Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3898

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
4370602 \ EJ VERZ 15-327 en 435805\EJ VERZ 320-15
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding, bewijsrecht in beginsel van toepassing, geen ernstig verwijtbaar handelen aan zijde werknemer of werkgever, derhalve geen billijke vergoeding, geen verkorte ontbindingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0804 met annotatie van A.R. Houweling
AR 2015/1571
RAR 2015/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 4370602 \ EJ VERZ 15-327 en 435805\EJ VERZ 320-15

Beschikking van de kantonrechter van 20 augustus 2015

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING ZORGZAAM TWENTE,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

verzoekende en verwerende partij, verder te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. H. Dijks

tegen

[X] ,
wonende te [woonplaats] ,

verwerende en verzoekende partij, verder te noemen werkneemster,

gemachtigde: mr. M.E. Kikkert.

1 De procedure

1.1.

De werkgever heeft een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk te ontbinden.

1.2.

De werkneemster heeft een verweerschrift, voorzien van een tegenverzoek, ingediend.

1.3

Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgever bij brief van 6 augustus 2015 nog stukken toegezonden.

1.4

Op 13 augustus 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigde van werkgever heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en daarbij verweer gevoerd tegen het door werkneemster ingediende tegenverzoek. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van een door werkneemster aanhangig gemaakt kort geding strekkende tot veroordeling van werkgever tot doorbetaling van het loon en het verzoek van werkgever strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de heer [B] , partner van werkneemster, en door [B] aanhangig gemaakt kort geding gericht tegen werkgever. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Werkneemster is middels een schrikkelijke arbeidsovereenkomst, getekend op

1 maart 2015, op dezelfde datum bij werkgever in dienst getreden in de functie van administratief medewerkster. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten tot 1 maart 2016 op basis van arbeidsduur van 18 uur per week. Tussentijdse opzegging is blijkens de arbeidsovereenkomst mogelijk. De opzegtermijn is bepaald op een maand.

2.2

In artikel 17 van de arbeidsovereenkomst is bepaald:

“De werknemer verklaart op de hoogte te zijn van de vereiste om een ‘Verklaring Omtrent Gedrag (VOG)’ in te leveren en deze direct na ontvangst van het aanvraagformulier aan te vragen bij zijn/haar gemeente. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege indien de VOG wordt geweigerd, de werkneemster niet meewerkt aan de aanvraag van de VOG of de VOG niet, of niet binnen 3 maanden na ondertekening van de overeenkomst, wordt ingeleverd bij de werkgever.”

2.3

Voorts zijn partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een geheimhouding-, non-concurrentie-en een relatiebeding schriftelijk overeengekomen.

2.4

Alvorens werkneemster bij werkgever in dienst is getreden, is zij bij werkgever werkzaam geweest op basis van een proefplaatsing middels tussenkomst van de gemeente Enschede.

2.5

In het personeelsdossier van [B] (de partner van werkneemster die eveneens na een proefplaatsing sinds 1 maart 2015 bij werkgever werkzaam was als sociaal pedagogisch medeweker is een kopie VOG aangetroffen welke vals is gebleken. Het betreft een VOG die is afgegeven door het ministerie van Veiligheid en Justitie ten behoeve van werkneemster, mevrouw [X] . Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft op verzoek van werkgever bij schrijven (e-mail) van 27 mei 2015 het volgende bericht:

“[…]

De door u bijgevoegde kopie van de VOG is inderdaad vervalst. Er is aan de heer

[B] geen verklaring omtrent gedrag verleend. Integendeel, eerdere aanvragen voor een VOG voor hem met hetzelfde functieprofiel zijn afgewezen. Het kenmerk dat op deze VOG staat heeft betrekking op de VOG die aan mevr. [X] is toegezonden en die ook bij u werkzaam is. Blijkbaar is deze nog gebruikt om een vervalsing te maken. Ik geef u in overweging aangifte te doen van deze vervalsing.

[…].”

2.6

Werkgever heeft aangifte van oplichting/vervalsing bij de politie gedaan.

