Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3890

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
15/436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens activiteiten in strijd met de voor het perceel geldende bestemmingen. Verweerder heeft opnieuw onvoldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke en planologische situatie op het perceel van belanghebbende en daarmee niet voldaan aan de uitspraken van de rechtbank van 9 januari 2014 en 20 november 2014. Tevens was tijde van het bestreden besluit geen sprake van concreet zich op legalisatie. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] ,

[eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] ,

allen wonende te Giethoorn, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder,

en

[naam 1]

wonende te Giethoorn, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder belanghebbende gelast de met de bestemmingen strijdige activiteiten op de percelen, gelegen aan de [adres] in Giethoorn en kadastraal bekend sectie A, nummer 915 en 916, definitief te (doen) beëindigen en beëindigd te houden. Deze activiteiten betreffen het stallen/opslaan van (boot)trailers en aanhangwagens, al dan niet ten verkoop, het stallen/opslaan van een rupsgraafmachine, een ‘Hooby’, een shovel en tractoren alsmede de bedrijfsactiviteiten onder de naam ‘ [bedrijf 1] ’, ‘ [bedrijf 2] ’, ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 4] ’.

Bij besluit van 2 april 2013 heeft verweerder het hiertegen door belanghebbende ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden last onder dwangsom in die zin herroepen dat daaruit de aanschrijving jegens ‘ [bedrijf 2] ’ en ‘ [bedrijf 4] ’ wordt verwijderd.

Bij uitspraak van 9 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 april 2013 vernietigd en verweerder opgedragen om, met inachtneming van het bepaalde in die uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van belanghebbende.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft verweerder bij besluit van 4 april 2014 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de bestreden last onder dwangsom in die zin herroepen dat daaruit de aanschrijving jegens ‘ [bedrijf 2] ’, ‘ [bedrijf 4] ’, ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ wordt verwijderd. Daarnaast is de opgelegde last in die zin herroepen dat deze geldt voor de geconstateerde overtreding náást de woning en niet achter de woning op het perceel [adres] in Giethoorn.

Bij uitspraak van 20 november 2014 heeft de rechtbank het hiertegen door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2014 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van het bepaalde in die uitspraak.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 10 februari 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de bestreden last onder dwangsom in die zin herroepen dat daaruit de aanschrijving jegens ‘ [bedrijf 2] ’, ‘ [bedrijf 4] ’, ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ wordt verwijderd. Daarnaast is de opgelegde last in die zin herroepen dat deze geldt voor de gronden gelegen buiten de bestemming ‘Bedrijf’, zoals aangegeven op de kaart die als bijlage bij het besluit is gevoegd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 juli 2015. Namens eisers zijn verschenen [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Holtjer en P. Kleine. Belanghebbende is eveneens verschenen, bijgestaan door [naam 2] .

Overwegingen

1. Ten tijde van het primaire besluit was op de percelen [adres] het bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord-Oost’ van toepassing. Ingevolge dit bestemmingsplan had een gedeelte van de percelen de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’, met de nadere aanduiding 'A' (aannemersbedrijf). Het overige deel van beide percelen had de bestemming ‘Natuurgebied met agrarisch gebruik’.

2. In de uitspraak van 9 januari 2014 heeft de rechtbank bepaald dat verweerder voor wat betreft de naast de woningen aan de [adres] geplaatste aanhangers en boottrailers, op gronden met de bestemming ‘Natuurgebied met agrarisch gebruik’, terecht heeft vastgesteld dat de bestemmingsplanvoorschriften waren overschreden. Met betrekking tot de achter de woningen geplaatste aanhangwagens, boottrailers en landbouwmachines heeft de rechtbank in de uitspraak van 9 januari 2014 geoordeeld dat verweerder de feitelijke en planologische situatie op de percelen [adres] onvoldoende had onderzocht en vastgelegd. Tevens was de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende had onderzocht welke activiteiten binnen het bedrijf ‘ [bedrijf 1] ’ worden uitgevoerd.

3. In het besluit op bezwaar van 4 april 2014 heeft verweerder vastgesteld dat op het perceel [adres] de op 16 juni 2013 in werking getreden beheersverordening ‘Buitengebied’ (hierna: de Beheersverordening) van toepassing is. In dit besluit stelt verweerder dat het perceel [adres] ingevolge deze beheersverordening de bestemming ‘Wonen – Buitengebied’ heeft en dat daarbinnen geen bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Verweerder stelt in het besluit van 4 april 2014 echter dat voor Giethoorn een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is (het bestemmingsplan ‘Giethoorn’) waar het perceel [adres] ook onder gaat vallen. Volgens dit bestemmingsplan zal het perceel een bestemming krijgen waarbinnen lichte bedrijfsfuncties zijn toegestaan. Volgens verweerder wordt de strikte aanduiding ‘aannemersbedrijf’ die het perceel op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord-Oost’ had vervangen door een algemene categorie die een gelijksoortige lichte bedrijvigheid toestaat. Hierdoor had het volgens verweerder geen nut meer om ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ te blijven vasthouden aan de last onder dwangsom. Deze onderdelen van de opgelegde last zijn daarom in het besluit van 4 april 2014 herroepen. Tevens is in dit besluit bepaald dat de last alleen geldt voor de geconstateerde overtreding náást de woning en niet achter de woning op het perceel [adres] .

