Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3865

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
4206579 VV EXPL 1571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel heeft een vordering van vakbond FNV tot naleving van de CAO door transporteur Vos afgewezen. FNV eiste dat de transporteur buitenlandse chauffeurs die voor een buitenlands zusterbedrijf rijden volgens de Nederlandse CAO zou betalen. Volgens de rechtbank behoeven de vorderingen van FNV meer nuance en feitelijke invulling. Zij lenen zich daarom niet voor toewijzing in kort geding.

Wetsverwijzingen
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0796
AR 2015/1548
JAR 2015/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Kanton en Handelszaken

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 4206579 VV EXPL 1571

datum : 24 augustus 2015

Vonnis in het kort geding van:

de vereniging FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij, verder te noemen “FNV”,

gemachtigde mr. J.H. Mastenbroek,

tegen

1. de besloten vennootschap VOS TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Deventer, en

2. de besloten vennootschap VOS LIMBURG B.V.,

gevestigd te Deventer,

gedaagde partij, hierna in enkelvoud te noemen “Vos”,

gemachtigde mr. M.D. Vrolijk.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot van 27 juli 2015 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad, met negen producties;

- de brief van FNV van 3 augustus 2015 waarmee producties 10 tot en met 17 zijn overgelegd;

- de brief van FNV van 4 augustus 2015 met overlegging van producties 18 tot en met 21;

- de brief van Vos van 4 augustus 2015 waarmee producties 7 en 8 zijn overgelegd;

- de brief van FNV van 4 augustus 2015 waarmee producties 22 tot en met 24 zijn overgelegd;

- de brief van FNV van 4 augustus 2015 met overlegging van producties 25 tot en met 27.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Namens FNV is
[naam 1] verschenen, bijgestaan door mr. Mastenbroek. Namens Vos is [naam 2] , directeur van Vos Transport, verschenen, bijgestaan door mr. Vrolijk en mr. K. Vierhout.

Het geschil

FNV vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening Vos gebiedt om binnen vijf dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013:

Ten aanzien van gedaagde sub 1 (Vos Transport)

1. te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 44 en 48a van de cao Goederenvervoer Nederland,

en ten aanzien van gedaagde sub 2 (Vos Limburg)

2. te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 9a en 73 van de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg,

in beide gevallen (1. en 2.) door:

a. gedurende de periode dat de cao algemeen verbindend is bij het inhuren van inleenkrachten en het inschakelen van charters te bedingen dat de chauffeurs in dienst van deze charters beloond zullen worden conform de basis- arbeidsvoorwaarden van de cao, en

b. buiten de periode waarin de cao algemeen verbindend is te bedingen dat zij beloond zullen worden conform de Nederlandse minimumnormen.

Tevens vordert FNV dat Vos wordt geboden de betreffende chauffeurs zelfstandig te informeren over hun rechten op grond van de basisarbeidsvoorwaarden en buiten de periode waarin bepalingen in de cao algemeen verbindend verklaard zijn over hun recht op Nederlandse minimumnormen, een en ander conform een door FNV opgestelde standaardbrief.

FNV vordert bij een en ander dat Vos zich aan de geboden dient te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per keer en per dag dat zij niet aan die veroordeling mocht(en) voldoen.

Vos heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken.

Op de stellingen van partijen zal hierna nader, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

De feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Vos drijft een onderneming gericht op (inter)nationaal transport van goederen over de weg. De aansturing van de vervoersactiviteiten vindt plaats vanuit de vestigingen te Deventer en Ittervoort. Vos voert de vrachtritten zelf uit met behulp van het eigen personeel en materieel. Daarnaast besteedt zij werk uit aan zogenaamde ondervervoerders.

b. Gedaagde sub 1 (Vos Transport B.V.) is door haar lidmaatschap van de vereniging Goederenvervoer Nederland gebonden aan de cao Goederenvervoer van Nederland (hierna: KNV-cao). Naast deze cao wordt in de transportsector een andere cao toegepast, te weten de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: TLN-cao). De TLN-cao is bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari 2013 algemeen verbindend verklaard met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Bij besluit van 6 februari 2015 is de TLN-cao algemeen verbindend verklaard met ingang van 12 februari 2015 tot en met 31 december 2016. De KNV-cao is nimmer algemeen verbindend geweest.

