Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3784

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
C/08/168829 / FA RK 15-525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst af het verzoek tot verlenging van de termijn waarin op de man een onderhoudsverplichting rust jegens de vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/168829 / FA RK 15-525

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 9 juli 2015

inzake

[verzoekster] [verzoekster],

verder te noemen: de vrouw

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.W. Haafkes te Hengelo (O),

en

[verweerder] [verweerder],

verder te noemen: de man

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. M.Th.M. Demmer.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 4 maart 2015;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op

30 april 2015.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 8 juni 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum 1] te Curaçao (Nederlandse Antillen) met elkaar gehuwd. Bij beschikking van [datum 2] heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 januari 2003 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2003 is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op € 776,-- per maand.

Vervolgens is deze bijdrage bij beschikking van 2 juni 2004 gewijzigd en bepaald op

€ 831,-- per maand. Deze beschikking is door het gerechtshof Arnhem vernietigd op

22 maart 2005,waarbij de bijdrage is bepaald op € 910,-- per maand.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 20 juni 2007 is de beschikking van gerechtshof Arnhem gewijzigd en is de bijdrage die de man dient te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 751,-- per maand.

Bij beschikking van 20 november 2013 van de rechtbank Overijssel is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud gewijzigd en per 1 juli 2013 vastgesteld op € 454,-- per maand.

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wettelijke termijn waarbinnen de man verplicht is om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te verlengen met vijftien jaar vanaf

22 januari 2015, dan wel met een andere termijn die de rechtbank rechtvaardig acht. De vrouw verzoekt de rechtbank om, bij toewijzing van de verlenging van de termijn, de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 471,33 per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht.

De vrouw stelt dat zij vanwege haar leeftijd, het feit dat ze in 2001 een TIA heeft gehad en zij al 19 jaar lijdt aan astma, niet van haar kan worden verwacht dat zij enige verdiencapaciteit heeft. Zij is ten tijde van het huwelijk en daarna afhankelijk geweest van het inkomen van de man. De vrouw en de man zijn 29 jaar getrouwd geweest. Vanwege haar huwelijk met de man heeft de vrouw, na negen jaar bij de politie te hebben gewerkt, haar baan opgezegd. Tijdens het huwelijk heeft zij gezorgd voor de vier kinderen. In juni 1976 is het gezin verhuisd van Curaçao naar Nederland, waardoor ze sociaal en financieel afhankelijk was van de man. Ten tijde van de echtscheiding hadden partijen een bedrag van € 60.000,-- gespaard. De vrouw wilde bij de echtscheiding van dat bedrag € 30.000,-- van de man ontvangen, maar de man heeft geweigerd dat bedrag aan haar te voldoen. Wanneer de man niet langer zou bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, dan zou dat voor de vrouw betekenen dat zij een inkomen gaat genieten rond bijstandsniveau. Tijdens het huwelijk is zij niet in staat geweest om een pensioen op te bouwen, dan wel om te sparen. Deze omstandigheden zijn zó bijzonder van aard dat beëindiging van de alimentatie niet van haar kan worden gevergd.

Voor wat betreft haar behoefte gaat de vrouw uit van de behoefte zoals die door de rechtbank op 20 juni 2007 is bepaald, te weten een bedrag van € 1.200,-- per maand (geïndexeerd thans € 1.378,16 per maand). Hierop strekt in mindering de netto AOW-uitkering van de vrouw van € 633,69 per maand, zodat een netto behoefte resteert van € 744,47 (bruto € 920,23, uitgaande van een belastingdruk van 19,1%). Hierop strekt de helft van het door de man gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen, zijnde een bedrag van € 448,90 bruto per maand, in mindering, zodat een bruto behoefte resteert van € 471,33 per maand. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man moet hij in staat worden geacht om een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4 Het verweer

De man verzoekt de rechtbank de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

De vrouw heeft tijdens het huwelijk haar eigen financiële afhankelijkheid gecreëerd door zonder overleg met de man ontslag te nemen. Sinds de echtscheiding heeft de vrouw niet de tering naar de nering gezet. Daarnaast stelt de man dat de vrouw € 80.000,-- heeft kunnen sparen. Hij betwist dat de vrouw een TIA heeft gehad. Volgens hem was er sprake van een beknelde zenuw en is de vrouw daar geheel van hersteld. De vrouw heeft in de afgelopen

12 jaar geen actie ondernomen om haar uitgavenpatroon aan te passen. De vrouw is, ook nadat de kinderen waren vertrokken, in de relatief dure eengezinswoning blijven wonen. Verder beschikt de vrouw over een nieuw aangeschafte auto. Gelet op deze omstandigheden is er geen reden voor verlenging van de onderhoudsverplichting. Mocht die er wel zijn, dan betwist de man de hoogte van de behoefte en meent hij dat ook het door de vrouw zelf opgebouwde pensioen en het rendement uit vermogen in de behoefteberekening moet worden betrokken. Mocht het behoefteverweer niet worden gehonoreerd, dan stelt de man dat het hem aan draagkracht ontbreekt om de alimentatiebijdrage te blijven voldoen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1

Op grond van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) eindigt de

verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van

12 jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de

registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat in dit geval de verplichting tot

levensonderhoud van rechtswege is geëindigd op 21 januari 2015.

