Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3899

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
4370613 \ EJ VERZ 15-328 en 4358068 \ EJ VERZ 15-321
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding, bewijsrecht in beginsel van toepassing, geen ernstig verwijtbaar handelen aan zijde werknemer of werkgever, derhalve geen billijke vergoeding, geen verkorte ontbindingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0805
GZR-Updates.nl 2015-0374
AR 2015/1572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 4370613 \ EJ VERZ 15-328 en 4358068 \ EJ VERZ 15-321

Beschikking van de kantonrechter van 20 augustus 2015

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting ZORGZAAM TWENTE,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

verzoekende partij, tevens verwerende partij, verder te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. H. Dijks

tegen

[X] ,
wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, tevens verzoekende partij, verder te noemen werknemer,

gemachtigde: mr. M.E. Kikkert.

1 De procedure

1.1.

De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk te ontbinden.

1.2.

De werknemer heeft een verweerschrift, voorzien van een tegenverzoek, ingediend.

1.3

Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgever bij brief van 6 augustus 2015 nog stukken toegezonden.

1.4

Op 13 augustus 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigde van werkgever heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en daarbij verweer gevoerd tegen het door werknemer ingediende tegenverzoek. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van een door werknemer aanhangig gemaakt kort geding strekkende tot veroordeling van werkgever tot doorbetaling van het loon en het verzoek van werkgeverstrekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met mevrouw [G] , partner van werknemer en een door [G] aanhangig gemaakt kort geding gericht tegen werkgever. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Werknemer is middels een schriftelijke arbeidsovereenkomst, getekend op 1 maart 2015, op die datum bij werkgever in dienst getreden in de functie van sociaal pedagogisch medewerker. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten tot

1 maart 2016 op basis van arbeidsduur van 32 uur per week. Tussentijdse opzegging is blijkens de arbeidsovereenkomst mogelijk. De opzegtermijn is bepaald op een maand.

2.2

In artikel 17 van de arbeidsovereenkomst is bepaald:

“De werknemer verklaart op de hoogte te zijn van de vereiste om een ‘ Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) in te leveren en deze direct na ontvangst van het aanvraagformulier aan te vragen bij zijn/haar gemeente. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege indien de VOG wordt geweigerd, de werknemer niet meewerkt aan de aanvraag van de VOG of de VOG niet of niet binnen 3 maanden na ondertekening van de overeenkomst wordt ingeleverd bij de werkgever.”

2.3

Voorts zijn partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een geheimhoudings-, non-concurrentie- en relatiebeding schriftelijk overeengekomen.

2.4

Alvorens werknemer bij werkgever in dienst is getreden, is hij bij werkgever werkzaam geweest op basis van een proefplaatsing middels tussenkomst van de gemeente Enschede van 1 oktober 2014 tot 1 januari 2015, welke is verlengd tot 1 april 2015.

2.5

Werknemer heeft geen originele VOG bij werkgever ingeleverd. In zijn personeelsdossier is een kopie VOG aangetroffen welke vals is gebleken. Het betreft een VOG die is afgegeven door het ministerie van Veiligheid en Justitie ten behoeve van de partner van werknemer, mevrouw [G] , die eveneens bij werkgever werkzaam was. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft op verzoek van werkgever bij schrijven (e-mail) van 27 mei 2015 het volgende bericht:

“[…]

De door u bijgevoegde kopie van de VOG is inderdaad vervalst. Er is aan de heer [X] geen verklaring omtrent gedrag verleend. Integendeel, eerdere aanvragen voor een VOG voor hem met hetzelfde functieprofiel zijn afgewezen. Het kenmerk dat op deze VOG staat heeft betrekking op de VOG die aan mevr. [G] is toegezonden en die ook bij u werkzaam is. Blijkbaar is deze nog gebruikt om een vervalsing te maken. Ik geef u in overweging aangifte te doen van deze vervalsing.

[…].”

