Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3809

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
08/730074-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn eigen huurwoning in brand gestoken toen hij krachtens een rechterlijk bevel uit zijn woning aan zou worden gezet.

Verdachte heeft door zijn handelen gevaar veroorzaakt voor goederen. Brandstichting zorgt in de maatschappij voor gevoelens van onrust en onveiligheid.

Alles afwegende acht de rechtbank, mede nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van gevaar voor personen, een gevangenisstraf van twee jaren passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/730074-15

Datum vonnis: 18 augustus 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Iran),

nu verblijvende in PPC Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 mei 2015 en 4 augustus 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. van Dijck. De verdachte is niet ter zitting verschenen. De verdachte is ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. van der Steeg, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Raalte

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een appartement van een flatgebouw

op/aan de [straat]

door open vuur in aanraking te brengen met papier en/of karton en/of een

brandbare vloeistof, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan dat papier en/of karton en/of de muren en/of deuren en/of

de vloer van die flat en/of andere zich in die flat bevindende goederen geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor

- dat appartement en/of die flat en/of in de directe omgeving zich

bevindende roerende goederen en/of onroerende goederen en/of

- in dat flatgebouw (op/aan de [straat] ) zich bevindende personen en/of

brandweerpersoneel en/of politieambtenaren,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen,

in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die personen en/of

brandweerpersoneel en/of politieambtenaren, in elk geval gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij Woningstichting Salland Wonen niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard in die zin dat er gemeen gevaar voor en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wat betreft de tenlastelegging voor zover er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Ten aanzien van het gevaar voor goederen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op 3 februari 2015 was de politie voornemens om verdachte buiten heterdaad aan te houden ter zake de verdenking van enig misdrijf. Tevens zou verdachte krachtens een rechterlijk bevel uit zijn woning aan de [straat] te Raalte worden gezet. Ter plaatse zagen verbalisanten dat verdachte de voordeur had gebarricadeerd en dat er folders en kranten op de vloer achter de voordeur lagen. Op aanroepen weigerde verdachte de deur te openen waarna verbalisanten besloten om de deur te openen. Terwijl verbalisanten bezig waren om de deur te openen werd er plotseling een uitslaande brand waargenomen in de hal van de woning. Hierop sloeg een verbalisant een ruit van de voordeur in waarna het vuur zich zeer snel en heftig verspreidde. Vervolgens zagen verbalisanten de vlammen met grote kracht naar buiten slaan. In verband met het brandgevaar werden alle bewoners die rondom de woning van verdachte woonden geëvacueerd. Door de ter plaatse gekomen brandweer werd de brand geblust en werd verdachte in veiligheid gebracht.

Door de forensische opsporing werd een onderzoek ingesteld. Verdachte bewoonde een flatwoning op de tweede verdieping aan de [straat] . Genoemde woning bevindt zich in het midden van het flatgebouw en rondom de woning liggen andere woningen.

Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat er sprake is van drie vermoedelijke brandhaarden. Bij de brandhaard rechts naast de voordeur werd een brandversnellend middel aangetroffen. Bij de brandhaard links naast de voordeur werd geen brandversnellend middel aangetroffen maar wel hoop verbrand papier. Bij de keukendeur werd vermoedelijk ook een brandhaard en een brandversnellend middel aangetroffen. Op de aangetroffen brandhaarden werden geen elektrische aansluitingen aangetroffen waardoor brand ontstaan door een technisch mankement door de politie wordt uitgesloten. Tevens wordt door de politie een spontane ontbranding uitgesloten. In de woning van verdachte werden flessen met vloeistof aangetroffen waarvan na onderzoek door het NFI is gebleken dat het ontbrandbare vloeistoffen zijn. Volgens de brandweer gaat een brand in een flatgebouw gepaard met hogere risico’s. Door verbindingen in de meterkasten in de woningen kunnen rook en vlammen overslaan naar de bovenverdieping. Wanneer de brand niet op tijd was geblust zou de woning van verdachte volledig zijn uitgebrand en zou de woning erboven waarschijnlijk ook vlam hebben gevat door het overslaande vuur via de meterkast, aldus de brandweer.