5.2

Ingevolge artikel 1:157 lid 5 eerste volzin BW, kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is, niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

5.3

De rechtbank constateert dat het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur bij de rechtbank is ontvangen op 4 maart 2015 en daarmee binnen de in artikel 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek kan worden ontvangen is.

De verlenging van de onderhoudsverplichting van de man

5.4

Blijkens de wetsgeschiedenis is het uitgangspunt van de wetgever dat de alimentatie-verplichting na 12 jaar in beginsel eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien.

In het geval dat wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die met zich meebrengen dat de ingrijpende aard van de beëindiging van de partneralimentatie niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd.

5.5

Gelet op het vorenstaande mocht de man er in beginsel vanuit gaan dat de alimentatieverplichting na 12 jaar zou eindigen en mocht hij erop vertrouwen dat de vrouw er alles aan zou doen om na 12 jaar volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

5.6

De vrouw zal, nu zij, na een alimentatieverplichting van de man van 12 jaar, om verlenging van de alimentatietermijn verzoekt, moeten stellen en, in geval van betwisting, voldoende moeten onderbouwen dat grond voor de gevraagde verlenging bestaat. Zij zal moeten aantonen dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, met zich meebrengen dat beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit geval niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie van de vrouw, onder meer van belang zijn of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om financieel onafhankelijk te worden.

5.7

Allereerst dient evenwel de vraag aan de orde te worden gesteld of beëindiging van de onderhoudsverplichting voor de vrouw van ingrijpende aard is. Indien dit immers niet het geval is, dient het verzoek op die grond te worden afgewezen.

5.8

Direct vóór 21 januari 2015, zijnde de datum waarop de onderhoudsverplichting in beginsel van rechtswege is geëindigd, ontving de vrouw een AOW-uitkering van € 633,69 per maand, een partneralimentatie van bruto € 454,-- per maand en een pensioenuitkering van bruto € 448,90 per maand.

De beëindiging van de partneralimentatie betekent voor de vrouw een achteruitgang in inkomen van bruto € 454,-- per maand. De rechtbank is van oordeel dat het wegvallen van dit bedrag, gelet op de hoogte van de overige inkomstenbronnen, als een ingrijpende inkomensachteruitgang moet worden aangemerkt.

5.9

Nu is vastgesteld dat de beëindiging van de partneralimentatie voor de vrouw ingrijpende financiële gevolgen heeft, zal de rechtbank een oordeel moeten geven over de vraag of er aan de zijde van de vrouw sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de beëindiging van de partneralimentatie, naar maatstaven van

redelijkheid en billijkheid, niet van de vrouw kan worden gevergd.

5.10

De vrouw heeft gesteld dat zij in 2001 een TIA heeft gehad. De vrouw heeft ter staving van haar stelling geen (medische) stukken in het geding gebracht. Dat de vrouw een TIA zou hebben gehad, wordt door de man gemotiveerd betwist. De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande de stelling van de vrouw, als zijnde onvoldoende onderbouwd, passeren.

Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat zij al 19 jaar aan astma lijdt. Voor zover zij daarmee beoogt te stellen dat zij ten tijde van het huwelijk geen verdiencapaciteit had, overweegt de rechtbank dat partijen 29 jaar gehuwd zijn geweest en dat het huwelijk op 28 januari 2003 is ontbonden. Daaruit volgt dat de vrouw alleen gedurende de laatste 5 à 6 jaar van het huwelijk aan astma heeft geleden. De vrouw heeft gedurende het gehele huwelijk geen inkomen uit werk gegenereerd. De rechtbank acht het derhalve onwaarschijnlijk dat de vrouw, indien zij géén astma zou hebben gekregen, de laatste paar jaar van het huwelijk met het verrichten van werk een inkomen zou hebben verworven. Voor zover de vrouw beoogd heeft te stellen dat zij thans ten gevolge van de astma geen verdiencapaciteit heeft, overweegt de rechtbank dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat een eventueel gebrek aan verdiencapaciteit geen rol meer speelt.

