Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3883

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
C/08/153842 / HA ZA 14-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedwongen verkoop pand brengt minder op omdat derden zich toegang tot het pand hebben verschaft en schade aan het pand hebben toegebracht (in het pand is een wietplantage geexploiteerd). Bank wil de schade die zij als hypotheeknemer lijdt verhalen op de (indirect) bestuurders van de stichting die eigenaar was van het pand. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders, die niet van de wietplantage op de hoogte waren, niet rechtstreeks of in de uitoefening van hun functie van bestuurder jegens de bank aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1987
NJF 2015/516
JONDR 2016/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/153842 / HA ZA 14-175

Vonnis van 26 augustus 2015

in de zaak van

naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. Meuleman te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.J.A. van Dijk te Almere.

Partijen worden hierna de Bank, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte houdende overlegging producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij kredietovereenkomsten van 9 maart 2009 en 15 juli 2011 heeft de Bank een krediet van € 942.000,00 verstrekt aan Lebufa Groep B.V., hierna Lebufa. Enig aandeelhouder en bestuurder van Lebufa was destijds de heer [X] .

2.2.

Lebufa was eigenaar van een pand aan de [adres] te [plaats 2] , hierna ‘het pand’.

Bij hypotheekakte van 16 maart 2012 heeft [X] als bestuurder van Lebufa aan de Bank een recht van hypotheek verleend op het pand. Het pand is van 1 februari 2009 tot 31 januari 2013 verhuurd aan de besloten vennootschap Cargill B.V.

2.3.

Vanaf 28 december 2012 was Stichting Administratiekantoor Lebufa Groep (hierna: de stichting) enig bestuurder en enig aandeelhouder van Lebufa. Enig bestuurder van de stichting was in de periode van 11 maart tot 1 juli 2013 [gedaagde 1] en in de periode van 1 juli 2013 tot 14 augustus 2013 [gedaagde 2] . Na 14 augustus 2013 is volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel de heer Marinov bestuurder geweest van de stichting.

2.4.

Na vertrek van de huurder Cargill heeft het pand enige tijd leeggestaan. In de eerste helft van 2013 heeft de Bank een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorgestelde nieuwe huurder, te weten GTFT B.V. geweigerd.

2.5.

In maart 2013 heeft [gedaagde 2] onbekende personen en een hennepkwekerij in aanbouw in het pand aangetroffen.

2.6.

In het weekend van 20 en 21 juli 2013 heeft de politie een hennepkwekerij in het pand aan de Nijverheidsstraat ontmanteld.

2.7.

Na een verzoekschrift van 19 september 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, bij beschikking van 15 oktober 2013 de Bank gemachtigd om het pand in beheer te nemen.

2.8.

Bij brief van 20 november 2013 heeft de Bank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor door haar gestelde schade op grond van artikel 6:162 juncto 2:11 BW en daartoe aangevoerd dat het bestuur van Lebufa, “Lebufa jegens de Bank heeft doen wanpresteren door in strijd met het huurbeding het Verhypothekeerde zonder toestemming van de Bank te verhuren”.

2.9.

[gedaagde 1] heeft daar bij brief van 18 december 2013 op gereageerd en onder meer geschreven:

“(…)

Ter zake verhuur:

De verhuur aan GTFT is nimmer (bewijsbaar met getuigen) geëffectueerd, allereerst omdat de noodzakelijke toestemming van de bankier ontbrak, terwijl ook de sleutels van de verschillende toegangsdeuren ontbraken, domweg omdat de heer [X] deze niet wenste af te geven, gelijk ook met de volledige administratie het geval was.
De heer [gedaagde 2] bezat alleen een sleutel van een kleine zijdeur verder niets.

(…)
De heer [gedaagde 2] is in de maand maart nog in het pand geweest en ontdekte daar een opbouw van een “wiet”kwekerij, er waren meerder personen bezig met de opbouw daarvan.
De “voorman", van dezen- [Y] genaamd- vertelde aan de heer [gedaagde 2] dat hij het pand gehuurd had van de heer [X] .

De heer [gedaagde 2] heeft toen direct de plaatselijk politie laten komen die e.e.a. genoteerd heeft, waarna hij [gedaagde 2] , de opgemelde heren direct het pand heeft uitgezet.

In de maanden april/mei is de heer [gedaagde 2] verschillende malen, ingeval hij voor zaken in het Twentse moest zijn, op terugweg via [plaats 2] gereden, hem is aan de buitenzijde verder niets opgevallen.”

2.10.

Het taxatierapport van 30 december 2013 van Snelder Zijlstra Bedrijfsmakelaars vermeldt dat de marktwaarde van het pand, vrij van huur en gebruik, op de peildatum 12 augustus 2013 € 590.000,00 bedraagt. De marktwaarde onder bijzondere omstandigheden, vrij van huur en gebruik, is in dit rapport vastgesteld op 65% van voormeld bedrag, te weten € 380.000,00. Onder “opmerkingen” is vermeld:
“Deze waardevaststelling is gebaseerd op het gegeven dat het object nog functioneel aan te wenden is en in algemene goede staat verkeerd.”

