geweest. Dat weet ik niet. Heeft het dodelijk verlopen van de cocaïne een fundament in de geweldsinwerking? Dat zal zonder meer een rol hebben gespeeld waarom het nu misgaat.

Ik heb geconcludeerd dat sprake was van herhaaldelijk zeer heftig geweld op het hoofd en lichaam met een dermate magnitude dat hiervan redelijkerwijs verwacht mag worden dat dit voor ernstig letsel en zelfs het intreden van de dood verantwoordelijk kan worden gehouden. Wat ik hiermee bedoel is dat de kneuzing bijvoorbeeld aan de zijkant van het hoofd zeer heftig botsend geweld betekent. De blauwe plekken op bijvoorbeeld de armen is herhaaldelijk botsend geweld. Er zijn ribbreuken er zijn twee boogvormige letsels en dat is een inbeet. Primair is de doodsoorzaak hartspierweefselversterf geweest. Buiten dat is er een substantiële geweldsinwerking geweest en dat is iets dat niet zomaar eventjes optreedt.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige dr. Lusthof, toxicoloog bij het NFI, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Puur kijkend naar de metingen is over het moment van inname niets te zeggen. Dit komt omdat ik de ingenomen dosis niet weet. Een hogere dosis blijft langer aantoonbaar in het bloed.

Het dossier bevat verklaringen waarin is gesproken over een laatste dosis cocaïne van 0,7 gram. De eerder ingenomen doses zijn voor het grootste deel al uit het bloed verdwenen. De laatste dosis van 0,7 zou verdeeld zijn in twee porties, waarbij het slachtoffer meer zou hebben gekregen dan verdachte. Daar van uit gaande schat ik dat het overlijden binnen twee á drie uur na het gebruik van de laatste dosis is ingetreden.

Niet regelmatige gebruikers gebruiken meestal niet meer dan halve gram, heb ik gelezen op bijvoorbeeld de site van Jellinek, maar bij regelmatig gebruik en lichamelijke en geestelijke gewenning aan de middelen dan is dit niet ongebruikelijk.

Bij metingen bij overledenen bestaat altijd een onzekerheid. Wat je meet in bloed is vrijwel nooit gelijk aan leven wat er op het tijdstip van overlijden aanwezig was. Het is een aanname die we maken dat dit de beste benadering is van de hoeveelheid ten tijde van het overlijden. Er zitten wat aannames in over de dosis en dat wat wij meten ook datgene is wat op het moment van overlijden aanwezig was. Na het overlijden wordt niets meer afgebroken, maar er gebeuren wel andere processen waardoor die concentratie kan veranderen. Dit geldt met name ook voor cocaïne. Het kan hoger en lager worden. Het wordt hoger door herverdeling. Meestal worden concentraties hoger na het overlijden, maar cocaïne kan ook afbreken en dan wordt het weer lager.

De conclusie van dr. Pennings inhoudende dat er twee factoren zijn, verstikking enerzijds en gebruik van cocaïne en cannabis anderzijds, die de zuurstofbehoefte doen toenemen en dat dit een additief effect is, dat het elkaar versterkt en kan leiden tot acuut zuurstofgebrek, kan ik onderschrijven. Het gaat hier over een bijdrage van drugs aan het overlijden waarbij wordt aangenomen dat er sprake is van enige vorm van ademhalingsbelemmering. Het zou nadelig kunnen zijn dat je in staat van opwinding bent, wat ook is geconstateerd, plus de effecten van de stoffen zelf waardoor je hart een grotere zuurstofbehoefte heeft. Het hart gaat sneller slaan en dan ben je gevoeliger voor ademnood.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige dr. Pennings, toxicoloog bij het TMFI, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Bij uitsluiting van dat soort doodsoorzaken, dan is de mogelijkheid open van een fatale cocaïne-intoxicatie. Je kan achteraf niet vaststellen of dat de doodsoorzaak is. Dat kan niet aan de hand van alleen maar getallen die zijn geproduceerd in een laboratorium.