2.6

Werkgever heeft aangifte van oplichting/vervalsing bij de politie gedaan.

2.7

Op 20 mei 2015 vindt een gesprek plaats tussen werkgever en [G] in verband met een genomen beslissing ten aanzien van een cliënt waarvan werknemer de begeleider was. Er wordt - voor zover van belang onder meer - afgesproken dat vrijdag 22 mei door de clustermanager samen met [G] alle personeelsdossiers op volledigheid worden gecontroleerd en dat werknemer een originele VOG dient in te leveren. Een dag later, op 21 mei 2015, heeft werknemer naar de clustermanager gebeld en laten weten dat hij het niet eens is met de manier waarop het gesprek op 20 mei 2015 is gevoerd en dat hij het er niet mee eens is dat hij een originele VOG moet inleveren. Werknemer wordt uitgenodigd op kantoor. Op 21 mei 2015 vindt (wederom) een gesprek plaats waarbij aanwezig waren werknemer, zijn zus, zijn partner mevr. [G] , de directeur van werkgever, de heer [D] , en de clustermanager. Dit gesprek is met nodige verbale geweld gepaard gegaan. Onder achterlating van de sleutels van de panden van werkgever zijn werknemer en [G] vertrokken. Zij hebben hun personeelsdossiers meegenomen.

Werkgever heeft dit vertrek in samenhang met de uitlatingen van werknemer, alsmede van [G] , opgevat als een genomen ontslag. Bij brief van 21 mei 2015 heeft werkgever werknemer het volgende bericht:

"Naar aanleiding van het gesprek vandaag met u, ondergetekende en dhr. [K] (cluster manager), delen wij u het volgende mede:

U heeft uw personeelsdossier meegenomen en u levert de uitgereikte sleutels van de diverse panden in en geeft aan te willen vertrekken.

Wij gaan ervan uit dat u hiermee zelf ontslag neemt bij de Stichting Zorgzaam Twente. Wij aanvaarden dit door u als ingediend ontslag."

2.8

Bij brief van 23 mei 2015 heeft werknemer onder meer het navolgende aan werkgever geschreven:

"Geachte heer [D] ,

Ik teken bezwaar aan tegen uw beslissing van 21 mei 2015. Het kenmerk van de beslissing is:

ingediende ontslag. Ik stuur een kopie van de beslissing met dit bezwaarschrift mee.

Ik ben het niet eens met de beslissing omdat u aangeeft dat ik mijn personeelsdossiers heb meegenomen en aangeeft te willen vertrekken. Daarnaast geeft u aan dat ik hiermee zelf ontslag genomen bij de Stichting Zorgzaam Twente.

Ik vind dat de beslissing moet zijn: dat u uit eigen wil mijn personeelsdossiers afgaf zonder een waarschuwing of vervolgafspraken te hebben gemaakt. Ik heb zelf geen ontslag genomen maar deel mee dat ook ik via deze werkwijze niet kan werken als een medewerker op persoonlijk vlak wordt benadeeld.

[….]

Tenslotte verzoek ik u om de beslissing niet uit te voeren tot dat u een beslissing op mijn bezwaarschrift hebt genomen."

2.9

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de voormalige gemachtigde van werknemer en [G] namens haar en werknemer aan werkgever het volgende geschreven:

"[…]

Er is geen sprake van een geldige opzegging van de arbeidsovereenkomst uwerzijds. Mijn cliënten hebben u reeds schriftelijk kenbaar gemaakt op eerste afroep beschikbaar te zijn.

Ik constateer dat u het salaris van beide cliënten niet of niet volledig betaald.[…]

Ik stel u in verzuim en in gebreke. Ik zeg u aan de achterstand in het salaris en de vakantietoeslag […] over te maken.

