Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3815

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
ak_15_979
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder ten onrechte op grond van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswettten geen maatregel opgelegd aan werknemer in voormalige dienst van overheidswerkgever; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/979

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting AOC De Groene Welle, te Zwolle, eiseres,

gemachtigden: mr. R.A. Beers en mr. J. Visser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M. Hoogeveen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het (impliciete) verzoek van eiseres om een herziening van de aan werknemer [naam] toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De heer [naam] (werknemer) is tot 1 januari 2013 werkzaam geweest bij eiseres.

Eiseres is een overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de WW.

Verweerder heeft werknemer met ingang van 1 januari 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW.

Eiseres heeft op 28 juli 2014 een melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject (melding) bij verweerder gedaan en daarmee impliciet verzocht de WW-uitkering van werknemer te herzien. Eiseres heeft daarbij onder meer meegedeeld dat uit informatie van werknemer is gebleken dat hij slechts heeft gesolliciteerd op functies op (of zelfs boven) zijn niveau.

Verweerder is naar aanleiding van deze melding van eiseres overgegaan tot de besluitvorming zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet is gebleken van een door eiseres opgestelde re-integratievisie. Nu er geen re-integratievisie is, blijft voor werknemer alleen de sollicitatieplicht over van ten minste vier keer solliciteren per vier weken. Dat werknemer alleen op of boven zijn niveau solliciteert en zich volgens de richtlijn Passende Arbeid breder dient op te stellen nu hij langer werkloos is, valt volgens verweerder onder de kwalitatieve aspecten welke geregeld hadden moeten zijn in een re-integratievisie. Verweerder heeft overwogen dat werknemer kennelijk wel voldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht en dat geen aanleiding wordt gezien een maatregel op te leggen dan wel eiseres schadeloos te stellen.

3. Eiseres heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat werknemer niet heeft voldaan aan de verplichting, zoals neergelegd in artikel 24, eerste lid, van de WW en dat verweerder zich bij de controle ten aanzien van deze verplichting niet mag beperken tot het verrichten van een kwantitatieve controle.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Ter uitvoering van dit voorschrift hanteert verweerder een beleid dat er ten aanzien van werknemer op neerkomt dat hij in een periode van vier weken vier sollicitaties moet verrichten.

Uit artikel 27, derde lid, van de WW vloeit voort dat indien de werknemer de sollicitatieverplichting uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd.

Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden.

Op grond van artikel 72a, eerste lid, onder a, van de WW heeft de overheidswerkgever tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II.

4.2

Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder in de melding van eiseres aanleiding had behoren te zien om na te gaan of werknemer zich bij zijn inspanningen om te voldoen aan zijn sollicitatieverplichting voldoende ruim heeft gesolliciteerd naar functies.

4.3

In de Werkwijzer ‘artikel 72a WW’ (Werkwijzer) zijn de afspraken tussen verweerder en het Verbond Sectorwerkgevers Overheid en enkele overheidswerkgevers neergelegd. In de Werkwijzer is bepaald dat verweerder steekproefsgewijs controleert of een werkloze overheidswerknemer aan zijn sollicitatieplicht voldoet. De kwalitatieve aspecten, zoals de inhoud van de sollicitatiebrieven en de selectie van vacatures waarop wordt gesolliciteerd behoren tot de taken van de overheidswerkgever.

4.4

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 3 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1870) het volgende overwogen:

“Gelet op deze afspraken (de afspraken in de Werkwijzer) geldt als uitgangspunt dat het Uwv kan volstaan met een beoordeling of een werknemer voldoet aan de kwantitatieve norm van gemiddeld vier sollicitaties per vier weken. Dit is anders in het geval een overheidswerkgever het Uwv erop wijst dat een voormalige werknemer zich niet aan zijn sollicitatieplicht houdt, omdat hij niet voldoet aan de kwalitatieve eisen die aan de sollicitaties worden gesteld en de overheidswerkgever dit standpunt ook heeft onderbouwd. In dat geval zal het Uwv bij de beoordeling of een werknemer heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te verkrijgen ook deze kwalitatieve aspecten van de sollicitaties moeten betrekken. Daarbij is niet doorslaggevend of een werkgever met een werknemer nadere afspraken heeft gemaakt in het kader van een re-integratietraject. Deze kwalitatieve eisen aan de sollicitaties vloeien immers voort uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat van een werknemer wordt verwacht dat naarmate hij langer werkloos is hij zich bij zijn sollicitatie-activiteiten niet beperkt tot het zoeken naar functies op zijn eigen vakgebied, maar dat hij ook moet kijken naar andere, lager gekwalificeerde functies (zie bijvoorbeeld CRvB 15 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AS3497 en CRvB 8 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1723). Dit uitgangspunt is neergelegd in de Richtlijn passende arbeid 2008. Daarin is uiteengezet dat het begrip passende arbeid ruimer moet worden uitgelegd naarmate de duur van de werkloosheid toeneemt of de kans op werkhervatting kleiner is. Een werkloze met geringe kansen op het vinden van werk zal concessies moeten doen ten aanzien van - onder meer - de aard van de te aanvaarden arbeid (met name het beroep en opleidingsniveau) en het loonniveau.”