c. Vos maakt onder meer gebruik van de diensten van ondervervoerders die zijn gevestigd in het buitenland. Het kan dan gaan om het in Roemenië gevestigde Vosescu SRL en het in Litouwen gevestigde UAB Vosas en UAB ITTL. De chauffeurs die werkzaam zijn voor deze buitenlandse ondernemingen worden niet betaald conform een van de hiervoor genoemde cao’s, noch conform het Nederlands wettelijk minimumloon.

d. FNV heeft op 8 september 2014 de Inspectie SZW (hierna: ISZW) verzocht om een onderzoek in te stellen bij gedaagde sub 2 ter zake de artikelen 9a en 73 van de TLN-cao. Dat onderzoek is afgesloten met een rapport van bevindingen van 15 april 2015.

De beoordeling

Dienen de producties 22 tot en met 27 buiten beschouwing te worden gelaten?

1. Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, zal eerst worden ingegaan op het bezwaar dat door Vos ter terechtzitting is opgeworpen ter zake de niet-tijdige indiening van stukken door FNV. Strikt genomen heeft Vos gelijk waar zij stelt dat de indiening niet in lijn is met het procesreglement dat bepaalt dat stukken niet alleen zo spoedig mogelijk worden ingediend, maar ook dat stukken die korter dan 24 uur voor een terechtzitting in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Daar staat tegenover dat productie 22 slechts een aanvulling betreft van productie 1 en de producties 23 tot en met 27 enerzijds van geringe betekenis en anderzijds van beperkte omvang zijn. Een en ander heeft de kantonrechter tot de beslissing gebracht dat de stukken onderdeel uitmaken van de processtukken.

Het standpunt van FNV.

2. FNV heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Gedaagde sub 1 is gebonden aan KNV-cao en gedaagde sub 2 aan de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de TLN-cao. In beide cao’s is bepaald dat Vos in overeenkomsten van onderaanneming dient te bedingen dat de onderaannemers aan hun werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van de cao’s zullen worden toegekend. FNV heeft vastgesteld dat Vos structureel charters inschakelt en buitenlandse werknemers inleent, waaronder van de Roemeense en Litouwse vennootschappen die aan Vos gelieerd zijn. Deze buitenlandse chauffeurs ontvangen echter een lager loon dan het cao-loon/het wettelijk minimumloon. Daarbij informeert Vos niet over de rechten die de Roemeense en Litouwse chauffeurs kunnen ontlenen aan de cao. Vos leeft derhalve de cao niet na. Om die reden dient Vos in deze procedure veroordeeld te worden met terugwerkende kracht te bedingen dat de buitenlandse vennootschappen aan de buitenlandse chauffeurs de basisarbeids-voorwaarden zullen worden toegekend. Daarbij dient Vos veroordeeld te worden tot het actief informeren van de betreffende chauffeurs over hun rechten. Door het niet naleven van de cao heeft FNV schade geleden. Derhalve vordert FNV een schadevergoeding van € 17.500,00 van iedere gedaagde.

Het primaire verweer van Vos.

3. Het primaire verweer van Vos luidt dat de vordering van FNV niet geschikt is voor een beoordeling in een kort gedingprocedure. Op de eerste plaats ontbreekt een spoedeisend belang. Daarnaast geldt dat voor de beoordeling van de vordering een diepgaand feitenonderzoek vereist is, waarvoor onder meer een getuigenverhoor noodzakelijk is. Omdat de gevraagde voorziening bovendien onomkeerbaar is, is Vos van mening dat de zaak zich niet leent voor een beslissing in kort geding.

Overwegingen ten aanzien van het spoedeisend belang en de geformuleerde eis.

4.1

De kantonrechter is van oordeel dat FNV een spoedeisend belang heeft bij (een deel van) haar vordering. Als voorshands aannemelijk wordt geacht dat Vos haar verplichtingen uit de cao niet naleeft, heeft FNV er immers belang bij dat daaraan zo spoedig mogelijk (bij wege van voorlopige voorziening) een einde wordt gemaakt.