Bij de politie heeft verdachte onder meer verklaard dat hij de woning niet in de brand wilde steken maar alleen het laminaat. Vanwege de uitzetting was verdachte niet bereid om de woning in goede staat achter te laten. Uit het forensisch onderzoek naar de oorzaak van de brand blijkt dat er separate brandhaarden zijn aangetroffen en dat er geen technische oorzaak kan zijn voor de brand. Ook andere brandoorzaken zijn uitgesloten. Gelet op de uitkomsten van het forensisch onderzoek van de politie kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de brand heeft veroorzaakt.

Door het in aanraking brengen van open vuur met brandversnellende middelen, folders en kranten waardoor er brand is ontstaan, heeft verdachte zich opzettelijk schuldig gemaakt

aan brandstichting. Bij het in aanraking brengen van vlambare goederen met open vuur en brandversnellende middelen, moet ernstig rekening gehouden worden met het gevaar dat

een brand snel kan overslaan op andere goederen. Verdachte heeft zich er niet van vergewist of het vuur vanzelf weer uit zou gaan. In plaats daarvan heeft verdachte zich na de brandstichting opgehouden op het balkon van de woning. Uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de restanten van de brand en de bevindingen van de brandweer blijkt dat er gevaar voor andere goederen, dan alleen de in brand gestoken goederen, is geweest.

De rechtbank is aldus van oordeel dat, op grond van na te noemen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde brandstichting heeft gepleegd en dat daarbij gevaar voor het appartement, de flat en de in de directe omgeving bevindende roerende en onroerende goederen te duchten was.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was 'levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen'. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank namelijk niet kunnen vaststellen dat dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Daarbij houdt de rechtbank er in het bijzonder rekening mee dat uit het dossier onvoldoende blijkt welk gevaar de politiemensen en de brandweer liepen en dat voorts de bewoners van de naastgelegen of de daaraan grenzende woningen niet aanwezig waren ten tijde van de brand.

De rechtbank zal verdachte voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op gemeen gevaar en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in dat flatgebouw zich bevindende personen en/of brandweerpersoneel en/of politieambtenaren, vrijspreken, nu dat onvoldoende uit de bewijsmiddelen is gebleken. De stelling van de officier van justitie dat er wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen was, nu verdachte zelf in gevaar kwam door de brand, wordt verworpen, nu artikel 157 Sr spreek over zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor een ander. Verdachte zelf valt daarmee niet onder de delictsomschrijving.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 februari 2015 te Raalte opzettelijk brand heeft gesticht in een appartement van een flatgebouw aan de [straat]

door open vuur in aanraking te brengen met papier en/of karton en/of een

brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan dat papier en/of karton en/of de muren en/of deuren en/of de vloer van die flat en/of andere zich in die flat bevindende goederen zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat appartement en die flat en in de directe omgeving zich bevindende roerende goederen en onroerende goederen te duchten was.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 157 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat hetgeen zij bewezen heeft geacht aan verdachte kan worden toegerekend, omdat uit de rapportage niet kan worden geconcludeerd dat verdachte ontoerekeningsvatbaar was op het moment van het begaan van het feit.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er meerdere aanwijzingen zijn voor verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. In het bepalen van de strafmaat dient hier rekening mee te worden gehouden, ook al staat verdachte niet open voor behandeling.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de met betrekking tot de persoon van verdachte uitgebrachte rapportage, te weten:

- een psychologisch Pro Justitia rapport van 11 mei 2015, opgemaakt door D. Breuker, psycholoog.

Vanwege de onvolledige diagnostiek tijdens het onderzoek is het niet mogelijk geweest een eenduidig verband te leggen tussen een eventuele psychotische stoornis en/of een persoonlijkheidsstoornis en het plegen van het tenlastegelegde feit. Er zijn wel aanwijzingen dat psychiatrische en/of psychische problemen een rol hebben gespeeld. Verdachte is bekend met de psychiatrie, is zorgmijdend, gebruikt psychofarmaca, komt in problemen met de buurt in verband met buurtoverlast, is geïsoleerd en vertoont inadequaat en sociaal ongepast gedrag. De psycholoog adviseert om verdachte klinisch te laten opnemen om verdere diagnostiek te laten verrichten en een behandeling hierop af te stemmen.