4.5

Verweerder heeft naar aanleiding van de CRvB-uitspraak van 3 juni 2015 ter zitting het volgende betoogd. Volgens verweerder is de situatie van werknemer genuanceerder. In de situatie van de CRvB-uitspraak was sprake van een werkloze die alleen binnen de grafische sector had gesolliciteerd, terwijl werknemer bij veel verschillende werkgevers naar controller-achtige functies heeft gesolliciteerd. Voorts heeft verweerder gesteld dat als een ex-overheidswerkgever de re-integratietaak niet invult, verweerder een kwantitatieve beoordeling dient uit te voeren.

4.6

Door de rechtbank wordt niet ingezien dat het beoordelingskader, zoals uiteengezet in de CRvB-uitspraak van 3 juni 2015 en hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.4, voor onderhavige procedure niet van overeenkomstige toepassing zou zijn.

4.7

De rechtbank overweegt dat eiseres, als overheidswerkgever, op 28 juli 2014 verweerder erop heeft gewezen dat werknemer zich niet aan zijn sollicitatieplicht houdt, omdat hij niet voldoet aan de kwalitatieve eisen die aan de sollicitaties worden gesteld. Eiseres heeft dit standpunt onderbouwd met informatie over de door werknemer verrichte sollicitaties. Zoals de CRvB in de uitspraak van 3 juni 2015 heeft overwogen, zal verweerder in dat geval bij de beoordeling of een werknemer heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te verkrijgen ook de kwalitatieve aspecten van de sollicitaties moeten betrekken.

Verweerders standpunt, zowel in het bestreden besluit als ter zitting ingenomen, dat verweerder geen kwalitatieve toetsing heeft hoeven verrichten omdat de kwalitatieve aspecten door eiseres geregeld hadden moeten zijn in een re-integratievisie wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd. Niet doorslaggevend is of een werkgever nadere afspraken heeft gemaakt in het kader van een re-integratietraject. De kwalitatieve eisen aan de sollicitaties vloeien immers voort uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

Ten tijde van de melding door eiseres was werknemer ruim anderhalf jaar werkloos. In ieder geval per 1 januari 2014 gold derhalve een ruime uitleg van het begrip passende arbeid, zodat op hem de verplichting rustte om uit te kijken naar andere, lager gekwalificeerde, functies. Uit de door eiseres overgelegde bewijsstukken van sollicitaties van werknemer blijkt dat hij zich in de periode november 2013 tot juli 2014 heeft beperkt tot het zoeken naar functies op HBO- of HBO+-niveau. Verweerder heeft dit ter zitting ook erkend. Daarmee heeft werknemer een te beperkte invulling gegeven aan de op hem rustende verplichting om in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Er zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat werknemer het niet nakomen van de verplichting niet in overwegende mate kan worden verweten. Op grond van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten was verweerder in verband met het vorenstaande dan ook gehouden een maatregel op te leggen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan.

4.8

Met betrekking tot het verzoek van eiseres om schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Op 1 juli 2013 is een deel van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wns is Titel 8.4 ‘Schadevergoeding’ aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd en is artikel 8:73 van de Awb komen te vervallen. Nu de beslissing op het bezwaar van eiseres dateert van 31 maart 2015 is op het verzoek om schadevergoeding van eiseres de Wns van toepassing.

De rechtbank merkt het verzoek om schadevergoeding aan als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:92 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:91 van de Awb, nu het verzoek wordt gedaan hangende het beroep tegen het gestelde schadeveroorzakende besluit tot het vergoeden van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

De rechtbank overweegt dat, nu verweerder ten onrechte geen maatregel heeft opgelegd, verweerder eiseres de schade moet vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van het niet opleggen van een maatregel.

4.9

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 27, derde lid, van de WW worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres.

5. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490,--; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 980,--;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Vijftigschild, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. H. Richart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.