2.11.

In een ander taxatierapport van 9 januari 2014, eveneens van Snelder Zijlstra Bedrijfsmakelaars, met peildatum 24 december 2013, is het pand getaxeerd op een marktwaarde in de huidige staat van € 180.000,00 en de marktwaarde in normaal functionele staat van € 590.000,00. Het rapport vermeldt onder meer:

“1.5. Bijzonderheden

Het object is langdurig niet meer in gebruik. Ook is recent in het object een hennepkwekerij ontmanteld. Er is aanmerkelijke schade toegebracht aan het object, specifiek wat betreft installaties en dakconstructies.

(…)

Opmerking:
De staat waar het pand zich thans in bevind is zeer deplorabel. De bedrijfsruimte is echt op slopershoogte en er is heel veel afvalmateriaal in het object achtergelaten. De kantoren zijn redelijk maar ook daar zijn allerlei vernielingen aangebracht en er worden grote vraagtekens gesteld bij de werking van de installaties alsmede de kwaliteit van de aanwezige elektrotechnische voorzieningen.”

2.12.

Bij brief van 22 januari 2014 heeft de heer R.S. Duijn van Snelder Zijlstra Bedrijfsmakelaars onder meer verklaard:

“In aanvulling op het taxatierapport d.d. 20 augustus 2013 inzake bovengenoemd onroerend goed informeren wij u hierbij als volgt.

Het bedrijfscomplex gelegen aan de [adres] te [plaats 2] vertegenwoordigt een marktwaarde onder bijzondere omstandigheden van :
€ 135.000,--

(…)

Marktwaarde onder bijzondere omstandigheden is het geschatte bedrag waarvoor een object binnen 6 maanden na taxatiedatum zou worden overgedragen onder bijzondere omstandigheden, waarbij er geen sprake is van een bereidwillige verkoper, maar van gedwongen verkoop met beperkte marketing.”

2.13.

Lebufa is op 25 februari 2014 in staat van faillissement verklaard. Het pand is via parate executie op 22 mei 2014 voor een bedrag van € 350.000,00 verkocht. De opbrengst is toegekomen aan de Bank.

3 Het geschil

3.1.

ABN AMRO Bank N.V. vordert samengevat - voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens de Bank hebben gehandeld door toe te staan, althans niet te voorkomen, dat derden zich de toegang tot het pand aan de [adres] te [plaats 2] hebben kunnen verschaffen en daar een wietplantage hebben kunnen exploiteren, alsmede dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge geleden schade en daarnaast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 210.000,-- op de door de Bank geleden schade, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder de beslagkosten.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van de Bank strekt tot vergoeding van schade die is ontstaan doordat derden schade aan een bedrijfscomplex hebben toegebracht, van welk bedrijfscomplex de Bank hypotheeknemer is. Gelet op haar stellingen bij - met name - conclusie van repliek, beroept de Bank zich daarbij jegens de bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op het niet naleven van contractuele verplichtingen zoals het huurbeding, maar verwijt zij gedaagden dat zij hebben gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door toe te staan dat onbevoegden zich de toegang tot het verhypothekeerde pand hebben kunnen verschaffen met alle gevolgen van dien. Door de schade die aan het pand is toegebracht is het pand sterk in waarde verminderd, aldus de Bank.

Ter beoordeling ligt voor of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de door de Bank gestelde schade.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (indirect) bestuurders van Lebufa waren. Uitgangspunt bij situaties waarin de vennootschap jegens de derde (contractuele of wettelijke) verplichtingen niet nakomt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de door de derde geleden schade. Onder omstandigheden kan een bestuurder ook aansprakelijk zijn. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de situatie waarin de bestuurder wordt verweten dat door zijn onbehoorlijke taakuitoefening de rechtspersoon in strijd heeft gehandeld met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting, en anderzijds de situatie dat de bestuurder heeft gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm. In het eerste geval is voor aansprakelijkheid vereist dat aan de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de andere vorm van aansprakelijkheid - die berust op een, van zijn taakuitoefening als bestuurder, losstaande zorgvuldigheidsnorm - gelden de gewone regels van onrechtmatige daad (arrest Spaanse Villa1).

De Bank heeft betoogd dat gedaagden zowel rechtstreeks als in de uitoefening van hun functie van bestuurder jegens haar aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.3.

Vastgesteld wordt dat de Bank geen feiten heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enige wetenschap, laat staan betrokkenheid hebben gehad bij het aan derden verschaffen van toegang tot het pand, de aangetroffen hennepplantage en de vermeende schade die daardoor is toegebracht. De Bank heeft niet kunnen aangeven wie de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en op welke wijze de exploitanten toegang hebben verkregen tot het pand. Voorts heeft de Bank de rol van de voormalig bestuurder [X] onbesproken gelaten en heeft zij daarnaast nagelaten om concreet uiteen te zetten welke handelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder de gegeven omstandigheden mochten worden verwacht en op welke manier zij hadden moeten voorkomen dat derden zich de toegang tot het pand hebben verschaft.