De rechtbank stelt vast dat de psycholoog geen conclusie heeft kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Uit de rapportage komt onder meer naar voren dat er sprake is van eerdere psychische problemen bij verdachte. Ten tijde van het onderzoek was verdachte beperkt onderzoekbaar waardoor er geen volledig inzicht is verkregen in de geestvermogens, gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat er sprake was van een stoornis of een gebrekkig ontwikkeling van de geestvermogens bij verdachte die ten tijde van het ten laste gelegde feit een zodanige rol hebben gespeeld dat dit feit hem niet kan worden toegerekend. Causaliteit tussen de gedraging en een stoornis is niet naar voren gekomen.

De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het feit en daarom strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft door zijn handelen gevaar veroorzaakt voor goederen. Brandstichting zorgt in de maatschappij voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft bij deze gevolgen niet stil gestaan en zijn wanhoop en frustratie geuit door het stichten van brand. Verdachte heeft de kans dat er bij het gebouw grotere schade zou kunnen ontstaan op de koop toe genomen. In plaats van het voorkomen van verdere escalatie, heeft verdachte de plaats van het delict verlaten en zich op het balkon opgehouden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 13 maart 2015;

  • -

    een adviesrapport d.d. 3 augustus 2015, opgemaakt door J. de Jong-Stoel, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

Uit voornoemd rapport van de reclassering komt onder meer naar voren dat verdachte heeft gezegd niet meer gemotiveerd te zijn om opgenomen te worden in FPA Transfore voor een behandeling. Verdachte geeft de voorkeur aan het uitzitten van een gevangenisstraf. De reclassering concludeert dat de samenwerking met verdachte geen vertrouwen heeft gegeven in het welslagen van een traject in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. In het verleden is ook gebleken dat de beperkte motivatie, mogelijk voortkomend vanuit zijn psychische problematiek, een belemmering is bij het in gang zetten van de juiste hulp. De reclassering acht de kans op onttrekken aan voorwaarden hoog.

De rechtbank zal het advies van de reclassering betrekken bij de bepaling van de strafmaat. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Alles afwegende acht de rechtbank, mede nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van gevaar voor personen, een gevangenisstraf van twee jaren passend en geboden.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Woningstichting Salland Wonen, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De totale schade bedraagt € 30.754,15 en de benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 500,-.

De gestelde schade is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10 en 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij Woningstichting Salland Wonen niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr G.H. Meijer, voorzitter, mr. S.M.M. Bordenga en mr. A. Oosterveld, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015057989. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens Salland Wonen, d.d. 4 februari 2015, pagina 23 t/m 24, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster:

“(…) Sinds 3 juli 2013 verhuren wij een woning aan de [adres 1] aan dhr. [verdachte] . (…) De woning van dhr. [verdachte] zou door de deurwaarder met behulp van de politie worden ontruimd op 3 februari 2015 rond 11.30 uur. Rond 10.45 uur werden we gebeld dat de woning aan de [adres 1] in brand zou staan. (…) Als gevolg van deze daad zijn er drie woningen van ons (tijdelijk) onbewoonbaar verklaard. Het gaat om de percelen [adres 1] (woning [verdachte] ), [adres 2] (rook- en roetschade) en [adres 3] (waterschade). (…).”

2.

