Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3885

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
ak_15_516_v
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Rechtbank was bevoegd beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege niet voldoende specifieke machtiging; verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 15/516

uitspraak van de enkelvoudige kamer

[opposant]

wonende te Almelo,

gesteld gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer

Procesverloop

Bij uitspraak van 25 maart 2015 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

Het verzet is ter zitting van 19 juni 2015 behandeld. [naam opposant] noch mr.drs. J.M.C. Niederer (Niederer) zijn verschenen.

Overwegingen

1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep. ‘Kennelijk’ betekent dat over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.

2. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat in beroep overgelegde machtiging niet voldoende specifiek is omdat deze machtiging zodanig ruim geformuleerd is dat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat de Niederer [naam 3] vertegenwoordigt in deze specifieke zaak. Daarnaast ontbeert de machtiging een originele handtekening.

3. In verzet is het standpunt ingenomen dat over de rechtsgeldigheid van de overgelegde machtiging geen enkele twijfel kan bestaan. Verwezen is naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4665.

4. De rechtbank is van oordeel dat in verzet geen argumenten zijn aangevoerd die nopen tot het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De bevoegdheid van de rechtbank op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, een schriftelijke machtiging te verlangen, brengt met zich dat de rechtbank bevoegd is uit het oogpunt van doelmatige administratie en doelmatige rechtsbescherming voorwaarden te stellen waaraan een gevraagde machtiging dient te voldoen, teneinde vast te kunnen stellen of degene waarvoor een persoon zich als gemachtigde stelt deze persoon daadwerkelijk heeft gemachtigd beroep in te stellen tegen het betreffende besluit. Uit de machtiging moet blijken of de beweerdelijk vertegenwoordigde wenst dat beroep wordt ingesteld overeenkomstig het ingediende beroepschrift.

Naar het oordeel van de rechtbank, in verzet, is de overgelegde machtiging niet voldoende specifiek omdat deze machtiging zodanig algemeen is geformuleerd dat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat Niederer [naam 3] vertegenwoordigt in deze specifieke onderliggende beroepszaak. In dit kader merkt de rechtbank nog op, dat in het bestreden besluit de naam [naam 1] wordt genoemd, terwijl de verstrekte machtiging op naam van [naam 2] is gesteld.

Nu onbetwist geen gehoor is gegeven aan het verzoek van de rechtbank van 17 maart 2015 om een meer specifieke volmacht in te zenden en in een reactie van 18 maart 2015 nadrukkelijk te kennen is gegeven dat de overgelegde volmacht rechtsgeldig en afdoende is en dat een nieuwe volmacht niet zou worden toegezonden, was de rechtbank in de uitspraak van 25 maart 2015 dan ook bevoegd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Onvoldoende is gebleken dat [naam 3] een machtiging heeft afgegeven om beroep in te stellen bij deze rechtbank tegen het besluit van 26 februari 2015 van de minister van Veiligheid en Justitie.

De verwijzing naar jurisprudentie als de uitspraak van de ABRS van 24 december 2014 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In genoemde uitspraak is geoordeeld dat een machtiging voldoende specifiek moet zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Uit overweging 2.1 van die uitspraak blijkt dat uit de in die zaak overgelegde machtiging kon worden afgeleid dat de machtiging betrekking had op het ter zake ingediende verzoek om informatie.

Dat is in de nu voorliggende zaak niet aan de orde. De overgelegde machtiging van 5 november 2014 noemt slechts in algemene zin geschillen en daarmee mogelijk verband houdende acties en het bestrijden van de beslissing van 2 oktober 2014 (BQ 1714). Deze beslissing en dit kenmerk zijn niet te relateren aan het bestreden besluit en/of aan het nummer van de procedure.

Ook de casus die bijvoorbeeld voorlag in de uitspraak, gepubliceerd ECLI:NL:RVS:4185 was een andere, mede gelet op de motivering van de rechtbank in de onderliggende procedure.

5. Op grond van het voorafgaande dient het verzet, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb, ongegrond te worden verklaard. Ingevolge het bepaalde in het zesde lid van evengenoemd artikel blijft de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2015 in stand.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, en door haar ondertekend. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.