2.7

Op 20 mei 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkgever en werkneemster in verband met een genomen beslissing ten aanzien van een cliënt waarvan [B] de begeleider was. Er is voor zover relevant onder meer afgesproken dat vrijdag 22 mei door de clustermanager samen met werkneemster alle personeelsdossiers op volledigheid worden gecontroleerd en dat [B] een originele VOG dient in te leveren. Een dag later, op 21 mei 2015, heeft [B] naar de clustermanager gebeld en laten weten dat hij het niet eens is met de manier waarop het gesprek op 20 mei 2015 is gevoerd en met de eis dat hij een originele VOG moet inleveren. Hij wordt daarop uitgenodigd op kantoor. Op diezelfde dag, 21 mei 2015 vindt (wederom) een gesprek plaats waarbij aanwezig waren [B] , zijn zus, werkneemster, de directeur van werkgever, de heer

[D] , en de clustermanager. Dit gesprek is met het nodige verbale geweld gepaard gegaan. Onder achterlating van de sleutels van de panden van werkgever zijn [B] en werkneemster vertrokken. Zij hebben hun personeelsdossiers meegenomen.

Werkgever heeft dit vertrek in samenhang met de uitlatingen van werkneemster, alsmede die van [B] , opgevat als een genomen ontslag. Bij brief van 21 mei 2015 heeft werkgever werkneemster het volgende bericht:

"Naar aanleiding van het gesprek vandaag met u, ondergetekende en dhr. [K] (cluster manager), delen wij u het volgende mede:

U heeft uw personeelsdossier meegenomen en geeft aan te willen vertrekken.

Wij gaan ervan uit dat u hiermee zelf ontslag neemt bij de Stichting Zorgzaam Twente. Wij aanvaarden dit door u als ingediend ontslag."

2.8

Bij brief van 22 mei 2015 heeft werkneemster onder meer het navolgende aan werkgever geschreven:

"Geachte heer [D] ,

Op 22 mei 2015 hebt u mij op non-actief gesteld. Met deze brief laat ik u weten dat ik daar niet akkoord mee ga. Naar mijn mening is er geen reden die rechtvaardigt dat u mij op non-actief stelt.

Vanzelfsprekend ben ik bereid om weer met mijn werk te beginnen zodra u mij daarom vraagt. Uiteraard ben ik ook bereid met u te overleggen over de redenen die u had om mij op non-actief te stellen. Ik hoop met dit overleg te bereiken dat ik op korte termijn weer met mijn werk kan beginnen.

Voor de duidelijkheid wijs ik u erop dat u verplicht blijft mij het volledige loon door te betalen. Dit staat in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:628 ).

Als het nodig is, zal ik gebruik maken van de rechten die ik heb volgens de wet.

Graag ontvang ik uw reactie binnen 10 dagen na de datum van deze brief.”

2.9

Op 23 mei 2015 stuurt werkneemster nog een brief, dezelfde die ook [B] heeft gestuurd, te weten:

"Geachte heer [D] ,

Ik teken bezwaar aan tegen uw beslissing van 21 mei 2015. Het kenmerk van de beslissing is:

ingediende ontslag. Ik stuur een kopie van de beslissing met dit bezwaarschrift mee.

Ik ben het niet eens met de beslissing omdat u aangeeft dat ik mijn personeelsdossiers heb meegenomen en gemeld heb te willen vertrekken. Daarnaast geeft u aan dat ik hiermee zelf ontslag genomen bij de Stichting Zorgzaam Twente.

Ik vind dat de beslissing moet zijn: dat u uit eigen wil mijn personeelsdossier afgaf zonder een waarschuwing of vervolgafspraken te hebben gemaakt. Ik heb zelf geen ontslag genomen maar deel mee via deze werkwijze niet kan werken als ik op persoonlijk vlak wordt benadeeld.

[….]

Tenslotte verzoek ik u om de beslissing niet uit te voeren tot dat u een beslissing op mijn bezwaarschrift hebt genomen."

2.10

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de voormalige gemachtigde van werkneemster en [B] namens hen beiden aan werkgever het volgende geschreven:

"[…]

Er is geen sprake van een geldige opzegging van de arbeidsovereenkomst uwerzijds. Mijn cliënten hebben nu reeds schriftelijk kenbaar gemaakt op eerste afroep beschikbaar te zijn.

