Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3928

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
175371 / KG RK 544-2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 175371 / KG RK 544-2015

beslissing van 25 augustus 2015

in de zaak van

[verzoeker] ,

verzoeker tot wraking,

verder ook te noemen verzoeker,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede,

strekkende tot wraking van mr. A. Flos in zijn hoedanigheid van kinderrechter in deze rechtbank, verder ook te noemen: de kinderrechter.

1 De procedure

1.1.

Op 18 augustus 2015 heeft verzoeker, tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, om de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen van verzoeker, [minderjarige 1] en [minderjarige 1] , te verlengen voor de periode van twaalf maanden (geregistreerd onder zaaknummer C/08/173403/JE RK 15-1054), de kinderrechter gewraakt. Verzoeker en zijn advocaat hebben de zittingszaal na de wraking verlaten.

1.2.

De advocaat van verzoeker is bij e-mail van 18 augustus 2015 (om 14.45 uur) op de hoogte gebracht van passages in het (nog nader uit te werken) proces-verbaal van de zitting van die ochtend en hem is gevraagd of de wraking wordt gehandhaafd en of hij de gronden nog wenst aan te vullen. De advocaat heeft hierop gereageerd als volgt:

In reactie op uw e-mailbericht van 18 augustus 2015 om 14:45 uur deel ik u het volgende mede.

i. Cliënt betreurt het dat er geen volledige opgave is gedaan van hetgeen vanaf de zitting is gebeurd en stelt daarover dat dit geen juiste weergave is van hetgeen gezegd is.

ii. Cliënt handhaaft de wraking.

iii. Wat cliënt betreft zijn de gronden gelegen in het negeren van artikel 19 Rv en artikel 21 en 22 Rv.

iv. Cliënt is van mening dat mr. Flos de autoritaire route koos en geen eerlijk proces heeft geboden. Volgens hem bleek dit ook al tijdens de behandeling van het verzoek van [L] , welk volgens hem in de planning lag om afgeraffeld te worden.

v. Ten slotte verzoekt cliënt dat de behandelende rechters van het wrakingsverzoek van een andere rechtbank komen.

Tot zover de reactie van de heer [verzoeker] .

Bij e-mail van de griffie d.d. 19 augustus 2015 is hierop gereageerd als volgt:

Na overleg met de voorzitter van de wrakingskamer bericht ik u als volgt.

Uw mailbericht zal worden voorgelegd aan de leden van de wrakingskamer.

De eerste vier onderdelen van uw mail kunnen aan de orde komen op de zitting van de wrakingskamer. In het laatste onderdeel van uw mail vraagt u te organiseren dat de rechters in de wrakingskamer van een andere rechtbank komen. Dit verzoek zal niet gehonoreerd kunnen worden, reeds omdat de rechtbank Overijssel geen invloed heeft op de agenda’s van rechters uit andere rechtbanken. De rechtbank hanteert daarnaast het wettelijk uitgangspunt dat wrakingsverzoeken van rechters door rechters uit het eigen college worden behandeld. Binnen de rechtbank wordt ernaar gestreefd dat de wrakingskamer wordt samengesteld uit rechters vanuit de verschillende locaties. Ook in het wrakingsverzoek van uw cliënt zal dat het geval zijn.

1.3.

De kinderrechter heeft niet berust in de wraking en heeft op 18 augustus 2015 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 21 augustus 2015 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. Bentem. Daarnaast is verschenen mr. J. Keupink, de advocaat van de moeder van de minderjarigen. De kinderrechter heeft reeds in zijn schriftelijke reactie d.d. 18 augustus 2015 aangegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling van het verzoek, tenzij dat noodzakelijk zou zijn.

1.5.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

In het proces-verbaal, dat is opgemaakt van de zitting van de kinderrechter, is onder meer opgenomen de volgende passage, nadat [verzoeker] (in het proces-verbaal: de man) aan het woord is geweest:

de kinderrechter: Wat vindt de vrouw van de verlenging van de ondertoezichtstelling van

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?

de man: U stelt de vrouw nu vragen over [minderjarige 1] èn [minderjarige 2] . Ik heb niks over [minderjarige 2]

mogen zeggen.

Ik ga nu de zaal verlaten. U bent partijdig. Ik ga u nu wraken. Hier pik ik niets van. Ik wil

een proces-verbaal.

Hierna verlaten [minderjarige 1] en de man de zaal.

2.2.

Hierop is door de advocaat bij e-mail gereageerd, zoals opgenomen onder overweging 1.2.

2.3.

Ter zitting heeft [verzoeker] het wrakingsverzoek toegelicht. Hij heeft gesteld dat het proces-verbaal, dat later van de zitting is opgemaakt, niet klopt: inhoudelijk niet, over wat wel of niet precies gezegd is en ook de context en chronologie kloppen volgens hem niet. Het punt is dat hij zowel in de zaak over zijn kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de zaak die vlak ervoor is behandeld, over [L] , heeft gevraagd aan de rechter om aan waarheidsvinding te doen, en dat is niet gebeurd. In de zaak van [L] mocht [verzoeker] slechts enkele vragen beantwoorden, hij had niet het recht om zelf wat te zeggen.