Zowel verstikking of verwurging kunnen tot overlijden leiden. Cocaïnegebruik kan ook tot overlijden leiden. Beiden gebeuren via het mechanisme van tekort aan zuurstof. Achteraf is niet te zeggen welke de belangrijkste bijdrage heeft geleverd. Maar ik kan een bijdrage van het gecombineerde gebruik van cocaïne en cannabis aan het overlijden niet uitsluiten.

Er zijn twee factoren, als u het heeft over verstikking enerzijds en gebruik van cocaïne en cannabis anderzijds, die de zuurstofbehoefte doen toenemen. Dat is een additief effect, het versterkt elkaar en kan leiden tot acuut zuurstofgebrek.

Tot anderhalve mg/per liter is bij chronisch gebruikers niet uitzonderlijk. De genoemde hoeveelheden zijn niet ongebruikelijk.

De halfwaardetijd van cocaïne is ongeveer een uur. Het is een vuistregel dat je na vijf uur de stof niet meer zal terugvinden in het bloed.

- de processen-verbaal van verhoor van verdachte van 24 januari 2014 en 10 februari 2014, pagina 179, 180, 181, 185, 240, 241, 242-2, in onderling verband en samenhang bezien, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

(de griffier: V= vraag, A= antwoord)

We hebben gedronken, cocaïne gebruikt. We kregen ruzie. Ik heb haar gebeten en we hebben gerollebold over de vloer. Ik heb met mijn knieën op haar armen gezeten. Ik heb haar bij de haren gepakt en haar gebeten. Ik heb haar een klap op haar achterhoofd gegeven en op de grond geduwd, dat ze tegen de bank viel. Dat kwam door de duw. Dat kan je wel zien, de bank is daar ook kapot.

Ik heb bij [coffeeshop] in Hengelo 1 gram hees (fon) gekocht. Dat is de sterkste wiet die er is. Die heb ik opgerookt, samen met mijn meisje.

Wij gebruikten vier a vijf dagen per week cocaïne. Dat deden we dan samen, [slachtoffer] en ik. We gebruikte twee tot drie pakjes cocaïne van 0,4 gram per pakje.

V: Volgens de gegevens in de telefoon van [slachtoffer] is op donderdag 23 januari 2014 om 04.24 uur en 04.32 uur nog gebeld met [naam].

A: Ik denk dat ik dat ben geweest. Beide tijdstippen zouden wel kunnen, omdat hij toen is meegereden. We zijn met de auto naar de pinautomaat bij Video Noord gegaan en ik heb gepind. Ik heb 50 euro gepind. Ik heb in de auto voor de videotheek het geld aan [naam] gegeven en de cocaïne gekregen. Ik ben toen naar huis gebracht door [naam].

V: Wie betaalde de cocaïne?

A: Wij samen. We leefden samen en we deelden de kosten samen.

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2014, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

[slachtoffer] en ik hebben sinds 29 september 2012 een relatie.

Op 22 januari 2014 kwam ik eerst thuis en ik ben daarna wiet gaan kopen in de coffeeshop en ik heb gepind. Ook ben ik bij de supermarkt geweest.

Er is in totaal vier keer drugs gekocht. Dat was drie keer 0,6 gram en één keer 0,7 gram. Dat weet ik zeker omdat er voor die leveringen geld was.

Ik had € 150,-- gepind. Dat is voor de eerste drie leveringen geweest. Daarna heb ik nog

€ 50,-- gepind en dat was voor de vierde levering. Het klopt denk wel dat ik ’s middags nog wat meer geld op zak heb gehad, want ik heb ook nog wiet en drank gekocht.

De drugs die ik voorhanden had in de avond van 22 op 23 januari 2014 was cocaïne. Ik ken de effecten van cocaïne. Het was sterke cocaïne.

De voorzitter houdt mij een verklaring van een getuige woonachtig op huisnummer [huisnummer] voor waarin is verklaard dat er rond 05.35 uur geschreeuw, gestamp en het huilen van [slachtoffer] is gehoord. Wij hebben in de loop van de avond en nacht onenigheid gehad.

Van de laatste levering cocaïne heeft [slachtoffer] iets meer gehad. De whiskey hebben we samen opgedronken. De fles was leeg. We hadden de laatste whiskey net ingeschonken voordat we ruzie kregen. Er is geweld geweest. Ik bedoel daarmee dat er over en weer geweld is geweest en dat ik ook verwondingen had. [slachtoffer] is veel kleiner dan ik.

