Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3795

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
ak_15_1559 en ak_15_1560
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Toezending door CBR nieuwe inschrijvingsovereenkomst en opzegging huidige inschrijvingsovereenkomst; geen besluit in de zin van de Awb; rechtbank verklaart zich onbevoegd om van beroep en verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/1559 en AWB 15/1560

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] te Zwolle, eiser,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van februari 2015 heeft verweerder aan eiser een nieuwe inschrijvingsovereen-komst toegezonden en daarbij de huidige inschrijvingsovereenkomst van 19 september 2009 tussen het CBR en eiser met ingang van 1 augustus 2015 opgezegd.

Eiser heeft bij schrijven van 21 mei 2015 gereageerd.

Naar aanleiding van dit schrijven heeft verweerder eiser bij brief van 3 juli 2015 meegedeeld niet tegemoet te komen aan eisers bezwaren.

Eiser heeft tegen die brief van verweerder beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzienin-genrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Berkouwer, voornoemd, en door G.F. van Kouterik, werkzaam bij het CBR.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

Eiser is autorijschoolhouder in Zwolle. Op 19 september 2009 is het CBR met eiser

een inschrijvingsovereenkomst aangegaan.

2.2

Verweerder heeft eiser in februari 2015 een nieuwe inschrijvingsovereenkomst voorgelegd. De huidige inschrijvingsovereenkomst van 19 september 2009 wordt met

ingang van 1 augustus 2015 opgezegd.

2.3

Eiser wenst de nieuwe overeenkomst niet aan te gaan met het CBR, omdat hij zich

niet met de inhoud ervan kan verenigen. Aangezien de overeenkomst met ingang van

1 augustus 2015 is opgezegd, kan eiser vanaf die datum geen examens meer reserveren

via het reserveringssysteem van het CBR.

2.4

In het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verweerder vanwege uitstel van de zitting te kennen gegeven dat hij tot en met 19 augustus 2015 zal handelen of de beëindigde inschrijvingsovereenkomst met eiser voortduurt.

3.1

In dit geschil dient de voorzieningenrechter in de eerste plaats te beoordelen of hij bevoegd is om van het beroep van eiser en het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen.

3.2

In artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag.

3.3

Niet in geschil is dat bij de vervulling van de taken die de overheid aan het CBR heeft opgedragen sprake is van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Immers het onderzoek naar, en bij voldoening de afgifte van verklaringen van, de rijvaardigheid van gegadigden waarmee het CBR is belast, vormen een wezenlijk onderdeel van de regelgeving ter bescherming van de verkeersveiligheid. De zorg voor de veiligheid van het wegverkeer moet worden beschouwd als een taak van algemeen belang die behoort tot de kerntaken van de overheid. Het CBR is daarom in zoverre belast met de uitoefening van overheidsgezag.

3.4

In of op grond van de Wegenverkeerswet 1994 zijn geen regels gegeven die de inschrijving van rijschoolhouders bij het CBR regelen. Ter verzekering van een correcte uitvoering van zijn publieke taken heeft het CBR ervoor gekozen om zijn verhouding met

de rijschoolhouders nader te regelen door middel van een inschrijvingsovereenkomst.

De doelstelling van deze inschrijvingsovereenkomst is onder meer het vastleggen van

een aansprakelijkheidsverdeling bij schade die verband houdt met het praktijkexamen

en voorts onder meer het faciliteren van de rijschoolhouder in de vorm

van toegang tot het reserveringssysteem voor examens van het CBR en het geven van informatie over relevante ontwikkelingen.

3.5

Nu het CBR de bevoegdheid tot het aangaan van de inschrijvingsovereenkomst met de rijschoolhouders niet ontleent aan een bij of krachtens de wet gegeven grondslag, kan de opzegging ervan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hoewel het aangaan van de inschrijvingsovereen-komst met de rijschoolhouders nauw samenhangt met de uitvoering van de publiekrechtelijke taak van het CBR gaat het bij de opzegging van die overeenkomst dan ook om de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid.

3.6

Nu de beslissing tot opzegging van de huidige inschrijvingsovereenkomst tussen het CBR en eiser per 1 augustus 2015 geen publiekrechtshandeling inhoudt, kan deze niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep op grond van die wet mogelijk is. Weliswaar bepaalt artikel 13 van de huidige inschrijvingsovereenkomst van 19 september 2009 dat de rijschool binnen drie weken gemotiveerd bezwaar kan maken bij het CBR, doch hiermee wordt niet de bezwaar-procedure in de zin van hoofdstuk 6 en 7 van de Awb bedoeld.

4. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser en het daarmee verband houdende verzoek om voorlopige voorziening.

5. Eiser kan zijn vordering tegen verweerder voorleggen aan de burgerlijke rechter.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;

  • -

    verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningen-rechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.