4.2

Voorts overweegt de kantonrechter het volgende. Als de inschatting is dat de bodemrechter in een latere procedure zal oordelen dat Vos haar cao-verplichtingen niet naleeft, dan rechtvaardigt die inschatting dat de kantonrechter op dat oordeel vooruitloopt door een voorlopige voorziening te treffen die ingaat per heden. Het met terugwerkende kracht herstellen van een rechtstoestand heeft evenwel niet het karakter van zo’n voorlopige maatregel en zou bovendien onmogelijk zijn, omdat het zou ingrijpen in reeds afgesloten - en waarschijnlijk reeds uitgevoerde - contracten. Hetgeen FNV vordert is dus voor dat deel niet mogelijk.

Toewijzing per heden van een voorlopige voorziening zoals door FNV beoogd zal een onomkeerbaar effect sorteren. Vos heeft immers met juistheid betoogd, welk betoog niet is weerlegd, dat zij overeenkomsten niet kan terugdraaien en evenmin ongedaan kan maken dat zij chauffeurs inlicht over de basisarbeidsvoorwaarden waarop zij volgens FNV recht zouden hebben, zou de bodemrechter in een latere procedure anders oordelen. Een en ander brengt mee dat behoedzaamheid geboden is: het is niet alleen de vraag of de verwachting gerechtvaardigd is, maar de kantonrechter moet in deze procedure er zo van overtuigd zijn dat in redelijkheid in een bodemprocedure geen ander oordeel te verwachten is, dat de gevraagde voorlopige voorziening moet worden toegewezen.

Is de zaak te complex voor een beoordeling in kort geding?

4.3

Alvorens in te gaan op het verweer van Vos dat de zaak zowel feitelijk als juridisch te complex is voor een beoordeling in kort geding, is het noodzakelijk vast te stellen wat de grondslag van de vordering is en welke feiten en stellingen vereist zijn voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

De grondslag van de vordering.

4.4

FNV heeft haar vordering gebaseerd op de artikelen 44 en 48a van de KNV-cao en 9a en 73 van de TLN-cao. De artikelen 48a van de KNV-cao en 9a van de TLN-cao gaan over de verplichtingen die op werkgevers rusten ter zake van inleenkrachten. Van inlening krachtens de cao’s is sprake als een chauffeur van het ene bedrijf wordt uitgeleend aan het andere bedrijf. Vos heeft betwist dat zij gebruik maakt van inleenkrachten. FNV heeft weliswaar gesproken met een Litouwse chauffeur die in een Nederlandse vrachtwagen van Vos reed waardoor de schijn kan bestaan dat het hier ging om een inleenkracht, maar Vos heeft daarover toegelicht dat dit een vrachtwagen betrof die is verhuurd aan het Litouwse ITTL, die geheel los van Vos een vervoersopdracht vervulde. FNV heeft die betwisting niet gemotiveerd weerlegd. Daarnaast heeft FNV geen nadere onderbouwing gegeven van het standpunt dat Vos gebruik maakt van buitenlandse inleenkrachten waarop de artikelen 48a en 9a van de cao’s van toepassing zijn. Dat kan ook niet zonder nadere toelichting, die door FNV niet is gegeven, blijken uit productie 18 zoals ter terechtzitting is gesteld. In haar dagvaarding is FNV niet nader ingegaan op het verschil in betekenis van de artikelen uit de cao’s die zien op inleenkrachten en die zien op de charterovereenkomsten, terwijl deze cao-artikelen niet gelijkluidend zijn. Het onderwerp is tijdens de terechtzitting ook verder niet aan de orde geweest, omdat het zwaartepunt lag bij de ‘charterbepaling’. Dat FNV de onderhavige vordering op de artikelen 48a en 9a van de cao’s kan baseren, is dan ook in het bestek van dit kort geding onvoldoende gesteld of gebleken.

4.5

Zowel artikel 44 van de KNV-cao als artikel 73 van de TLN-cao bepaalt het volgende:

‘Charterbepaling
1. De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onderaanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland.