Ik constateer dat u het salaris van beide cliënten niet of niet volledig betaald.[…]

Ik stel u in verzuim en in gebreke. Ik zeg u aan de achterstand in het salaris en de vakantietoeslag […] over te maken.

Indien cliënten mij kenbaar maken dat het salaris niet uiterlijk vrijdagochtend 5 juni a.s. om 10.00 uur op de rekening staat bijgeschreven, zal ik zonder verdere aanzegging de zaak in kort geding aan de ter zake bevoegde rechter voorleggen. Daarbij zal ik vorderen dat u dient te betalen de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris, de wettelijke rente en tevens zal ik op de proceskosten op u verhalen."

2.11

Bij e-mail van 4 juni 2015 heeft werkgever werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op vrijdag 5 juni om 10:00 uur in verband met de VOG. Werkneemster is niet verschenen.

2.12

Bij brief van 5 juni 2015 heeft de gemachtigde van werkgever het volgende aan werkneemster geschreven:

"[…]

U bent op 1 maart 2015 bij cliënte in dienst getreden op basis van een contract voor bepaalde tijd, voor de duur van één jaar [….].

Op 21 mei 2015 heeft u uw dienstverband met cliënte, in het bijzijn van diverse getuigen, opgezegd.

Uw ontslag is door cliënte geaccepteerd en is bij brief d.d. 21 mei 2015 aan u bevestigd. Hiermee is uw dienstverband tot een einde gekomen.

Thans stelt u, bij monde van uw advocaat, dat er nog een geldige arbeidsovereenkomst zou lopen. Het mag duidelijk zijn dat de door cliënte wordt betwist.

Daarnaast miskent u dat uw dienstverband op grond van art. 17 van een arbeidsovereenkomst reeds van rechtswege tot een einde is gekomen.

Op grond van art. 17 van uw arbeidsovereenkomst dient in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). In dit artikel is o.a. bepaald dat indien uw VOG wordt geweigerd of indien u niet binnen drie maanden na aanvang van het dienstverband een VOG aan cliënt heeft overhandigd, uw dienstbetrekking van rechtswege eindigt.

Cliënte heeft moeten constateren dat u nimmer een VOG aan haar heeft verstrekt.

Hiermee is uw dienstverband van rechtswege geëindigd.

Voor zover uw dienstverband om voornoemde reden niet reeds tot een einde zou zijn gekomen, zegt cliënt u het ontslag op staande voet aan op grond van art. 7:678 lid 1 sub d en/of k BW.

Cliënte heeft moeten constateren dat u betrokken bent geweest bij de vervalsing van de VOG van uw partner, de heer [B] , die tevens werkzaam is voor cliënte, althans dat u van deze vervalsing op de hoogte was of had moeten zijn.

Het ministerie van justitie heeft verklaard dat zij geen VOG aan de heer [B] heeft verleend (zie bijlage 1),

De heer [B] heeft een vervalste VOG en cliënte verstrekt[…]. Hierbij is volgens het ministerie van justitie uw VOG vervalst, met de naam van uw partner. Hoewel het referentienummer bovenaan de pagina is vervaagd, staat uw nummer elders op de VOG nog wel vermeld.

In uw functie van administratief medewerkster houdt u zich o.a. bezig met dossierbeheer en de VOG’s, zo ook het dossier van uw partner. U wist of althans had moeten weten dat het ministerie van justitie, gelet op het verleden van uw partner geen VOG aan hem zou verstrekken. Daarnaast wist u of had u moeten weten dat de VOG vervalst was, nu hierop nota bene uw gegevens stonden vermeld. U heeft het niet gemeld bij cliënte.

Bij e-mail van 4 juni jl heeft cliënt u uitgenodigd voor een gesprek […] over de VOG. Op deze uitnodiging heeft u niet gereageerd en ook op het gesprek bent u niet verschenen.

Gelet op het voorgaande is sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk en grovelijke schending van de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst aan u oplegt.