Ook in de zaak van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mocht hij alleen vragen beantwoorden van de rechter terwijl [verzoeker] allerlei bewijsstukken had en voor zichzelf aantekeningen had gemaakt en zijn zegje wilde doen. Aan het begin van de behandeling heeft de rechter gezegd “We gaan het nu over de OTS van [minderjarige 1] hebben”. Daarop werden aan [verzoeker] slechts drie vragen gesteld, toen vond de rechter het wel genoeg. Daarna richtte de rechter zich tot de moeder van de minderjarigen met de vraag “Wat vindt u van de OTS over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]”, terwijl [verzoeker] niets was gevraagd over [minderjarige 2] . Het complete plaatje heeft er voor gezorgd dat hij de rechter heeft gewraakt. [verzoeker] heeft de indruk dat de rechter vooringenomen was op basis van de vooraf ingediende stukken van de Raad voor de Kinderbescherming; hij voelde zich al veroordeeld op basis van die stukken. De rechter heeft niet aan waarheidsvinding gedaan ondanks dat [verzoeker] daarom heeft gevraagd. De rechter heeft niet één keer de moeite genomen om [verzoeker] aan het woord te laten of om te vragen naar de (bewijs)stukken die [verzoeker] had.

3 Het standpunt van de kinderrechter

3.1.

De kinderrechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft het volgende aangevoerd:

Hierbij bericht ik u dat ik niet berust in het verzoek tot wraking gedaan door de heer [verzoeker] .

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat ik partijdig ben.

Ik bestrijd de stelling van verzoeker en ik constateer dat hij geen concrete feiten en

omstandigheden aanvoert die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het standpunt dat ik jegens hem een vooringenomenheid koester, dan wel dat de (kennelijk) bij verzoeker op dat punt gerezen twijfel objectief gerechtvaardigd is. Het enkele feit dat aan de vrouw een reactie is gevraagd op het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] - beiden dochters van partijen - en met de man vooralsnog enkel, althans met name, is gesproken over het verlengingsverzoek met betrekking tot [minderjarige 1] acht ik niet een dergelijke aanwijzing.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2.

De opmerkingen van [verzoeker] over de juistheid van het van de zitting van de kinderrechter opgemaakte proces-verbaal zijn maar deels relevant in het kader van deze procedure. De wraking is immers niet gegrond op onjuistheden in het proces-verbaal en [verzoeker] heeft bovendien tijdens de zitting van de wrakingskamer volledig zijn visie op de gang van zaken ter zitting van de kinderrechter kunnen geven.

4.3.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat “het complete plaatje” aanleiding was voor de wraking; dat de rechter volgens hem vooringenomen was op basis van de vooraf toegezonden en gelezen stukken, dat hij onvoldoende ruimte kreeg om zijn zegje te doen, dat de rechter niet aan waarheidsvinding deed door geen toelichting te willen of stukken te willen zien en tenslotte, als druppel die de emmer deed overlopen, dat de kinderrechter de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen stelde over de OTS van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], terwijl [verzoeker] enkel vragen mocht beantwoorden over [minderjarige 1] .

4.4.

De wrakingskamer overweegt dat het de rechter is die -onder meer met inachtneming van het beginsel van hoor- en wederhoor- de regie voert op een zitting en bepaalt welk onderwerp wanneer aan de orde komt en wie daarover het woord mag voeren, alsmede wanneer hij zich voldoende geïnformeerd acht. Daarnaast is het indienen en lezen van de stukken vóór de zitting in zaken als de onderhavige gebruikelijk en correspondeert met een juiste taakopvatting van de behandelend rechter. Uit de omstandigheid dat de kinderrechter de stukken van de Raad voor de Kinderbescherming al had gelezen vóór de zitting en dat [verzoeker] minder ruimte/aandacht heeft gekregen dan hij verwachtte, kan dus niet zonder meer worden afgeleid dat de kinderrechter niet meer onpartijdig was.

4.5.

[verzoeker] heeft betwist dat het proces-verbaal van de zitting volledig juist is qua inhoud en chronologie, maar vast staat dat de kinderrechter hem in elk geval aan het woord heeft gelaten over [minderjarige 1] . Dat ging volgens het proces-verbaal overigens verder dan enkel het stellen van vragen. Volgens de wrakingskamer heeft [verzoeker] een punt daar waar hij wijst op het feit dat met hem is gesproken over enkel [minderjarige 1] en de moeder vragen werden gesteld over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het was volgens de wrakingskamer communicatief gezien niet handig van de kinderrechter om de moeder vragen te stellen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terwijl met [verzoeker] slechts was gesproken over [minderjarige 1] . De vraag aan moeder had zich onder de gegeven omstandigheden en omwille van de structuur beter kunnen beperken tot [minderjarige 1] . In een later stadium had dan een vraagronde ten aanzien van [minderjarige 2] kunnen volgen. Naar het oordeel van de wrakingskamer was het niettemin te vroeg om te grijpen naar het middel wraking, omdat er nog ruimte was voor de kinderrechter om aan [verzoeker] vragen te stellen over [minderjarige 2] en om daarmee te voldoen aan het vereiste van hoor- en wederhoor. De kinderrechter heeft in zijn reactie op het wrakingsverzoek ook aangegeven dat met [verzoeker] vooralsnog enkel is gesproken over [minderjarige 1] en de wrakingskamer acht het aannemelijk dat de kinderrechter ook [verzoeker] nog vragen zou hebben gesteld over [minderjarige 2] , ware het niet dat het daar niet van is gekomen door het ingediende wrakingsverzoek.

4.6.

De wrakingskamer kan begrijpen dat er gaandeweg de zittingen over [L] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [verzoeker] enige frustratie is opgebouwd door het feit dat hij niet de aandacht heeft gekregen die hij verwachtte, terwijl hij naar eigen zeggen “onderuit werd gehaald” in de stukken van de Raad voor de Kinderbescherming, maar volgens de wrakingskamer zijn er, objectief gezien, geen feiten of omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, die doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de kinderrechter. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.A.O.M. van Aerde, W.K.F. Hangelbroek en G. van Eerden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Nijkamp en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.