Indien cliënten mij kenbaar maken dat het salaris niet uiterlijk vrijdagochtend 5 juni a.s. om 10.00 uur op hun rekening staat bijgeschreven, zal ik zonder verdere aanzegging de zaak in kort geding aan de ter zake bevoegde rechter voorleggen. Daarbij zal ik vorderen dat u dient te betalen de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris, de wettelijke rente en tevens zal ik de proceskosten op u verhalen."

2.10

Bij brief van 4 juni 2015 heeft de gemachtigde van werkgever het volgende aan werknemer geschreven:

"[…]

U bent op 1 maart 2015 bij cliënte in dienst getreden op basis van een contract voor bepaalde tijd, voor de duur van één jaar [….].

Op 21 mei 2015 heeft u uw dienstverband met cliënte, in het bijzijn van diverse getuigen, opgezegd.

Uw ontslag is door cliënte geaccepteerd en is bij brief d.d. 21 mei 2015 aan u bevestigd. Hiermee is uw dienstverband tot een einde gekomen.

Thans stelt u, bij monde van uw advocaat, dat er nog een geldige arbeidsovereenkomst zou lopen. Het mag duidelijk zijn dat dit door cliënte wordt betwist.

Daarnaast miskent u dat uw dienstverband op grond van art. 17 van uw arbeidsovereenkomst reeds van rechtswege tot een einde is gekomen.

Op grond van art. 17 van uw arbeidsovereenkomst dient in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). In dit artikel is o.a. bepaald dat indien uw VOG wordt geweigerd of indien u niet binnen drie maanden na aanvang van het dienstverband een VOG aan cliënt heeft overhandigd, uw dienstbetrekking van rechtswege eindigt.

Cliënt heeft moeten constateren dat het ministerie van Justitie aan u geen VOG heeft verleend. Sterker nog, u heeft cliënte een vervalste VOG verstrekt.

Het ministerie van justitie heeft verklaard dat zij geen VOG aan u heeft verleend[…].

U heeft aan cliënte vervolgens een vervalste VOG verstrekt […]. Deze VOG is afgegeven voor uw partner, mevrouw [G] , maar is vervalst met uw naam. Hoewel het referentienummer bovenaan de pagina is vervaagd, staat het nummer van mevrouw [G] elders op de VOG nog wel vermeld. Bovendien is de kopie van uw VOG niet voorzien van de waarmerken die een kopie zou moeten hebben.

Hiermee is uw dienstverband van rechtswege geëindigd.

Voor zover uw dienstverband om voornoemde reden niet reeds tot een einde zou zijn gekomen, zegt cliënt u ontslag op staande voet aan op grond van art. 7:678 lid 1 sub a, d en/of k BW.

Voor uw functie is een VOG vereist. Deze plicht is tevens in uw arbeidsovereenkomst vastgelegd.

U wist, althans behoorde te weten, dat het ministerie van Justitie geen VOG aan u zou verstrekken.

U heeft cliënte vervolgens van valse inlichtingen over uw VOG voorzien, althans u heeft een vervalst document aan haar verstrekt.

Uw handelen in deze is onrechtmatig jegens cliënte en moet worden gekwalificeerd als valsheid in geschrifte c.q. oplichting en/of bedrog. Cliënte heeft ter zake inmiddels aangifte gedaan bij de politie

Voornoemde gedragingen, uw onrechtmatig handelen, althans het grovelijke schenden van de verplichtingen die arbeidsovereenkomst u oplegt, vormen dringende redenen voor het ontslag op staande voet. Uw gedrag heeft tot gevolg dat van cliënte redelijkerwijs niet kan worden gevergd uw arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren.

Als gevolg van het ontslag op staande voet bent u schadeplichtig. [….]."

2.11

Werknemer stelt (randnummer 9 bij dagvaarding) dat hij bij brief van 9 juli 2015 werkgever heeft laten weten dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en betwist schadeplichtig te zijn, dat aanspraak op doorbetaling van zijn loon wordt gemaakt en dat rechtsmaatregelen zijn aangezegd.