Het feit dat het huwelijk 29 jaar heeft geduurd en dat de vrouw voornamelijk voor de kinderen heeft gezorgd, leveren op zichzelf geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verplichting tot het betalen van partneralimentatie zou moeten worden verlengd.

5.11

Van de vrouw mag worden verwacht dat zij in de periode van 12 jaar waarin zij partneralimentatie heeft ontvangen alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, met inachtneming van haar leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond.

De rechtbank oordeelt dat vrouw hieraan niet heeft voldaan en overweegt als volgt.

5.12

In dat verband overweegt de rechtbank dat:

- ten tijde van de echtscheiding het jongste kind van partijen bijna 23 jaar was, zodat er geen dagelijkse zorgplicht voor de vrouw was en zij pogingen had kunnen ondernemen om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Van eventuele sollicitaties is niets gesteld of gebleken.

- de vrouw niet heeft betwist dat zij, ook nadat alle kinderen de voormalige echtelijke woning hadden verlaten, in deze eengezinswoning is blijven wonen. Door in een goedkopere woning te gaan wonen had de vrouw huurkosten kunnen besparen.

- de vrouw niet heeft betwist dat zij een nieuwe auto heeft gekocht. Zij heeft gesteld dat zij die auto in vier een half jaar heeft afbetaald. De vrouw heeft evenwel niet gesteld dat het voor haar noodzakelijk was om een nieuwe auto, aan te schaffen. De vrouw had er ook voor kunnen kiezen om in plaats van een nieuwe auto een tweedehands auto aan te schaffen en het op die wijze bespaarde bedrag aan te wenden voor haar levensonderhoud.

- de vrouw stelt dat de man nooit de wettelijke indexering over de door hem verschuldigde partneralimentatie heeft voldaan, zodat een betalingsachterstand is ontstaan. Deze achterstand bedraagt over de laatste vijf jaar ongeveer € 4.000,--. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw haar aanspraak op de wettelijke indexering van de door de man verschuldigde partneralimentatie, gedurende een periode van 12 jaar niet heeft gevorderd. Aangezien volgens de vrouw met die indexering alleen al over de laatste vijf jaar een bedrag van € 4.000,-- is gemoeid, had zij gedurende de 12 jaar dat de alimentatieverplichting bestond, veel meer inkomsten kunnen verwerven dan zij heeft gedaan.

- de vrouw stelt dat partijen ten tijde van de echtscheiding een bedrag van

€ 60.000,-- hadden gespaard en dat zij de helft van dat bedrag van de man wilde ontvangen, maar dat de man geweigerd heeft dit te betalen. Aangezien partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd had de vrouw de verdeling van dit bedrag in rechte kunnen bewerkstelligen en daarmee over een vermogen kunnen beschikken, waarmee zij in haar eigen levensonderhoud had kunnen voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de vrouw gelegen om daartoe de nodige maatregelen te treffen. Dat zij dit niet gedaan heeft komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar rekening en risico.

Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw in de periode van 12 jaar waarin zij

partneralimentatie heeft ontvangen niet alles gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

5.12

Met betrekking tot de terugval in inkomen van de vrouw overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de alimentatie hebben partijen diverse procedures gevoerd die tot verschillende onderhoudsverplichtingen hebben geleid. Als laatste is bij beschikking van

20 november 2013 de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw gewijzigd en is deze met ingang van 1 juli 2013 vastgesteld op een bedrag van € 454,--per maand. Deze laatste wijziging hield verband met het feit dat de man vanaf 1 juli 2013 pensioen ontvangt en de vrouw recht heeft op het vereveningsdeel, dat op die datum € 448,90 bruto per maand bedroeg. Aangezien de vrouw op dat moment ook nog een AOW-uitkering van € 624,76 ontving, heeft zij gedurende ongeveer anderhalf jaar een veel hoger inkomen gehad dan in de jaren daarvoor. Door het vervallen van de partneralimentatie komt haar inkomen weer op ongeveer hetzelfde niveau als in de periode tussen 1 maart 2007 en 1 juli 2013.

Verder overweegt de rechtbank dat de vrouw de nadelige invloed van de inkomensachteruitgang kan beperken, aangezien zijn nog aanspraak maakt op de wettelijke indexering over de alimentatie, zijnde een bedrag van in totaal ongeveer
€ 4.000,--, waarvan de betaling tot op heden achterwege is gebleven.

5.13

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

De proceskosten

5.14

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

I wijst af het verzoek van de vrouw tot verlenging van de termijn om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien;

II compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015 in tegenwoordigheid van J.H.A.L. Koelen-Goosink, griffier.