4. In de uitspraak van 20 november 2014 oordeelde de rechtbank dat verweerder met het besluit van 4 april 2014 op onjuiste wijze uitvoering had gegeven aan de uitspraak van 9 januari 2014, omdat verweerder onvoldoende onderzoek had verricht naar de feitelijke en planologische situatie op het perceel van belanghebbende en de door ‘ [bedrijf 1] ’ verrichte bedrijfsactiviteiten. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte had geconcludeerd dat met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende sprake was van concreet zicht op legalisatie. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat ten tijde van het besluit van 4 april 2014 slechts een voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage had gelegen, dat nog niet was uitgekristalliseerd welke bestemming het perceel van belanghebbende zou krijgen en dat ook niet duidelijk was waar de grenzen van de verschillende bestemmingen zouden worden gelegd. Op basis hiervan diende naar het oordeel van de rechtbank bij het opleggen van de last onder dwangsom te worden uitgegaan van de in de Beheersverordening opgenomen bestemmingen.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat een gedeelte van het perceel [adres] ingevolge de geldende Beheersverordening de bestemming ‘Wonen-Buitengebied’ heeft en dat een gedeelte de bestemming ‘Natuur’ heeft. Deze bestemmingen staan geen bedrijfsactiviteiten toe. In het bestreden besluit geeft verweerder echter opnieuw aan rekening te willen houden met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, op basis waarvan op het perceel van belanghebbende lichte bedrijfsfuncties mogelijk zullen zijn. Op basis hiervan concludeert verweerder opnieuw dat het blijven vasthouden aan de last onder dwangsom voor wat betreft de bedrijfsactiviteiten van ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ geen nut meer heeft. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een kaart gevoegd waarop de beoogde bedrijfsbestemming, zoals die in het nieuwe bestemmingsplan zal worden opgenomen, is ingetekend. In het bestreden besluit stelt verweerder dat hiermee aan belanghebbende voor het gebruik van zijn perceel de voorschriften worden opgelegd die behoren bij de bestemming ‘Bedrijf’, zoals die zullen worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Op basis hiervan concludeert verweerder in het bestreden besluit dat het primaire besluit gedeeltelijk in stand blijft en dat de last onder dwangsom geldt voor geconstateerde overtredingen buiten de bestemming ‘Bedrijf’.

6. In geschil is de vraag of verweerder met het bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van de rechtbank van 9 januari 2014 en 20 november 2014.

7. De rechtbank stelt vast dat, zoals eisers terecht aanvoeren, uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder, in navolging van de uitspraken van 9 januari en 20 november 2014, nader heeft onderzocht wat de feitelijke situatie op het perceel van belanghebbende is en waar de grenzen van de thans op dat perceel rustende bestemmingen precies lopen. Evenmin blijkt uit het besluit dat verweerder nader onderzoek heeft verricht naar de precieze bedrijfsactiviteiten van ‘ [bedrijf 1] ’. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in zoverre op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de beide uitspraken van de rechtbank.

8. Voorts blijkt uit de stukken dat het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Giethoorn’ van 13 mei 2015 tot en met 23 juni 2015 ter inzage heeft gelegen. Dat is derhalve na het nemen van het bestreden besluit. Hieruit volgt dat verweerder ten tijde van dat besluit niet op basis van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan heeft kunnen concluderen dat er voor wat betreft de gronden binnen de bestemming ‘Bedrijf’, zoals aangegeven op de kaart bij het bestreden besluit, sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft de last onder dwangsom in het bestreden besluit dan ook niet op deze kaart mogen baseren.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat niet mocht worden vooruitgelopen op het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Giethoorn’ en de daarin opgenomen grenzen tussen de bestemmingen, heeft verweerder de rechtbank in verweer verzocht om toepassing van de bestuurlijke lus. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in dit geval echter te veel onduidelijkheid om hiertoe over te gaan. Zo staat het, mede gelet op de bezwaren van eisers daartegen, nog niet vast dat de bestemming die het perceel van belanghebbende in het definitieve bestemmingsplan zal krijgen precies hetzelfde is als de bestemming zoals die is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is niet duidelijk wat de feitelijke situatie op het perceel van belanghebbende is en evenmin wat de bedrijfsactiviteiten van ‘ [bedrijf 1] ’ precies zijn en in hoeverre deze op grond van het nieuwe bestemmingsplan zijn toegestaan. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar van belanghebbende moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. Omdat het beroep gegrond wordt verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van de kant van eisers niet van dergelijke kosten is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 februari 2015;

- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van belanghebbende te nemen, met

inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 167,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op 25 augustus 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.