3.1.

Het verzoek van werkgever

3.1.1.

De werkgever verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met de werknemer voorwaardelijk te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onder e en/of g BW.

3.1.2.

Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - (ernstig) verwijtbaar handelen van de werknemer als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onder e BW en/of wegens een verstoorde arbeidsverhouding artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW die zodanig is dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.

Het verweer van werknemer

3.2.1.

De werknemer verweert zich tegen het verzoek en heeft verzocht de gevraagde ontbinding af te wijzen, subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden daaraan een vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 9502,30 bruto met veroordeling van werkgever in de kosten van de procedure.

Tijdens de zitting heeft werknemer zich tegen de ontbinding vooral verzet voor zover gebaseerd op verwijtbaar handelen. Hij heeft wel onderkend dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie die voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet realistisch maakt. In zoverre heeft hij zich ter zake gerefereerd.

3.2.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding van € 9.502,30 bruto.

3.3.

Het tegenverzoek van werknemer

Werknemer verzoekt voorwaardelijk, te weten voor zover tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgegaan, het non-concurrentiebeding en het relatiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst te schorsen met veroordeling van werkgever in de kosten van de procedure.

3.4.

Het verweer van werkgever op het tegenverzoek

Werkgever heeft ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van werknemer.

4 De beoordeling van het verzoek van werkgever

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet, gelet op het verweer van de werknemer, ook worden beoordeeld of aan de werknemer een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een opzegverbod.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.4.

De werkgever voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van werknemer, ongeschiktheid van de werknemer voor de functie en/of een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub d, e en/of g BW.

Partijen zijn het er over eens, zo bleek tijdens de mondelinge behandeling, dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. De kantonrechter zal, nu sprake is van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd deze arbeidsovereenkomst te laten voort duren, tot voorwaardelijke ontbinding, te weten indien en voor zover deze niet reeds eerder rechtsgeldig is geëindigd, overgaan op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. De overige gronden kunnen daarmee onbesproken blijven.

4.5.

Er is geen reden te oordelen dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn nog mogelijk is gelet op de tussen partijen ernstige verstoorde arbeidsrelatie en de beperkte omvang van het bedrijf van werkgever.

4.6.

Het verzoek van de werkgever zal derhalve worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW - vooralsnog - zal worden ontbonden op 1 oktober 2015. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, doch niet korter dan een maand. Door de in rechtsoverweging 4.7 geformuleerde bewijsopdracht kan de ontbindingsdatum mogelijk anders worden.

Voor zover werkgever met haar verzoek de arbeidsovereenkomst ‘op de kortst mogelijke termijn uit te spreken’ bedoeld heeft een beroep te doen op de mogelijkheid op een kortere termijn te ontbinden als bedoeld in artikel 7:671B lid 8 sub b BW, zal dit verzoek worden afgewezen. Werkgever heeft aan het ontbindingsverzoek, naast de verstoorde arbeidsrelatie, weliswaar mede verwijtbaar handelen van werknemer mede ten grondslag gelegd, maar heeft niet (onderbouwd) gesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer dat tot ontbinding op een kortere termijn dient te leiden.

4.7.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of aan werknemer, zoals door hem verzocht, een billijke vergoeding moet worden toegekend. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Vast staat dat werknemer niet over een VOG kan beschikken gelet op zijn strafrechtelijk verleden. Werknemer stelt evenwel dat werkgever de door [G] aan werkgever overhandigde originele VOG heeft vervalst ten behoeve van het dossier van werknemer. Dat lijkt hoogst onwaarschijnlijk. Wat daar ook van zij; als de stelling van werknemer juist zou zijn, zou dat ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever kunnen opleveren. Werkgever heeft evenwel betwist dat zij van [G] een originele VOG heeft ontvangen en dat zij, werkgever, die heeft vervalst.