Uw handelen in deze is onrechtmatig jegens cliënte en moet worden gekwalificeerd als valsheid in geschrifte c.q. oplichting en/of bedrog. Cliënte heeft ter zake inmiddels aangifte gedaan bij de politie.

Voornoemde gedragingen, uw onrechtmatig handelen en het grovelijk schenden van de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst u oplegt, voor mijn dringende redenen voor het ontslag op staande voet. Uw gedrag heeft tot gevolg dat van cliënte redelijkerwijs niet kan worden gevergd uw arbeidsovereenkomst nog langer te laten voort duren. Als gevolg van het ontslag op staande voet bent u schadeplichtig

[...]

Voorts heeft cliënte moeten constateren dat u in strijd met art. 18 van de arbeidsovereenkomst al het e-mail verkeer van uw account bij cliënte heeft verwijderd. Cliënte houdt u reeds nu aansprakelijk voor schade die hierdoor zal ontstaan.[…].”

3.1.

Het verzoek van werkgever

3.1.1.

De werkgever verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met de werkneemster voorwaardelijk te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onder e en/of g BW.

3.1.2.

Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - (ernstig) verwijtbaar handelen van de werkneemster als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onder e BW en/of wegens een verstoorde arbeidsverhouding artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW die zodanig is dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.

Het verweer van werkneemster

3.2.1.

De werkneemster verweert zich tegen het verzoek en heeft verzocht de gevraagde ontbinding af te wijzen, subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden daaraan een vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 9502,30 bruto met veroordeling van werkgever in de kosten van de procedure.

Tijdens de zitting heeft werkneemster zich tegen de ontbinding vooral verzet voor zover gebaseerd op verwijtbaar handelen. Zij heeft wel onderkend dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie die voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet realistisch maakt. In zoverre heeft zij zich ter zake gerefereerd.

3.2.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt de werkneemster om toekenning van een billijke vergoeding van € 9.502,30 bruto.

3.3.

Het tegenverzoek van werkneemster

Werkneemster verzoekt voorwaardelijk, te weten voor zover tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt overgegaan, het non-concurrentiebeding en het relatiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst te schorsen met veroordeling van werkgever in de kosten van de procedure.

3.4.

Het verweer van werkgever op het tegenverzoek

Werkgever heeft ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van werkneemster.

4 De beoordeling van het verzoek van werkgever

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet, gelet op het verweer van de werkneemster, ook worden beoordeeld of aan de werkneemster een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een opzegverbod.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werkneemster binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.4.

De werkgever voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van werkneemster en/of een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e respectievelijk g BW.

Hoezeer partijen verschillen van inzicht over de vraag of er sprake is van verwijtbaar handelen van werkneemster met betrekking tot de valse VOG op naam van [B] , doch met het referentienummer van een aan werkneemster afgegeven VOG, zijn partijen het er wel over eens dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Dat betekent dat naar oordeel van de kantonrechter sprake is van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding dat geoordeeld moet worden dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd deze arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter zal derhalve de arbeidsovereenkomst, voorwaardelijk, te weten indien en voor zover deze niet reeds eerder rechtsgeldig is geëindigd, ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.

4.5.

De kantonrechter is verder van oordeel dat er geen reden is om te oordelen dat herplaatsing van de werkneemster binnen een redelijke termijn nog mogelijk is gelet op de tussen partijen ernstige verstoorde arbeidsrelatie en de beperkte omvang van het bedrijf van werkgever.

4.6.

De conclusie is dat het verzoek van de werkgever zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden op 1 oktober 2015. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, doch niet korter dan een maand. Voor zover werkgever met haar verzoek de arbeidsovereenkomst ‘op de kortst mogelijke termijn uit te spreken’ bedoeld heeft een beroep te doen op de mogelijkheid op een kortere termijn te ontbinden als bedoeld in artikel 7:671B lid 8 sub b BW, zal dit verzoek worden afgewezen. Werkgever heeft aan het ontbindingsverzoek, naast de verstoorde arbeidsrelatie, weliswaar mede verwijtbaar handelen van werkneemster ten grondslag gelegd. Werkgever heeft evenwel niet onderbouwd gesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster dat tot ontbinding op een kortere termijn dient te leiden.