Op de vraag wat rollebollen over de vloer is of stoeien en wanneer het geweld is of extreem geweld zeg ik dat ik mij kan herinneren dat ik heb geduwd en getrokken. [slachtoffer] is tegen de bank gevallen. De bank is daar kapot gegaan. We zijn door de woonkamer gerold of gevlogen. Ik zat op een gegeven moment met mijn knieën op haar armen. Ik zat boven op [slachtoffer] toen. Ik heb [slachtoffer] aan haar haren getrokken en ik heb [slachtoffer] gebeten.

Het is de ervaring dat er een andere [verdachte] tevoorschijn kan komen die snel boos is als ik gedronken heb. Nadat er eerder ruzie is geweest heb ik wel gemerkt dat ik er een ander persoon van wordt.

Normaal maken we kleine lijntjes cocaïne van ongeveer 0,1 gram als er een hoeveelheid van 0,6 gram is gekocht. Ik weet niet waarom ik bij de laatste levering twee grote lijntjes heb gemaakt.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 23 januari 2014, pagina 335, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Afgelopen nacht was het weer raak. Ik werd wakker van geschreeuw en keek op mijn telefoon die naast mij stond op een standaard. Ik zag dat het toen 05.00 uur was. Ik heb wakker gelegen tot 06.00 uur en toen ging mijn wekker. Tussen beide tijdstippen was er continue geschreeuw. Ik hoorde beide stemmen. Ze gingen behoorlijk tekeer. Om 06.00 uur liep mijn wekker af met muziek. Ik heb de muziek aan laten staan. Ik heb toen niet meer op de schreeuwpartij gelet. Ik heb mijn woning rond 08.00 uur verlaten. Ik heb verder niets meer gehoord.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 23 januari 2014, pagina 327, 328, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Onze woning en de naastgelegen woning aan de [adres] in [woonplaats] zijn op de onderste verdieping. Vanmorgen omstreeks 05.35 uur werd ik wakker van lawaai bij de buren. Ik hoorde geschreeuw en gestamp en gedreun alsof ze achter elkaar aan renden. Ik hoorde haar gillen en huilen en ik hoorde hem schreeuwen. Dat ging de hele tijd door, maar wel in vlagen, soms was het even stil en dan begon het weer. In ben na tien minuten of een kwartiertje naar de WC gegaan. Toen ik in de WC was, was ik veel dichter bij hun flat. Onze slaapkamer is het meest ver verwijderd van hun flat maar toch was ik er wakker van geworden. Ik hoorde dat zij zei ‘ik heb je niet bedrogen, je bent mijn schatje’. Ik heb hem horen zeggen ‘je liegt’. Ik ben weer naar bed gegaan en na tien minuten of een kwartiertje viel ik ook weer in slaap. Ik heb mijn wekker naar 7.30 uur gezet en ben om 7.30 uur opgestaan. Ik heb de buren vandaag niet meer gezien of gehoord.

- het deskundigenverslag van 23 januari 2014, opgemaakt door Th. Loef, lijkschouwer der gemeente Hengelo (O), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De ondergetekende Th. Loef, lijkschouwer der gemeente Hengelo (O) verklaart het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedag]-1986 te [geboorteplaats] persoonlijk te hebben geschouwd. Verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Conclusie: Niet natuurlijk overlijden.

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent Regiopolitie Twente, Cluster Midden team Hengelo Midden, pagina 26, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 23 januari 2014 omstreeks 16.25 uur kregen wij, mijn collega [verbalisant 2] en ik, een melding van het Regionaal Meldcentrum Twente. Aan de [adres] te Hengelo (O) zou een man zijn die vannacht ruzie zou hebben gehad met zijn vrouw. Zijn vrouw zou nu koud aanvoelen en niet aanspreekbaar zijn. Hierop zijn wij naar de woning gereden. Ter plaatse heb ik aangebeld bij [adres] te Hengelo (O).