Nu door de bij wet gegeven mogelijkheid tot hoger beroep met betrekking tot de (voorwaardelijke) ontbinding daaraan feitelijk de mogelijkheid binnen korte termijn definitief duidelijkheid over de gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst te verkrijgen is ontvallen, is dat geen reden meer om het bewijsrecht niet van toepassing te achten. Gelet op de betwisting door werkgever ligt het in beginsel op de weg van werknemer zijn stelling dat werkgever de originele VOG van [G] ten behoeve van werknemer’s personeelsdossier heeft vervalst ten behoeve van [X] te bewijzen. In dit geval zal aan een bewijsopdracht aan werknemer bij gebreke van een onvoldoende onderbouwd bewijsaanbod niet worden toegekomen. Hij heeft slechts in algemene zin bewijs van zijn stellingen aangeboden maar op geen enkele wijze aangegeven hoe daarmee kan komen vast te staan dat hij de originele VOG aan werkgever heeft overhandigd en werkgever die heeft vervalst. De vordering ter zake van de billijke vergoeding wordt afgewezen.

4.8

Nu geen billijke vergoeding wordt toegekend, hoeft werkgever geen gelegenheid te worden gegeven het verzoek in te trekken.

4.9

De kantonrechter ziet, nu de ontbinding op grond van een verstoorde relatie wordt toegewezen zonder dat met zekerheid is vast te stellen aan wie het ontstaan van die verstoorde relatie in overwegende mate is te wijten, alsmede nu partijen deels in het (on-) gelijk worden gesteld, aanleiding de kosten te compenseren.

5 De beoordeling van het verzoek van werknemer

5.1

Werknemer heeft verzocht het concurrentie- en relatiebeding te schorsen indien op het verzoek van werkgever tot ontbinding wordt overgegaan. Werkgever heeft verweer gevoerd.

Nu op het verzoek van werkgever tot ontbinding wordt overgegaan zal het verzoek van werknemer beoordeeld moeten worden. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW kan werknemer dit verzoek bij zelfstandig tegenverzoek indienen. Het gaat daarbij niet om een voorlopige voorziening, doch een ‘bodem’zaak. Anders dan door werkgever ter zitting is bepleit, heeft werknemer wel een (tegen)verzoek gedaan, hetgeen is vervat in haar verweerschrift op het voorwaardelijk ontbindingsverzoek doch in haar conclusie nadrukkelijk als ‘eigen’ verzoek is geformuleerd en derhalve als zodanig kenbaar is. Gelet op het door werkgever gevoerde verweer heeft hij hiervan ook op die wijze kennis genomen en dat als zelfstandig tegenverzoek begrepen.

5.2

Nu, zoals door werknemer is aangevoerd het concurrentiebeding, alsook het relatiebeding dat als concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 lid 1 BW dient te worden aangemerkt, zijn opgenomen in een arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan, kan een dergelijk beding alleen dan rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomst worden opgenomen als uit een daarbij door de werkgever opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Daarvan is geen sprake.

Ingevolge artikel 7:653 lid 3 kan de rechter een dergelijke beding vernietigen. Werknemer heeft geen vernietiging gevraagd. Hij heeft schorsing gevraagd. Nu in het algemeen waar het meerdere kan worden toegewezen, ook het mindere kan worden toegewezen, zal de kantonrechter tot schorsing overgaan.

5.3

Werkgever wordt in het tegenverzoek als zijnde de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter beslist:

op het verzoek van werkgever

I ontbindt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, te weten, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat die niet reeds eerder rechtsgeldig is geëindigd met ingang van 1 oktober 2015,

II wijst het verzoek van werknemer om daarbij tot toekenning van een billijke vergoeding over te gaan af,

III compenseert de kosten in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

op het verzoek van werknemer

I schorst het relatie- en concurrentiebeding met ingang van heden,

II veroordeelt werkgever in de kosten van de werknemer, begroot op € 200,00 wegens salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.