2. De werkgever is gehouden de in lid 1 van dit artikel genoemde werknemers te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.

3. Lid 1 en 2 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de in lid 1 van dit artikel

genoemde arbeidskrachten rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze cao vallen. Op hen is immers de gehele cao van toepassing.’

Met ‘detacheringsrichtlijn’ wordt verwezen (daarover zijn partijen het eens) naar Richtlijn 96/71 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (de Detacheringsrichtlijn). Zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 is gebonden aan deze cao-bepaling, hetzij door lidmaatschap van de vereniging Goederenvervoer Nederland, hetzij door de algemeen verbindendverklaring van de TLN-cao. De kantonrechter kan niet tot de conclusie komen dat Vos op grond van deze cao-bepalingen (charterbepaling) gehouden is in overeenkomsten van onderaanneming te bedingen dat de ondervervoerder aan diens werknemers de Nederlandse minimumnormen zullen worden toegekend, terwijl niet valt in te zien op grond waarvan FNV buiten de cao om Vos zou kunnen aanspreken op een niet-caoverplichting. Voor zover FNV heeft gevorderd dat Vos buiten de periodes waarin bepalingen uit de cao algemeen verbindend zijn verklaard met haar ondervervoerders dient te bedingen dat zij hun werknemers belonen naar de Nederlandse minimumnormen (petitum 1.b en 2.b), dient de vordering van FNV te worden afgewezen.

Uitleg van de charterbepaling.

4.6

Voor de uitleg van de zojuist aangehaalde charterbepaling is in beginsel, maar niet uitsluitend, de grammaticale tekst daarvan en van de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, bepalend. De kantonrechter is van oordeel dat FNV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Vos deze charterbepaling niet naleeft, omdat zij met haar stellingen enerzijds onvoldoende rekening heeft gehouden met de verlangde uitleg van de cao-bepaling en anderzijds omdat haar stellingen steunen op onvoldoende feitelijke grondslag. Daartoe dienen de navolgende overwegingen.

4.7

FNV heeft volstaan met haar stelling dat op de Roemeense en Litouwse chauffeurs, die volgens haar door de in het buitenland gevestigde ondernemingen in of vanuit Nederland te werk worden gesteld, de Detacheringsrichtlijn zonder meer van toepassing is. Die stelling behoeft nuancering, welke door FNV niet is gegeven. Algemeen aangenomen wordt dat de Detacheringsrichtlijn ziet op werknemers die wonen en werken in het herkomstland en die tijdelijk in een ander land (het werkland) te werk worden gesteld, waarna zij weer in het herkomstland aan het werk gaan (zie de preambule (nr. 36) bij Rome 11 en artikel 2 van de Detacheringsrichtlijn). In zo’n geval kan immers pas van detachering gesproken worden2. Die nuance heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant ook aangebracht in het vonnis van
8 januari 2015 (ECLI:RBOBR:2015:19). Immers, de kantonrechter aldaar heeft overwogen dat op buitenlandse chauffeurs de voorwaarden uit een cao van toepassing kunnen zijn, hetzij op grond van de Detacheringsrichtlijn voor de tijdelijke dienstverleners, hetzij op grond van artikel 8 Rome I / artikel 6 EVO voor de dienstverleners die langer dan tijdelijk hun diensten in of vanuit Nederland verlenen. In het geval op de buitenlandse chauffeurs de cao deels van toepassing is op grond van artikel 8 Rome I / artikel 6 EVO, is de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing en dus ook niet de artikelen 44 van de KNV-cao en 73 van de TLN-cao.