Ik liep vervolgens de trap op met achter mij aan collega [verbalisant 2]. Ik zag dat verdachte [verdachte] de deur open deed. Wij liepen achter verdachte [verdachte] aan de woning binnen. Vanuit de woonkamer liep verdachte [verdachte] rechtsaf de slaapkamer in. Ik liep achter verdachte [verdachte] aan en zag een vrouw in bed liggen.

Toen ik voor verdachte [verdachte] stond zag ik dat hij verse verwondingen had aan zijn handen. Ik heb verdachte [verdachte] medegedeeld dat hij was aangehouden omdat ik hem verdachte van doodslag dan wel moord op zijn vriendin. Ik zeg vriendin omdat verdachte [verdachte] verklaarde, nadat hem de cautie was medegedeeld, dat het zijn vriendin betrof.

- het proces-verbaal bevindingen beelden ABN/AMRO van 11 februari 2014, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], medewerker Tactische opsporing, politie Twente, pagina 475, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 11 februari 2014 werden door mij aangeleverde beelden van de ABN/AMRO-bank, vestiging Sloetsweg 87 te Hengelo (O), bekeken.

De camera gaf de datum 23-01-2014 weer.

Op het tijdstip 04.38.46 uur komt een manspersoon in beeld op camera 2. Deze manspersoon komt om 04.38.47 uur ook in beeld op camera 1. Deze manspersoon herkende ik als zijnde verdachte in het onderzoek Ravel, te weten [verdachte], geb. [geboortedag]-1985 te [geboorteplaats], wonende aan de [adres] [woonplaats]. Bij het tijdstip 04.39.27 uur zie ik verdachte weer weglopen, kennelijk na een pintransactie.

(Feit 5 subsidiair)

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 februari 2014, pagina’s 194, 195, 225, 226, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

(de griffier: V= vraag, A= antwoord)

‘V: Hoelang hadden [slachtoffer] en jij een relatie?

A: vanaf 29 september 2012.

V: Is er fysiek geweld geweest tussen jullie?

A: Ja. Dat was kerstmiddag. [slachtoffer] had een blauw oog, blauwe plekken. Ik had haar ook met een kussen geslagen. Het was een hard kussen. Ik heb haar tijdens de ruzie geslagen. Ik heb haar met dat kussen hard geslagen. Ik heb haar daar wel een paar keer mee geslagen. Ik weet dat ik haar aan de haren heb getrokken.’

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 29 januari 2014, pagina 428, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

(de griffier: V= vraag, A= antwoord)

‘V: Wat heb je op kerstavond 2013 gezien?

A: Ik kreeg die avond een telefoontje van [slachtoffer]. Ze vroeg of ik bij hen langs wilde komen. Mijn vriendin is aan de [straat] in Hengelo in de auto blijven wachten. Ik ging naar binnen en ik zag heel veel bloed op de vloer in de woonkamer liggen. Ik zag dat [slachtoffer] in de hoek van de kamer op de grond lag. Ze bloedde. Ik zag dat ze een bloedneus had en dat haar haren rechtop stonden, ze stonden alle kanten op. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] onder het bloed zat.’

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 29 januari 2014, pagina 421, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

(de griffier: V= vraag, A= antwoord)

‘A: Met de kerst ben ik daar geweest met mijn vriend [getuige 4] (de griffier: lees [getuige 4]). Er was ruzie geweest en [slachtoffer] had ons in paniek gebeld. Ik heb bij [slachtoffer] gezien dat haar oog blauw was, ze een bloedneus had, haar keel blauw en dik was.

V: Heeft [slachtoffer] je verteld hoe ze met haar hoofd op de grond is geslagen door [verdachte]?

A: Ja hij heeft haar aan de haren vast gepakt en haar met het hoofd op de grond geslagen. Zowel met haar gezicht op de grond geslagen als met haar achterhoofd.

V: Heeft ze verteld hoe dat is gegaan?

A: Ze vertelde dat ze al op de grond lag en hij haar toen bij de haren pakte en met het hoofd tegen de grond sloeg. Meerdere keren. Haar neus was dik, haar oog was dik bij haar slaap.’

1 HR 27 maart 2012, LJN BT6362, NJ 2012/301

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 (HIV I)

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland genaamd Onderzoek Ravel 05TGO14001, met nummer 2014008803 van 10 april 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.