Het proces-verbaal Sporenonderzoek, van verbalisant [verbalisant] , d.d. 4 februari 2015, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“(…) Ik zag dat perceel [adres 1] te Raalte een flatwoning betrof op de tweede etage. (…) Ik zag dat de buitendeur aan de voorzijde (buitenkant) geen brandschade had (…) Bij het omdraaien van de deur zag ik dat de gehele binnenzijde verbrand was. Gezien het brandbeeld zag ik dat de grootste vuurbelasting aan de onderzijde en aan de scharnierkant had gezeten. (…) Ik heb de vloer aan deze zijde onderzocht op brandversnellende middelen. Na meting met de Mini Rae (een detectieapparaat voor brandversnellende middelen) trof ik op die plek een verhoog koolwaterstofgehalte aan. Koolwaterstoffen worden onder ander verwerkt in brandversnellende middelen (…) Bij binnenkomst zag ik dat aan de linkerzijde tegen de buitenmuur het voor mij bekende V-brandpatroon was ontstaan. Dit patroon ontstaat vaak op een plek waar een brandhaard heeft gezeten. Op deze vermoedelijke brandhaard trof ik geen brandversnellende middelen aan. Wel een hoop verbrand papier. Ik zag aan de hand van het totale brandbeeld in de hal dat het vuur via het plafond naar beneden was getrokken. (…) Aan de buitenzijde van de keukendeur (hal zijde) zag ik dat deze wel was aangetast door het vuur. Ook zag ik hier dat aan de onderzijde van deze deur een diepe inbranding zat. Vermoedelijk heeft er op die plek, gezien het totale brandbeeld een brandhaard gezeten. Ik heb vervolgens de omgeving van deze deur de grond onderzocht op brandversnellende middelen. Na meting trof ik op de vloer een licht verhoging van koolwaterstoffen aan. (…) In de woonkamer trof ik op een tafel die daar stond een flesje aan dat was voorzien van een etiket met de tekst ’70 procent alcohol’. Op de vloer voor deze tafel trof ik een plastic fles aan die was voorzien van een etiket met de tekst “lampenolie”. Bij beide flessen mat ik een verhoog koolwaterstofgehalte. (…) Op alle door mij aangetroffen (vermoedelijke) brandhaarden trof ik geen elektrische aansluitingen aan, waardoor een brand ontstaan waardoor ik een technisch mankement uitsluit. Ook een spontane ontbranding wordt door mij uitgesloten. Na besprenkeling op 1 of meerdere plekken in de hal van de woning is er al dan niet opzettelijk vuur bij aangebracht of achtergelaten. (…)”

Monster sporen

(…)

SIN: AAHJ30464NL

Spooromschrijving: Brandrest

(…)

Plaats veiligstellen: Op de vloer bij de keukendeur. (…)

SIN: AAHJ3065NL

Spooromschrijving: Brandrest

(…)

Plaats veiligstellen: Op de vloer bij de voordeur. (…)

SIN: AAHJ3062NL

Spooromschrijving: Vloeistof

(…)

Plaats veiligstellen: Monstername uit fles lampenolie. (…)

SIN: AAHJ3063NL

Spooromschrijving: Vloeistof

(…)

Plaats veiligstellen: Monstername uit fles alcohol.

Uitslag onder N.F.I.

(…)

De uitslag van het onderzoek is respectievelijk:

Sinnummer: AAHJ3064NL werd een deel van de vluchtige stof afkomstig van motorbenzine aangetoond en een deel van de vluchtige stof een aanwijzing voor de aanwezigheid van een paraffinisch-isoparaffinisch product;

Sinnummer: AAHJ3065NL er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine;

Sinnummer: AAHJ3062NL (monstername vloeistof) De vloeistof is een ontbrandbare vloeistof; het is een paraffinisch-isoparaffinisch product;

Sinnummr: AAHJ3063NL (monstername vloeistof) De vloeistof is een alcoholhoudende ontbrandbare vloeistof.

(…).”

3.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [naam 1] van 4 februari 2015, pagina 38 t/m 39, zakelijk weergegeven:

“(…) Een brand in een flatgebouw gaat gepaard met hoge risico’s. Dit is gelegen in het feit dat: - doorslag naar een hoger gelegen verdieping kan ontstaan; - veel rookontwikkeling optreedt; - veel omwonenden in de nabije omgeving geëvacueerd dienen te worden. Echter, door verbindingen in de meterkasten in de woningen kunnen rook en vlammen overslaan naar de bovenverdieping. (…).”

4.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [naam 2] van 4 februari 2015, pagina 34 t/m 35, zakelijk weergegeven:

“(…) Via de meterkast in de woning van mijn onderbuurman, [verdachte] is de brand of rook min of meer naar boven getrokken. In mijn woning is hierdoor rookschade ontstaan via de meterkast. (…).”

5.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [verdachte] , van 4 februari 2015, pagina 40 t/m 48, zakelijk weergegeven:

“(…) Ik heb ontzettend veel moeite gedaan voor die woning en alle spullen. En omdat er niks anders op zat en de politie op de deur stond te bonken, heb ik het laminaat in de brand gestoken. (…).”