4.8

Een tweede nuance waaraan FNV voorbij is gegaan, is het gegeven dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit dat werknemers die tijdelijk in een ander land dan het herkomstland te werk worden gesteld, niet anders behandeld mogen worden dan de inwoners van dat werkland betreffende de onderwerpen die de Detacheringsrichtlijn regelt en voor zover dat in de Detacheringsrichtlijn is bepaald. In artikel 3, eerste lid, van de Detacheringsrichtlijn is bepaald dat de lidstaten erop toezien dat de ondernemingen voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers wat een aantal aangelegenheden betreft (onder meer vakantiedagen en minimumloon), de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden garanderen die in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd zijn vastgelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en/of in cao’s die algemeen verbindend zijn verklaard voor zover deze betrekking hebben op de in de bijlage genoemde activiteiten. De in de bijlage genoemde activiteiten zien op activiteiten in de bouwsector (graafwerkzaamheden, bouw, montage, etc.). In artikel 3, tiende lid, van de Detacheringsrichtlijn is bepaald dat de richtlijn de lidstaten niet belet aan de ondernemingen voor te schrijven dat algemeen verbindend verklaarde cao’s met betrekking tot andere activiteiten op gelijke wijze aan de nationale ondernemingen worden voorgeschreven, maar het is nog maar de vraag of het ‘niet beletten’, zoals de Detacheringsrichtlijn bepaalt, gelijk moet worden gesteld met ‘wanneer dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit’ zoals de cao’s bepalen. Daaromtrent hebben partijen zich niet uitgelaten.

4.9

Tot slot, als de drempels uit rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 zouden worden genomen, is van belang of Vos gebonden is aan algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit de cao en zo ja, welke. FNV vordert - kort gezegd - dat de basisarbeidsvoorwaarden uit de cao’s dienen te worden doorgecontracteerd door Vos, maar welke voorwaarden dit zijn heeft zij niet toegelicht, laat staan of de algemeenverbindendverklaring ook deze basisvoorwaarden treft.

Het staat vast dat gedaagde sub 1 gebonden is aan de KNV-cao, nu dat door FNV is gesteld en dat door Vos wordt erkend, en deze cao is niet algemeen verbindend verklaard. Hoe dat gegeven zich verhoudt tot het petitum van FNV is de kantonrechter onduidelijk, aangezien FNV vordert dat gedaagde sub 1 een gebod opgelegd krijgt dat geldt gedurende de tijd dat de KNV-cao algemeen verbindend is en dat is die cao nimmer geweest. Daar komt bij dat FNV de kantonrechter er niet van heeft kunnen overtuigen dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit dat werkgevers van andere lidstaten gebonden zijn aan bepalingen van Nederlandse cao’s die niet algemeen verbindend zijn verklaard.

Ten aanzien van gedaagde sub 2 wordt door FNV gesteld dat zij onder de wél algemeen verbindend verklaarde TLN-cao valt, maar dat wordt door Vos betwist. Vaststaat dat in een eerdere procedure tussen beide partijen door de kantonrechter is vastgesteld dat Vos onder KNV-cao valt3, maar inmiddels is een nieuwe cao gesloten nadat er een periode geen cao van kracht was. Het is daarmee onvoldoende zeker of gedaagde sub 2 wel gebonden is aan de TLN-cao zoals FNV stelt en dat is wel vereist om te kunnen concluderen dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit dat ondervervoerders aan hun werknemers de basisarbeidsvoorwaarden uit de TLN-cao dienen toe te kennen.

4.10

Zoals hiervoor is overwogen behoeven de stellingen van FNV nadere nuancering en daarmee tevens nadere feitelijke invulling. Dat geldt ook ten aanzien van het standpunt van FNV dat de buitenlandse vervoerders feitelijk vanuit Nederland opereren zoals door haar gemotiveerd is gesteld, maar door Vos eveneens gemotiveerd wordt betwist. Het is daarmee Vos die het gelijk aan haar zijde vindt waar zij betoogt dat de vorderingen van FNV zich niet lenen voor toewijzing in kort geding, de gevorderde schadevergoeding daaronder begrepen. Dat brengt de kantonrechter ertoe de vordering van FNV af te wijzen.

5. FNV is de partij die in het ongelijk is gesteld. Daarom wordt zij verwezen in de kosten van deze procedure zoals hierna is vermeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt FNV in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Vos begroot op
€ 600,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 augustus 2015, in tegenwoordigheid van mr. C.J.H. Terwal als griffier.

1 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.

2 Zie ook Inleiding Europees recht, S.S.M. Peters en R.M. Beltzer, Kluwer, tweede druk (2013), pagina 146 e.v.

3 Vonnis van 4 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:971, r.o. 1.1.