De stelling van de Bank dat [gedaagde 2] enkele maanden eerder in het pand een hennepkwekerij in opbouw heeft aangetroffen en deze waarneming niet heeft gemeld aan de Bank kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad. Zonder nadere toelichting welke ontbreekt, kan niet worden aanvaard dat [gedaagde 2] (die overigens op dat moment geen bestuurder was) dan wel [gedaagde 1] (als deze op dat moment al op de hoogte was van [gedaagde 2] ontdekking) jegens de Bank een persoonlijke zorgplicht had om zijn constatering te melden. Dit geldt temeer nu in maart 2013 kennelijk nog geen sprake was van schade aan het pand ten gevolge van de opbouw van de hennepkwekerij en van het uitoefenen van het recht van parate executie (nog) geen sprake was. Daar komt bij dat - als gesteld en onvoldoende gemotiveerd weersproken - ervan uit kan worden gegaan dat [gedaagde 2] na zijn ontdekking de aangetroffen personen heeft doen verwijderen, vervolgens regelmatig bij het pand naar binnen heeft gekeken en daarbij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd.

Nu de Bank voorts niets anders heeft aangevoerd dan dat gedaagden gedurende een korte periode bestuurder zijn geweest van de stichting, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de gestelde feiten niet kunnen leiden tot het oordeel dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zich persoonlijk schuldig hebben gemaakt aan onzorgvuldig handelen jegens de Bank.

4.4.

Daarnaast heeft de Bank betoogd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van de zogenaamde Beklamel-norm2 dan wel op grond van het arrest Ontvanger/ Roelofsen3 gehouden zijn tot vergoeding van schade. Naar de mening van de Bank kan aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt omdat zij wisten dat de door hen toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. Immers [gedaagde 1] en [gedaagde 2] “wisten, althans hadden moeten weten dat de Bank er niet mee akkoord zou gaan dat het Registergoed als een wietplantage zou worden gebruikt”, aldus de Bank.

4.5.

Geoordeeld wordt ten eerste dat geen feiten zijn aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op enigerlei wijze verplichtingen namens de vennootschap zijn aangegaan met betrekking tot het pand. Nu, gelet op het voorgaande, er voorts van uit moet worden gegaan dat zij geen wetenschap hebben gehad omtrent het gebruik van het pand door derden en de toegebrachte schade, kan evenmin sprake zijn van “weten of behoren te begrijpen” dat Lebufa geen verhaal zou bieden ten gevolge van haar handelwijze.

Voormelde ontdekking van de hennepkwekerij in opbouw in maart 2013 leidt ook in dit kader niet tot aansprakelijkheid. Afgezien van contractuele verplichtingen, kan - anders dan de Bank kennelijk meent - voor de algemene regel inhoudende dat de hypotheekgever te allen tijde de zorgplicht heeft de hypotheeknemer (in dit geval de Bank) op de hoogte te stellen van zaken die de staat van een pand betreffen, geen steun worden gevonden in de wet of ongeschreven recht. Een dergelijke zorgplicht zou onder bijzondere omstandigheden mogelijk wel kunnen worden aanvaard, maar dergelijke bijkomende omstandigheden zijn in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken.

Voor zover de Bank heeft willen betogen dat door onachtzaamheid van de bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , schade is toegebracht aan het pand waardoor dit pand bij gedwongen verkoop minder heeft opgebracht en de vordering van de Bank op Lebufa slechts voor een deel kon worden voldaan, kan ook deze stelling niet tot de conclusie leiden dat gedaagden aansprakelijk zijn. De rechtbank concludeert dat nu, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.3 is overwogen, van onzorgvuldig handelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens de Bank niet is gebleken, een voldoende ernstig verwijt dat nodig is om tot bestuurdersaansprakelijkheid te komen, evenmin kan worden vastgesteld. Het enkele feit dat gedaagden beiden gedurende korte tijd na elkaar (indirect) bestuurder van Lebufa zijn geweest in de periode dat het pand door derden is beschadigd, kan het oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad jegens de Bank, derhalve niet rechtvaardigen.

4.6.

Daargelaten de vraag of en welke schade de Bank heeft geleden door de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het verhypothekeerde pand - nu het pand voor € 350.000,00 is verkocht - wordt gelet op het voorgaande geconcludeerd dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.7.

ABN AMRO Bank N.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht 1.519,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 5.519,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt ABN AMRO Bank N.V. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 5.519,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.

1 ECLI:NL:HR:2012:BX5881

2 HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286

3 ECLI:NL:HR:2006:AZ0758