4.7.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of aan werkneemster, zoals door haar verzocht, een billijke vergoeding moet worden toegekend. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Werkneemster heeft daartoe gesteld dat zij haar originele VOG aan werkgever, in de persoon van de [D] , heeft overhandigd en de VOG buiten haar om, door werkgever moet zijn vervalst. Als het juist zou zijn zou dat ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever kunnen opleveren. Werkgever heeft evenwel betwist dat werkneemster haar een originele VOG heeft overhandigd en dat van vervalsing daarvan door werkgever sprake is geweest.

Nu door de bij wet gegeven mogelijkheid tot hoger beroep met betrekking tot de (voorwaardelijke) ontbinding daaraan feitelijk de mogelijkheid binnen korte termijn definitief duidelijkheid over de gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst te verkrijgen is ontvallen, is dat geen reden meer om het bewijsrecht niet van toepassing te achten. Gelet op de betwisting door werkgever ligt het in beginsel op de weg van werkneemster haar stelling dat zij een originele VOG aan werkgever heeft overhandigd en werkgever deze heeft vervalst ten behoeve van [B] te bewijzen. In dit geval zal aan een bewijsopdracht aan werkneemster bij gebreke van een onvoldoende onderbouwd bewijsaanbod niet worden toegekomen. Zij heeft slechts in algemene zin bewijs van haar stellingen aangeboden maar op geen enkele wijze aangegeven hoe daarmee kan komen vast te staan dat zij de originele VOG aan werkgever heeft overhandigd en werkgever die heeft vervalst. De vordering ter zake van de billijke vergoeding wordt afgewezen.

4.8

Nu geen billijke vergoeding wordt toegekend, hoeft werkgever geen gelegenheid te worden gegeven het verzoek in te trekken.

4.9

De kantonrechter ziet, nu de ontbinding op grond van een verstoorde relatie wordt toegewezen zonder dat met zekerheid is vast te stellen aan wie het ontstaan van die verstoorde relatie in overwegende mate is te wijten, alsmede nu partijen deels in het (on-) gelijk worden gesteld, aanleiding de kosten te compenseren.

5 De beoordeling van het verzoek van werknemer

5.1

Werkneemster heeft verzocht het concurrentie- en relatiebeding te schorsen indien op he verzoek van werkgever tot ontbinding wordt overgegaan. Werkgever heeft daartegen verweer gevoerd. Nu tot ontbinding wordt overgegaan, dient het verzoek van werkneemster beoordeeld te worden.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW kan werkneemster dit verzoek, anders dan door werkgever ter zitting is bepleit, bij verweerschrift doen. Het gaat daarbij niet om een voorlopige voorziening, doch een ‘bodem’zaak.

5.2

Nu, zoals door werkneemster is aangevoerd het concurrentiebeding, alsook het relatiebeding dat als concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 lid 1 BW dient te worden aangemerkt, zijn opgenomen in een arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan, kan een dergelijk beding alleen dan rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomst worden opgenomen als uit een daarbij door de werkgever opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Daarvan is geen sprake.

Ingevolge artikel 7:653 lid 3 kan de rechter een dergelijke beding vernietigen. Werkneemster heeft geen vernietiging gevraagd. Zij heeft schorsing gevraagd. Nu in het algemeen waar het meerdere kan worden toegewezen, ook het mindere kan worden toegewezen, zal de kantonrechter tot schorsing overgaan.

5.3

Werkgever wordt in het tegenverzoek als zijnde de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter beslist:

op het verzoek van werkgever

I ontbindt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, te weten, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat die niet reeds eerder rechtsgeldig is geëindigd met ingang van 1 oktober 2015,

II wijst het verzoek van werkneemster om daarbij tot toekenning van een billijke vergoeding over te gaan af,

III compenseert de kosten in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

op het verzoek van werkneemster

I schorst het relatie- en concurrentiebeding met ingang van heden,

II veroordeelt werkgever in de kosten van de werkneemster, begroot op € 200,-- wegens salaris van de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.